Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2022:8014

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-08-2022
Datum publicatie
19-09-2022
Zaaknummer
AWB-21_2636
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een WIA-uitkering is onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. UWV dient nader onderzoek te doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 21/2636


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2022 in de zaak tussen


[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. B.B.A. Willering),

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (verweerder)

(gemachtigde: mr. L. Vromans).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

Eiseres werkte laatstelijk als planner/administratief medewerkster via een uitzendbureau. Vanuit die werkzaamheden heeft zij zich op 17 december 2018 ziekgemeld. Per 19 december 2018, na beëindiging van het arbeidscontract, is aan haar een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Op 14 september 2020 heeft eiseres een WIA-uitkering aangevraagd.

Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 10 november 2020 afgewezen omdat eiseres op de datum in geding (14 december 2020) minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Met het bestreden besluit van 27 mei 2021 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 13 juni 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, vergezeld van haar ex-partner, en de gemachtigde van eiseres. De gemachtigde van verweerder heeft deelgenomen via MS Teams.

Beoordeling door de rechtbank

1. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht heeft aangenomen dat eiseres op 14 december 2020 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

2. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. De rechtbank komt tot het oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een zorgvuldige voorbereiding en een deugdelijke motivering en daardoor in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

3. Eiseres heeft een lange voorgeschiedenis van diverse klachten. Zij is bij verweerder bekend vanaf 2005. De ziekmelding in 2008 zag op voornamelijk psychische klachten (depressie en angst/paniekaanvallen). De voorlaatste ziekmelding in 2016 betrof psychische en fysieke klachten (van schouder, rug en knie). In deze beroepszaak gaat het om (een toename van) de bestaande psychische en fysieke klachten, nieuwe gezondheidsklachten (nek-, hart-, darm- en gynaecologische klachten) en nadere diagnostiek.

4. Eiseres voert in beroep aan dat haar klachten niet juist zijn gewaardeerd en vertaald naar de FML. Zij is gediagnosticeerd met Psychogene niet-epileptische aanvallen (PNEA). Na een PNEA aanval, die zij 3 tot 4 keer per week krijgt, heeft ze een hersteltijd nodig. Zij kan daarna een tijdlang haar handen en vingers niet gebruiken en is ook erg moe. Daaruit vloeien meer beperkingen voort. Eiseres heeft in beroep nog een intakeverslag van de [naam] (van 17 september 2021) ingebracht. Verder stelt eiseres vanwege haar angststoornis niet tegen lawaai te kunnen en vanwege het medicijngebruik problemen te ervaren met concentratie en geheugen. Daar is volgens eiseres ook geen aandacht aan besteed. Ook door de diverse fysieke aandoeningen acht eiseres zich meer beperkt, zoals ten aanzien van hand- en vingergebruik en buigen/torderen.

5. De rechtbank twijfelt aan de juistheid van de wijze waarop de verzekeringsartsen de klachten van eiseres hebben vertaald naar beperkingen in de FML.

De primaire verzekeringsarts concludeert (in het rapport van 27 oktober 2020, onder beschouwing) dat de eerder, in de FML van 19 oktober 2017, vastgestelde beperkingen aanwezig zijn gebleven en niet in ernst zijn toegenomen. Wel vindt hij dat de bijkomende klachten aanvullende beperkingen in de FML met zich meebrengen ten aanzien van de werksituatie die zich kenmerken door verhoogd persoonlijk risico waarbij acuut gereageerd dient te worden (item 1.8.6) en ten aanzien van vervoer omdat eiseres afhankelijk is van hulp van derden (item 2.10). Daarnaast heeft hij de beperking voor lopen (item 4.16 en 4.17) aangescherpt van licht beperkt naar beperkt.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeert (in zijn rapport van 12 mei 2021, onder beschouwing) dat behoudens de toegevoegde beperking ten aanzien van persoonlijk risico de PNEA geen additionele beperkingen impliceert. Hij vindt de onderliggende problematiek afdoende weergegeven in de diverse beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren. Hij voegt daar aan toe dat ook de klachten van de handen in dit perspectief kunnen worden geplaatst en dat met een beperking ten aanzien van schroefbewegingen de klachten toch zijn meegewogen. In de FML van 12 mei 2021 zijn ten opzichte van de FML van 27 oktober 2020 nog wat zwaardere beperkingen (van licht beperkt naar beperkt) toegekend op de items 4.14 (dragen tijdens werk), 4.17 (lopen tijdens werk) en 4.18 (trappenlopen). De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in beroep (in het rapport van 4 februari 2022) nader gereageerd op het ingebrachte stuk van de [naam] . De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeert dat de diagnose weliswaar anders is dan in bezwaar, maar dat inhoudelijk geen invloed heeft op de oordeelsvorming. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep kunnen de PNEA aanvallen worden gezien als functioneel neurologische stoornis en was de traumatische voorgeschiedenis bekend. Hij wijst op beschouwing in zijn rapport van 12 mei 2021 en ziet geen aanleiding anders te beslissen.

6. De rechtbank vindt de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de beperkingen die worden verbonden aan de PNEA aanvallen onnavolgbaar. De verzekeringsarts bezwaar en beroep volstaat in feite met de enkele stelling dat de PNEA geen additionele beperkingen impliceert. De rechtbank acht dat niet afdoende. Kennelijk, zo begrijpt de rechtbank, vindt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de psychogene problematiek voldoende is verwoord in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren en daarmee de beperkingen die voortkomen uit de PNEA ook voldoende in kaart zijn gebracht. Uitgangspunt daarbij is geweest dat eiseres is aangewezen op voorspelbare werksituaties, werk zonder deadlines, werk zonder verhoogd persoonlijk risico en vaste, bekende werkwijzen. Verder zijn beperkingen aangenomen voor het hanteren van emotionele problemen van anderen, conflicthantering, samenwerken en werken met klanten en patiënten. Ook moet eiseres kunnen terugvallen op directe collega’s/leidinggevende en is zij aangewezen op werk dat geen leidinggevende aspecten bevat.

Dat hiermee dan ook de beperkingen die voortkomen uit de PNEA aanvallen goed zouden zijn vastgelegd vindt de rechtbank niet zonder meer duidelijk. Dat de PNEA aanvallen worden uitgelokt door de psychogene factoren begrijpt de rechtbank, maar daarmee is nog niet gezegd dat daarom ook de beperkingen die voortvloeien uit de psychogene problematiek één op één zijn te vertalen naar de beperkingen uit de PNEA aanvallen.

Eiseres geeft aan dat zij bij een aanval, die meerdere keren per week kan voorkomen en ongeveer een uur duurt, helemaal verkrampt is en niets kan doen, waarna zij vervolgens een tijd nodig heeft om te herstellen. Zij stelt dan ook haar handen en vingers niet goed te kunnen gebruiken, last te hebben van trillende handen en erg moe te zijn. De rechtbank stelt vast dat dit wordt bevestigd door het stuk van de [naam] . Daarin wordt ook geconcludeerd dat de problematiek als ernstig wordt ingeschat en de complexiteit hoog is. Naar het oordeel van de rechtbank komt dit in de FML nergens tot uitdrukking. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank onduidelijk of en hoe de beperkingen uit de PNEA aanvallen zijn/moeten worden vertaald naar de FML. In zoverre is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. Op dit punt moet de verzekeringsarts bezwaar en beroep zich nader beraden en zo nodig de FML aanpassen. Eiseres volgt inmiddels behandeling voor die aanvallen en de rechtbank acht het aangewezen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierover tenminste contact heeft met de behandelaars van eiseres.

7. De rechtbank vindt ook niet duidelijk waarom er op item 3.6 in de FML (lawaai) geen beperking is aangenomen. Eiseres geeft duidelijk aan dat en waarom zij niet tegen lawaai kan. Hierover is in de verschillende rapportages echter niets terug te vinden.

8. Eiseres stelt verder nog problemen te hebben met concentratie en geheugen, wat zij relateert aan haar medicijngebruik. Ook hierover staat in de rapportagens niets vermeld, terwijl eiseres toch de nodige medicatie voorgeschreven heeft gekregen.

Conclusie en gevolgen

9. Het bestreden besluit is dus onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd en daarmee in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb.

10. Het bestreden besluit kan hierom geen stand houden en het beroep dient gegrond te worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien niet doelmatig en efficiënt is. Daarbij betrekt de rechtbank dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet kan volstaan met een aanvullende motivering, maar (ook) nader onderzoek dient te doen. De rechtbank draagt verweerder daarom op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw inhoudelijk besluit te nemen op het bezwaar van eiseres. Dit betekent ook dat de beroepsgronden tegen de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies hier geen bespreking behoeven.

11. De rechtbank zal verweerder opdragen het door eiseres betaalde griffierecht aan eiseres te vergoeden.

12. Voor de rechtbank is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759,00 en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht van € 49,- aan haar te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.518,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Jurgens, rechter, in aanwezigheid van mr. H.R.A. Horring, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2022.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.