Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2022:7666

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-08-2022
Datum publicatie
14-09-2022
Zaaknummer
9179020 \ CV EXPL 21-2851
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Luchtvaartclaim. Vervoerder heeft voldoende onderbouwd dat vlucht KL1915 uiteindelijk door de slechte weersomstandigheden niet te Hannover kon landen en is teruggekeerd naar Amsterdam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 9179020 \ CV EXPL 21-2851

Uitspraakdatum: 3 augustus 2022

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

de rechtspersoon naar buitenlands recht

Flightright GmbH

gevestigd te Hamburg (Duitsland)

eiser

hierna te noemen Flightright

gemachtigde mr. H. Yildiz

tegen

de besloten vennootschap

KLM Cityhopper B.V.

gevestigd te Schiphol

gedaagde

hierna te noemen de vervoerder

gemachtigde mr. M. Lustenhouwer

1 Het procesverloop

1.1.

De passagier heeft bij dagvaarding van 8 april 2021 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

De passagier heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2 De feiten

2.1.

[bestandsnaam] (hierna: de passagier) heeft een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagier diende te vervoeren van Hannover (Duitsland) naar Amsterdam op 8 juni 2019 met vluchtnummer KL1900, hierna: de vlucht. Voorts heeft de passagier een vervoersovereenkomst met de Koninklijke Luchtvaart Maatschappij N.V. gesloten op grond waarvan Air Europa de passagier vervolgens diende te vervoeren van Amsterdam naar Madrid (Spanje) op 8 juni 2019.

2.2.

De vlucht is geannuleerd. De passagier is omgeboekt naar een vervangende vlucht.

2.3.

De passagier heeft zijn vermeende vorderingsrecht gecedeerd aan Flightright.

2.4.

Flightright heeft compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde annulering.

2.5.

De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3 De vordering

3.1.

Flightright vordert dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 400,00, vermeerderd met de wettelijke rente;
- € 60,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
- de proceskosten.

3.2.

Flightright heeft aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). Flightright stelt dat de vervoerder vanwege de annulering van de vlucht gehouden is de compensatie te voldoen conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 400,00.

4 Het verweer

4.1.

De vervoerder betwist de vordering en voert daartoe - samengevat - aan dat de vertraging van de vlucht het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.

5 De beoordeling

5.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

5.2.

Vast staat dat de vlucht van de passagier is geannuleerd. Nu gesteld noch gebleken is dat de vervoerder zich kan beroepen op artikel 5, eerste lid, onder c, sub i, ii of iii van de Verordening, geldt er in beginsel een compensatieplicht voor de vervoerder. Dit is anders indien de vervoerder kan aantonen dat de annulering het gevolg is van buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening.

5.3.

De vervoerder voert aan dat de vlucht door een buitengewone omstandigheid op de voorgaande vlucht is geannuleerd. Ten aanzien van het beroep van de vervoerder op de aanwezigheid van buitengewone omstandigheden geldt (in algemene zin) het volgende. In de punten 14 en 15 van de considerans van de Verordening heeft de gemeenschapswetgever er op gewezen dat dergelijke omstandigheden zich onder meer kunnen voordoen in geval van weersomstandigheden die uitvoering van de vlucht in kwestie verhinderen en wanneer een besluit van het luchtverkeersbeheer voor een specifiek vliegtuig op een specifieke dag een langdurige vertraging, een vertraging van een nacht of de annulering van één of meer vluchten van dat vliegtuig veroorzaakt.

5.4.

