Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2022:7813

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30-08-2022
Datum publicatie
19-09-2022
Zaaknummer
9833074
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

onregelmatig ontslag; billijke vergoeding; transitievergoeding; gefixeerde schadevergoeding; studiekosten BBL

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2022-1039
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 9833074 \ AO VERZ 22-25 (rvk)

Uitspraakdatum: 30 augustus 2022

Beschikking in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats]

verzoekende partij

verder te noemen: [verzoeker]

gemachtigde: mr. E.F. Wolters, advocaat te Alkmaar

tegen

de besloten vennootschap Autobedrijf Pierre Heerhugowaard B.V., tevens h.o.d.n. Autobedrijf Pierre,

gevestigd te Heerhugowaard

verwerende partij

verder te noemen: Autobedrijf Pierre

gemachtigde: mr. L.N. Hermes, advocaat te Noord-Scharwoude

1 Het procesverloop

1.1.

[verzoeker] heeft een verzoek gedaan dat de kantonrechter voor recht verklaart dat het gegeven ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven en dat Autobedrijf Pierre ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. [verzoeker] heeft ook een verzoek gedaan om een gefixeerde schadevergoeding, een transitievergoeding en een billijke vergoeding toe te kennen. [verzoeker] verzoekt voorts vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. Ook is een verzoek gedaan dat de kantonrechter voor recht verklaart dat [verzoeker] de studiekosten niet hoeft terug te betalen.

1.2.

Autobedrijf Pierre heeft een verweerschrift en een tegenverzoek ingediend.

1.3.

Op 12 juli 2022 heeft een zitting plaatsgevonden. [verzoeker] is in persoon verschenen, vergezeld door zijn gemachtigde. Namens Autobedrijf Pierre zijn verschenen de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] , vergezeld door de gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. [verzoeker] heeft ook pleitaantekeningen overgelegd. Vóór de zitting hebben [verzoeker] en Autobedrijf Pierre bij brieven van 7 en 8 juli 2022 nog stukken toegezonden. [verzoeker] heeft op de zitting zijn verzoek verminderd in die zin dat hij de gevraagde verklaring voor recht over het relatiebeding heeft laten vallen en Autobedrijf Pierre heeft haar tegenverzoek ingetrokken.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker] , geboren [geboortedatum] , is op 27 augustus 2018 in dienst getreden bij Autobedrijf Pierre op basis van een arbeidsovereenkomst in het kader van de beroepsbegeleidende leerweg (BBL-overeenkomst). [verzoeker] volgde een opleiding tot 1e autotechnicus 3e leerjaar BBL Personenauto’s niveau 3. De BBL-overeenkomst liep tot 31 juli 2020.

2.2.

Na 31 juli 2020 is de overeenkomst stilzwijgend voortgezet als reguliere arbeidsovereen-komst en in januari 2021 is tussen Autobedrijf Pierre en [verzoeker] een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot stand gekomen, van 1 februari 2021 tot 31 januari 2022.

2.3.

Deze overeenkomst is vervolgens verlengd met 11 maanden tot 1 januari 2023.

2.4.

De huidige functie van [verzoeker] is 2e Autotechnicus Lichte Voertuigen niv. 2. Het salaris bedraagt € 2.263,- bruto per maand.

2.5.

Tussen Autobedrijf Pierre en [verzoeker] zijn eveneens op 14 september 2018 en 23 december 2021 studiekostenregelingen overeengekomen met daarin bepalingen over het (terug)betalen van de opleidingskosten van [verzoeker] .

2.6.

[verzoeker] is op 28 mei 2021 geslaagd voor zijn opleiding Autotechnicus Niveau 3.

2.7.

Op 25 februari 2022 heeft Autobedrijf Pierre de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang opgezegd. In de brief van die dag staat het volgende:

‘(…)

Na afloop van jou studie overeenkomst hebben we jou een tijdelijke arbeidsovereenkomst aangeboden.

