Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:4833

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
25-01-2013
Datum publicatie
16-08-2013
Zaaknummer
17/885052-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak poging doodslag. De rechtbank veroordeelt verdachte voor poging zware mishandeling tot een taakstraf, bestaande uit 120 uren werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 45
Wetboek van Strafrecht 302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 17/885052-12

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 25 januari 2013 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 11 januari 2013.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.J.P.M. Grijmans, advocaat te Bolsward.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 08 augustus 2011 te Sneek, (althans) in de gemeente Súdwest Fryslân, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] (met kracht) tegen het gezicht/hoofd (ter hoogte van de slaap) heeft geschopt/getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 45 jo. 302 lid 1/287 Wetboek van strafrecht)

Subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij op of omstreeks 08 augustus 2011 te Sneek, (althans) in de gemeente Súdwest Fryslân, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), (met kracht) tegen het gezicht/hoofd (ter hoogte van de slaap) heeft geschopt/getrapt en/of heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

(artikel 300 lid 1 Wetboek van strafrecht)

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

  • -

    veroordeling voor het primair ten laste gelegde;

  • -

    oplegging van een werkstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen vervangende hechtenis, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

Beoordeling van het bewijs

1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het primair ten laste gelegde, een poging tot doodslag, gevorderd. Hij heeft hiertoe onder meer aangevoerd dat de verklaringen van aangever en [getuige] meer geloofwaardig zijn dan de verklaringen van verdachte en zijn schoonzoon.

Door aangever tegen het hoofd te schoppen heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op de dood van aangever aanvaard, aldus de officier van justitie.

2.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaringen van aangever en [getuige] niet betrouwbaar zijn, omdat tussen deze verklaringen significante verschillen zitten. Daarom dienen deze verklaringen uitgesloten te worden van het bewijs en is er onvoldoende wettig bewijs dat verdachte aangever tegen zijn hoofd heeft geschopt. Op grond hiervan dient verdachte vrijgesproken te worden van het primair ten laste gelegde, aldus de raadsman.

De raadsman heeft voorts vrijspraak bepleit van het subsidiair ten laste gelegde, nu verdachte weliswaar heeft bekend dat hij iemand heeft geslagen, maar niet vaststaat dat dit [slachtoffer] is geweest, zoals aan verdachte is ten laste gelegd.

3.

Oordeel van de rechtbank

3.1

Betrouwbaarheid verklaringen

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Verklaringen dienen te worden beoordeeld op consistentie, accuraatheid en volledigheid. Het enkele feit dat in getuigenverklaringen op punten tegenstrijdigheden voorkomen, maakt deze verklaringen op zichzelf nog niet onbetrouwbaar. Dit kan immers te wijten zijn aan de feilbaarheid van het menselijk geheugen, al dan niet teweeggebracht onder invloed van emoties door het delict. Het gaat om de totale indruk die de verklaringen maken en de wijze waarop zij zijn afgelegd.

De rechtbank stelt op basis van het onderzoek ter terechtzitting vast dat [slachtoffer] en de [getuige] kort na het voorval zijn gehoord door twee verschillende verbalisanten. Deze verklaringen komen in de hoofdlijn overeen: aangever wilde vanuit de rubberboot op de wal klimmen en is toen door de persoon die voldoet aan het signalement van verdachte tegen zijn hoofd geschopt. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van deze verklaringen te twijfelen. De op ondergeschikte punten voorkomende verschillen in de verklaringen maken dit niet anders. De rechtbank neemt derhalve deze verklaringen als uitgangspunt.

3.2

Bewijsmiddelen

De rechtbank past de hierna te noemen bewijsmiddelen1 toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder weergegeven.

1.

De verklaring van verdachte2, inhoudende:

Ik was op 8 augustus 2011 in Sneek. [naam] heeft een kruiser losgemaakt en toen riepen een aantal jongens aan de overkant van het water naar ons. Ik ben toen naar die jongens toe gegaan om verhaal te halen. De kade was minimaal 1:40 meter hoog.

2.

De verklaring van verdachte3, inhoudende:

Ik droeg een wit T-shirt met daarop een sticker van Flugel. Ik heb een snor welke doorloopt in een soort sik.

3.

