Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:3918

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
25-06-2013
Datum publicatie
01-11-2013
Zaaknummer
17-880066-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

3918

De veroordeelde maakte uit deel uit van een gezin die Roemeense landgenoten, waaronder twee minderjarige vrouwen, die tevens de vriendinnen waren van de beide broers, kranten verkopen. De opbrengst van die krantenverkopen moesten zij dan afdragen. De minderjarige vrouwen moesten na dagelijkse werk als krantenverkoopsters ook de huishoudelijke taken voor hun rekening nemen. Zij mochten de woning niet zelfstandig verlaten. Ook de andere slachtoffers hadden nauwelijks bewegingsvrijheid buiten de woning waar zij moesten verblijven.

Verdachte is de jongste zoon van het gezin. De rechtbank veroordeelt verdachte voor mensenhandel, medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving en medeplegen poging zware mishandeling met voorbedachten rade, tot een jeugddetentie voor de duur van 234 dagen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 273f
Wetboek van Strafrecht 282
Wetboek van Strafrecht 303
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 17/880066-12

verkort vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 25 juni 2013 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

niet als ingezetene ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens,

verblijvende te [verblijfplaats]

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 28 mei 2013 en 11 juni 2013.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H. Eckert, advocaat te Groningen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging overeenkomstig het bepaalde in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering ter terechtzitting van 11 december 2012 en na wijziging tenlastelegging ter terechtzitting van 28 mei 2013, ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2010 tot en met 7 februari 2012 te Roemenië en/of Leeuwarden en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

sub 1. - een vrouw/meisje [slachtoffer 1] door dwang en/of geweld en/of een of meer andere feitelijkheden of door dreiging met geweld of een of meer andere feitelijkheden

en/of door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap had over die [slachtoffer 1], heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer 1],

en/of

sub 2. - een vrouw/meisje [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 1]) heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer 1], terwijl deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,

en/of

sub 4. - een vrouw/meisje [slachtoffer 1] met een van de onder sub 1 genoemde middelen heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten dan wel onder een of meer van de onder sub 1 genoemde omstandigheden enige handelingen heeft ondernomen waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer 1] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten,

en/of

sub 6. - opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van een vrouw/meisje [slachtoffer 1] immers heeft verdachte met een of meer van zijn mededaders en/of alleen,

-tegen die [slachtoffer 1] gezegd dat zij in Nederland kranten zou gaan verkopen en/of dat ze hiermee tussen de 50 en 100 euro per dag zou gaan verdienen en/of

-een volmacht voor die [slachtoffer 1] geregeld waardoor ze mee kon naar Nederland en/of

-tegen de moeder van die [slachtoffer 1] gezegd dat alles goed zou komen en dat haar dochter bij een goede familie terecht zou komen en dat er goed voor haar zou worden gezorgd en/of

-die [slachtoffer 1] meegenomen naar Nederland en/of

-die [slachtoffer 1] ondergebracht in een gedeelde woning en/of

-die [slachtoffer 1] voorzien van kranten om te verkopen en/of haar instructies gegeven over de verkoop (ondermeer dat ze opdringerig moest zijn en/of er armoedig gekleed uit moest zien) en/of

-haar in een auto naar verkooppunten gebracht en/of bepaald waar ze kranten moest gaan verkopen en/of

-die [slachtoffer 1] telkens laten werken buiten voor een winkel staande gedurende de openingstijden van de winkel en/of mocht die [slachtoffer 1] maar 5 minuten pauzeren waarbij zij op een bankje mocht zitten en/of waarbij ze maar 2 euro mocht uitgeven aan een lunch en/of

-die [slachtoffer 1] telkens gecontroleerd op de werkplek en gevraagd hoeveel ze had verdiend en/of

-telkens het door die [slachtoffer 1] verdiende geld aan hem en zijn mededaders laten afstaan en/of

-die [slachtoffer 1] meermalen uitgescholden als ze niet genoeg had verdiend en/of

-die [slachtoffer 1] 6 dagen per week laten werken en/of

-die [slachtoffer 1] nauwelijks zelfstandig uit de woning laten gaan en/of

-die [slachtoffer 1] na een dag kranten verkoop alle voorkomende huishoudelijke werkzaamheden laten doen en/of

-die [slachtoffer 1] meermalen in het gezicht geslagen en/of met gebalde vuist in de ribben en/of maag en/of tegen de rug geslagen,

-die [slachtoffer 1] geen sleutel van de woning gegeven en/of

-terwijl die [slachtoffer 1] de Nederlandse taal niet machtig was en/of onbekend was in Nederland en/of met de Nederlandse regels en/of wetten en/of gewoonten en/of gebruiken en/of bijna niemand in Nederland kende en/of aldus bewerkstelligd dat die [slachtoffer 1] van hen verdachten afhankelijk was;

(artikel 273f lid 1 sub 1 en/of sub 2 en/of sub 4 en/of sub 6 en/of lid 2 en/of lid 3 sub 1 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2011 tot en met september 2011 te Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een ander althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of verdachtes mededader voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachte rade, althans opzettelijk, [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk,

-de [slachtoffer 2] aan haar haar naar een bed heeft gesleurd en/of de handen van die [slachtoffer 2] met een waslijn op haar rug heeft vastgebonden en/of

-de voeten van die [slachtoffer 2] heeft vastgebonden en/of

-die [slachtoffer 2] terwijl zij op de vloer lag, meermalen geslagen en/of

-die [slachtoffer 2] gedurende lange tijd (twee a drie uren) op haar knieën laten zitten waarbij zij vervolgens werd geslagen en/of

-die [slachtoffer 2] niet naar het toilet laten gaan en/of is die [slachtoffer 2] een aantal malen flauw gevallen en/of

-die [slachtoffer 2] meermalen in de buik en/of maag heeft geschopt en/of die [slachtoffer 2] meermalen met zijn tot vuisten gebalde handen op het hoofd en/of in het gezicht heeft geslagen en/of in de maag gestompt en/of

-heeft verdachte een handdoek in de mond van die [slachtoffer 2] gestopt waardoor die [slachtoffer 2] niet kon schreeuwen en/of

-vonden deze handelingen plaats gedurende de tijdstippen van 19.00 uur tot 04:00 uur,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 289/287 jo. 45 jo. 47 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte,

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2011 tot en met september 2011 te Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, meermalen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk en met voorbedachte rade, althans opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet al dan niet na kalm beraad en rustig overleg,

-de [slachtoffer 2] aan haar haar naar een bed heeft gesleurd en/of de handen van die [slachtoffer 2] met een waslijn op haar rug heeft vastgebonden en/of

-de voeten van die [slachtoffer 2] heeft vastgebonden en/of

-die [slachtoffer 2] terwijl zij op de vloer lag, meermalen geslagen en/of

-die [slachtoffer 2] gedurende lange tijd (twee a drie uren) op haar knieën laten zitten waarbij zij vervolgens werd geslagen en/of

-die [slachtoffer 2] niet naar het toilet laten gaan en/of is die [slachtoffer 2] een aantal malen flauw gevallen en/of

-die [slachtoffer 2] meermalen in de buik en/of maag heeft geschopt en/of die [slachtoffer 2] meermalen met zijn tot vuisten gebalde handen op het hoofd en/of in het gezicht heeft geslagen en/of in de maag gestompt en/of

-heeft verdachte een handdoek in de mond van die [slachtoffer 2] gestopt waardoor die [slachtoffer 2] niet kon schreeuwen en/of

-vonden deze handelingen plaats gedurende de tijdstippen van 19.00 uur tot 04:00 uur,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 303/302 jo. 45 jo. 47 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2011 tot en met september 2011 te Leeuwarden,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft (hebben) hij verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) met dat opzet (gedurende een week)

-die [slachtoffer 2] in een woning gelegen aan de [straatnaam] opgesloten en/of

-mocht zij deze woning niet verlaten en/of heeft verdachte en/of verdachtes mededader(s) de voordeur van die woning op slot gedaan en/of alle sleutels van het huis meegenomen en/of

-die [slachtoffer 2] telkens meermalen geslagen;

(artikel 282 lid 1 jo. 47 Wetboek van Strafrecht)

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

  • -

    veroordeling voor het onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde;

  • -

    oplegging van jeugddetentie voor de tijd van 2 jaren;

  • -

    hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot een bedrag van € 5.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  • -

    oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  • -

    niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 2] met betrekking tot het overige deel van de vordering;

  • -

    niet-ontvankelijkverklaring van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1];

  • -

    hoofdelijke oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor een bedrag van € 12.420,--, ten aanzien van [slachtoffer 1], te vermeerderen met de wettelijke rente;

  • -

    opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.

Beoordeling van het bewijs

Algemene overwegingen met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde

De rechtbank gaat uit van de volgende feitelijke gang van zaken.

Op 25 november 2011 meldt zich een man bij het politiebureau genaamd [naam 1]. Hij vertelt dat hij en [betrokkene] begin oktober 2011 door [medeverdachte 1] (de vader van verdachte, hierna: [medeverdachte 1]) naar Nederland zijn gehaald. Hij is door [medeverdachte 1] ondergebracht in een woning aan de [straatnaam] te Leeuwarden. In de betreffende woning wonen naast [medeverdachte 1], de moeder van verdachte [medeverdachte 2], verdachte en zijn broer [medeverdachte 3]. Voorts bevinden zich nog een aantal Roemeense personen in de woning, te weten (in ieder geval) [naam 2] en [naam 3]. Daarnaast bevinden zich in de woning twee minderjarigen, te weten [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]. [slachtoffer 2] is de partner van [medeverdachte 3] en [slachtoffer 1] heeft een relatie met verdachte.

[slachtoffer 1] heeft verdachte op 14 december 2010 in Roemenië ontmoet. Zij is vrijwel direct ingetrokken bij de familie van verdachte. De moeder van verdachte vertelt haar dan dat ze haar ouders niet moet vertellen waar ze verblijft. De volgende dag vertelt verdachte haar dat hij naar Nederland gaat. Hij zegt dat ze eerst een week in Nederland zullen blijven en dat ze daarna naar Spanje gaan en plezier gaan maken. Na het verblijf in Spanje zullen ze weer teruggaan naar Nederland om kranten te verkopen. Verdachte zegt haar dat ze in Nederland gaan verblijven in een huis van zijn familie. Hij vertelt [slachtoffer 1] niet hoe de krantenverkoop in zijn werk gaat. [slachtoffer 1] spreekt ook met de moeder van verdachte die haar vertelt dat ze zich nergens zorgen over hoeft te maken. In Nederland zal zij tussen de € 50,-- en € 100,-- per dag verdienen.

Na aankomst in Nederland wordt [slachtoffer 1] eerst gehuisvest in [plaatsnaam], in een woning waar ook verdachten verblijven. Vervolgens zijn verdachten in Leeuwarden gaan wonen. [slachtoffer 1] wordt gehuisvest in een perceel aan de [straatnaam] waar ook de andere gezinsleden verblijven. De dag na aankomst in Nederland moet [slachtoffer 1] kranten gaan verkopen. Verder reizen naar Spanje of plezier maken is niet aan de orde.

[medeverdachte 1] vertelt dat jonge meisjes, zoals [slachtoffer 1], veel geld kunnen verdienen.

[slachtoffer 1] wordt dagelijks bij een supermarkt afgezet met de auto. Gedurende de tijd dat zij bezig is met de krantenverkoop wordt niet of slechts zeer beperkt toegestaan dat zij pauzeert of dat zij van het verdiende geld eten en drinken koopt. Ook wordt zij gedurende de tijd van verkoop regelmatig gecontroleerd door verdachte of [medeverdachte 3]. [slachtoffer 1] wordt geacht zes dagen per week te werken ongeacht de weersomstandigheden. Zij wordt 's avonds ook weer opgehaald van haar werkplek door verdachten. De dagopbrengst moet zij elke avond afdragen aan [medeverdachte 1], die tegen haar begint te schreeuwen als ze niet genoeg heeft verdiend.

Na een lange dag kranten verkopen moet [slachtoffer 1] bij thuiskomst samen met [slachtoffer 2] eten koken. In opdracht van verdachten moeten zij ’s avonds en op zondagen samen het huishouden verzorgen, dit terwijl verdachte en zijn medeverdachten geen of nagenoeg geen bijdrage leveren aan deze taken. [slachtoffer 1] beschikt zodoende nauwelijks over vrije tijd.

Voorts wordt geweld tegen [slachtoffer 1] niet geschuwd. Zij wordt door verdachte geslagen.

[slachtoffer 1] kan zich ten tijde van het verblijf bij verdachten niet vrijelijk bewegen, omdat zij de woning niet zelfstandig mag verlaten en niet over een sleutel van de woning beschikt.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

In artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is mensenhandel strafbaar gesteld. Door de wetgever wordt mensenhandel gedefinieerd als het dwingen - in ruime zin - van mensen om zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van (seksuele) diensten en arbeid of het beschikbaar stellen van eigen organen. Mensenhandel is (gericht op) uitbuiting. Bij de strafbaarstelling van mensenhandel staat het belang van het individu steeds voorop. Dat belang is het behoud van zijn of haar lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid.

Wezenlijk bestanddeel van diverse varianten van het delict mensenhandel is dat sprake is van uitbuiting en/of dat het oogmerk van de verdachte daarop is gericht. Uitbuiting omvat op grond van artikel 273f, tweede lid, Sr ten minste uitbuiting van een ander in de prostitutie, andere vormen van seksuele uitbuiting, gedwongen of verplichte arbeid of diensten, slavernij en met slavernij of dienstbaarheid te vergelijken praktijken. Nadere invulling van het begrip uitbuiting is door de wetgever aan de rechter overgelaten. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 27 oktober 2009, LJN: BI7099, overwogen dat de vraag of – en zo ja, wanneer- sprake is van ‘uitbuiting’ in de zin van artikel 273f Sr niet in algemene termen is te beantwoorden, maar sterk is verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd.

Een bewezenverklaring van mensenhandel op grond van artikel 273f lid 1 sub 1 en 2 Sr kan volgen indien verdachte aangeefster met het oogmerk van uitbuiting en door gebruik van dwangmiddelen (alleen bij lid 1 sub 2) heeft geworven, vervoerd overgebracht, gehuisvest of opgenomen (de gedragingen). Voor een bewezenverklaring artikel 273f lid 1 sub 4 Sr is vereist dat verdachte door het hanteren van dwangmiddelen aangeefster heeft gedwongen of gebracht tot het verrichten van arbeid of diensten.

Omtrent de dwangmiddelen die zijn opgenomen in artikel 273f Sr heeft de wetgever onder meer het volgende opgemerkt:

'De in dit verband verboden gedragingen, bestaande in het aanwenden van dwang door geweld of een andere feitelijkheid, het misbruik maken van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of misleiding, beïnvloeden de wil waaronder is begrepen de keuzemogelijkheid van het slachtoffer, in die zin dat zij leiden tot het ontbreken van vrijwilligheid waartoe ook behoort het ontbreken of de vermindering van de mogelijkheid een bewuste keuze te maken.' ( Kamerstukken II 1988/89, 21 207, nr. 3, p. 3 e.v.)

en

'Het woord "uitbuitingssituatie" (…) wordt in de memorie van toelichting gebruikt ter verduidelijking van het begrip 'misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht' (…). In die memorie wordt gesteld dat van een zodanige uitbuitingssituatie sprake is indien de betrokkene in een situatie verkeert die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostitué(e) in Nederland pleegt te verkeren. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan schulden, aangegaan om de reis naar Nederland te betalen. De afbetalingsverplichting kan van dien aard zijn dat de zich prostituerende gedwongen is zich te blijven prostitueren. Meer in het algemeen kan worden gesteld dat het niet kunnen beschikken over eigen financiële middelen als een uitbuitingssituatie moet worden aangemerkt. Misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht kan veelal uit de omstandigheden worden afgeleid. Een uit een ontwikkelingsland afkomstig persoon of een aan verdovende middelen verslaafde verkeert meestal niet in een situatie waarin een onafhankelijke zelfstandige opstelling mogelijk is, vergelijkbaar met de opstelling van een mondige Nederlandse prostitué(e).'

en:

'Ten aanzien van meerderjarigen geldt dat vrijwilligheid ontbreekt, indien de prostitué(e) niet of slechts in verminderde mate de mogelijkheid heeft een bewuste keuze te maken met betrekking tot het al dan niet voortzetten van zijn of haar relatie met de exploitant. Dit is niet anders indien de relatie aanvankelijk op vrijwillige basis werd aangegaan (…).'

(Kamerstukken II 1988/89, 21 027, nr. 5, p. 3 en 7)

De rechtbank acht op basis van de hierboven beschreven feitelijke gang van zaken bewezen dat ten aanzien van [slachtoffer 1] sprake is geweest van de middelen ‘dreiging met geweld of een of meer andere feitelijkheden, misleiding en misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie’. [slachtoffer 1] is door een valse voorstelling van zaken overgehaald om naar Nederland te komen en eenmaal daar aangekomen had zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs geen andere keus dan straatkranten te verkopen en de verdiensten daarvan af te staan aan verdachten. Voorts geldt dat het middel geweld bewezen kan worden.

De rechtbank overweegt dat de verkoop van straatkranten, waarbij kranten werden verkocht met een winstmarge als arbeid in voornoemde zin dient te worden beschouwd en niet als bedelarij. Dat sommige burgers de krantenverkopers een hoger geldbedrag gaven dan de prijs van de krant of geld gaven aan aangevers zonder een krant af te nemen, doet daaraan niet af. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat ook indien aangevers tot bedelarij gedwongen waren dit als een vorm van gedwongen arbeid beschouwd kan worden.

De rechtbank acht op grond van vorenstaande voorts bewezen dat verdachten [slachtoffer 1] hebben geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en hebben opgenomen.

Ook is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van het oogmerk van uitbuiting. Oogmerk veronderstelt tenminste een noodzakelijkheidsbewustzijn ten aanzien van het gevolg en is bij mensenhandel gelegen in het verkrijgen van financieel gewin. Dat verdachte het oogmerk van uitbuiting had, leidt de rechtbank af uit het feit dat hij samen met zijn ouders financieel gewin heeft gehad van de werkzaamheden van [slachtoffer 1]. Nagenoeg alle opbrengsten zijn door [slachtoffer 1] aan verdachten afgestaan. Regelmatig werden substantiële geldbedragen via Western Union overgemaakt naar Roemenië alwaar de ouders van verdachte een nieuwe woning lieten bouwen. De kosten die zij maakten voor [slachtoffer 1] (onder andere ten aanzien van de huisvesting) zijn naar het oordeel van de rechtbank beduidend lager geweest dan de opbrengst van de krantenverkoop. Voorts kan het oogmerk van uitbuiting afgeleid worden uit de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden, waaronder het maken van veel en lange werkdagen, het niet zelfstandig kunnen verlaten van de woning en het door verdachte gehanteerde geweld. Uit voornoemde feiten en omstandigheden leidt de rechtbank niet alleen af dat verdachte het oogmerk had tot uitbuiting, maar dat hij haar ook feitelijk uitbuitte.

De rechtbank is van oordeel dat in alle ten laste gelegde varianten van artikel 273f Sr sprake is geweest van medeplegen. Voor het aannemen van medeplegen is een bewuste en nauwe samenwerking vereist. Daarnaast dient sprake te zijn van een gezamenlijke uitvoering van een bepaald strafbaar feit, zij het dat niet alle ten laste gelegde bestanddelen door alle medeplegers behoeven te worden vervuld. In de onderhavige zaak is sprake van een gezinssituatie. Binnen dit gezin was sprake van een zekere rolverdeling met betrekking tot het innen van de gelden, het brengen en halen van aangevers aan het einde van de dag en het laten verrichten van huishoudelijke arbeid in de woning. Iedere verdachte had daarin een taak. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de verdachten in gelijke mate voor de uitbuiting van [slachtoffer 1] verantwoordelijk worden gehouden. Weliswaar zijn niet alle te bewijzen gedragingen door verdachten gezamenlijk uitgevoerd, maar zij hebben wel elk een wezenlijke bijdrage geleverd aan het tot stand brengen en het in stand houden van de hierboven geschetste afhankelijke positie van [slachtoffer 1]. De feitelijke gang van zaken maakt duidelijk dat dit in nauwe en bewuste samenwerking gebeurde en dat dus sprake was van medeplegen.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat poging tot moord bewijsbaar is. Er is volgens hem sprake van voorwaardelijk opzet op het doden van [slachtoffer 2]. Tevens is hij van mening dat sprake is van voorbedachte raad, omdat verdachte zich voorafgaand en tijdens het geweld kon beraden en geen sprake was van een plotselinge hevige drift.

Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft het verweer gevoerd dat het primair ten laste gelegde niet bewijsbaar is, nu de verklaringen over de mate van geweld ver uitelkaar liggen. De raadsman is voorts van mening dat geen sprake is van voorbedachte raad om [slachtoffer 2] van het leven te beroven. Het subsidiair ten laste gelegde kan volgens de raadsman evenmin worden bewezen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal verdachte van de primair ten laste gelegde poging tot moord/doodslag vrijspreken, nu niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte (voorwaardelijk) opzet op de dood had van [slachtoffer 2]. Voorwaardelijk opzet vereist dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 2] door zijn handelen zou komen te overlijden. In de onderhavige zaak is op [slachtoffer 2] geweld uitgeoefend door verdachte in opdracht van [medeverdachte 3] die daartoe telefonisch en via de computer aanwijzingen heeft gegeven. Dit geweld bestond onder meer uit het vastbinden van [slachtoffer 2] en het langdurig slaan en schoppen van [slachtoffer 2]. Onvoldoende bekend is echter wat de intensiteit van deze geweldshandelingen is geweest. Te meer nu (uitgebreide) medische informatie ontbreekt. Gelet hierop staat naar het oordeel van de rechtbank niet vast dat de geweldshandelingen de aanmerkelijke kans meebrachten dat [slachtoffer 2] dodelijk letsel werd toegebracht.

De rechtbank is van oordeel dat het subsidiair ten laste gelegde, te weten de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, wel bewezen is te achten. Verdachte heeft [slachtoffer 2] in opdracht van [medeverdachte 3], die op afstand via de web-cam en telefoon opdrachten gaf, vastgebonden, meermalen geslagen terwijl zij op de grond lag, haar meermalen in haar buik geschopt en met gebalde vuisten tegen het hoofd geslagen. De kans dat [slachtoffer 2] door dit geweld zwaar lichamelijk letsel zou bekomen, is naar het oordeel van de rechtbank aanmerkelijk. De rechtbank oordeelt voorts dat deze handelwijze naar de uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat verdachte door zijn handelswijze willens en wetens de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard.

Ten aanzien van de ten laste gelegde ‘voorbedachten rade’ overweegt de rechtbank dat moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven (HR 28 februari 2012, LJN: BR2342).

Op grond van de bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat verdachte in overleg met [medeverdachte 3] [slachtoffer 2] systematisch heeft mishandeld. [medeverdachte 3] gaf daartoe op afstand opdracht via de telefoon en de webcam. De mishandeling vond geruime tijd achterelkaar plaats. Verdachte had gedurende meerdere momenten contact met zijn medeverdachte, zodat hij in de tijd liggende tussen die contacten de tijd en gelegenheid had om zich te beraden op zijn handelingen. Verdachte heeft echter zijn handelen voortgezet. Op grond hiervan acht de rechtbank bewezen dat sprake is van voorbedachte raad.

Ten aanzien van het ten laste gelegde medeplegen overweegt de rechtbank dat hiervoor een bewuste en nauwe samenwerking is vereist. Blijkens de afgelegde verklaringen van [slachtoffer 2] en de getuigen [slachtoffer 1] en [naam 3] is er via de telefoon en webcam intensief contact geweest tussen beide verdachten. Verdachte is degene die in opdracht van zijn broer [slachtoffer 2] heeft mishandeld. De broer van verdachte kan, hoewel hij geen uitvoeringshandelingen heeft verricht, onder deze omstandigheden als medepleger worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen beide verdachten op grond van voorgaande dan ook in gelijke mate voor de mishandeling van [slachtoffer 2] verantwoordelijk worden gehouden. De feitelijke gang van zaken maakt duidelijk dat de mishandeling van [slachtoffer 2] in nauwe en bewuste samenwerking gebeurde en daarom is sprake van medeplegen.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat het onder 3 ten laste gelegde bewijsbaar is. Blijkens de aangifte wordt [slachtoffer 2] mede door verdachte na de mishandelingen een week lang in huis vastgehouden. Uit de verklaring van [slachtoffer 1] blijkt dat verdachte of diens medeverdachte [medeverdachte 3] de deur op slot deden, wanneer zij de woning verlieten.

Het standpunt van de raadsman

De raadsman is van mening dat verdachte moet worden vrijgesproken, nu verdachte dit feit heeft ontkend.

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] kan naar het oordeel van de rechtbank bewezen worden dat verdachte zich tezamen met zijn broer [medeverdachte 3] heeft schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer 2]. Verdachten beschikten over een sleutel van de woning en wanneer zij de woning verlieten, werd [slachtoffer 2] achtergelaten en de deur op slot gedraaid. Hoewel [slachtoffer 2] op een gegeven moment wist waar de sleutel lag, durfde zij de woning niet te verlaten vanwege het geweld dat zij daarvoor en gedurende die bewuste week kreeg te verduren. Daarbij komt dat zij de Nederlands taal niet machtig was en geen andere plaats had om naar toe te gaan. Onder die omstandigheden is sprake van wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1, 2. subsidiair en 3 ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 december 2010 tot en met 7 februari 2012 in Roemenie en Leeuwarden en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen,

sub 1.- een vrouw [slachtoffer 1]

door dwang en geweld en door dreiging met geweld of een of meer andere feitelijkheden en door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen met het oogmerk van uitbuiting,

en

sub 2. - een vrouw/meisje [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 1]) heeft

geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting, terwijl deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt;

en

sub 4. - een vrouw [slachtoffer 1] met de onder sub 1 genoemde middelen heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid

en

sub 6. opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van een vrouw, [slachtoffer 1] immers heeft verdachte met een of meer van haar mededaders,

-tegen die [slachtoffer 1] gezegd dat zij in Nederland kranten zou gaan verkopen en dat ze hiermee tussen de 50 en 100 euro per dag zou gaan verdienen en

-een volmacht voor die [slachtoffer 1] geregeld waardoor ze mee kon naar Nederland

en

-tegen de moeder van die [slachtoffer 1] gezegd dat alles goed zou komen en dat haar dochter bij een goede familie terecht zou komen en dat er goed voor haar zou worden gezorgd en

-die [slachtoffer 1] meegenomen naar Nederland en

-die [slachtoffer 1] ondergebracht in een gedeelde woning en

-die [slachtoffer 1] voorzien van kranten om te verkopen en haar instructies gegeven over de verkoop (ondermeer dat ze opdringerig moest zijn en er armoedig gekleed uit moest zien) en

-haar in een auto naar verkooppunten gebracht en bepaald waar ze kranten moest gaan verkopen en

-die [slachtoffer 1] telkens laten werken buiten voor een winkel staande gedurende de openingstijden van de winkel en mocht die [slachtoffer 1] maar 5 minuten pauzeren waarbij zij op een bankje mocht zitten en waarbij ze maar 2 euro mocht uitgeven aan een lunch en

-die [slachtoffer 1] telkens gecontroleerd op de werkplek en gevraagd hoeveel ze had verdiend en

-telkens het door die [slachtoffer 1] verdiende geld aan haar en haar mededaders laten afstaan en

-die [slachtoffer 1] meermalen uitgescholden als ze niet genoeg had verdiend en

-die [slachtoffer 1] 6 dagen per week laten werken en

-die [slachtoffer 1] nauwelijks zelfstandig uit de woning laten gaan en

-die [slachtoffer 1] na een dag kranten verkoop alle voorkomende huishoudelijke werkzaamheden laten doen en

-die [slachtoffer 1] meermalen in het gezicht geslagen en met gebalde vuist in de ribben en maag en tegen de rug geslagen,

-die [slachtoffer 1] geen sleutel van de woning gegeven en

-terwijl die [slachtoffer 1] de Nederlandse taal niet machtig was en onbekend was in Nederland en met de Nederlandse regels en wetten en gewoonten en gebruiken en bijna niemand in Nederland kende en aldus bewerkstelligd dat die [slachtoffer 1] van hen verdachten afhankelijk was;

2.

Subsidiair:

hij in de periode van 1 juli 2011 tot en met september 2011 te Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk en met voorbedachte rade, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

-die [slachtoffer 2] aan haar haar naar een bed heeft gesleurd en de handen van die [slachtoffer 2] met een waslijn op haar rug heeft vastgebonden en

-de voeten van die [slachtoffer 2] heeft vastgebonden en

-die [slachtoffer 2] terwijl zij op de vloer lag, meermalen geslagen en

-die [slachtoffer 2] gedurende lange tijd (twee a drie uren) op haar knieën laten zitten waarbij zij vervolgens werd geslagen en

-die [slachtoffer 2] niet naar het toilet laten gaan en is die [slachtoffer 2] een aantal malen flauw gevallen en

-die [slachtoffer 2] meermalen in de buik en maag heeft geschopt en die [slachtoffer 2] meermalen met zijn tot vuisten gebalde handen op het hoofd en in het gezicht heeft geslagen en in de maag gestompt en

-heeft verdachte een handdoek in de mond van die [slachtoffer 2] gestopt waardoor die [slachtoffer 2] niet kon schreeuwen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

hij in de periode van 1 juli 2011 tot en met september 2011 te Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet (gedurende een week)

-die [slachtoffer 2] in een woning gelegen aan de [straatnaam] opgesloten en

-mocht zij deze woning niet verlaten en heeft verdachte of verdachtes mededader de voordeur van die woning op slot gedaan en alle sleutels van het huis meegenomen en

-die [slachtoffer 2] telkens meermalen geslagen.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

1.

Mensenhandel, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

2.

Subsidiair: Medeplegen van poging tot zware mishandeling, gepleegd met voorbedachten rade.

3.

Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

  • -

    de aard en de ernst van de gepleegde feiten;

  • -

    de omstandigheden waaronder deze zijn begaan;

  • -

    de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit de justitiële documentatie, de psychologische rapportage en het advies van de Raad voor de Kinderbescherming;

  • -

    de vordering van de officier van justitie;

  • -

    het pleidooi van de raadsman.

Verdachte heeft zich, samen met een ander, schuldig gemaakt aan uitbuiting, poging tot zware mishandeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Verdachte heeft, samen met zijn ouders en broer – medeverdachten in deze zaak, zijn vriendin naar Nederland gehaald. Eénmaal in Nederland is zij te werk gesteld als krantenverkoopster en moest zij binnen het gezin het huishouden doen. Zoals eerder in dit vonnis overwogen, was hierbij sprake van een uitbuitingssituatie. Daarnaast heeft verdachte, samen met zijn broer, de vriendin van zijn broer urenlang mishandeld. De reden hiervoor was dat zij zou zijn vreemdgegaan. Het komt er feitelijk op neer dat het slachtoffer werd gemarteld en vernederd om haar te laten bekennen dat zij met een andere man had gezoend. Verdachte heeft er bovendien aan bijgedragen dat zij gedurende een week de woning niet uitkon.

Het gaat naar het oordeel van de rechtbank om zeer ernstige feiten, die onder toepassing van het meerderjarigenstrafrecht een langdurige gevangenisstraf zouden rechtvaardigen. Verdachte is evenwel minderjarig. In de over hem uitgebrachte pro justitia rapportage omschrijft de psycholoog hem als zwakbegaafd en laaggemiddeld intelligent. Een zelfstandig identiteitsbewustzijn ontbreekt bij verdachte en zijn bestaan is onlosmakelijk verbonden met de groep – een Roemeense zigeunerfamilie – waarin hij leeft. Verdachte is volgens de psycholoog niet als meerderjarige te beschouwen. De rechtbank neemt de conclusies van psycholoog over. Behalve een transactie voor diefstal heeft verdachte geen justitieel verleden in Nederland.

Alles afwegend zal de rechtbank de periode die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht als jeugddetentie opleggen. Deze straf valt lager uit dan de straf die door de officier van justitie is geëist. Dit komt enerzijds doordat de rechtbank tot een andere kwalificatie van één van de feiten komt en anderzijds doordat de rechtbank meer tot uitdrukking wil brengen dat het hier een beperkte, minderjarige, verdachte betreft.

Benadeelde partijen

Namens [slachtoffer 1] is door de voegingsadviseur een vordering ingediend. Uit deze vordering blijkt niet wat voor schadevergoeding de benadeelde partij wenst, aangezien daartoe geen bedragen zijn ingevuld. Tevens is de vordering niet ondertekend door de benadeelde partij.

Bij de stukken bevindt zich een verklaring van [slachtoffer 1] d.d. 12 november 2012, waarin zij aangeeft dat zij wil dat het geld waarop zij recht had aan haar terug wordt gegeven. Daarnaast vraagt zij een vergoeding voor de stress en de angst die zij in die periode had.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren, nu deze vordering niet door haar is ondertekend.

De rechtbank ziet aanleiding om ambtshalve de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 1] een bedrag van € 10.920,-- is onthouden ter zake van de opbrengst van de krantenverkoop. De rechtbank zal op dit bedrag een forfaitair bedrag aan kosten per dag in mindering brengen, omdat [slachtoffer 1] ook kosten voor levensonderhoud had moeten maken (welke kosten nu door verdachten zijn gemaakt) als zij de verdiensten van de kranten zelf had mogen behouden. De rechtbank stelt dit bedrag vast op € 10,-- per dag, gedurende een periode van 12 maanden (12 x 30 x € 10,--) = € 3.600,--. De totale materiële schade van [slachtoffer 1] bedraagt derhalve € 7.320,--.

De rechtbank is van oordeel dat [slachtoffer 1] daarnaast immateriële schade heeft geleden en stelt deze schade vast op € 3.000,--.

De rechtbank acht gelet op bovenstaande voor bedrag van € 10.320,-- hoofdelijke oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

[slachtoffer 2] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 2 en 3 ten laste gelegde en bewezenverklaarde feiten alsmede de gronden waarop deze berust.

Door de benadeelde partij wordt een schadevergoeding gevorderd ter zake materiële schade van € 5.280,-- en ter zake immateriële schade van € 15.000,--.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde materiële schade van € 5.280,-- niet in verband staat met de door verdachte gepleegde strafbare feiten, zodat deze niet aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. Voor dit deel van de vordering zal de rechtbank de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren.

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde een vergoeding ter zake immateriële schade toekomt. De rechtbank acht echter de gevorderde schadevergoeding te hoog, mede gelet op het feit dat de onderbouwing van deze schade ook betrekking heeft op schade die voortvloeit uit strafbare feiten die verdachte niet worden verweten, en stelt deze ex aequo et bono vast op € 3000,--.

De rechtbank acht het toegewezen deel van de vordering, welke vordering niet dan wel onvoldoende door verdachte en zijn raadsman is weersproken, voor hoofdelijke toewijzing vatbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 december 2011. De rechtbank zal de benadeelde partij voor wat betreft het overige deel van de vordering niet ontvankelijk verklaren. De rechtbank acht daarnaast voor wat betreft het toegewezen deel van de vordering, hoofdelijke oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 47, 77a, 77g, 77h, 77i, 77gg, 273f, 282, 302, 303 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte 2. primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een jeugddetentie voor de duur van 234 dagen.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2], domicilie kiezende te [adres], toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 3.000,--

(zegge: drieduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 december 2011, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], te betalen een som geld ten bedrage van € 3.000,-- (zegge: driedduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 december 2011, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 40 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 1], te betalen een som geld ten bedrage van € 10.320,-- (zegge: tienduizenddriehonderdtwintig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 februari 2012, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 50 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Brinksma, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. W.S. Sikkema en mr. J. Jukema-Teertstra, rechters, bijgestaan door A. van Dijk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 juni 2013.

w.g.

Brinksma

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Sikkema

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

Jukema-Teertstra

locatie Leeuwarden,

Van Dijk

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 17/880066-12

proces-verbaal van de gehouden terechtzitting van de meervoudige strafkamer in bovengenoemde rechtbank op 11 juni 2013

Tegenwoordig:

mr. M. Brinksma, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. W.S. Sikkema en mr. J. Jukema-Teertstra, rechters,

mr. R.G. de Graaf, officier van justitie en

mr. E. Troost, griffier.

De voorzitter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.

De verdachte, genaamd:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

verblijvende te [verblijfplaats],

is niet ter terechtzitting verschenen.

De raadsman van verdachte, mr. H. Eckert, advocaat te Groningen, is eveneens niet verschenen.

……..

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede dat volgens de beslissing van de rechtbank de uitspraak in de hoofdzaak en de ontnemingsvordering zal plaatsvinden ter terechtzitting van 25 juni 2013 te 13:30 uur.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en ondertekend door de voorzitter en de griffier.