Wij hebben echter nu besloten deze per direct te beëindigen.

Wij zullen alle zaken netjes afhandelen, bij ontslag heb je recht op een transitievergoeding.

Deze ontvang je samen met de verrekening van je vakantie uren. (…)’

3 Het verzoek

3.1.

[verzoeker] verzoekt dat de kantonrechter voor recht verklaart dat het gegeven ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven en dat Autobedrijf Pierre ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. [verzoeker] verzoekt voorts om een billijke vergoeding toe te kennen. Aan dit verzoek legt [verzoeker] ten grondslag – kort weergegeven – dat geen sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet. In dat kader heeft [verzoeker] het volgende aangevoerd. Er is geen sprake van een dringende reden en dat maakt dat Autobedrijf Pierre ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. [verzoeker] heeft daarom recht op een billijke vergoeding. Een vergoeding gelijk aan negen maanden loon inclusief vakantiegeld (€ 21.996,36 bruto) is redelijk. Als de arbeidsovereenkomst niet (onregelmatig) was opgezegd is het aannemelijk dat [verzoeker] nog maanden voor Autobedrijf Pierre zou hebben gewerkt. Zijn functioneren was goed en zijn tijdelijke contract was onlangs nog verlengd.

3.2.

[verzoeker] heeft daarnaast een verzoek gedaan om Autobedrijf Pierre te veroordelen een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding te betalen.

3.4.

[verzoeker] verzoekt ook dat voor recht verklaard wordt dat hij niets meer verschuldigd is aan Autobedrijf Pierre voor studiekosten. Aan de in de studie-overeenkomst opgenomen voorwaarden voor terugbetaling is niet voldaan. Het dienstverband is niet op initiatief van [verzoeker] beëindigd en er is geen sprake van een dringende reden.

4 Het verweer

4.1.

Autobedrijf Pierre verweert zich tegen het verzoek. Daartoe is – samengevat – het volgende aangevoerd.

4.2.

Autobedrijf Pierre heeft [verzoeker] niet op staande voet ontslagen maar de arbeidsovereenkomst eenzijdig opgezegd. Zij heeft ook het salaris tot het einde van de maand uitbetaald en dat is niet nodig bij een ontslag op staande voet. De verklaring voor recht dat er geen sprake is van een dringende reden kan niet gegeven worden omdat er geen ontslag op staande voet is gegeven.

4.3.

Autobedrijf erkent de gefixeerde schadevergoeding verschuldigd te zijn, maar dan wel ter hoogte van € 2.444,04 bruto, omdat het loon tot eind februari 2022 al is betaald.

4.4.

[verzoeker] heeft recht op een transitievergoeding, maar op die vergoeding mogen de kosten verband houdende met het bevorderen van de bredere inzetbaarheid van een werknemer die tijdens de arbeidsovereenkomst zijn gemaakt in mindering strekken. De kosten die Autobedrijf Pierre ter zake van de BBL -opleiding heeft betaald, mag zij derhalve in mindering brengen op de verschuldigde transitievergoeding over de periode dat de BBL-opleiding heeft geduurd. De BBL-opleiding van [verzoeker] heeft geduurd tot en met 31 juli 2020 en de in die periode gemaakte inzetbaarheidskosten zijn hoger dan de verschuldigde transitievergoeding over die periode, zodat Autobedrijf Pierre slechts een transitievergoeding is verschuldigd over de periode vanaf 1 augustus 2020 tot en met 28 februari 2022. De door Autobedrijf Pierre te betalen transitievergoeding bedraagt derhalve € 1.296,33 en geen € 2.930,43. Op het bedrag strekt in mindering het bedrag ad € 888,57 bruto dat reeds is voldaan. Autobedrijf Pierre dient nog een bedrag ad € 407,76 bruto aan transitievergoeding te voldoen en geen € 2.930,43.

4.5.

