Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:2414

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
31-01-2013
Datum publicatie
19-08-2013
Zaaknummer
S 880182-12 PROM
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte voor de handel in XTC en het voorhanden hebben van een alarmpistool tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden. De rechtbank acht tevens bedreiging bewezen, doch ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging (OVAR) wegens een geslaagd beroep op noodweer.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 41
Opiumwet 2
Wet wapens en munitie 26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 17/880182-12 en 17/006994-10 (tul)

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 31 januari 2013 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres]

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 17 januari 2013. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A. Hertogs, advocaat te Leeuwarden.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij (op verschillende data en/of tijdstippen) in of omstreeks de periode van

1 maart 2012 tot en met 2 mei 2012 te Drogeham, (althans) in de gemeente

Achtkarspelen, in elk geval in het arrondissement Leeuwarden,

opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in

elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (telkens) (een) hoeveelhe(i)d(en)

van een materiaal bevattende amfetamine (speed) en/of (telkens) (een)

hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDA en/of MDMA en/of MDEA en/of

N-ethylMDA (zogenaamde XTC-pillen), zijnde amfetamine en/of MDA en/of MDMA

en/of MDEA en/of N-ethylMDA (zogenaamde XTC-pillen) (telkens) een middel als

bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens

het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 14 april 2012 te Drogeham, (althans) in de gemeente

Achtkarspelen, [slachtoffer], meermalen, heeft bedreigd met enig misdrijf

tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend (vanaf korte afstand van die

[slachtoffer]) een schaar, althans een scherp en/of puntig voorwerp, omhoog

gehouden en/of is (vervolgens) in de richting van die [slachtoffer] gelopen en/of

heeft (daarbij) een of meer stekende beweging(en) gemaakt in de richting van

(het lichaam van) die [slachtoffer], althans een schaar, in elk geval een scherp

en/of puntig voorwerp, zichtbaar voor die [slachtoffer] bij zich gehad;

3.

hij op of omstreeks 2 mei 2012 te Drogeham, in de gemeente Achtkarspelen, een

wapen van categorie III, sub 4, te weten een alarmpistool (merk Röhm, model RG

300), voorhanden heeft gehad.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

  • -

    veroordeling voor het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde;

  • -

    ten aanzien van feit 2. een schuldigverklaring zonder oplegging van straf;

  • -

    ten aanzien van feiten 1. en 3. oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

  • -

    oplegging van de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht met een meldingsgebod en deelname aan de gedragsinterventie CoVa of CoVa+;

  • -

    tenuitvoerlegging van de op 12 november 2010 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een week.

Beoordeling van het bewijs

Feit 1.

De rechtbank past de hierna te noemen bewijsmiddelen1 toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten.

1.

De verklaring van verdachte2, inhoudende:

Ik heb op Koninginnedag ongeveer vijf tot tien pillen gekocht. Ik heb dan op Koninginnedag heus wel wat weggegeven aan mensen. U houdt me voor dat er in mijn woning oranje XTC-pillen zijn aangetroffen met de afbeelding van een leeuw. Dat zijn pillen die ik heb gekocht op Koninginnedag.

2.

De verklaring van verdachte3, inhoudende:

U zegt mij dat er XTC-pillen in mijn woning zijn aangetroffen. Dit kan wel kloppen. Deze XTC-pillen zijn wit en oranje van kleur. Ik weet dat er op de oranje XTC-pillen een afdruk van een leeuw stond en op de witte XTC-pillen stond een drietal rondjes, gelijkend op het Audi logo. Deze XTC-pillen zijn mijn eigendom.

3.

De verklaring van [getuige 1]4, inhoudende:

Ongeveer vanaf februari 2012 kwam ik bij [verdachte] thuis. Ik heb bij hem de bestrating gedaan. Dat was volgens mij afgelopen maart/april. Ik had al een aantal keren bij [verdachte] thuis gezeten, toen [verdachte] voorstelde om drugs voor hem te gaan verkopen. [verdachte] vertelde dat hij wel aan XTC-pillen kon komen. [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] hebben bij die gesprekken gezeten. Het kwam er op neer dat [verdachte] wilde dat wij vieren voor hem gingen verkopen. We zouden de financiën dan later regelen. Ik heb een keer twee pillen verkocht. Het geld wat ik ervoor kreeg heb ik nooit aan [verdachte] betaald. Ik heb gezien dat [verdachte] XTC verkocht aan [getuige 3], [getuige 2] en [getuige 4]. Bij [getuige 3] en [getuige 2] ging dit in behoorlijke hoeveelheden. [verdachte] verkocht de pillen in zakjes van 25 stuks. Ik heb gezien dat [verdachte] die XTC aan hen overhandigde. Ik denk dat [verdachte] een week of zes geleden is begonnen met de verkoop van verdovende middelen. Hij is begonnen nadat ik de tuin bij hem heb gedaan.

4.

De verklaring van [getuige 4]5, inhoudende:

Ik heb de laatste keer XTC geslikt op het bevrijdingsfestival in Groningen. Ik heb de drugs gekocht van [verdachte], een paar dagen voordat hij werd aangehouden. Ik heb toen tien XTC-pillen gekocht. De pillen waren oranje van kleur met de afbeelding van een leeuw er op. Ik heb vijf euro per pil betaald. Ik heb wel eens een zakje met tien XTC-pillen van [verdachte] gekregen. Dit waren ook oranje pillen met een leeuw erop. [verdachte] heeft mij op een gegeven moment gevraagd om drugs voor hem te gaan verkopen. Toen hij mij dit vroeg was ik met een aantal personen bij [verdachte] thuis. Dit waren [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 1]. Ik heb in totaal tweemaal tien pillen XTC gekocht van [verdachte]. Ik heb drie maanden geleden voor het eerst drugs gekocht van [verdachte].

5.

De verklaring van [getuige 2]6, inhoudende:

Ik kocht drie weken geleden 50 XTC-pillen van [verdachte]. [verdachte] verkocht toen aan minimaal vier personen een hoeveelheid pillen. Volgens mij kochten die andere jongens ook vijftig pillen. Deze pillen waren van goede kwaliteit. Het had op mij de uitwerking die ik van XTC verwachtte. Dit waren rode pillen met een leeuwtje erop.

6.

De verklaring van [getuige 3]7, inhoudende:

Ik kocht XTC van [verdachte] uit Drogeham. De pillen waren goed. Die waren in principe perfect, precies zoals het hoort. Ik heb twee keer 100 pillen van [verdachte] gekocht. [verdachte] wilde dat ik voor hem ging dealen. Uiteindelijk lukte het [verdachte] om mij te overtuigen. Ik heb vijf of zes weken geleden voor het eerst drugs bij hem gekocht, en tweeënhalve week geleden was de laatste keer.

7.

De verklaring van [getuige 3]8, inhoudende:

Ik heb van [verdachte] 20 audi Quatro's gekregen om te proberen. Dit zijn XTC-pillen.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat, hoewel er belastende verklaringen zijn afgelegd door [getuige 5] en [getuige 6] tegen verdachte, deze niet gedetailleerd zijn. Bovendien merkt de raadsvrouw ten aanzien van de verklaring van [getuige 6] op dat deze moet worden uitgesloten van het bewijs nu hij beweert aanwezig te zijn geweest bij het schaarincident op 14 april 2012, terwijl uit andere getuigenverklaringen in het dossier daarvan niet blijkt. De raadsvrouw acht de verklaring van [getuige 6] derhalve niet betrouwbaar. Voorts acht de raadsvrouw de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 4] onbetrouwbaar, aangezien hun verklaringen tegenstrijdigheden bevatten ten aanzien van de hoeveelheden drugs. De verklaringen van [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 7] zijn het meest gedetailleerd, maar de raadsvrouw is van mening dat deze verklaringen eveneens onbetrouwbaar zijn. Zij zijn neven van elkaar. Het beschuldigen van verdachte als drugsdealer lijkt een wraakactie te zijn na het voornoemde schaarincident, aldus de raadsvrouw. Voorts heeft de raadsvrouw opgemerkt dat niet is vastgesteld of de drugs daadwerkelijk speed en XTC zijn nu dit niet is onderzocht.

Naar de mening van de raadsvrouw is derhalve onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden om tot een veroordeling van verdachte te komen. Zij verzoekt de rechtbank verdachte hiervan dan ook vrij te spreken.

De rechtbank overweegt als volgt. In de woning van verdachte zijn door de politie pillen aangetroffen met de afbeelding van een leeuw. Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat hij deze op Koninginnedag heeft gekocht en dat hij deze ook aan anderen heeft verstrekt. Dat komt overeen met de verklaring van [getuige 4], die heeft verklaard dat hij pillen met de afbeelding van een leeuw van verdachte heeft gekocht. Voorts heeft [getuige 1] verklaard dat hij heeft gezien dat [getuige 4], [getuige 2] en [getuige 3] XTC-pillen hebben gekocht van verdachte.

De rechtbank acht de verklaringen van [getuige 4] en [getuige 1] niet tegenstrijdig. Dat verdachte, zoals [getuige 1] heeft verklaard, de pillen in zakjes van 25 stuks verkocht, sluit niet uit dat hij ook kleinere hoeveelheden (van 10 stuks) verkocht, zoals [getuige 4] heeft verklaard. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de getuigenverklaring van [getuige 6] onbetrouwbaar is nu hij heeft verklaard dat hij aanwezig was bij het schaarincident, terwijl dit uit geen enkele andere verklaring blijkt. De rechtbank acht de verklaringen van de getuigen [getuige 4] en [getuige 1] geloofwaardig. Dit zijn naar het oordeel van de rechtbank objectieve getuigen en verdachte heeft bovendien een deel van de getuigenverklaringen bevestigd. Voornoemde getuigen bevestigen eveneens de verklaringen van de [getuige 2] en [getuige 3]. De rechtbank acht hun verklaringen ook geloofwaardig nu zij in dezelfde lijn hebben verklaard.

Uit de verklaringen van [getuige 3] en [getuige 2] blijkt tevens dat de XTC-pillen werkten zoals zij dat behoorden te doen, zodat de rechtbank van oordeel is dat op grond van de bovenstaande bewijsmiddelen wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte XTC-pillen heeft verkocht, afgeleverd en verstrekt gedurende de ten laste gelegde periode.

De rechtbank merkt daarbij op dat zij van oordeel is dat niet bewezen kan worden dat de speed daadwerkelijk speed was, nu dit niet nader is onderzocht en uit meerdere getuigenverklaringen blijkt dat de speed van slechte kwaliteit was of zelfs helemaal niet werkzaam was.

Feit 2.

De rechtbank past de hierna te noemen bewijsmiddelen9 toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten.

1.

De verklaring van verdachte10, inhoudende:

[slachtoffer] en [getuige 7] kwamen op 14 april 2012 bij mijn woning. Ze stonden buiten te schreeuwen en toen heb ik ze binnen gelaten. Daarna is er een worsteling ontstaan. Zij hebben me met z'n tweeën beetgepakt. Ik ging door mijn knieën en toen hebben ze me losgelaten. Ik wist dat er een schaar lag op de tafel achter in de woning. Ik weet niet meer hoe ik de schaar vast had. Ik zei dat ik wilde dat ze mijn huis uit gingen. Toen zijn ze weggegaan. Ze waren bang dat ik ze met de schaar zou prikken.

2.

Aangifte van [slachtoffer]11, inhoudende:

Ik was op 14 april 2012 samen met [getuige 7] uit Kootstertille. Ik ging toen naar [verdachte]. Ik belde aan en [verdachte] deed de deur open. Ik kon binnen komen. Ik hoorde dat [verdachte] zijn stem verhief en we kregen ineens overal ruzie over. [verdachte] en ik stonden tegenover elkaar te schreeuwen en we kregen woordelijk ruzie. Ik besloot weg te gaan en [getuige 7] en ik stapten in mijn auto. Ik was nog maar net weg toen [verdachte] mij alweer belde en mij uitschold. Ik ben toen teruggegaan. We kregen weer ruzie en [verdachte] zei dat hij mij door de deur heen zou slaan. Ik was toen weer bij [verdachte] in de woning. [getuige 3] sprong tussen ons in en [verdachte] deed net of wilde hij mij slaan. Ik besloot toen om [verdachte] vast te pakken en ik voelde dat hij zich verzette. Ik drukte hem tegen de muur aan en ik voelde dat hij zich niet meer kon verzetten. Ik liet [verdachte] los en ik zag dat hij hard naar de tafel liep. Ik zag dat [verdachte] een schaar van de tafel pakte en deze in zijn hand nam. Ik zag dat hij de schaar in zijn rechterhand pakte en deze boven zijn hand hield en in mijn richting liep. Ik ging iets achter [getuige 7] staan en vervolgens liep ik om de salontafel heen. [verdachte] schreeuwde dat ik weg moest gaan en deed net of wilde hij mij steken met die schaar. Ik zei tegen hem dat hij dan achteruit moest gaan. Dit deed hij en [getuige 7] en ik zijn vervolgens weggegaan.

3.

De verklaring van [getuige 7]12, inhoudende:

Ik ben met [slachtoffer] naar [verdachte] in Drogeham gereden. Ik hoorde dat [slachtoffer] en [verdachte] ruzie kregen. Ik zag dat ze elkaar even goed beetpakten. Ik zag dat ze wat bij de muur opgingen en over de grond aan het worstelen waren. Opeens zag ik dat [verdachte] een grote schaar in zijn rechterhand had. Het was een grote schaar van ongeveer 25 centimeter met een donker handvat. Ik zag dat [verdachte] de schaar in zijn hand hield met de punt naar voren gericht en een dreigende houding aan nam richting [slachtoffer]. Ik hoorde dat [verdachte] zei: 'De keet uit, anders steek ik jullie neer.'

Op grond van de bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank het feit wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank past met betrekking tot het onder 3. ten laste gelegde feit de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

Feit 3.

1.

de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 januari 2013;

2.

het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen nr. PL02BB 2012039661-93, d.d. 31 augustus 2012, inhoudende het proces-verbaal van wapenherkenning.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op verschillende data en tijdstippen in de periode van 1 maart 2012 tot en met 2 mei 2012 te Drogeham, in de gemeente Achtkarspelen, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt telkens hoeveelheden van een materiaal bevattende MDA en/of MDMA en/of MDEA en/of N-ethylMDA, zogenaamde XTC-pillen, zijnde MDA en MDMA en MDEA en

N-ethylMDA, zogenaamde XTC-pillen, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op 14 april 2012 te Drogeham, in de gemeente Achtkarspelen [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend vanaf korte afstand van die [slachtoffer] een schaar omhoog gehouden en is vervolgens in de richting van die [slachtoffer] gelopen en heeft hij een schaar zichtbaar voor die [slachtoffer] bij zich gehad;

3.

hij op 2 mei 2012 te Drogeham, in de gemeente Achtkarspelen, een

wapen van categorie III, sub 4, te weten een alarmpistool (merk Röhm, model RG

300), voorhanden heeft gehad.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

1.

Ten aanzien van het verkopen en afleveren:

De voortgezette handeling van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het verstrekken:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

2.

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

3.

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie,

begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte ten aanzien van de feiten 1. en 3. strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Feit 2.

De officier van justitie is van mening dat sprake was van enig tijdsverloop tussen de ruzie met [slachtoffer] en het moment dat verdachte de schaar van tafel pakte. Verdachte kwam terug met de schaar en bedreigde [slachtoffer]. De officier van justitie meent dat door dat tijdsverloop geen sprake meer is van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. Er was daarom geen sprake meer van een noodweersituatie, aldus de officier van justitie.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat [slachtoffer] en [getuige 7] verhaal wilden halen bij verdachte. Verdachte heeft hen in zijn woning toegelaten, omdat hij geen problemen wilde aan de deur. [slachtoffer] begon vervolgens met verdachte te vechten. Hij had verdachte tegen de muur aan gedrukt. Toen [slachtoffer] merkte dat verdachte zich niet meer kon verzetten, liet hij hem los. Verdachte heeft daarop een schaar van de tafel gepakt en gezegd dat [slachtoffer] en [getuige 7] zijn woning moesten verlaten. Er mag niet van verdachte worden verwacht dat hij zijn eigen woning verlaat, aldus de raadsvrouw. Hij was in de minderheid en het lukte hem niet om [slachtoffer] en [getuige 7] zijn woning uit te krijgen. Naar de mening van de raadsvrouw was wel sprake van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanval en heeft verdachte daartegen proportioneel geweld gebruikt. De raadsvrouw bepleit ontslag van alle rechtsvervolging.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de verklaringen van [slachtoffer] en [getuige 7] blijkt dat zij naar de woning van verdachte gingen om verhaal te halen. [slachtoffer] heeft verdachte vervolgens beetgepakt en er ontstond een worsteling. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij verdachte losliet toen hij merkte dat verdachte zich niet meer kon verzetten. Verdachte liep daarna weg en pakte een schaar van de tafel. [getuige 7] heeft hierover verklaard dat hij zag dat verdachte ineens een schaar in zijn hand had. De rechtbank is van oordeel dat uit deze verklaringen blijkt dat er nauwelijks tijd zat tussen de worsteling en het pakken van de schaar. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij zich bedreigd voelde en [slachtoffer] en [getuige 7] herhaaldelijk heeft verzocht om zijn woning te verlaten. Zij voldeden daar echter niet aan. [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte schreeuwde dat ze weg moesten gaan en net deed alsof hij hem wilde steken met de schaar. Die verklaring bevestigt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte probeerde [slachtoffer] en [getuige 7] uit zijn woning te krijgen. De schaar gebruikte hij hierbij als pressiemiddel.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat er sprake is geweest van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf en goed waartegen verdediging noodzakelijk en geboden was. Redelijke alternatieven om zich aan het dreigende geweld te onttrekken waren er niet. Er mocht onder de gegeven omstandigheden niet van verdachte worden verwacht dat hij zijn eigen woning verlaat.

Het door verdachte gekozen verdedigingsmiddel, te weten dreigen met de schaar, is in deze situatie voorts begrijpelijk en niet onevenredig. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte de noodweersituatie aannemelijk heeft gemaakt, dat zijn verdediging niet disproportioneel is geweest en dat er voor hem geen andere, minder ingrijpende methode van verweer voorhanden was. Daarom zal verdachte worden ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van feit 2.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de straf in aanmerking:

  • -

    de aard en de ernst van het gepleegde feit;

  • -

    de omstandigheden waaronder dit is begaan;

  • -

    de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 19 december 2012 en het reclasseringsadvies d.d. 6 december 2012;

  • -

    de vordering van de officier van justitie;

  • -

    het pleidooi van de raadsvrouw.

Verdachte heeft in een periode van twee maanden meermalen XTC-pillen verstrekt aan kennissen en heeft daarnaast partijen van tientallen XTC-pillen verkocht aan anderen die hij eerder als (straat)dealers had geworven. Het verkopen van XTC-pillen levert schade op voor de maatschappij. De in XTC-pillen aanwezige werkzame stof, MDMA, is immers als een harddrug aangemerkt, omdat het gebruik hiervan onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid met zich brengt. Verder heeft verdachte een alarmpistool voorhanden gehad. Omdat een dergelijk wapen geschikt is om mee te dreigen, is het voorhanden hebben daarvan strafwaardig. Op grond van de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting zou voor het verkopen van gebruikershoeveelheden vanuit een pand gedurende een periode van één tot drie maanden een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden passend zijn. De rechtbank zoekt aansluiting bij dit oriëntatiepunt. Voor het voorhanden hebben van een alarmpistool is volgens diezelfde oriëntatiepunten een geldboete een passende straf.

In het nadeel van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat hij eerder is veroordeeld voor diverse strafbare feiten, laatstelijk bij vonnis van de kantonrechter Heerenveen van 13 april 2011. De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het reclasseringsrapport waarin wordt geadviseerd om aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldingsplicht en deelname aan een gedragsinterventie, te weten een CoVa dan wel een CoVa+- training. Alles in overweging nemend, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, passend en geboden. De rechtbank verbindt aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf de voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, waarbij de rechtbank het aan de reclassering overlaat, afhankelijk van de uitkomst van het nog te verrichten intelligentieonderzoek, of verdachte deel zal nemen aan een CoVa, dan wel aan een CoVa+-training.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 12 november 2010, gewezen door de politierechter in de rechtbank te Leeuwarden, is de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een week met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 27 november 2010. Bij vordering d.d. 19 december 2012 heeft de officier van justitie de tenuitvoerlegging gevorderd van deze straf.

De bewezenverklaarde feiten zijn door verdachte begaan voor het einde van de proeftijd. De rechtbank zal op grond daarvan de tenuitvoerlegging gelasten van deze gevangenisstraf.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 56 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikel 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart het onder 2. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld, doch verdachte deswege niet strafbaar.

Ontslaat verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Verklaart het onder 1. en 3. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 3 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

1.

dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2.

dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3.

dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1.

dat veroordeelde zich binnen 14 dagen na invrijheidstelling op een dinsdag of donderdag tussen 15:00 uur en 16:00 uur meldt bij Reclassering Nederland op het adres Zoutbranderij 1 in Leeuwarden.

2.

dat veroordeelde gedurende de proeftijd zal deelnemen aan een gedragsinterventie, bestaande uit een CoVa of CoVa+ training, aangeboden door Reclassering Nederland, of een soortgelijke instelling, waarbij veroordeelde zich dient te houden aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie door of namens voornoemde instelling aan veroordeelde zullen worden gegeven, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

17/006994-10:

Gelast de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Leeuwarden d.d. 12 november 2010, te weten: een week gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Post, voorzitter, mr. L.W Janssen en mr. N.A. Vlietstra, rechters, bijgestaan door mr. L.S. Gosselaar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 31 januari 2013.

Mr. L.W Janssen en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

w.g.

Post

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Vlietstra

de griffier van de rechtbank

Gosselaar

te Leeuwarden,

RECHTBANK NOORD NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 17/880182-12

proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de meervoudige strafkamer in bovengenoemde rechtbank op 17 januari 2013

Tegenwoordig:

mr. K. Post, voorzitter,

mr. L.W. Janssen en mr. N.A. Vlietstra, rechters,

mr. C. de Groot, officier van justitie en

mr. L.S. Gosselaar, griffier.

De voorzitter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.

De voorzitter belast de oudste rechter met de leiding van het onderzoek.

De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de oudste rechter te zijn genaamd:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres]

Als raadsvrouw van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. A. Hertogs, advocaat te Leeuwarden.

…..

De oudste rechter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van de rechtbank de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 31 januari 2013 te 13:30 uur.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en ondertekend door de voorzitter en de griffier.

1 De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed en door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt; de genoemde pagina's bevinden zich in het doorgenummerde proces-verbaal met OPS-dossiernummer 2012039661, gesloten op 21 mei 2012.

2 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 januari 2013.

3 De verklaring van verdachte, d.d. 2 mei 2012, pagina 106.

4 De verklaring van [getuige 1], d.d. 7 mei 2012, pagina 71-73.

5 De verklaring van [getuige 4], d.d. 7 mei 2012, pagina 74-75.

6 De verklaring van [getuige 2], d.d. 20 april 2012, pagina 99.

7 De verklaring van [getuige 3], d.d. 23 april 2012, pagina 81-84.

8 De verklaring van [getuige 3], d.d. 25 april 2012, pagina 89.

9 De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed en door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt; de genoemde pagina's bevinden zich in het doorgenummerde proces-verbaal met OPS-dossiernummer 20122012039661, gesloten op 21 mei 2012.

10 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 januari 2013.

11 De verklaring van aangever [slachtoffer], d.d. 3 mei 2012, pagina 76-77

12 De verklaring van [getuige 7], d.d. 4 mei 2012, pagina 79-80.