Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2022:9528

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19-10-2022
Datum publicatie
07-11-2022
Zaaknummer
C/15/326121 / HA ZA 22-173
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Burengeschil. Recht van overpad. Voorgestane schutting vormt een onredelijke belemmering en bemoeilijking van het recht van overpad. Kortere schutting is wel aanvaardbaar. Vorderingen met betrekking tot illegale huisvesting van arbeidsmigranten niet-ontvankelijk; bestuursrechtelijke rechtsgang staat open.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/326121 / HA ZA 22 -173

Vonnis van 19 oktober 2022 (bij vervroeging)

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. P. van Lingen te Alkmaar,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaten mr. A.A. de Jong en mr. D.J. Koenrades te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

De zaak in het kort

De zaak betreft een burengeschil. Ten gunste van het perceel van [gedaagde] is een recht van overpad gevestigd over het perceel van [eiser] om te komen en te gaan naar de [straat 1] te [plaats] . In geschil is of [eiser] gerechtigd is om tussen het perceel [adres 1] (de woning van [gedaagde] ) en het perceel [adres 2] (de woning van [eiser] ) vanaf de achtergrens van zijn perceel een schutting te plaatsen op eigen grond tegen de erfgrens van het perceel van [gedaagde] . De rechtbank oordeelt dat dit het geval is.
De schutting mag echter, anders dan [eiser] wenst, niet zo ver naar voren doorlopen dat een doorgang overblijft van vijf meter aan het eind van de schutting tot aan de grens aan de voorzijde van het perceel van [eiser] . Een dergelijke schutting vormt een onredelijke belemmering en bemoeilijking van het recht van overpad dat [gedaagde] heeft. Wel aanvaardbaar is een kortere schutting.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 21 februari 2022 met producties 1-6;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties 1-19;
- de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte uitlating producties met producties 1-5;
- het tussenvonnis van 24 augustus 2022;
- de brief van 16 september 2022 met producties 20-23 van de zijde van [gedaagde] ;
- de akte vermeerdering van eis tevens overlegging productie van 20 september 2022 van de zijde van [eiser] ;
- de gerechtelijke plaatsopneming (descente) en aansluitend de mondelinge behandeling in restaurant [xxx] te [plaats] op 28 september 2022, waar zijn verschenen de heer [eiser] en mevrouw [naam 1] vergezeld van mr. Van Lingen, en de heer [gedaagde] en mevrouw [naam 2] , vergezeld van mrs. De Jong en Koenrades. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

Van de descente is een proces-verbaal opgemaakt.

De advocaten hebben gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die zij tijdens de mondelinge behandeling aan de rechtbank hebben overgelegd en die daarmee onderdeel zijn van de processtukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn buren van elkaar.

2.2.

[eiser] woont sinds 1995 aan de [adres 2] te [plaats] . [gedaagde] woont sinds 2019, vanaf de [straat 1] gezien, rechts naast hem, aan de [adres 1] te [plaats] . [gedaagde] heeft deze woning na het overlijden van zijn vader betrokken.

2.3.

Het terrein waarop partijen woonachtig zijn is een voormalig werkterrein van het leger (het magazijnencomplex). In 1995 is dit terrein kadastraal gesplitst in vier percelen. Op elk perceel is een zelfstandig pand gebouwd, twee woningen aan de voorzijde en twee woningen aan de achterzijde. De woningen van partijen bevinden zich aan de achterzijde van het terrein.

2.4.

Er is op het terrein één ontsluiting naar de [straat 1] aangelegd. In de notariële akte van 15 november 1995 van de koop van het perceel [adres 2] door [eiser] (van de toenmalige gemeente [gemeente] ) is het volgende bepaald over erfdienstbaarheid:
“De comparanten (…) verklaarden bij deze te vestigen: ten behoeve en ten laste van het verkochte enerzijds en ten behoeve en ten laste van de naastgelegen percelen (…) een recht van overpad uit te oefenen over het aangelegde of nog aan te leggen pad, teneinde te komen van- en te gaan naar de openbare wegen, genaamd [straat 1] en [straat 2] .”

2.5.

Sinds 1995 wordt de erfdienstbaarheid ten gunste van [eiser] en [gedaagde] ingevuld op een wijze waarop zij vanaf de [straat 1] de beschikking hebben over een strook grond van zes meter breed. Het betreft het middelste gedeelte tussen het perceel van [adres 3] en [adres 4] (hierna: het middenterrein), dat in totaal achttien meter bedraagt.
Hieronder twee afbeeldingen van de situatie ter plaatse.

Afbeeldingen verwijderd i.v.m. anonimisering

2.6.

Bij brief van 25 augustus 2021 heeft (de advocaat van) [eiser] aan [gedaagde] voorgesteld om tussen hun percelen een erfafscheiding te realiseren. Als reactie hierop heeft [gedaagde] op 28 september 2021 aangegeven, hoewel hij liever de openheid tussen de panden op het plein wil behouden, geen bezwaar te maken als [eiser] een erfafscheiding realiseert, op voorwaarde dat deze:
- vanaf de achtergrens van zijn perceel niet verder strekt dan de voorgevel van zijn pand;

- op zijn eigen kosten op zijn eigen perceel wordt geplaatst en onderhouden;
- niet uit beplanting bestaat;
- aan de kant van [gedaagde] onderhoudsvrij is.

2.7.

Bij e-mail van 11 oktober 2021 heeft (de advocaat van) [eiser] aan [gedaagde] bericht bereid te zijn met deze voorwaarden akkoord te gaan. Daarbij heeft hij wel aangegeven te overwegen een gerechtelijke procedure te starten tot het opheffen van de erfdienstbaarheid van weg, omdat [gedaagde] niet akkoord is gegaan met beëindiging van de erfdienstbaarheid en met het volledig doortrekken van de schutting tot de erfgrens aan de voorzijde.

2.8.

Bij e-mail van 23 december 2021 heeft (de advocaat van) [eiser] desgevraagd herhaald dat de schutting zal worden opgericht conform het akkoord van [gedaagde] , dus tot de voorgevel van het pand van [eiser] . Daarbij is [gedaagde] niettemin verzocht in te stemmen met het doortrekken van de schutting zodanig dat er aan de voorzijde van [eiser] perceel een ruimte overblijft van vijf meter.

2.9.

[gedaagde] heeft deze instemming niet gegeven, waarna [eiser] deze gerechtelijke procedure is gestart.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser] vordert na vermeerdering van eis dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1. voor recht verklaart dat [eiser] gerechtigd is een hek te plaatsen op eigen grond tegen de erfgrens van het perceel van [gedaagde] , welk hekwerk zo naar voren doorloopt dat, bezien vanaf de perceelsgrens van [eiser] aan de voorzijde van zijn perceel, dus de grens die het meest dicht aan de [straat 1] toe is gelegen, een doorgang overblijft van vijf meter aan het eind van dit hekwerk tot aan de perceelsgrens, om [gedaagde] in staat te stellen gebruik te maken van de erfdienstbaarheid om te komen en gaan naar de [straat 1] ;

2. [gedaagde] verbiedt om het perceel van [eiser] te betreden, dan wel hierop materialen en voertuigen te plaatsen, anders dan in het kader van gebruikmaking van de erfdienstbaarheid om over het pad van de erfdienstbaarheid te komen en te gaan naar of van zijn erf van c.q. naar de openbare weg, zulks op verbeurte van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 500,- voor iedere overtreding en voor elke dag dat deze overtreding voortduurt, en

3. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van dit geding.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vorderingen, samengevat, het volgende ten grondslag.

3.2.1.

[eiser] heeft belang bij het door hem gewenste hek (hierna genoemd: de schutting), omdat dit zijn rust beschermt en privacy geeft. [eiser] wil ongestoord normaal gebruik van zijn erf kunnen maken en zich niet meer storen aan de gedragingen van [gedaagde] . Sinds [gedaagde] het pand aan de [adres 1] bewoont zijn er diverse discussies en strubbelingen ontstaan. [gedaagde] plaatst veelvuldig auto’s en fietsen op het erf van [eiser] en neemt onvoldoende maatregelen om dit te verhinderen. De materialen, machines en voertuigen die op het terrein van [gedaagde] staan bieden bovendien geen fraai uitzicht. Een schutting kan deze visuele hinder tegengaan en voorkomt dat er door (bezoekers van) [gedaagde] op het erf van [eiser] wordt geparkeerd en te extensief gebruik wordt gemaakt van de erfdienstbaarheid.

3.2.2.

Met de schutting wordt de uitoefening van de ten behoeve van [gedaagde] perceel gevestigde erfdienstbaarheid, om te kunnen komen en gaan naar de [straat 1] , niet onredelijk aangetast. Er blijft voldoende ruimte over voor [gedaagde] om, komend vanaf de [straat 1] , met voertuigen de draai te maken naar zijn eigen perceel en andersom, ook met vrachtauto’s. Ook zijn er dan nog voldoende mogelijkheden om te manouevreren, te parkeren en goederen op te slaan. Daarbij is van belang dat het perceel van [gedaagde] aan de voorzijde ongeveer 1.90 meter dieper is dan het perceel van [eiser] , dus dichter naar de [straat 1] is gelegen, zodat [gedaagde] dat terrein ook kan gebruiken. Verder is van belang dat [gedaagde] inmiddels een extra uitweg naar de [straat 2] heeft gerealiseerd. [gedaagde] is de enige die van dit deel van de erfdienstbaarheid gebruik maakt. Het karakter van de gebouwen en de openheid van het middenterrein staan er bovendien niet aan in de weg dat een schutting tussen [adres 1] en [adres 2] wordt aangebracht en deze tot de aangegeven lengte wordt doorgetrokken voorbij de voorgevel van de woning van [eiser] .

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

[gedaagde] vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [eiser] veroordeelt om op het middenterrein van het magazijnencomplex, voor zover in zijn eigendom, te allen tijde een vrije onbelemmerde doorgang ten behoeve van het perceel van [gedaagde] te garanderen en dus het op de als productie 4 (bij de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie) overgelegde tekening roze gearceerde deel van het middenterrein, alsook het geel gearceerde deel vermeld op de als productie 10 (bij de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie) overgelegde simulaties te allen tijde volledig vrij te laten, dat wil zeggen zonder obstructies, oftewel zonder hierop een schutting, dan wel geparkeerde auto’s, materialen of andere objecten te plaatsen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per overtreding en € 500,- voor elke dag dat deze overtreding voortduurt;
II. [eiser] verbiedt op een door de rechtbank te bepalen korte termijn om (een gedeelte van) zijn gebouw aan de [adres 2] permanent te verhuren, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
III. [eiser] gelast om zijn gebouw op een door de rechtbank te bepalen termijn weer in gebruik te nemen op een manier die overeenkomt met de (oorspronkelijke) bestemming en intentie van alle betrokkenen, op straffe van verbeurte van een dwangsom, en
IV. [eiser] veroordeelt in de (na)kosten van dit geding, vermeerderd met rente.

3.6.

[gedaagde] legt aan zijn vorderingen, samengevat, het volgende ten grondslag.
3.6.1. [eiser] heeft regelmatig de vrije doorgang aan de voorzijde van [adres 1] en [adres 2] belemmerd. Bezoekers dan wel medebewoners van het pand van [eiser] parkeren hun auto (gedeeltelijk) op het erf van [gedaagde] , dan wel beletten het recht van overpad van [gedaagde] . Hierdoor is geen ongestoorde toegang mogelijk vanaf de [straat 1] tot zijn perceel en andersom. Dat is in strijd met de ten behoeve van [gedaagde] perceel gevestigde erfdienstbaarheid. [gedaagde] heeft er belang bij dat [eiser] het recht van overpad volledig respecteert.

3.6.2.

[eiser] verhuurt een groot deel van zijn pand aan de [adres 2] ter permanente bewoning aan (zeker drie) arbeidsmigranten, die regelmatig bezoek ontvangen. Dit gebruik is in strijd met de op het perceel rustende cultureel-maatschappelijke bestemming. Ook in de eigendomsakte van [eiser] is vermeld dat het verkochte door [eiser] (uitsluitend) mag worden gebruikt als woonruimte, atelier en expositieruimte. De medebewoners werken niet in de atelierruimte van [eiser] en zijn niet bij [eiser] in dienst. Zij veroorzaken overlast, maken inbreuk op [gedaagde] recht op privacy en geven [gedaagde] een gevoel van onveiligheid. [eiser] handelt hierdoor onrechtmatig jegens [gedaagde] . [gedaagde] heeft er daarom belang bij dat de illegale verhuur zo snel mogelijk stopt.

3.7.

[eiser] voert verweer.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1.

Vanwege de samenhang van de vorderingen in conventie en reconventie worden deze hierna gezamenlijk behandeld.

Wijze van uitoefening van de erfdienstbaarheid

4.2.

Kort gezegd gaat het in deze zaak om het onder 2.4 geciteerde recht van erfdienstbaarheid dat ten gunste van het perceel van [gedaagde] is gevestigd over het perceel van [eiser] om te komen en te gaan naar de [straat 1] . Opheffing of wijziging van de erfdienstbaarheid is geen onderwerp van geschil. Het is momenteel ook niet onmogelijk om de erfdienstbaarheid uit te oefenen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of [gedaagde] met de door [eiser] gewenste schutting onredelijk wordt belemmerd en bemoeilijkt in de uitoefening van de gevestigde erfdienstbaarheid (het recht van overpad). Dat is naar het oordeel van de rechtbank het geval. Daartoe overweegt zij als volgt.

4.3.

De eigenaar van een erf mag dat erf afsluiten, ook in het geval het erf belast is met een erfdienstbaarheid, maar dat mag alleen als de eigenaar van het dienend erf (in dit geval [eiser] ) ervoor zorgt dat de eigenaar van het heersend erf (in dit geval [gedaagde] ) onbelemmerde toegang tot het dienend erf behoudt om de erfdienstbaarheid uit te oefenen.1 In de regel betekent dit dat de eigenaar van het dienend erf de eigenaar van het heersend erf de mogelijkheid moet bieden zich op elk moment de toegang tot het erf te verschaffen ter uitoefening van de erfdienstbaarheid, zonder daarbij telkens afhankelijk te zijn van de directe medewerking van de eigenaar van het dienend erf.

4.4.

Sinds 1995 wordt de erfdienstbaarheid ten gunste van [eiser] en [gedaagde] ingevuld op een wijze waarop zij vanaf de [straat 1] de beschikking hebben over een strook grond van minimaal zes meter breed. [gedaagde] heeft eerder toegestaan (zie hiervoor onder 2.6) dat een schutting vanaf de achtergrens tussen de panden [adres 1] en [adres 2] door [eiser] wordt opgericht, op zijn kosten en op zijn perceel, zodat de rechtbank ook daarvan uitgaat.

4.5.

Om het perceel van [gedaagde] vanaf het middenterrein met voertuigen te bereiken moet een draai over het perceel van [eiser] worden gemaakt. Partijen verschillen van mening over de ruimte die hiervoor nodig is. [eiser] vindt de door hem genoemde ruimte van vijf meter voldoende. [gedaagde] merkt het doortrekken van de schutting tot voorbij de voorgevel van het pand van [eiser] daarentegen aan als een onacceptabele belemmering van zowel de ruimte op het terrein als van zijn recht van overpad.

4.6.

Bij de beoordeling van dit geschilpunt is van belang dat de uitoefening van de erfdienstbaarheid op de voor het dienend erf op de minst belastende wijze moet geschieden.2 Partijen hebben over en weer foto’s en plattegronden van de situatie ter plaatse overgelegd. Daarnaast heeft [gedaagde] simulaties overgelegd waaruit draaicirkels blijken. Bovendien heeft de rechter voorafgaand aan de mondelinge behandeling de situatie ter plaatse bekeken.

4.7.

Aan de hand van de stukken, de stellingen van partijen en de constateringen ter plaatse is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat de door [eiser] voorgestane schutting een onredelijke belemmering en bemoeilijking vormt van het recht van overpad dat [gedaagde] heeft. Een doorgang van vijf meter aan het einde van de beoogde schutting tot aan de perceelsgrens van [gedaagde] is te smal om ongehinderd gebruik van de erfdienstbaarheid te kunnen maken. Ook groot transport dat [gedaagde] nodig heeft voor zijn werk als kunstenaar moet de voorkant van zijn perceel via de [straat 1] kunnen bereiken. Verder betreden leveranciers, klanten en andere bezoekers van de atelier-/expositieruimte van [gedaagde] zijn perceel.

Terecht brengt [gedaagde] naar voren dat volgens het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘ [plaats] 1’ het gebruik als atelier voorop staat en niet het wonen. Immers, het terrein waarop partijen woonachtig zijn heeft de bestemming ‘maatschappelijke doeleinden’, met de aanduiding ‘atelier’, ten behoeve waarvan één dienstwoning is toegestaan. Met deze achtergrond is het terrein in 1995 ook door de toenmalige gemeente [gemeente] overgedragen aan de kunstenaars, die de woningen toen betrokken. Het gebruik van [gedaagde] perceel conform deze bestemming en de open inrichting van het middenterrein maken dat de door [eiser] voorgestane beperking van het bewegingsgebied voor [gedaagde] te ver gaat. Zeker nu ook de voordeur van de woning van [gedaagde] zich aan de zijkant van zijn pand bevindt en er wordt geparkeerd langs de zijgevel waardoor er daar weinig manoeuvreerruimte overblijft. Van (de leveranciers/bezoekers van) [gedaagde] kan bovendien, gezien de inhoud van de gevestigde erfdienstbaarheid en ook in aanmerking nemende dat zijn (woon)adres staat geregistreerd aan de [adres 1] , niet worden verlangd dat zij enkel gebruikmaken van de door [gedaagde] gerealiseerde uitrit naar de [straat 2] . De door [eiser] gestelde visuele hinder van de op het perceel van [gedaagde] neergezette kunstwerken is ook geen toereikend argument voor het plaatsen van een schutting zoals [eiser] deze wenst.

4.8.

De rechtbank acht het evenwel aanvaardbaar, na weging van alle omstandigheden, waaronder de belangen van partijen, dat de op te richten schutting tussen de panden [adres 1] en [adres 2] als volgt door [eiser] mag worden geplaatst: gerekend vanaf de ‘achtergrens’, tussen de woningen, op het eigen perceel van [eiser] , doorlopend tot een punt, gelegen loodrecht op de voorgevel van het pand van [gedaagde] .

In onderstaande schets geeft de rechtbank een en ander schematisch weer (de pijl wijst naar het eindpunt van de schutting):

Schets verwijderd i.v.m. anonimisering

Naar het oordeel van de rechtbank is op deze wijze de toegang voor [gedaagde] vanaf de [straat 1] tot zijn perceel (en vice versa) voldoende gewaarborgd en kan hij zijn recht op overpad effectueren. De zichtbaarheid van de bedrijfsruimte van [gedaagde] wordt hierdoor ook niet minder.

4.9.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht toewijzen zoals hierna in de beslissing onder 5.1 vermeld.

Wat partijen in hun correspondentie, zoals verkort weergegeven onder 2.6 tot en met 2.9, hebben besproken over de realisering van de schutting staat aan toewijzing van de vordering in zoverre niet in de weg. Of voor de schutting een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd is voor de beoordeling van de vordering van [eiser] in deze (civielrechtelijke) procedure niet van belang en kan daarom verder onbesproken blijven.

Garantie op een vrije onbelemmerde doorgang voor [gedaagde]

4.10.

Wat betreft de vordering van [gedaagde] onder I. tot, kort gezegd, het garanderen van een vrije onbelemmerde doorgang ten behoeve van zijn perceel, overweegt de rechtbank als volgt.

4.11.

Hoewel het roze gearceerde deel van het middenterrein niet strak is getekend op de door [gedaagde] als productie 5 overgelegde kadastrale kaart (zie hieronder), gaat de rechtbank ervan uit dat de grens van het roze vlak loopt ter hoogte van de voorgevel van het pand van [gedaagde] . Deze grens stemt overeen met het eindpunt van de op te richten schutting, zoals hierboven is bepaald. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] het roze gearceerde vlak op het perceel van [eiser] te allen tijde volledig dient vrij te laten, zodat [gedaagde] de mogelijkheid heeft om op elk moment en zonder telkens afhankelijk te zijn van de directe medewerking van [eiser] zich de toegang tot zijn erf te verschaffen ter uitoefening van de erfdienstbaarheid.

Kadastrale kaart verwijderd i.v.m. anonimisering

4.12.

Deze vordering zal dan ook, voor zover deze ziet op voornoemd roze gearceerd vlak, worden toegewezen zoals hierna in de beslissing onder 5.5 vermeld.

Voor zover de vordering van [gedaagde] onder I. betrekking heeft op het geel gearceerde deel vermeld op de door [gedaagde] overgelegde productie 11, is de vordering te onbepaald om te kunnen worden toegewezen. Productie 11 bevat namelijk meerdere simulatietekeningen met daarop verschillende gele arceringen.

4.13.

Oplegging van een dwangsom als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing door de rechtbank is gezien de slechte verstandhouding tussen partijen aangewezen. De hoogte van de gevorderde dwangsom zal wel worden beperkt en gemaximeerd zoals hierna in de beslissing onder 5.5 vermeld.

Verbod tot plaatsing van materialen/voertuigen en betreden perceel van [eiser]

4.14.

Hoewel [gedaagde] betwist dat hij de grenzen van een behoorlijke uitoefening van de erfdienstbaarheid heeft overschreden, acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat het incidenteel is voorgekomen dat het perceel van [eiser] niet alleen is gebruikt voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid, maar ook voor het parkeren of het anderszins plaatsen van vervoermiddelen of andere zaken door (bezoekers/gasten van) [gedaagde] . Zo heeft [eiser] tijdens de mondelinge behandeling onweersproken gesteld dat hij een kennis van [gedaagde] erop heeft aangesproken dat hij zijn auto had geparkeerd op het erf van [eiser] , maar dat die kennis weigerde zijn auto te verplaatsen omdat hij vond dat die niet in de weg stond.

4.15.

De rechtbank acht het daarom aangewezen om het door [eiser] onder 2. gevorderde verbod toe te wijzen zoals hierna in de beslissing onder 5.2 vermeld. Het is de verantwoordelijkheid van [gedaagde] om te voorkomen dat zijn bezoekers materialen en/of voertuigen plaatsen op het erf van [eiser] , behalve voor tijdelijke laad- en losactiviteiten die redelijkerwijs onder uitoefening van de erfdienstbaarheid vallen. Als [gedaagde] vanuit zijn woning geen toezicht op zijn eigen terrein kan houden, dient hij hiervoor maatregelen te treffen.
Ook hier ziet de rechtbank aanleiding om een dwangsom aan bovengenoemd verbod te verbinden, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing door de rechtbank. De hoogte van de gevorderde dwangsom zal wel worden beperkt en gemaximeerd als in de beslissing onder 5.2 vermeld.

Illegale huisvesting van arbeidsmigranten

4.16.

[gedaagde] vordert in reconventie onder II. en III - kort gezegd - om [eiser] te verbieden een gedeelte van zijn pand permanent te verhuren respectievelijk [eiser] te gelasten om zijn pand weer in gebruik te nemen op een manier die overeenkomt met de (oorspronkelijke) bestemming en intentie van alle betrokkenen.

4.17.

Deze vorderingen komen in wezen neer op een verzoek tot handhaving van het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Het is echter niet aan de civiele rechter, ook niet als 'restrechter’, om over een dergelijke verzoek te oordelen. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen staat daaraan in de weg. Het is aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [gemeente] (hierna: het college), uiteindelijk getoetst door de bestuursrechter, om te beoordelen of [eiser] met de huisvesting van arbeidsmigranten handelt in overeenstemming met het bestemmingsplan en om handhavend op te treden indien daartoe aanleiding bestaat. Gebleken is dat het college, mede naar aanleiding van een melding van [gedaagde] , op 14 juli 2022 een waarschuwing aan [eiser] heeft gestuurd wegens strijdig gebruik van zijn pand. Mogelijk volgt hierop een handhavingstraject, nu [eiser] heeft aangegeven dat de arbeidsmigranten nog steeds in zijn pand verblijven. Tegen een besluit van het college (al dan niet geïnitieerd door [gedaagde] ) staat voor beide partijen een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang open.

4.18.

[gedaagde] zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn hiervoor onder II. en III. omschreven vorderingen.

Proceskosten

in conventie en in reconventie

4.19.

Aangezien partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

verklaart voor recht dat [eiser] gerechtigd is tussen de panden [adres 1] en [adres 2] vanaf de achtergrens van zijn perceel een schutting te plaatsen op eigen grond tegen de erfgrens van het perceel van [gedaagde] , zoals hiervoor onder 4.8 omschreven,

5.2.

verbiedt [gedaagde] om het perceel van [eiser] te betreden en op het perceel van [eiser] materialen en voertuigen te plaatsen, anders dan in het kader van uitoefening van de erfdienstbaarheid om over het erf van [eiser] te komen en te gaan naar of van zijn erf van c.q. naar de openbare weg, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- voor iedere overtreding van dit verbod en voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, tot een maximum van € 5.000,- is bereikt,

5.3.

verklaart dit vonnis in conventie voor wat betreft 5.2 uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.4.

verklaart [gedaagde] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen onder II. en III.,

5.5.

veroordeelt [eiser] om het roze gearceerde vlak op zijn perceel aan de [adres 2] , zoals hiervoor onder 4.11 weergegeven, volledig vrij te laten, dat wil zeggen zonder enige obstructies, zodat [gedaagde] te allen tijde een vrije onbelemmerde doorgang heeft van en naar zijn perceel aan de [adres 1] , dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- voor elke overtreding van deze veroordeling en voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, tot een maximum van € 5.000,- is bereikt,

5.6.

verklaart dit vonnis in reconventie voor wat betreft 5.5 uitvoerbaar bij voorraad,

in conventie en in reconventie

5.7.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2022.3

1 Artikel 5:48 BW

2 Artikel 5:74 BW

3 type: ST coll: LJS