Volgens de vervoerder maakte de vlucht deel uit van de rotatie Amsterdam (“AMS” of “EHAM")-Hamburg (“HAM” of “EDDH”)-Amsterdam. Gelet op de overgelegde productie en het feit dat de vlucht van Hannover naar Amsterdam ging, begrijpt de kantonrechter dat de vervoerder waar hij “Hamburg” schrijft, “Hannover” bedoelt, zodat de kantonrechter hierna “Hamburg” verbeterd zal lezen als “Hannover”. De aan de vlucht voorafgaande vlucht van Amsterdam naar Hannover met vluchtnummer KL1915 kon volgens de vervoerder niet landen vanwege slechte weersomstandigheden in Duitsland. Ter onderbouwing heeft de vervoerder enkele pagina’s uit het log van Eurocontrol overgelegd. Hieruit volgt volgens de vervoerder dat vlucht KL1915, met geplande vertrektijd 18:35 UTC, eerst te maken kreeg met diverse CTOT’s, waardoor de vlucht om 19:46 UTC is opgestegen. Na vertrek heeft vlucht KL1915 volgens de vervoerder in de “holding” gevlogen omdat er niet geland kon worden te Hannover. Vervolgens heeft de gezagvoerder volgens de vervoerder blijkens het log van Eurocontrol diverse keren aangegeven te willen uitwijken naar andere luchthavens (onder andere Bremen). Bij de toelichting heeft de vervoerder weliswaar enkele (afkortingen van) luchthavens door elkaar gehaald, maar de kantonrechter oordeelt dat de vervoerder voldoende heeft onderbouwd dat vlucht KL1915 uiteindelijk door de slechte weersomstandigheden niet te Hannover kon landen en is teruggekeerd naar Amsterdam. Flightright heeft dit ook niet betwist. Hij stelt zich alleen op het standpunt dat de weersomstandigheden geen betrekking hadden op de vlucht in kwestie. Voor zover Flightright hiermee bedoelt dat buitengewone omstandigheden die zich hebben voorgedaan op de voorafgaande vlucht niet kunnen doorwerken naar de vlucht in kwestie, wordt verwezen naar het arrest van het Hof van 11 juni 2020, Transportes Aéreos Portugueses, C‑74/19 (hierna: het TAP-arrest), waarin is bepaald dat noch de overwegingen 14 en 15, noch artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004 de mogelijkheid voor de luchtvaartmaatschappijen die de vlucht uitvoeren om zich op een „buitengewone omstandigheid” te beroepen, beperken tot enkel het geval waarin deze omstandigheid de vertraagde of geannuleerde vlucht zelf heeft getroffen, met uitsluiting van het geval waarin die omstandigheid betrekking had op een eerdere vlucht die door hetzelfde luchtvaartuig is uitgevoerd. Gelet op het voorgaande heeft de vervoerder voldoende aannemelijk gemaakt dat de vlucht is geannuleerd omdat het toestel waarmee de vlucht vanaf Hannover moest worden uitgevoerd bij de uitvoering van de voorafgaande vlucht terug moest keren naar Amsterdam wegens slechte weersomstandigheden en daardoor de vlucht niet kon uitvoeren. De slechte weersomstandigheden vormen daarmee een buitengewone omstandigheid.

5.5.

De vraag die vervolgens voorligt, is of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen om de annulering van de vlucht te voorkomen, dan wel de vertraging ten gevolge van de annulering te beperken. Flightright heeft in dit verband verwezen naar het TAP-arrest. Hierin is ook overwogen dat als een passagier is omgeboekt naar een andere vlucht waardoor hij een dag na de oorspronkelijk vastgestelde dag aankomt op de overeengekomen eindbestemming, dit geen redelijke maatregel vormt waardoor de vervoerder wordt vrijgesteld van zijn compensatieverplichting, tenzij er geen andere mogelijkheid voor een rechtstreekse of indirecte alternatieve vlucht bestond met een door de vervoerder uitgevoerde vlucht of door een andere luchtvaartmaatschappij uitgevoerde vlucht. Gesteld noch gebleken is echter dat de passagier een dag na de oorspronkelijk vastgestelde dag op de eindbestemming is aangekomen. Flightright heeft enkel gesteld dat ‘het moment van arriveren op de eindbestemming meer dan 3 uren later plaatsvond dan was gepland’. De vervoerder heeft aangevoerd dat hij de passagier op het eerst beschikbare alternatief heeft omgeboekt. Volgens de vervoerder is de passagier omgeboekt naar een vlucht via Londen, uitgevoerd door British Airways. Volgens de vervoerder is de vertraging hierdoor beperkt gebleven tot 3 uur en 5 minuten. De kantonrechter stelt vast dat dit wordt bevestigd door de boekingsgegevens van deze alternatieve vlucht die Flightright als productie 1 bij de dagvaarding heeft overgelegd. Gelet hierop is de kantonrechter van oordeel dat voldoende vaststaat dat het door de vervoerder aangeboden alternatief een redelijke maatregel vormt om de vertraging van de passagier zoveel mogelijk te beperken, ook in het licht van het TAP-arrest. Flightright heeft niet gesteld welke andere maatregelen de vervoerder had kunnen nemen. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat aannemelijk is dat de vervoerder alles heeft gedaan wat in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van hem kon worden verwacht.

5.6.

De vordering tot betaling van de hoofdsom zal dan ook worden afgewezen. De nevenvorderingen volgen hetzelfde lot.

5.7.

De proceskosten komen voor rekening van Flightright, omdat hij ongelijk krijgt. Ook de nakosten komen voor rekening van Flightright, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

wijst de vordering af;

6.2.

veroordeelt Flightright tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 150,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder en veroordeelt Flightright tot betaling van € 37,50 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis;

6.3.

verklaart dit vonnis, voor wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. Jansen, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter