Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:2570

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-04-2013
Datum publicatie
01-08-2013
Zaaknummer
19.997507-10 promis
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontnemingsvonnis. Ontneming wederrechtelijk verkregen vuurwerk uit illegale vuurwerkhandel.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 36e, geldigheid: 2013-07-31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling11 maart 2008 strafrecht

Locatie Assen

Parketnummer: 19.997507-10

Uitspraak van de Meervoudige kamer d.d. 23 april 2013 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres 1],

de veroordeelde.

1 Gang van zaken

De officier van justitie heeft op 7 september 2012 een ontnemingsvordering ingediend die ertoe strekt dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, lid 4 van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat aan veroordeelde de verplichting wordt opgelegd aan de Staat het geschatte voordeel tot een te betalen bedrag van €. 151.533,35.

Ter terechtzitting van 6 november 2012 heeft de raadsman van de veroordeelde, gelet op het te voeren verweer tegen de vordering, de rechtbank verzocht het onderzoek ter terechtzitting in de ontnemingsvordering te schorsen.

De rechtbank heeft vervolgens beslist, na de veroordeelde, diens raadsman en de officier van justitie daarover te hebben gehoord, dat de behandeling van de ontnemingsvordering zal worden voorafgegaan door een schriftelijke voorbereiding en heeft het onderzoek ter terechtzitting geschorst.

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder het met deze vordering samenhangende strafdossier, bevattende onder meer:

  • -

    een ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Drenthe, Regionaal Milieuteam, Onderzoek Goudenregen, OPS-dossiernummer PL 300-2010041938, met bijlagen, d.d. 18 maart 2011, bestaande uit een 17-tal ordners, met bijlagen, opgemaakt door [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3], allen brigadier en milieurechercheur, werkzaam bij het Regionaal Milieuteam van de Regiopolitie Drenthe; - - -een dossier bettreffende veroordeelde en houdende stukken met betrekking tot de ontnemingsvordering tegen de veroordeelde, waaronder een rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van Regiopolitie Drenthe, Regionaal Milieuteam, Onderzoek Goudenregen, OPS-dossiernummer PL 300-2010041938, met bijlagen, d.d. 20 juli 2012, bestaande uit een 4-tal ordners;

  • -

    de in het kader van de schriftelijke voorbereiding tussen de officier van justitie en de raadsman van veroordeelde gewisselde conclusies.

Ter terechtzitting van 12 maart 2013 is het onderzoek ter terechtzitting in de ontnemings-vordering opnieuw aangevangen. De raadsman van veroordeelde, mr. M.G. Doornbos, advocaat te Assen en de officier van justitie mr. W.H. Frank, zijn in de gelegenheid gesteld hun ingenomen standpunten nog nader toe te lichten. De officier van justitie heeft daarbij onder meer zijn vordering verminderd tot een bedrag van € 130.489,74. De raadsman en de officier van justitie handhaafden verder hun eerder ingenomen standpunten en stellingen.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter terechtzitting in de ontnemingsvordering gesloten en meegedeeld dat in deze zaak op 23 april 2013 (heden) uitspraak wordt gedaan.

2 Overwegingen

Bij arrest van het gerechtshof te Leeuwarden van 27 april 2012 is veroordeelde veroordeeld tot onder meer een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan een gedeelte groot 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd 2 jaar, ter zake van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet Milieubeheer, opzettelijk begaan en meermalen gepleegd, wegens het:

1a. in de periode van 4 juli 2010 t/m 12 november 2010, in Nederland, opzettelijk, een hoeveelheid, professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten:

een hoeveelheid professioneel vuurwerk, bestaande uit professioneel vuurwerk

-afkomstig van GJR in Portugal, te weten een groot aantal, lawinepijlen (Signal Rockets 901), en

-afkomstig van Blackboxx in Duitsland, te weten een hoeveelheid, als 1.3G en 1.4G geclassificeerd vuurwerk, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht;

1b. op 12 november 2010, in de gemeente Noordenveld, opzettelijk, een hoeveelheid professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, welke hoeveelheid bestaande uit:

