Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2022:7708

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-08-2022
Datum publicatie
02-09-2022
Zaaknummer
15/043849-22
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens brandstichting met gevaar voor goederen en personen. De rechtbank acht de verklaring van de verdachte dat de brand zou zijn ontstaan door een ongeluk niet aannemelijk. Het (levens)gevaar voor personen moet ten tijde van het stichten van de brand naar algemene ervaringsregels voorzienbaar zijn geweest. Verminderd toerekeningsvatbaar. Gevangenisstraf 24 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden, waaronder opname in een zorginstelling aansluitend aan detentie. Deze voorwaarden zijn dadelijk uitvoerbaar verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/043849-22 (P)

Uitspraakdatum: 25 augustus 2022

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 11 augustus 2022 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres]

,

ter terechtzitting opgegeven als postadres: [adres] ,

thans gedetineerd in [detentieadres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R. Klein en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.A. Docter, advocaat te Alkmaar, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 21 februari 2022 te Haarlem opzettelijk brand heeft gesticht door het bijbrengen en/of achterlaten van vuur bij diverse voorwerpen, waaronder schoenen en/of autobanden, en/of (daarbij) gebruik te maken van een vluchtig ontbrandbare vloeistof ten gevolge waarvan de woning aan [adres] geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor omliggende woningen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor bewoners van omliggende woningen, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat sprake is van opzettelijke brandstichting met gevaar voor goederen en met (levens)gevaar voor personen.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair vrijspraak bepleit, omdat blijkens de verklaringen van de verdachte geen sprake is geweest van opzettelijke brandstichting, ook niet in voorwaardelijke zin. De brand is per ongeluk ontstaan. De verdachte wist niet dat de terpentine of wasbenzine (licht) ontvlambaar was. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat niet is bewezen dat er door de brand (levens)gevaar voor personen te duchten was.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

3.3.2

Bewijsoverweging

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat op 21 februari 2022 in de nachtelijke uren brand heeft gewoed in de huurwoning van de verdachte gelegen aan [adres] in Haarlem. De verdachte is door de politie buiten de woning aangetroffen met een pan in zijn hand en vervolgens aangehouden ter zake van brandstichting.

In de woning van de verdachte is een sporenonderzoek naar het verloop en de oorzaak van de brand uitgevoerd. Bij dit onderzoek zijn op de vloer van de kleine slaapkamer, de kamer waar de brand heeft gewoed, vluchtige koolwaterstoffen gedetecteerd. Het onderzoek heeft uitgewezen dat de brand zeer waarschijnlijk is ontstaan door het opzettelijk bijbrengen of achterlaten van vuur bij goederen op de vloer van de slaapkamer waarbij zeer waarschijnlijk gebruik is gemaakt van vluchtige ontbrandbare vloeistoffen. In de kleine slaapkamer is een lege fles terpentine aangetroffen. In de woonkamer lagen op de vloer een lege fles wasbenzine en op het bankstel een werkende sigarettenaansteker.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de kozijnen van de kleine slaapkamer aan het schoonmaken was met wasbenzine, dat de fles wasbenzine moet zijn omgevallen en dat door een brandende sigaret per ongeluk een vlam is ontstaan. Volgens de verdachte was er dus sprake van een ongeluk.

Is er sprake van opzet?

De rechtbank stelt vast dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte voorafgaand aan de brand meermaals – negen keer in totaal – heeft gebeld met het noodnummer van de politie en de brandweer. Tijdens deze gesprekken heeft de verdachte – onder meer – gezegd dat hij zijn woning en meer specifiek zijn (kleine) (slaap)kamer in de fik gaat steken, dat hij benzine heeft, dat hij een aansteker gaat pakken en, even later, dat hij een aansteker heeft. Opvallend hierbij is dat de verdachte telkens details heeft benoemd (kleine slaapkamer, benzine, aansteker) die overeenkomen met de resultaten van het sporenonderzoek, zoals hierboven beschreven. Daarnaast zegt de verdachte in één van de gesprekken dat hij met een pan de ruit van de slaapkamer gaat inslaan, waarna uit het glasgerinkel en zijn antwoord aan de telefoon blijkt dat hij dit vervolgens ook doet. Het voorgaande wijst erop dat de verdachte daadwerkelijk deed wat hij telefonisch aan de meldkamer doorgaf en dat past ook bij de conclusie uit het sporenonderzoek dat de brand zeer waarschijnlijk door opzettelijke handelingen is ontstaan. Daarnaast heeft de verdachte tijdens de overbrenging naar het politiebureau tegen de verbalisanten gezegd dat hij het heeft gedaan en dat hij hen nog gewaarschuwd had. Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank de verklaring van de verdachte dat de brand zou zijn ontstaan door een ongeluk niet aannemelijk. Daarmee acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk brand heeft gesticht in zijn woning.