Omdat er geen sprake is geweest van een ontslag op staande voet is ook geen billijke vergoeding verschuldigd. Autobedrijf Pierre is daarbij verder van mening dat de gevraagde vergoeding te hoog is. Er is geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen aan de kant van Autobedrijf Pierre, integendeel zij heeft [verzoeker] altijd gemotiveerd en begeleid om zijn opleiding af te maken en de laten slagen als autotechnicus. Op de billijke vergoeding dient bovendien in mindering te komen de uitkering op grond van de WW.

4.7.

De verklaring voor recht over de studiekosten kan niet gegeven worden omdat de studiekosten vallen onder de inzetbaarheidskosten en in mindering gebracht mogen worden op de transitievergoeding.

5 De beoordeling

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op 25 februari 2022 volgens de regels is gegeven en of aan [verzoeker] een billijke vergoeding, een transitievergoeding en een gefixeerde schadevergoeding moet worden toegekend. Ook speelt de vraag of er sprake is van studiekosten die met de transitievergoeding kunnen worden verrekend.

5.2.

Naar het oordeel van de kantonrechter is de opzegging op 25 februari 2022 onregelmatig gegeven. De arbeidsovereenkomst met [verzoeker] is aan het einde van de werkdag met onmiddellijke ingang opgezegd en hem is gezegd dat hij de volgende dag niet meer op de werkvloer hoefde te verschijnen. De reden voor de opzegging was dat [verzoeker] een brandstofpomp met gebruikmaking van een parkerschroef in plaats van een bout heeft vastgezet, waarbij een lekkage in de benzinetank is ontstaan. Autobedrijf Pierre heeft daarover op de zitting verklaard dat dit een ernstige fout is die tot gevaarlijke situaties zou kunnen leiden en dat zij vanwege die fout min of meer in paniek de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] heeft opgezegd. Langer handhaven van [verzoeker] op de werkvloer zou onverantwoord zijn. Autobedrijf Pierre bestempelt dit niet als een ontslag op staande voet, maar als een opzegging zonder inachtneming van de opzegtermijn. Naar het oordeel van de kantonrechter is de opzegging, ook als uitgegaan wordt van de lezing van Autobedrijf Pierre in ieder geval onregelmatig, namelijk zonder inachtneming van de geldende opzegtermijn en zonder instemming van de werknemer of ontslagvergunning van het UWV. Daarbij komt dat ook als uitgegaan wordt van een ontslag op staande voet, aan de eis van onverwijldheid niet is voldaan. De gebeurtenis die voor Autobedrijf Pierre de reden vormde de arbeidsovereenkomst op te zeggen, heeft plaatsgevonden op 9 februari 2022, terwijl de opzegging is gedaan op 25 februari 2022 en vast is komen te staan dat Autobedrijf Pierre in elk geval op 10 of 11 februari 2022 van de fout op de hoogte is geraakt door een melding van de eigenaar van de auto, de klant.

5.3.

Het voorgaande leidt er toe dat Autobedrijf Pierre niet bevoegd was de arbeidsovereenkomst (onverwijld) op te zeggen en dat maakt dat het ontslag onrechtmatig is gegeven.

5.4.

Daardoor heeft de werkgever ernstig verwijtbaar gehandeld en moet het verzoek om toekenning van een billijke vergoeding worden toegewezen.

5.5.

Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in rechtspraak uitgangspunten geformuleerd (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle)). De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.

5.6.

De kantonrechter zal een billijke vergoeding toekennen van € 3.000,- bruto. Daarbij is het volgende in aanmerking genomen. Autobedrijf Pierre heeft onregelmatig opgezegd. Dat dat min of meer in paniek is gebeurd omdat er voor Autobedrijf Pierre, zoals zij stelt, ernstige gevolgen aan het handelen van [verzoeker] verbonden zouden zijn, doet niet af aan de ernstige verwijtbaarheid. Autobedrijf Pierre had zich (juridisch) kunnen laten voorlichten alvorens tot opzegging over te gaan. Aan de andere kant acht de kantonrechter het, gelet op de in deze zaak ingebrachte voortgangsrapportages over de opleiding van [verzoeker] en de gesprekken die tussen Autobedrijf Pierre en [verzoeker] zijn gevoerd over het verbeteren van zijn functioneren, niet aannemelijk dat het dienstverband tot het einde van de overeengekomen tijd had voortgeduurd. Het is voldoende aannemelijk dat het dienstverband eerder door ontbinding tot een einde zou zijn gekomen. Voorts is van belang dat Autobedrijf Pierre aan [verzoeker] in het kader van zijn opleiding de nodige kansen en begeleiding heeft gegeven. Gelet op het voorgaande en mede in aanmerking genomen de leeftijd van [verzoeker] (24 jaar) en de duur van het dienstverband van iets meer dan drie jaar, acht de kantonrechter een billijke vergoeding van drie bruto maandsalarissen redelijk, waarop in mindering gebracht kan worden de uitkering die [verzoeker] in het kader van zijn werkeloosheidsuitkering (WW) krijgt. De wettelijke rente, gevorderd over de billijke vergoeding zal worden toegekend vanaf de datum van toekenning, zijnde de datum van deze beschikking.

5.7.

[verzoeker] heeft zijn vordering tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging (de gefixeerde schadevergoeding) op de zitting verminderd tot € 2.444,04 bruto. Autobedrijf Pierre heeft erkend dat bedrag verschuldigd te zijn, zodat de vordering zal worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt eveneens toegewezen, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 25 februari 2022. De gevorderde wettelijke verhoging zoals bedoeld in artikel 7:625 BW zal worden afgewezen omdat de gefixeerde schadevergoeding geen loon is.

5.8.

Vervolgens is aan de orde of aan [verzoeker] een transitievergoeding moet worden toegekend. Deze vergoeding is verschuldigd en Autobedrijf Pierre heeft dat ook erkend, maar zij voert aan dat de kosten in verband met de BBL-opleiding van [verzoeker] op de transitievergoeding in mindering mogen worden gebracht. Dit beroep slaagt niet. Artikel 7:673 lid 6 sub b regelt dat kosten gericht op de bredere inzetbaarheid van de werknemer in mindering kunnen worden gebracht op de transitievergoeding. In artikel 4 van het Besluit voorwaarden in mindering brengen kosten op transitievergoeding (het besluit) is als nadere voorwaarde gesteld dat na afronding van de opleiding de arbeidsovereenkomst niet, of met een tussenpoos van meer dan zes maanden, wordt voortgezet. [verzoeker] heeft zijn BBL-opleiding afgerond in juli 2020 en is nadien in dienst gebleven. Aan de voorwaarde is dus niet voldaan en de studiekosten in verband met de BBL-opleiding zullen niet op de transitievergoeding in mindering worden gebracht. Dat betekent dat de transitievergoeding, nu de hoogte daarvan door Autobedrijf Pierre niet gemotiveerd is betwist, vastgesteld wordt op € 2.930,43 bruto. Daarop strekt in mindering een bedrag van € 882,57 bruto dat reeds is betaald, zodat toegewezen wordt een bedrag van € 2.047,86 bruto. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding zal worden toegewezen te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 25 maart 2022. De gevorderde wettelijke verhoging zoals bedoeld in artikel 7:625 BW zal worden afgewezen omdat de transitievergoeding geen loon is.

5.9.

De verzochte verklaringen voor recht dat – kort gezegd - het ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven en dat Autobedrijf Pierre jegens [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld zullen worden afgewezen omdat [verzoeker] bij die verklaringen geen belang heeft.

5.10.