De verklaring van [slachtoffer]4, inhoudende:

Ik zat op 8 augustus 2011, rond een uur of twee, in een rubberbootje in het water te Sneek, in de gemeente Súdwest Fryslân. Onze kruiser ligt ook aan die kade. Ik zag toen dat twee mannen een andere kruiser hadden losgegooid, die aan de andere kant lag. Ik heb er wat van gezegd vanuit ons bootje. De mannen kwamen toen naar onze kant toe lopen. Ik wilde toen vanuit de rubberboot op de kade klimmen. De kade zit een stuk hoger dan het water. Ik werd toen door een van de mannen vol tegen mijn gezicht getrapt, terwijl ik op de kade wilde klimmen. De man raakte me aan mijn rechterkant, ter hoogte van mijn slaap. De trap deed mij pijn en werd met kracht uitgedeeld.

Ik kan de man die mij trapte als volgt omschrijven. Hij was blank, ongeveer 45 jaar oud, hij droeg een wit shirt met daarop de 'Flugel'-afbeelding en hij had een soort sikje.

4.

De verklaring van [getuige]5, inhoudende:

Op 8 augustus 2011, omstreeks 02:00 uur, bevond ik mij op mijn boot die aangemeerd ligt aan de Koopmansgracht te Sneek. Aan de andere kant van de gracht lagen ook een aantal boten afgemeerd. Ik zag op een gegeven moment dat er een tweetal personen bij één van de boten wegliepen. Ik vermoed dat deze personen de boot van de wal hadden losgemaakt want ik zag dat deze langzaam van de wal loskwam. Toen wij opmerkingen maakten over het losmaken van de boot zag ik dat beide mannen de brug over kwamen lopen en naar ons toe kwamen. Mijn vriend [slachtoffer] bevond zich op dat moment in de rubberboot die naast mijn boot lag. Ik zag dat - terwijl mijn vriend [slachtoffer] uit zijn rubberboot de wal op wilde klimmen - hij kennelijk opzettelijk en met kracht door de ongeveer 45-jarige man met het witte T-shirt met daarop een sticker geplakt met het 'Flugel'-logo tegen het hoofd werd geschopt. Deze persoon stond nog op de wal bij onze boot.

5.

De verklaring van [naam]6, inhoudende:

Het verschil tussen het rubberbootje en de kade was wel meer dan één tot anderhalve meter.

3.3

Juridische kwalificatie

Aan verdachte is primair een poging tot doodslag, dan wel een poging tot zwaar lichamelijk letsel ten laste gelegd.

De rechtbank stelt op grond van voornoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte aangever tegen zijn hoofd, ter hoogte van de slaap, heeft geschopt, terwijl aangever zich in een rubberboot bevond en verdachte op de hoger gelegen wal stond. Het hoogteverschil was ongeveer één tot anderhalve meter.

Het opzettelijk schoppen tegen iemands hoofd kan de dood veroorzaken. De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijke opzet op een bepaald gevolg aanwezig is, indien de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Of in een concreet geval sprake is van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van verdachte geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval, waarbij de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht van belang zijn. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg heeft aanvaard.

De rechtbank overweegt dat uit de verklaringen niet is komen vast te staan met hoeveel kracht en met welk soort schoeisel tegen het hoofd van het slachtoffer is getrapt. Daarbij heeft de rechtbank mede acht geslagen op het feit dat uit de verklaringen van aangever en [getuige] slechts blijkt van pijn bij aangever en dat enig letsel niet uit de bewijsmiddelen kan blijken. Derhalve kan niet worden vastgesteld dat door het trappen tegen het hoofd van het slachtoffer de aanmerkelijke kans op diens dood bestond en dat verdachte die aanmerkelijke kans had voorzien en heeft aanvaard. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag.

Wel komt de rechtbank, op basis van voornoemde bewijsmiddelen, tot een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling. Verdachte heeft door te trappen tegen het hoofd van aangever, alwaar zich kwetsbare delen bevinden, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

De rechtbank zal verdachte dan ook veroordelen voor een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij op 8 augustus 2011 te Sneek, in de gemeente Súdwest Fryslân, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] tegen het gezicht ter hoogte van de slaap heeft getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Primair: Poging tot zware mishandeling.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.


Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

  • -

    de aard en de ernst van het gepleegde feit;

  • -

    de omstandigheden waaronder dit is begaan;

  • -

    de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit de justitiële documentatie en het reclasseringsadvies d.d. 21 september 2012;

  • -

    de vordering van de officier van justitie;

  • -

    het pleidooi van de raadsman.

Verdachte heeft zich tijdens de Sneekweek van 2011 schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door een persoon tegen het hoofd te schoppen. Aanleiding hiervoor waren opmerkingen die het latere slachtoffer maakte in de richting van verdachte en de toenmalige vriend van zijn dochter over een boot die door één van hen was losgemaakt. Verdachte heeft aangegeven dat zijn forse alcoholgebruik en zijn gevoeligheid voor bepaalde scheldwoorden van invloed is geweest op zijn agressieve gedrag. Het spreekt voor zich dat wat de aard of inhoud van de opmerkingen ook geweest mag zijn, dit geen enkele rechtvaardiging voor het door verdachte gepleegde geweld kan zijn. Het is enkel aan het toeval te danken dat het slachtoffer er relatief goed van af is gekomen en voor zover bekend geen letsel heeft opgelopen.

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met een uittreksel uit het justitieel documentatieregister, waaruit blijkt dat verdachte eerder tot geldboetes is veroordeeld voor bedreiging en mishandeling, waarbij wordt opgemerkt dat de mishandeling meer dan tien jaar geleden heeft plaatsgevonden.

Het reclasseringonderzoek heeft geen probleemgebieden aan de orde gebracht en de kans op herhaling wordt als laag ingeschat. Risicofactoren zijn het incidentele overmatige alcoholgebruik van verdachte en het feit dat hij zich, voor wat betreft zijn emoties, soms gemakkelijk laat leiden door externe situaties. Als beschermende factoren worden de maatschappelijke positie van verdachte als echtgenoot, vader en zelfstandig ondernemer beschouwd. Volgens de reclassering is toezicht op bijzondere voorwaarden of het aanbieden van gedraginterventies niet geïndiceerd.

Alles afwegend, en rekening houdend met het tijdsverloop sinds het feit, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd dienen te worden van na te noemen duur. De hoogte van deze straf valt lager uit dan door de officier van justitie is gevorderd omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring is gekomen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Een werkstraf, bestaande uit het verrichten van 120 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de resterende door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd in mindering zal worden gebracht op de opgelegde werkstraf naar de maatstaf van 2 uren per dag voorlopige hechtenis.

Een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

Bepaalt, dat deze gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.R. de Vries, voorzitter, mr. W.S. Sikkema en mr. N.A. Vlietstra, rechters, bijgestaan door mr. E. de Vries-Haitsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 januari 2013.

w.g.

de Vries

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Sikkema

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

Vlietstra

locatie Leeuwarden,

de Vries-Haitsma

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 17/885052-12

proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de meervoudige strafkamer in bovengenoemde rechtbank op 11 januari 2013

Tegenwoordig:

mr. M.R. de Vries, voorzitter,

mr. W.S. Sikkema en mr. N.A. Vlietstra, rechters,

mr. S.T. Kooistra, officier van justitie en

mr. E. de Vries-Haitsma, griffier.

De voorzitter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.

De voorzitter belast de oudste rechter met de leiding van het onderzoek.

De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de oudste rechter te zijn genaamd:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. G.J.P.M. Grijmans, advocaat te Bolsward.

……

De oudste rechter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van de rechtbank de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 25 januari 2013 te 13:30 uur.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en ondertekend door de voorzitter en de griffier.

1 De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed en door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt; de genoemde pagina's bevinden zich in het doorgenummerde proces-verbaal met OPS-dossiernummer 2011083577, gesloten op 27 september 2011.

2 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 11 januari 2013.

3 De verklaring van verdachte, afgelegd tegenover de politie op 8 augustus 2011, pagina 15.

4 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer], d.d. 8 augustus 2011, pagina 6 en 7.

5 Het proces-verbaal van aangifte door [getuige], d.d. 8 augustus 2011, pagina 9 en 10.

6 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam], d.d. 8 augustus 2011, pagina 19.