Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:4140

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
20-06-2013
Datum publicatie
08-07-2013
Zaaknummer
AWB LEE 13/1283
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Aanleg uitweg. Geen weigeringsgronden. Afwijzing schorsingsverzoek.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling bestuursrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer: AWB LEE 13/1283

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 juni 2013 in de zaak tussen

[naam] en 15 anderen,

allen wonende te [woonplaats],

verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Smallingerland,

verweerder,

gemachtigde: mr. J. Boersma, werkzaam bij de gemeente Smallingerland.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Stichting De Bijzondere Onderneming (hierna: de stichting), gevestigd te Drachten.

Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2013 heeft verweerder aan de stichting een omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van een uitweg op de locatie [straat en huisnummer] te [plaats].

Tegen dit besluit hebben verzoekers, allen wonende aan de [straat waarop de uitweg uitkomt], bezwaar gemaakt bij verweerder. Tevens hebben zij op 23 april 2013 de voorzieningenrechter verzocht het besluit van 6 maart 2013 te schorsen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2013. Verzoekers [naam], [naam], [naam], [naam] en [naam] zijn verschenen. Namens verzoekers heeft [naam], bijgestaan door [naam], het woord gevoerd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De stichting is verschenen bij haar directeur [naam].

Overwegingen

1.

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.

Ter zitting heeft verweerder de vraag opgeworpen of verzoekers of een aantal verzoekers wel als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij het besluit van 6 maart 2013 kunnen worden aangemerkt. De voorzieningenrechter gaat voorbij aan deze vraag en oordeelt dat verweerder deze vraag dient te beantwoorden in het kader van de bezwaarschriftprocedure. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat partijen het erover eens zijn dat in ieder geval twee verzoekers, te weten [naam] en [naam], wonende aan de [straat waarop de uitweg uitkomt] [huisnummer], belanghebbende zijn bij het besluit van 6 maart 2013. De voorzieningenrechter zal daarom een inhoudelijk oordeel geven over het schorsingsverzoek.

3.

Voor zover de beoordeling van het schorsingsverzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak, in dit geval het bezwaarschrift, wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter. Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter luidt dat het besluit van 6 maart 2013 in bezwaar geen stand zal houden.

4.

De uitweg waarvoor verweerder een omgevingsvergunning heeft verleend, houdt verband met de bouw van zorgcomplex De Bijzondere Onderneming (DBO). Om de bouw van dit complex mogelijk te maken, heeft de gemeenteraad van Smallingerland op 3 juli 2012 een nieuw bestemmingsplan vastgesteld, het "Bestemmingsplan De Bijzondere Onderneming te Rottevalle". Dit bestemmingsplan vormt het thans geldende planologische regime. Het bestemmingsplan staat in planologisch opzicht een uitweg op de bewuste locatie toe. Verzoekers vechten dit bestemmingsplan weliswaar aan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), maar zij hebben de voorzitter van de AbRS niet verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit betekent dat de werking van het bestemmingsplan niet is opgeschort. De voorzieningenrechter wijst op het bepaalde in artikel 8.4 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

5.

Uit artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) volgt dat voor het aanleggen van een uitweg een omgevingsvergunning vereist is. Uit deze bepaling, in samenhang gelezen met artikel 2.18 van de Wabo, volgt dat een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een uitweg slechts verleend of geweigerd kan worden op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening. In het onderhavige geval betreft dat de Algemene Plaatselijke Verordening Smallingerland (hierna: de APV).

6.

Op grond van artikel 2.12, derde lid, van de APV Smallingerland kan een vergunning voor een uitweg worden geweigerd in het belang van:

  1. de bruikbaarheid van de weg;

  2. het veilig en doelmatig gebruik van de weg;

  3. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving.

7.

Volgens vaste jurisprudentie van de AbRS, onder de meer uitspraak van 13 april 2005, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder LJN: AT3708, strekt het in de APV neergelegde vergunningsstelsel ter bescherming van specifiek genoemde belangen. Dit betekent voor het onderhavige geval dat de omgevingsvergunning voor de uitweg alleen geweigerd kan worden op één van de in artikel 2.12, derde lid, van de APV genoemde gronden. De omgevingsvergunning voor de uitweg kan dus niet geweigerd worden op de grond dat verzoekers het bestemmingsplan aanvechten bij de AbRS.

8.

Anders dan in het verzoekschrift en in het bezwaarschrift, zijn verzoekers bij faxbericht van 14 juni 2013 ingegaan op de weigeringsgronden van artikel 2.12, derde lid, van de APV. Verzoekers stellen zich op het standpunt dat de omgevingsvergunning voor de uitweg geweigerd moet worden in het belang van de bruikbaarheid en het veilige en doelmatige gebruik van de [straat waarop de uitweg uitkomt]. Bovendien wordt volgens verzoekers door de uitweg het uiterlijk aanzien van de omgeving ernstig beïnvloed. De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekers deze stellingen, behoudens hun eigen visie, niet hebben onderbouwd. Van weigeringsgronden als bedoeld in artikel 2.12, derde lid, van de APV is de voorzieningenrechter dan ook niet gebleken.

9.

Uit het voorgaande volgt dat de voorzieningenrechter verwacht dat de omgevingsvergunning voor de uitweg in bezwaar stand zal houden. Voor het schorsen van de omgevingsvergunning bestaat dus geen aanleiding, zodat het schorsingsverzoek zal worden afgewezen.

10.

Op de bij het besluit van 6 maart 2013 behorende tekening is de uitweg waarvoor de omgevingsvergunning is verleend rood omcirkeld. Ter zitting hebben verzoekers aan de hand van deze tekening gewezen op een aantal andere, al bestaande, uitritten en er op aangedrongen dat in de uitspraak tot uitdrukking gebracht wordt dat deze uitritten moeten worden verwijderd. De voorzieningenrechter gaat voorbij aan dit verzoek, omdat het de omvang van het onderhavige geding te buiten gaat. In deze zaak gaat het immers uitsluitend om de vraag of verweerder een omgevingsvergunning voor de door de stichting gewenste uitweg ter hoogte van de [straat en huisnummer] kon verlenen.

11.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het schorsingsverzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Leegsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2013.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.

fn 24