Is er sprake van (levens)gevaar voor personen?

Voor de vraag of naast gemeen gevaar voor goederen ook levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van de omliggende woningen te duchten was, is van belang of dit gevaar ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was. Anders dan de raadsvrouw meent, is de rechtbank van oordeel dat daarvan sprake is. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

De woning van de verdachte staat haaks geschakeld op de woning gelegen aan [adres 2] . Rond 03.42 uur kwam bij de 112-meldkamer de melding binnen dat er brand was op het [adres] . De brand vond dus plaats op een tijdstip waarop de kans zeer groot is dat de bewoners van de omliggende woningen thuis waren. De bewoners van [adres 2] waren ook daadwerkelijk thuis en moesten tijdelijk uit hun woning worden gehaald. Uit het sporenonderzoek volgt dat de brand, gelet op de in de woning aanwezige goederen (zoals autobanden), tot een heftige brand en rookontwikkeling had kunnen leiden die zich door de gehele woning had kunnen verspreiden. De deskundige acht zeer waarschijnlijk dat hete brandgassen eerst via de lichtkoepels in het plafond van de keuken naar buiten zouden treden en acht niet uitgesloten dat deze juist daar tot ontbranding zouden komen. Op korte afstand van deze lichtkoepels bevond zich de achtergevel van de woning aan [adres 2] , met daarin diverse ramen en houten constructiedelen. Volgens de deskundige had een brandoverslag naar de woning op [adres 2] zeer wel mogelijk kunnen plaatsvinden en had de rookontwikkeling zeer snel deze woning kunnen binnendringen. De rookontwikkeling had, blijkens het proces-verbaal van sporenonderzoek, letsel voor personen tot gevolg kunnen hebben. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het (levens)gevaar voor personen ten tijde van het stichten van de brand naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest.

3.4

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 21 februari 2022 te Haarlem opzettelijk brand heeft gesticht door het bijbrengen van vuur bij voorwerpen en daarbij gebruik te maken van een vluchtig ontbrandbare vloeistof, ten gevolge waarvan de woning aan [adres] gedeeltelijk is verbrand en daarvan gemeen gevaar voor een omliggende woning en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van de omliggende woning te duchten was.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden waarvan 24 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van drie jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd. Daarbij heeft de officier van justitie gevorderd dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. De officier van justitie gaat er bij zijn eis – in lijn met het advies van de psychiater – van uit dat het tenlastegelegde in verminderde mate aan de verdachte is toe te rekenen.

6.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is geweest van een onherstelbaar vormverzuim ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) door het binnentreden van de politie in de woning van de verdachte zonder toestemming van de verdachte of voorafgaande schriftelijke toestemming van de (hulp)officier van justitie. Dit vormverzuim dient volgens de raadsvrouw te worden gecompenseerd door middel van strafvermindering.

Voorts heeft de raadsvrouw verzocht bij de straftoemeting rekening te houden met het advies van de psychiater tot verminderde toerekeningsvatbaarheid en de omstandigheden dat de verdachte de brand zelf bij de hulpdiensten heeft gemeld en de schade in de woning beperkt is gebleven.

De raadsvrouw heeft verzocht een onvoorwaardelijke straf op te leggen die eindigt op 12 september 2022, de datum waarop de verdachte zou kunnen worden opgenomen op de Forensische Psychiatrische Afdeling (FPA) in Heiloo, met daarnaast een voorwaardelijke straf van drie maanden met daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

De verdachte heeft in de nachtelijke uren brand gesticht in zijn huurwoning. Brandstichting is uitermate gevaarlijk. Door brand te stichten heeft de verdachte schade aangericht aan de woning, die eigendom was van een woningbouwvereniging. Daarnaast is ook gevaar voor een naastgelegen woning ( [adres 2] ) te duchten geweest, alsmede levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in die woning aanwezige personen. Die bewoners moesten tijdelijk uit hun woning worden gehaald. Brandstichting brengt in de regel gevoelens van onrust, angst en onveiligheid teweeg in de samenleving en bij betrokkenen en getuigen in het bijzonder. Het gaat dan ook om een ernstig feit met name vanwege de verstrekkende gevolgen die het met zich had kunnen brengen.

Gelet op de ernst van het feit acht de rechtbank in beginsel alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend.

Daar staat tegenover dat (behalve de verdachte) niemand gewond is geraakt en de schade aan de woning uiteindelijk mee is gevallen. De woning is door familie van de verdachte opgeknapt.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte (gedateerd 22 april 2022), waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

De rechtbank heeft tevens acht geslagen op het psychiatrisch onderzoeksrapport van 17 mei 2022, opgesteld door M. Krikke, arts in opleiding tot specialist (psychiatrie), en C.A.M. van der Meijs, psychiater. Het rapport houdt onder meer het volgende in:

Bij betrokkene is sprake van zwakbegaafdheid (met als differentiaal diagnose een lichte verstandelijke beperking) en een ernstige stoornis in alcoholgebruik. Beide stoornissen waren aanwezig ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde.

Er is sprake van stoornissen die doorwerkend zijn geweest op het tenlastegelegde. Al met al leidt dit tot het advies om het tenlastegelegde aan betrokkene in verminderde mate toe te rekenen. De zwakbegaafdheid en de ernstige stoornis in het alcoholgebruik geven bij betrokkene duidelijke beperkingen in het vermogen tot sturing en inzicht. Betrokkene heeft weliswaar zelf de keuze gemaakt om alcohol te gebruiken, maar vanwege de intellectuele beperking en de alcoholverslavingsproblematiek had betrokkene minder controle over het gebruik van alcohol.

Recidivepreventie moet gericht zijn op het voorkomen van terugval in alcoholgebruik en op de behandeling van de stoornis in het alcoholgebruik en uitbreiden van en aanleren van nieuwe copingvaardigheden. Er wordt een initiële klinische opname in een kliniek (forensische psychiatrische afdeling, FPA) geadviseerd om abstinentie na vrijlating uit het Justitieel Centrum te bestendigen, te leren omgaan met de stoornis in het gebruik van alcohol (alcoholverslaving) en copingvaardigheden te leren. Aansluitend zal een beschermde woonvorm met ambulante behandeling bij een forensisch ACT-team waarschijnlijk passend zijn. Dit alles zou in bijzondere voorwaarden moeten worden opgenomen met een voldoende groot voorwaardelijk strafdeel, zodat betrokkene voldoende gecommitteerd kan zijn om zich hiervoor in te zetten. Reclassering kan toezien op het houden aan deze bijzondere voorwaarden en kan tevens regelmatige alcoholcontroles inzetten.

De rechtbank ziet geen aanknopingspunten die tot een andere conclusie zouden moeten leiden en neemt de conclusie van de psychiaters (in opleiding) over. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bewezen verklaarde feit de verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend, waarmee in de straftoemeting rekening zal worden gehouden.

De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 27 juli 2022 van [reclasseringswerkster] , als reclasseringswerkster verbonden aan GGZ Fivoor. Het advies houdt onder meer het volgende in:

Wij hebben instabiliteit geconstateerd op meerdere leefgebieden. Betrokkene heeft geen dagbesteding, er is sprake van schulden en hij is zijn woning verloren. Daarnaast is bewindvoering tot op heden nog niet van de grond gekomen, hetgeen wel noodzakelijk wordt geacht door de hulpverlening. Er is sprake van fors alcoholgebruik, wat direct delictgerelateerd is gebleken. Het alcoholgebruik lijkt een coping mechanisme te zijn om

om te gaan met stressvolle situaties en/of slaapproblemen. Alcohol heeft vervolgens een ongunstig effect op zijn toch al lage frustratietolerantie. Betrokkene lijkt moeite te hebben om zich maatschappelijk staande te houden, ondanks jarenlange hulp van de GGZ. Als gevolg van zijn (door de Pro Justitia rapporteur vastgestelde) zwakbegaafdheid overziet hij voor hem lastige situaties niet, waardoor hij geregeld hiertegen ageert. Het NIFP adviseert een langdurige klinische behandeling in een FPA. Betrokkene is bereid mee te werken aan een klinische opname. Aansluitend op de klinische opname zien wij meerwaarde in een (ambulant) nazorgtraject.

Bij een veroordeling adviseren wij een (deels) voorwaardelijke straf met de onderstaande bijzondere voorwaarden.

  • -

    Meldplicht bij reclassering

  • -

    Opname in een zorginstelling

  • -

    Ambulante behandeling

  • -

    Begeleid wonen of maatschappelijke opvang

  • -

    Meewerken aan middelencontrole.

Strafvermindering wegens vormverzuim ex 359a Sv?

In het relaas staat vermeld: “Abusievelijk heeft [verbalisant] de woning binnen getreden samen met de brandweer. Hij maakt hier later nog een proces verbaal van binnentreden van op.” Meer informatie hierover ontbreekt. Desgevraagd zei de officier van justitie ter zitting dat ook hij niet over een proces-verbaal van [verbalisant] beschikt. Niet duidelijk is geworden op welk moment deze agent de woning van de verdachte binnen is gegaan of met welk doel.

Niet gebleken is dat hierdoor enig nadeel voor de verdachte is veroorzaakt. Dat heeft tot gevolg dat – ook als juist is wat door de raadsvrouw is aangevoerd – dat niet noopt tot één van de in artikel 359a, eerste lid, Sv genoemde rechtsgevolgen. In dit specifieke geval zou dat hooguit leiden tot de enkele constatering van een vormverzuim. De rechtbank verwerpt daarom het verweer zonder nader onderzoek te doen naar de feitelijke grondslag ervan. (Zie het arrest van de Hoge Raad van 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, rechtsoverwegingen 2.6.1-2.6.3)

Op te leggen straf

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van 24 maanden moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte van 12 maanden vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden zich schuldig te maken aan een strafbaar feit. Aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf zullen de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals de reclassering heeft geadviseerd, waaronder de opname in een zorginstelling aansluitend aan detentie.

Een straf opleggen waarvan het onvoorwaardelijk gedeelte slechts voortduurt tot 12 september 2022 (een mogelijke opnamedatum op de FPA Heiloo), zoals door de raadsvrouw verzocht, doet naar het oordeel van de rechtbank geen recht aan de ernst van het feit. Hoewel de rechtbank het noodzakelijk acht dat de verdachte aansluitend aan zijn detentie een klinische behandeling zal ondergaan middels een opname op een FPA, kan en zal deze opname op een later moment moeten worden gerealiseerd. Gelet op de straffen die in min of meer vergelijkbare gevallen worden opgelegd, ziet de rechtbank wel aanleiding om een gevangenisstraf van kortere duur op te leggen dan de officier van justitie heeft gevorderd.

Omdat er vanwege de psychische problematiek bij de verdachte ernstig rekening mee moet worden gehouden dat hij wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, beveelt de rechtbank dat de opgelegde bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

8 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4 vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 12 maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- Meldplicht bij reclassering

De verdachte zal zich melden bij GGZ Reclassering Fivoor Heerhugowaard. De verdachte zal zich blijven melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De verdachte zal zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft.

- Opname in een zorginstelling

De verdachte zal zich aansluitend aan detentie laten opnemen in FPA Heiloo of een soortgelijke zorginstelling. De opname duurt een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte zal zich houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek van de verdachte kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt.

- Ambulante behandeling

Na de klinische opname zal de verdachte zich ambulant laten behandelen door een nader te noemen zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte zal zich houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek van de verdachte kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.

- Begeleid wonen of maatschappelijke opvang

De verdachte zal na de klinische behandeling verblijven bij een instelling voor beschermd/begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte zal zich houden aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.

- Meewerken aan middelencontrole

De verdachte zal meewerken aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Beveelt dat de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.M. Jongkind, voorzitter,

mrs. C.W.M. Giesen en A.H. de Regt, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.S. Rietdijk,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 augustus 2022.

mr. Jongkind is verhinderd te tekenen