-knalvuurwerk met lont (lawinepijlen) type Signal Rocket 901 en

-Airburst knalvuurwerk met lont en

-Festival brocade Crown cakeboxen en

-Venti di Guerra cakeboxen en

-Pfeiffontane

voorhanden heeft gehad en aan een of meer anderen ter beschikking heeft gesteld;

2a. in de periode van 4 juli 2010 t/m 12 november 2010, buiten het rijk in Europa, opzettelijk, als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis hoeveelheden professioneel vuurwerk, te weten: ongeveer 20.000 stuks (lawinepijlen type Signal Rocket 901) afkomstig van GJR in Portugal, en ongeveer 4000 kg, als 1.3G en/of 1.4G geclassificeerd vuurwerk, afkomstig van Blackboxx in Duitsland, en een (grote) hoeveelheid als 1.3G en/of 1.4G geclassificeerd vuurwerk afkomstig van Super Power in Polen voorhanden heeft gehad;

2b. omstreeks 12 november 2010, in de gemeente Noordenveld, als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis, een hoeveelheid professioneel vuurwerk bestaande uit:

-knalvuurwerk met lont (lawinepijlen) type Signal Rocket 901 en

-Airburst knalvuurwerk met lont en

-Festival brocade Crown cakeboxen en

-Venti di Guerra cakeboxen en

-Pfeiffontane

voorhanden heeft gehad;

3. in de periode van 1 september 2010 t/m 12 november 2010, in de gemeente Noordenveld, opzettelijk een hoeveelheid vuurwerk voorhanden heeft gehad buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.2.4 Vuurwerkbesluit, immers was dat vuurwerk voorhanden in een bestelauto;

4. in de periode van 1 september 2010 t/m 12 november 2010, in Nederland, opzettelijk als degene die vuurwerk binnen het grondgebied van Nederland bracht telkens het voornemen hiertoe niet ten minste drie werkdagen voorafgaand aan het binnen Nederland brengen van het vuurwerk schriftelijk heeft vermeld bij Onze Minister.

Op grond van deze veroordeling kan aan veroordeelde de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit baten van de ingevolge dat vonnis bewezenverklaarde strafbare feiten en soortgelijke feiten.

De raadsman van veroordeelde heeft bij zijn verweerschrift c.q. conclusie van antwoord van 24 december 2012 betoogd dat de vordering van de officier van justitie op nihil dient te worden gesteld.

De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de periode waarover het voordeel is berekend de periode 1 januari 2008 tot 12 november 2010 beslaat. De periode van 1 januari 2008 tot 4 juli 2010 valt buiten de tenlastegelegde en bewezenverklaarde periode en behoort niet te worden meegenomen.

Verder stelde de raadsman dat niet al het vuurwerk als illegaal kan worden bestempeld, dat veroordeelde niets van doen heeft met het op 3 juni 2010 aangetroffen vuurwerk in een garagebox te Groningen en de op 13 december 2010 aangetroffen vuurwerk in Westerlee.

Verder betoogde de raadsman dat ten aanzien van de inkopen bij Super Power Polen, in Portugal, bij Black Boxx in Duitsland en bij Lonestar in Duitsland , op geen enkel wijze kan worden vastgesteld waar deze bestelling is geleverd en hoe die partijen verder zijn verhandeld, nog afgezien van de vraag of het illegaal vuurwerk betrof.

De raadsman stelde verder dat veroordeelde de berekende en veronderstelde verkoopsprijzen betwist.

Voor het overige heeft de raadsman gesteld dat geen rekening is gehouden met reis- en verblijfkosten die zijn cliënt heeft moeten maken naar Portugal (1x € 1.100,--), Polen (3x

€ 1.000,--) en Duitsland (3x € 1.000,--) ten behoeve van de inkoop, totaal derhalve een bedrag van € 7.100,--.

Bij conclusie van repliek van 28 januari 2013 heeft de officier van justitie onder meer gesteld dat de ontnemingsvordering is gebaseerd op het totaal van, voor zover bekend, alle aankopen die veroordeelde bij diverse leveranciers heeft gedaan en voor zover daarvan blijkt uit facturen etc. Voor zover deze aankopen c.q. leveringen buiten de bewezenverklaarde periode vallen duidt een en ander er op dat veroordeelde zich eerder bezig hield met de illegale vuurwerkhandel en kunnen deze als “soortgelijke feiten” worden meegenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De officier van justitie stelde verder dat ook illegale verkopen van op zichzelf legaal vuurwerk wederrechtelijk verkregen voordeel genereren.

Verder stelde de officier van justitie dat de garagebox te Groningen, waarin een hoeveelheid vuurwerk werd aangetroffen, door veroordeelde werd gehuurd. De aangetroffen hoeveelheid vuurwerk te Westerlee werd exclusief en in opdracht van veroordeelde in Portugal vervaardigd. De in Groningen en Westerlee aangetroffen hoeveelheden werden aan veroordeelde gefactureerd en door hem betaald.

Tenslotte stelde de officier van justitie dat de gemiddelde winstopslag is berekend met behulp van verkoopprijzen van een aantal vuurwerkitems die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen.

De raadsman van veroordeelde heeft bij dupliek van 27 februari 2013 gepersisteerd bij hetgeen hij in zijn conclusie van antwoord van 24 december 2012 heeft aangevoerd.

De raadsman van de veroordeelde heeft ter terechtzitting van 12 maart 2013 nog aangevoerd dat de “soortgelijke feiten” geenszins aannemelijk zijn geworden, bovendien zijn die feiten niet door de officier van justitie tenlastegelegd.

De officier van justitie heeft ter zitting van 12 maart 2013 nog aangevoerd het bij nader inzien billijk te achten, dat ook de reis- en verblijfkosten gemaakt ten behoeve van de aankopen van het vuurwerk op het wederrechtelijk voordeel in mindering worden gebracht. Hij acht de opgevoerde bedragen echter aan de hoge kant en acht een bedrag van telkens € 500,-- redelijk en billijk.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de officier van justitie voldoende aannemelijk ge-maakt dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten uit de bewezen verklaar-de strafbare feiten en uit soortgelijke feiten in de periode van 1 januari 2008 tot 4 juli 2010.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat ook verkopen van op zichzelf legaal vuurwerk wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen genereren. Niet alleen was er sprake van het ontbreken van een in het Nederlands gestelde gebruiksaanwijzing, ook bezat veroordeelde geen vergunning voor het verkopen en in voorraad hebben van vuurwerk en deed hij nimmer melding bij VROM van het importeren van vuurwerk. Er was derhalve sprake van illegale verkopen van vuurwerk.

De rechtbank is verder van oordeel dat de raadsman van veroordeelde niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niets van doen zou hebben met de aangetroffen hoeveelheden vuurwerk in een garagebox te Groningen en te Westerlee. De garagebox te Groningen werd gehuurd door veroordeelde en de aangetroffen hoeveelheid vuurwerk te Westerlee werd exclusief en in opdracht van veroordeelde in Portugal vervaardigd. Bovendien werden de beide aangetroffen hoeveelheden aan veroordeelde gefactureerd en door hem betaald.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat voor het berekenen van het wederrechtelijk verkregen voordeel de winstopslag gesteld kan worden op 125% van de inkoopprijs voor de gehele hoeveelheid door veroordeelde ingekochte vuurwerk. Bij de vaststelling van dat percentage zijn redelijke uitgangspunten gehanteerd, te meer nu veroordeelde geen opening van zaken heeft gegeven noch een behoorlijke boekhouding heeft overgelegd, waaruit een andere berekening aannemelijk wordt.

Ook is de rechtbank met de raadsman en de officier van justitie van oordeel dat rekening dient te worden gehouden met reis- en verblijfkosten die veroordeelde heeft moeten maken ten behoeve van de aankoop van vuurwerk. De rechtbank stelt deze kosten naar redelijkheid en billijkheid vast op een bedrag van € 500,-- per reis en derhalve totaal op een bedrag van € 3.500,--. (Portugal 1x € 500,--, Polen 3x € 500,-- en Duitsland 3x € 500,--).

Tot slot is ter zitting door de raadsman naar voren gebracht dat de kosten van de inkoop van het later inbeslaggenomen vuurwerk in mindering dienen te worden gebracht als verwervingskosten.

De officier van justitie is van mening dat nu dit vuurwerk niet is meegenomen bij de berekening van de winst en derhalve bij het verkregen voordeel, de kosten voor inkoop niet voor aftrek in aanmerking komen.

De rechtbank is van oordeel dat nu de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op de illegale handel in vuurwerk gedurende een bepaalde periode, de kosten van de inkoop van de inbeslaggenomen partij vuurwerk zijn aan te merken als kosten die bij de berekening van de winst (en dus het genoten voordeel) mede in aanmerking dienen te worden genomen. Daarmee wordt ook recht gedaan aan het uitgangspunt van de ontnemingswetgeving, inhoudende -kort gezegd- dat het daadwerkelijk door de veroordeelde genoten voordeel dient te worden ontnomen.

Bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft de rechtbank gelet op:

- een ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Drenthe, Regionaal Milieuteam, Onderzoek Goudenregen, OPS-dossiernummer PL 300-2010041938, met bijlagen, d.d. 18 maart 2011, bestaande uit een 17-tal ordners, met bijlagen, opgemaakt door [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3], allen brigadier en milieurechercheur, werkzaam bij het Regionaal Milieuteam van de Regiopolitie Drenthe;

-een dossier betreffende veroordeelde en houdende stukken met betrekking tot de ontnemingsvordering tegen de verdachte, waaronder een rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van Regiopolitie Drenthe, Regionaal Milieuteam, Onderzoek Goudenregen, OPS-dossiernummer PL 300-2010041938, met bijlagen, d.d. 20 juli 2012, bestaande uit een 4-tal ordners.

Gelet op het vorenstaande berekent de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel als volgt, waarbij de rechtbank rekening houdt met de waarde van de inbeslaggenomen hoeveelheid vuurwerk, met de kosten die zijn gemaakt door veroordeelde, waaronder de reis en verblijfkosten en met het uitgangspunt van een gemiddelde winstmarge van 125%:

Aangeschaft vuurwerk

Aangeschaft vuurwerk Super Power Polen

2010: €. 13.478,10

2009: €. 15.934,63

2008: €. 37.568,92

€. 66.981,65

Aangeschaft vuurwerk Portugal €. 36.800,00

Aangeschaft vuurwerk Black Boxx Duitsland €. 21.604,95

Aangeschaft vuurwerk Lonestar Duitsland €. 3.248,70

Totaal aangeschaft vuurwerk €. 128.635,30

Waarde hoeveelheden inbeslaggenomen vuurwerk

Onder [betrokkene 1] en [betrokkene 2] €. 1.280,00

Onder [veroordeelde] €. 2.498,72

In de garagebox [adres 2] te Groningen €. 1.330,16

Bij verkeerscontrole in Berlijn €. 15.934,63

Totaal €. 21.043,51

Beschikbaar voor de verkoop derhalve €. 107.591,79

Gemiddeld percentage aan winstopslag 125%

Bruto-omzet derhalve 225:100 x €. 107.591,79 = €. 242.081,52

Inkoop bedroeg €. 128.635,30

Reis- en verblijfkosten ten behoeve aanschaf €. 3.500,00

Transportkosten €. 4.000,00

€. 136.135,30

Wederrechtelijk voordeel derhalve €. 105.946,22

De rechtbank zal op grond van het hiervoor overwogene en gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht bepalen dat veroordeelde ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten aanzien van de hiervoor vermeld feiten het bedrag €. 105.946,22 aan de Staat dient te betalen.

3. Beslissing

De rechtbank:

  • -

    stelt het bedrag waarop het door veroordeelde door middel van of uit de baten van de bewezen verklaarde feiten wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op €. 105.946,22 (ZEGGE: éénhonderdenvijfduizend negenhonderdenzesen-veertig euro en tweeëntwintig eurocenten) en legt aan veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen ter ontneming van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel;

  • -

    wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gegeven door mr. H.H.A. Fransen, voorzitter, en mr. B.I. Klaassens en

mr. E. Läkamp, rechters, in tegenwoordigheid van J. Bos, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 23 april 2013.