[verzoeker] verzoekt ook dat voor recht verklaard wordt dat hij geen vergoeding vanwege de studiekosten aan Autobedrijf Pierre verschuldigd is. Ter onderbouwing heeft [verzoeker] gesteld dat niet is voldaan aan de voorwaarden zoals opgenomen in de overgelegde studie-overeenkomsten, waarin telkens is opgenomen dat [verzoeker] de studiekosten volledig aan Autobedrijf Pierre moet terugbetalen indien [verzoeker] binnen één jaar na het behalen van het diploma de arbeidsovereenkomst opzegt dan wel indien Autobedrijf Pierre de arbeidsovereenkomst binnen die termijn wegens een dringende reden opzegt. Als de arbeidsovereenkomst na die tijd beëindigd wordt, dient [verzoeker] een (afnemend) percentage van de kosten terug te betalen. Deze verklaring voor recht kan gegeven worden omdat daartegen geen zelfstandig verweer is gevoerd.

5.11.

[verzoeker] maakt aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is in dit geval niet van toepassing. De kantonrechter zal in beginsel uitgaan van het Rapport Voorwerk II, zij het met rekenkundige inachtneming van de staffel BIK die als regelend recht geldt (zie Rapport BGK Integraal 2013, p. 30).

De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, gezien de in het procesdossier aanwezige correspondentie voorafgaand aan de procedure. Uitgaande van de toe te wijzen bedragen stelt de kantonrechter de buitengerechtelijke kosten vast op € 749,60. Dit bedrag zal worden vermeerderd met btw, zodat per saldo € 907,01 zal worden toegewezen. De wettelijke rente over dit bedrag zal -als verzocht en niet weersproken- worden toegewezen vanaf de dag van het indienen van het verzoekschrift (21 april 2022) tot de dag der voldoening.

5.12.

De proceskosten komen voor rekening van Autobedrijf Pierre, omdat sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van Autobedrijf Pierre. Daarbij zal het salaris van de gemachtigde van [verzoeker] worden vastgesteld op € 720,-.Nu een gedeelte van het gevorderde bedrag niet toewijsbaar is, kan Autobedrijf Pierre ten aanzien van het griffierecht slechts worden veroordeeld tot betaling van het griffierecht dat verschuldigd is voor het toe te wijzen bedrag, zijnde € 244,-. Het meerdere, dat op grond van het verzoekschrift aan [verzoeker] in rekening is gebracht, dient voor zijn rekening te blijven.

5.13.

De gevorderde rente over de proceskosten zal worden toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van deze beschikking.

Daarbij wordt Autobedrijf Pierre ook veroordeeld tot betaling van € 124,- aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door [verzoeker] worden gemaakt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt Autobedrijf Pierre om aan [verzoeker] een billijke vergoeding te betalen van € 3.000,- bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 30 augustus 2022 tot aan de dag van de gehele betaling;

6.2.

veroordeelt Autobedrijf Pierre om aan [verzoeker] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 2.444,04 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 25 februari 2022 tot aan de dag van de gehele betaling;

6.3.

veroordeelt Autobedrijf Pierre om aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen van € 2.047,86 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 25 maart 2022 tot aan de dag van de gehele betaling;

6.4.

veroordeelt Autobedrijf Pierre om aan [verzoeker] een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten te betalen van € 907,01 inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 21 april 2022 tot aan de dag van de gehele betaling;

6.5.

verklaart voor recht dat [verzoeker] geen vergoeding wegens studiekosten aan Autobedrijf Pierre verschuldigd is;

6.6.

veroordeelt Autobedrijf Pierre tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [verzoeker] tot en met vandaag vaststelt op € 964,-, te weten:

griffierecht € 244,00

salaris gemachtigde € 720,00

vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van deze beschikking tot de dag van volledige betaling;

6.7.

veroordeelt Autobedrijf Pierre tot betaling van € 124,- aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door [verzoeker] worden gemaakt;

6.8.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

6.9.

wijst af het meer verzochte.

Deze beschikking is gewezen door mr. M.C. van Rijn, kantonrechter en op 30 augustus 2022 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter