Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:4212

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
25-06-2013
Datum publicatie
10-07-2013
Zaaknummer
AWB LEE 12/2056
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Einduitspraak na tussenuitspraak. Onttrekking weg aan openbaar verkeer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling bestuursrecht

locatie Leeuwarden

zaaknummer: AWB LEE 12/2056

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2013 in de zaak tussen

de maatschap [naam] en [naam], te [vestigingsplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. W.R. Kamminga, advocaat te Oosterwolde),

en

de raad van de gemeente Boarnsterhim, verweerder

(gemachtigde: P. de Hoop, werkzaam bij de gemeente Boarnsterhim).

Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2012 (hierna: het bestreden besluit), voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, heeft verweerder het pad vanaf de Prikwei over de percelen kadastraal bekend onder de nummers Oldeboorn sectie A 734, Oldeboorn sectie A767 en Oldeboorn sectie B747 (hierna: het pad) onttrokken aan het openbaar verkeer.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2012. Namens eiseres zijn haar maten [naam] en [naam] verschenen, bijgestaan door voornoemde gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door H.E. Lourens, werkzaam als projectleider bij de Dienst Landelijk Gebied.

De Wet Herziening Gerechtelijke Kaart is op 1 januari 2013 in werking getreden. De rechtbanken Assen, Groningen en Leeuwarden vormen met ingang van die datum tezamen de nieuwe rechtbank Noord-Nederland. Het rechtsgebied van deze rechtbank beslaat de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen. De zaak wordt daarom verder behandeld en beslist door de rechtbank Noord-Nederland.

De rechtbank heeft op 7 maart 2013 een tussenuitspraak gedaan. In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank geconstateerd dat aan het bestreden besluit een gebrek kleeft en verweerder in de gelegenheid gesteld dit gebrek te (laten) herstellen.

Bij brief met bijlagen van 11 april 2013 heeft verweerder een nadere motivering gegeven van het bestreden besluit. Bij brief met bijlagen van 8 mei 2013 heeft eiseres gereageerd op de nadere motivering.

De rechtbank heeft afgezien van een nader onderzoek ter zitting. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.

De rechtbank verwijst voor het beoordelingskader en een uiteenzetting van de feiten naar de tussenuitspraak van 7 maart 2013.

2.1

De rechtbank heeft in overweging 6.3 van de tussenuitspraak een uitdrukkelijke beslissing zonder voorbehoud gegeven over de vraag of de bereikbaarheid van de aan het pad gelegen percelen van eiseres door de wegonttrekking zodanig wordt beperkt dat verweerder om die reden niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen of dat verweerder het ten gevolge van dat besluit door eiseres geleden nadeel had moeten vergoeden. Ook heeft de rechtbank in deze overweging een uitdrukkelijke beslissing zonder voorbehoud gegeven over de vraag of de extra onderhoudskosten van het betonpad van eiseres en de gewassenschade ten gevolge van de wegonttrekking zodanig hoog zijn dat deze kosten en schade in redelijkheid niet voor rekening van eiseres kunnen worden gelaten. De rechtbank heeft deze beide vragen ontkennend beantwoord. Voorts heeft de rechtbank in deze overweging een uitdrukkelijke beslissing zonder voorbehoud gegeven over de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten om het pad aan het openbaar verkeer te onttrekken, ook zonder de extra onderhoudskosten en gewassenschade te compenseren. De rechtbank heeft deze vraag bevestigend beantwoord.

2.2

In de brief van 8 mei 2013 heeft eiseres de in de overweging vermelde beslissingen betwist.

2.3

Deze in de tussenuitspraak gegeven uitdrukkelijke beslissingen zonder voorbehoud zijn eindbeslissingen waarop de rechtbank slechts kan terugkomen indien sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden in de zin van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) of indien sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden. Eiseres heeft in de brief van 8 mei 2013 geen nieuwe feiten of omstandigheden in de zin van artikel 8:88 aangevoerd. Ook is de rechtbank niet gebleken van zeer uitzonderlijke omstandigheden. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om terug te komen op de in overweging 6.3 van de tussenuitspraak gegeven eindbeslissingen.

3.

In overweging 7.3 van de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of het bestreden besluit voor eiseres leidt tot onevenredig nadeel ten gevolge van waardevermindering van de aan het pad gelegen percelen van eiseres. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom dit uit het bestreden besluit voortvloeiende nadeel niet onevenredig is en (geheel) voor rekening van eiseres moet blijven. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen.

4.

Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek in het bestreden besluit is het beroep gegrond en moet het bestreden besluit worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Hierna zal de rechtbank onderzoeken of verweerder het geconstateerde gebrek heeft hersteld en daarom aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten.

5.

In de brief met bijlagen van 11 april 2013 heeft verweerder een nadere motivering gegeven van het bestreden besluit. Verweerder heeft aangevoerd dat de door eiseres gestelde waardevermindering tot een bedrag van € 5.000,00 per hectare is gebaseerd op een schatting zonder een enkele financiële onderbouwing. Verder heeft verweerder erop gewezen dat 11 hectare van de door eiseres genoemde 17,5 hectare is ingebracht door Romkema en dat deze grond dus pas bij de toedeling in het kader van de ruilverkaveling aan eiseres is toegewezen. De doelstelling van de ruilverkaveling is geweest om zoveel mogelijk huiskavels te realiseren. Hiervoor zijn door verschillende bedrijven meerdere kavels ingebracht die in een later stadium weer aan bedrijven zijn toegewezen. In dit kader heeft Romkema een aantal aan het pad gelegen percelen ingebracht. Ook eiseres heeft een aantal kavels ingebracht, waaronder ook kavels die niet aan het pad zijn gelegen. Bij de toedeling heeft eiseres een aantal percelen met een totale oppervlakte van 11 hectare toegewezen gekregen die aan het pad liggen. Op zijn beurt heeft Romkema een perceel van Miedema van 3 hectare toegewezen gekregen dat geen ontsluiting naar de openbare weg heeft. Wat dat perceel betreft zou Romkema benadeeld worden ten opzichte van eiseres, aldus verweerder. De winst zit er volgens verweerder in dat Romkema, evenals eiseres, hier meer huiskavels voor terug heeft ontvangen. Volgens verweerder is het einde zoek wanneer de doelstelling compensatie van waardevermindering van percelen door veranderende omstandigheden zou moeten zijn. Dit is volgens verweerder ook niet gebruikelijk in een ruilverkaveling. Verder heeft verweerder aangevoerd dat de reden waarom hij niet heeft onderzocht of er daadwerkelijk nadeel zou optreden, is gelegen in de veranderde situatie ten aanzien van huiskavels na de ruilverkaveling ten aanzien van de situatie voor de ruilverkaveling. Verweerder wijst erop dat de noodzaak om van het pad gebruik te maken, is komen te vervallen doordat alle kavels vanaf het bedrijf bereikbaar zijn. Ook lopen de eigenaren van de percelen waar het pad langs loopt, indien het pad blijft bestaan, bij veeziektes een groter risico ten gevolge van de extra verkeersbewegingen over het pad door extern landbouwverkeer. Dit heeft verweerder tot de conclusie gebracht dat de door eiseres gestelde waardevermindering niet leidt tot onevenredig nadeel voor eiseres. Daarom heeft verweerder het bestreden besluit gehandhaafd.

6.

Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder haar ten onrechte geen schadevergoeding heeft toegekend voor de schade die zij ten gevolge van de wegonttrekking zal lijden, indien zij de aan het pad gelegen percelen verkoopt. Daartoe heeft zij aangevoerd dat aan een openbare weg gelegen percelen meer waard zijn dan percelen die niet aan een openbare weg zijn gelegen. In dit kader heeft eiseres verwezen naar het rapport van Agri Vastgoed van 23 augustus 2012. Agri Vastgoed heeft deze schade geschat op € 87.500,00 (17,5 hectare à € 5.000,00 per hectare). In reactie op de brief van 11 april 2013 heeft eiseres aangevoerd dat de door haar gestelde schade niet wordt veroorzaakt door de ruilverkaveling, maar door de wegonttrekking. Eiseres heeft gesteld dat zij door de wegonttrekking bijna geen mogelijkheid meer heeft om een aan de openbare weg gelegen stuk weiland te verkopen. Volgens eiseres is hier door verweerder niet over nagedacht en heeft verweerder dit niet onderzocht. Ook uit de brief van 11 april 2013 blijkt volgens eiseres niet dat verweerder een deugdelijk onderzoek naar de schade heeft gedaan. Ook heeft verweerder het bestreden besluit volgens eiseres in deze brief nog steeds niet deugdelijk gemotiveerd.

7.

In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat verweerder om het gebrek te herstellen moet onderzoeken of de wegonttrekking leidt tot waardevermindering van de aan het pad gelegen percelen van eiseres en of dit voor eiseres tot onevenredig nadeel leidt. Daarbij dient verweerder in te gaan op het rapport van Agri Vastgoed van 23 augustus 2012. Indien de waardevermindering leidt tot onevenredig nadeel, dient verweerder te onderzoeken of dit aanleiding geeft om af te zien van de wegonttrekking en, indien verweerder de wegonttrekking wenst te handhaven, dient verweerder ervoor te zorgen dat de onevenredige nadelige gevolgen worden gecompenseerd. Voorts heeft de rechtbank in de tussenuitspraak overwogen dat verweerder de conclusies die hij op basis van dit onderzoek trekt deugdelijk moet motiveren.

8.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet aan deze opdracht heeft voldaan en dat verweerder het gebrek in het bestreden besluit door middel van de brief met bijlagen van 11 april 2013 niet heeft hersteld. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze brief met bijlagen niet dat verweerder heeft onderzocht of de wegonttrekking leidt tot waardevermindering van de aan het pad gelegen percelen van eiseres en of dit voor eiseres tot onevenredig nadeel leidt. Verweerder is met name ingegaan op de doelstelling en de gevolgen van de ruilverkaveling. Zoals eiseres echter terecht heeft aangevoerd, wordt de door haar gestelde schade niet veroorzaakt door de ruilverkaveling maar door de wegonttrekking. De ruilverkaveling heeft immers niet tot gevolg dat de desbetreffende percelen niet langer aan de openbare weg liggen. Dit wordt veroorzaakt door de wegonttrekking. Dat eiseres ten gevolge van de ruilverkaveling meer huiskavels heeft gekregen, betekent niet dat zij geen onevenredig nadeel lijdt ten gevolge van de wegonttrekking. Verder is verweerder niet ingegaan op het rapport van Agri Vastgoed.

9.

Zoals de rechtbank in de tussenuitspraak heeft overwogen, is een wegonttrekking een normale maatschappelijke ontwikkeling, waarmee een ieder kan worden geconfronteerd. De nadelige gevolgen van dergelijke maatregelen kunnen dan ook in beginsel voor rekening van de betrokkenen worden gelaten. Er kunnen zich evenwel feiten en/of omstandigheden voordoen, waardoor een individueel belang door een dergelijke maatregel zodanig zwaar wordt getroffen, dat het eruit voortvloeiende nadeel niet, althans niet geheel voor rekening van de betrokkene gelaten mag worden. Eiseres heeft aangevoerd dat de wegonttrekking leidt tot een waardevermindering van haar percelen van in totaal € 87.500,00. Zij heeft deze stelling onderbouwd met het rapport van Agri Vastgoed. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de brief met bijlagen van 11 april 2013 niet aannemelijk gemaakt dat de door eiseres gestelde waardevermindering niet juist is. Ook heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet deugdelijk gemotiveerd waarom het redelijk is de gestelde waardevermindering van € 87.500,00 (geheel) voor rekening van eiseres te laten.

10.

Gelet op het voorgaande en hetgeen is overwogen in de tussenuitspraak (met name in de overwegingen 7.1, 7.2, 7.3 en 9.), is de rechtbank van oordeel dat verweerder (nog steeds) onvoldoende heeft onderzocht of het bestreden besluit voor eiseres leidt tot onevenredig nadeel en (nog steeds) niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het gestelde, uit het bestreden besluit voortvloeiende nadeel (geheel) voor rekening van eiseres moet blijven.

11.

Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat geen aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten. Nu het bestreden besluit een (met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure voorbereid) primair besluit is en het geen besluit op aanvraag betreft, zal de rechtbank volstaan met het vernietigen van het bestreden besluit (de wegonttrekking). Deze vernietiging laat onverlet dat verweerder een nieuw besluit tot onttrekking aan het openbaar verkeer van het pad kan nemen. Indien verweerder daartoe besluit, dient hij daarbij deze uitspraak in acht te nemen.

12.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

13.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.180,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor schriftelijke zienswijze na bestuurlijke lus; met een waarde per punt van € 472,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 310,00 aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.180,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van mr. F.F. van Emst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

fn 14