Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2022:7834

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
31-08-2022
Datum publicatie
19-09-2022
Zaaknummer
C/15/329196 / KG ZA 22-302
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Spullen op perceel geen strijd met erfdienstbaarheid vrij uitzicht over recreatiemeer, overweging ten overvloede tav belemmeren vrije doorvaart door buurman boot aan oever te laten aanmeren. Daarvoor noodzakelijk om andere vordering in te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/329196 / KG ZA 22-302

Vonnis in kort geding van 25 augustus 2022

in de zaak van

1 [eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

2. [eiseres],

wonende te [woonplaats 1] ,

eisers,

advocaat mr. J. Koekkoek te Haarlem,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagden,

advocaat mr. D.W. Giltay Veth te Haarlem.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagden] (in mannelijke enkelvoud) genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 22 juni 2022 met 7 producties,

  • -

    de aanvullende producties 8 t/m 11,

  • -

    de producties 1 t/m 4 van de zijde van [gedaagden] ,

  • -

    de mondelinge behandeling die heeft plaatsgevonden op 29 juni 2022,

  • -

    de pleitaantekeningen van [eisers] ,

  • -

    de pleitaantekeningen van [gedaagden] ,

  • -

    de pro forma aanhouding,

  • -

    de akte van [eisers] ,

  • -

    de antwoordakte van [gedaagden] ,

  • -

    de akte overlegging productie van [gedaagden] ,

  • -

    de reactie van [eisers] op de antwoordakte en de akte overlegging productie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De uitgangspunten

2.1.

Partijen bewonen een perceel in een havengebied aan het meer de [naam meer] in [plaats] . [eisers] is eigenaar van perceel [perceelnummer 1] en [gedaagden] van perceel [perceelnummer 2] . Het perceel [perceelnummer 3] en [perceelnummer 4] is in eigendom van de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ). Het perceel [perceelnummer 7] is in gezamenlijk eigendom (ieder voor de onverdeelde helft) van [gedaagden] en [naam 1] . Het perceel 5164 betreft de haven. Dit perceel is voor 1/4e deel eigendom van [eisers] en voor 3/4e deel eigendom van mevrouw [naam 2] (eigenaar van de percelen [perceelnummer 5] en [perceelnummer 6] ; hierna; [naam 2] ). Achterin de haven bevinden zich twee steigers met ligplaatsen. Schematisch laat zich de situatie als volgt weergeven:

2.2.

Uit hoofde van de leveringsakte van 15 december 1970 rust op het perceel (het dienende erf) waarvan [gedaagden] thans de eigenaar is (nr. [perceelnummer 2] ) een erfdienstbaarheid die luidt als volgt:

“Het hierbij gekochte en het aan verkoper verblijvend deel van voormeld nummer 3848 worden over en weer bevoorrecht en bezwaard met de erfdienstbaarheid dat daarop behalve een bungalow geen beplantingen, bouwwerken of zaken van welke aard mogen worden geplaatst of voorkomen, waardoor het vrije uitzicht vanuit de daarop te bouwen bungalows over de [naam meer] wordt belemmerd (..)”.

Verder staat in de akte - voor zover van belang - nog het volgende vermeld:

7. Het aan verkoper verblijvend deel van voormeld nummer 3848, hetwelk tot haven is bestemd – op de aan deze akte vastgehechte schets met een blauwe omlijning aangegeven [thans nr. 5164, Vrz]– wordt ten behoeve van het hierbij overgedragen onroerend goed bezwaard met recht van vrije doorvaart naar en van de [naam meer] onder het beding dat:

(…) e. de eigenaar en rechtmatige gebruiker het recht heeft om vaartuigen met een maximale lengte van twaalf meter, mits met afgestreken zeilen, langs de eigen over af meren” .

(…)”.

2.3.

Met toestemming van [gedaagden] ligt de boot van [naam 1] (de Cumulus) in de haven aan de oever van het perceel van [gedaagden] .

2.4.

[naam 2] is een kortgeding procedure gestart tegen [naam 1] . Inzet was een verbod tegen [naam 1] om in het voorste deel van de haven vaartuigen af te meren. Bij vonnis van 27 juli 2022 zijn de vorderingen van [naam 2] door de voorzieningenrechter in Noord-Nederland afgewezen.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vordert samengevat en na vermindering van eis - [gedaagden] te verbieden om binnen twee dagen na de betekening van dit vonnis beplantingen, bouwwerken of zaken van welke aard te plaatsen of te doen of laten voorkomen (op hun perceel), waardoor het vrije uitzicht vanuit de bungalow van [eisers] over de [naam meer] wordt belemmerd, in het bijzonder (zeil)boten en/of zeilplanken en/of opleggers voor (zeil)boten, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom en onder veroordeling van [gedaagden] in de kosten van dit geding.

3.2.

[eisers] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagden] met opzet stelselmatig inbreuk maakt op het vrije uitzicht van [eisers] over de [naam meer] . [gedaagden] heeft een boot op een trailer op zijn perceel geplaatst die het vrije uitzicht van [eisers] op het meer belemmert. Dit terwijl alles wat zich op het gazon bevindt gelegen tussen zijn huis en de rand van het havenperceel verwijderd dient te zijn en te blijven. Daarnaast is het zo dat [naam 1] de oever van het perceel van [gedaagden] als ligplaats voor zijn boot gebruikt waardoor het vrije uitzicht van [eisers] over de [naam meer] wordt belemmerd. Door [naam 1] daarvoor toestemming te verlenen, handelt [gedaagden] onrechtmatig jegens [eisers] . De haven is immers alleen bestemd voor de vrije doorvaart en hooguit om incidenteel kort aan te meren. Indien een uitspraak in de bodemprocedure moet worden afgewacht, zal het vaarseizoen voorbij zijn, terwijl [gedaagden] en [naam 1] vooral in die periode geen enkele rekening houden met de medebewoners rond het havenperceel.

3.3.

[gedaagden] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In deze procedure gaat het om de vraag of [gedaagden] in strijd handelt met de erfdienstbaarheid van “vrij uitzicht”, waarbij het perceel van [gedaagden] het dienende erf is en het perceel van [eisers] het heersende erf.

4.2.

Een redelijke uitleg van de erfdienstbaarheid zoals hierboven vermeld onder 2.2. brengt mee dat het moet gaan om beplantingen, bouwwerken of zaken op het perceel van [gedaagden] die het vrije uitzicht van [eisers] belemmeren.

4.3.

Op grond van de over en weer in het geding gebrachte foto’s is de voorzieningenrechter van oordeel dat [gedaagden] niet in strijd handelt met de erfdienstbaarheid van vrij uitzicht. De discussie over de bosschage op het perceel van [gedaagden] is beslecht.

Deze is gesnoeid en de vordering tot verwijdering is ingetrokken. Achter de bosschage is op een van de foto’s een (driehoekige) onderkant van een boot(je) te zien. Het steekt een beetje uit over de bosschage, gezien vanaf het perceel van [eisers] . Het bootje ligt opgeslagen tegen een zijmuur van de woning van [gedaagden] . Anders dan [eisers] is de voorzieningenrechter van oordeel dat hiermee niet zodanig het uitzicht over de [naam meer] wordt belemmerd dat er sprake van een schending van de erfdienstbaarheid. De kern van het uitzicht over de [naam meer] loopt via de haven. Dat uitzicht wordt door [gedaagden] niet aangetast. In zoverre slaagt de vordering niet.

4.4.

Ter zitting is gebleken dat de Cumulus van [naam 1] die ligt aangemeerd aan de oever van [gedaagden] wel het vrij uitzicht van [eisers] belemmert. In de akte na de mondelinge behandeling heeft [eisers] een grondslag aangevoerd waardoor naar zijn mening de handelwijze van [gedaagden] onrechtmatig is: door [naam 1] toestemming te geven zijn boot ter plaatse te laten aanmeren, schendt [gedaagden] de redelijke belangen (op een vrij uitzicht) van [eisers] .

4.5.

De voorzieningenrechter is evenwel van oordeel dat voor zover [eisers] met zijn ingestelde vordering tegen [gedaagden] ook verwijdering van de Cumulus van de oever van [gedaagden] wil bereiken, de ingestelde vordering daarvoor niet toereikend is. De op de erfdienstbaarheid gebaseerde vordering ziet immers op zaken op het perceel van [gedaagden] die het vrije uitzicht belemmeren maar niet op zaken (vaartuigen) in de haven die het vrije uitzicht zouden belemmeren. Nu er geen wijziging van eis heeft plaatsgevonden die de aangevulde grondslag kan dragen, kan [gedaagden] niet worden veroordeeld om de Cumulus te laten verwijderen.

4.6.

De conclusie is dat de gevraagde voorziening zal worden afgewezen.

4.7.

Gelet op de weging van de verschillende juridische standpunten en de onderlinge verhoudingen ziet de voorzieningenrechter aanleiding om kosten te compenseren.

Ten overvloede

4.8.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding ten overvloede nog het volgende te overwegen. Het staat wel min of meer vast dat de Cumulus aan de oever van [gedaagden] het vrije uitzicht van [eisers] belemmert. Ter zitting is ook gebleken dat [naam 1] zijn boot daar de gehele zomer aanlegt. Gelijk de voorzieningenrechter in Noord-Nederland in het vonnis van 27 juli 2022 heeft overwogen, is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat [naam 1] geen eigen recht heeft om de oever van [gedaagden] te gebruiken als ligplaats voor de Cumulus. Immers de oever van het perceel [perceelnummer 2] is niet van [naam 1] . Hooguit zou op grond van de bepaling die hierboven onder 2.2 is vermeld (de haven geldt in dat geval dan als dienend erf), [gedaagden] een boot aan zijn oever in de haven mogen aanmeren, maar ook dan niet permanent als ligplaats. Immers aanmeren heeft naar zijn aard iets tijdelijks.

4.9.

De voorzieningenrechter is dan ook voorlopig van oordeel dat de oever van het perceel van [gedaagden] niet als een permanente ligplaats van een vaartuig mag worden gebruikt. De haven moet voorzien zijn van een vrije doorvaart. Daarbij is gebleken dat de haven speciale daarvoor bestemde ligplaatsen heeft.

Naar het zich laat aanzien wordt met de ligplaats van de Cumulus aan de oever van het perceel van [gedaagden] dan ook in strijd gehandeld met de erfdienstbaarheid van vrije doorvaart waarbij dan ook nog het vrije uitzicht van [eisers] wordt belemmerd.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af,

5.2.

compenseert de proceskosten, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr.drs. J. Blokland, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. Kliffen op 25 augustus 2022.1

1 LK/JB