Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2022:7332

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
13-07-2022
Datum publicatie
16-08-2022
Zaaknummer
9513231 \ CV EXPL 21-7272
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verzekering paard met kramperigheid. Verzekeraar wil na overlijden paard niet tot uitkering overgaan. De kantonrechter vindt dat verzekeraar de verzekeringsovereenkomst moet nakomen en de gevorderde bedragen moet uitkeren. Artikel 7:928 BW lid 6 en 7:930 lid 2 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 9513231 \ CV EXPL 21-7272

Uitspraakdatum: 13 juli 2022

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiseres]

wonende te [woonplaats]

eiseres

verder te noemen: [eiseres]

gemachtigde: mr. M.W. Huijzer

tegen

de onderlinge waarborgmaatschappij
Eerste Friesche Onderlinge Paarden Verzekeringsmaatschappij U.A.,
handelend onder de naam EFO Paardenverzekering

gevestigd te Heerenveen

gedaagde

verder te noemen: EFO

gemachtigde: mr. A. Kroondijk

De zaak in het kort
[eiseres] heeft bij EFO een overlijdensverzekering en een ziektekostenverzekering afgesloten voor haar paard. Niet lang daarna is het paard overleden. [eiseres] wil dat EFO tot uitkering overgaat. EFO weigert dit omdat zij vindt dat niet aan de voorwaarden van de verzekering is voldaan. Zo heeft [eiseres] bij het afsluiten van de verzekering niet gemeld dat het paard al een gebrek had. De kantonrechter is het niet met EFO eens en stelt [eiseres] in het gelijk. De kantonrechter vindt dat EFO de verzekeringsovereenkomst moet nakomen en de gevorderde bedragen moet uitkeren.

1 Het procesverloop

1.1.

[eiseres] heeft bij dagvaarding van 15 oktober 2021 een vordering tegen EFO ingesteld. EFO heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

Op 16 mei 2022 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Beide partijen hebben gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die zijn overgelegd. Voorafgaand aan de zitting hebben beide partijen nog stukken toegezonden: EFO bij brief van 10 mei 2022 en [eiseres] bij brieven van 12 en 13 mei 2022.

2 Feiten

2.1.

[eiseres] was sinds 9 augustus 2020 eigenaar van een paard ( [paard] , geboren op 8 mei 2015, hierna: het paard).

2.2.

Op 12 januari 2021 heeft [eiseres] bij EFO via internet een ziektekosten-, brand- en overlijdensverzekering afgesloten voor het paard. De verzekerde waarde van de overlijdensverzekering bedroeg het aankoopbedrag voor het paard van € 5.500,00. Op de verzekering zijn de Algemene verzekeringsvoorwaarden per 1 januari 2021 (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing.

2.3.

Voordat de verzekering kon worden afgesloten moest [eiseres] enkele vragen beantwoorden over de gezondheid van het paard. Zij heeft daarbij “ja” geantwoord op de vraag “Is het paard op dit moment helemaal gezond?” en “nee” op de vraag “Heeft het paard ooit geleden aan ziekten, kreupelheid of een ander gebrek”. Op de vraag “Is het paard de afgelopen 36 maanden onder behandeling van een dierenarts geweest, anders dan voor entingen en/of gebitsonderhoud?” heeft [eiseres] “ja” geantwoord. Bij “Toelichting” heeft zij gemeld: “Wond op been, inmiddels goed genezen”.

2.4.

Op 5 februari 2021 heeft [eiseres] besloten het paard te laten inslapen. De betrokken dierenarts, [dierenarts 2] , heeft daarover op 5 februari 2021 een verklaring opgesteld, waarin onder meer het volgende staat:
“De reden om te besluiten tot euthanasie was gebaseerd op ernstige ataxie klachten, ontstaan na ongeval (paard was gaan hangen aan het halster wat leidde tot een paniekerige situatie) op 03-02-2021. (…)”

2.5.

Vlak voordat [eiseres] besloot tot euthanasie van het paard heeft zij contact gehad met EFO. EFO heeft [eiseres] toen aangeboden een bedrag van € 2.500,00 uit te betalen. [eiseres] is hiermee akkoord gegaan.

2.6.

Enkele dagen later heeft [eiseres] aan EFO gemeld dat zij het niet eens was met de handelwijze van EFO. Zij maakte alsnog aanspraak op volledige uitkering van het aankoopbedrag van € 5.500,00 en de gemaakte dierenartskosten.

2.7.

In een brief van 29 maart 2021 heeft EFO onder meer aan [eiseres] geschreven dat zij [eiseres] een aanbod van een coulancebetaling van € 2.500,00 had gedaan omdat de oorzaak van de ataxie niet kon worden onderzocht. EFO geeft aan dat dat voorstel is vervallen en dat zij zorgvuldig zal onderzoeken of sprake is van een recht op schadevergoeding op basis van de afgesloten verzekering.

2.8.

In een brief van 28 april 2021 heeft EFO medegedeeld dat zij nader onderzoek heeft gedaan en dat zij tot de conclusie komt dat de polis geen dekking biedt. Zij heeft onder meer het volgende geschreven:
Ik ben van mening dat uw paard op 12 januari 2021 niet helemaal gezond was. (…) Wanneer wij de juiste informatie hadden ontvangen dan hadden wij de verzekering niet of niet op dezelfde wijze geaccepteerd. Uw paard was nog herstellende van de infectieuze sesamschede RA en het paard was kramperig. Dit zou voor ons reden zijn geweest om de verzekering niet of niet op dezelfde wijze te accepteren. Verder geven onze verzekeringsvoorwaarden het volgende aan ten aanzien van Bestaande gebreken en/of ziekten: “U krijgt geen vergoeding voor schade en/of koten als er sprake is van ziekten, aandoeningen, gebreken of medische klachten die al aanwezig waren op de ingangsdatum van de verzekering. Dit geldt ook voor gebreken of ziekten die bij een keuring niet werden opgemerkt.””

2.9.

Nadien hebben partijen nog uitgebreid met elkaar gecorrespondeerd. Ook heeft [eiseres] de zaak voorgelegd aan het televisieprogramma mr. Frank Visser: wordt u al geholpen. Dit heeft niet tot een oplossing tussen partijen geleid.

2.10.

Op 2 december 2021 heeft dierenarts [dierenarts 1] , werkzaam bij [paardenkliniek] een verklaring ondertekend waarin onder meer het volgende staat:
Op 9 oktober 2020 werd het paard [paard] met chipnummer (…), eigendom van mevrouw [eiseres] te [woonplaats] , op onze kliniek behandeld in verband met een infectueuze sesamschede rechtsachter, ten gevolge van een wond. Bij het wisselen van de verbanden werd kramperigheid waargenomen. Het paard tilde zijn benen hoog op na het plaatsen van het verband. Het rechter achterbeen werd echt heel hoog kramperig opgetild bij aanraken of het laten draaien van het paard. De oorzaak van de kramperigheid ligt in het neurologisch systeem.
Bij de controle van het paard [paard] , op 7 januari 2021, was het paard bij het buigen van rechter achterbeen nog steeds gevoelig. Na lopen op het harde ging ze op rust staan en trok wat met rechtsachter, dit deed ze voor de wond ook maar dan veel hoger. Het paard was nog niet hersteld van de verwonding. Ik gaf mevrouw daarom een behandeladvies met het verzoek om over acht weken terug te komen voor een controle. Het paard werd echter eerder, op 5 februari 2021 door mijn collega [dierenarts 2] geëuthanaseerd in verband met ataxieklachten.
Door mij, of één van mijn collega’s, werd begin februari 2021 geen uitwendig letsel waargenomen. De anamnese is gebaseerd op de verklaring mevrouw [eiseres] .
Mijn collega [dierenarts 3] heeft mevrouw [eiseres] geadviseerd om, wanneer ze meer zou willen weten over de reden van ataxie, een CT-scan te laten maken van hoofd/hals regio, maar dat de prognose vaak slecht is bij dit soort paarden. Dit advies is niet opgevolgd.
Het paard [paard] is op 5 februari 2021 geëuthanaseerd in verband met ataxie. Deze verschijnselen werden op 9 oktober 2020 ook al door ons waargenomen, maar toen in een minder ernstige mate. Kramperigheid (ataxie) geeft een verhoogd risico ten aanzien van het neurologisch systeem, zodat er een verband bestaat tussen de in oktober 2020 gesignaleerde kramperigheid en de reden van euthanasie op 5 februari 2021.

3 De vordering

3.1.

[eiseres] vordert betaling van € 6.782,76. De vordering bestaat uit € 5.500,00 aan verzekeringsgelden uit de overlijdensverzekering, € 467,95 aan verzekeringsgelden uit de ziektekostenverzekering en € 814,81 aan buitengerechtelijke incassokosten. Verder vordert [eiseres] wettelijke rente over de vordering vanaf 5 februari 2021.

3.2.

[eiseres] legt aan de vordering nakoming van de verzekeringsovereenkomst ten grondslag. Zij stelt dat haar paard is overleden aan de gevolgen van een ongeval en dat zij medische kosten heeft moeten maken voor de benodigde behandelingen. Voor deze schades heeft zij de verzekering afgesloten. Zij maakt dan ook aanspraak op uitkering van het aankoopbedrag van het paard en de gemaakte ziektekosten.

4 Het verweer

4.1.

EFO betwist de vordering. Het standpunt van EFO komt er in het kort op neer dat [eiseres] niet aan de voorwaarden van de verzekering heeft voldaan en dat niet vast staat dat het paard als gevolg van een ongeval is overleden. EFO meent dat zij daarom terecht heeft geweigerd om tot uitkering over te gaan.

4.2.

Op de stellingen van partijen gaat de kantonrechter hieronder nader in.

5 De beoordeling

5.1.

[eiseres] vordert nakoming van de verzekeringsovereenkomst. Voor wat betreft de overlijdensverzekering en de ziektekostenverzekering ‘beperkt’ die [eiseres] heeft afgesloten is het volgende van belang. Uit de algemene voorwaarden blijkt dat i) de overlijdensverzekering (D-tarief) bij schade aan het verzekerde paard onder meer dekking biedt bij noodzakelijke levensbeëindiging als gevolg van een ongeval (artikel 22 onder c) en ii) bij de ziektekostenverzekering ‘beperkt’ de kosten vergoed worden van medisch noodzakelijke diergeneeskundige hulp die verleend is aan het verzekerde paard (artikel 26.1). De vraag die moet worden beantwoord is of EFO kan worden veroordeeld tot nakoming van deze bepalingen uit de verzekeringsovereenkomst.


Heeft [eiseres] voldaan aan haar mededelingsplicht?

5.2.

In de eerste plaats voert EFO aan dat [eiseres] bij het afsluiten van de verzekering ten onrechte niet heeft vermeld dat het paard kramperig was en nog midden in een behandeltraject zat. Daarmee heeft [eiseres] volgens EFO gehandeld in strijd met de mededelingsplicht van artikel 7:928 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit artikel bepaalt dat iemand vóór het afsluiten van een verzekering aan de verzekeraar alle feiten moet melden die hij kent of behoort te kennen, en waarvan, naar hij weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar of, en zo ja, op welke voorwaarden, hij de verzekering zal willen sluiten, afhangt of kan afhangen. Dit is de mededelingsplicht. EFO voert aan dat als [eiseres] had gezegd dat het paard kramperig was en nog in een behandeltraject zat, EFO de verzekering niet, althans niet onder dezelfde voorwaarden, had gesloten. De vraag die hier beantwoord moet worden is dus of [eiseres] bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst in strijd heeft gehandeld met de mededelingsplicht.


kramperigheid

5.3.

De kantonrechter zal eerst het punt van de kramperigheid bespreken. Uit de stukken die partijen hebben overgelegd volgt dat kramperigheid een aandoening in het neurologisch systeem is waarbij spontaan optredende trekkingen van een zekere groep spieren plaatsvindt. Een belangrijk kenmerk ervan is dat het paard onder bepaalde omstandigheden een (achter)been overdreven hoog optilt.

5.4.

Vast staat dat [eiseres] voor het aangaan van de verzekeringsovereenkomst wist dat haar paard licht kramperig was. [eiseres] stelt echter dat zij niet wist dat dit een aandoening in het neurologisch systeem was en evenmin dat dit door EFO als gebrek zou worden aanmerkt. Volgens [eiseres] kwam de kramperigheid alleen tot uiting bij de dierenarts of de hoefsmid als er een been moest worden opgetild. Het paard had geen moeite met draaien, achteruit lopen of het vinden van balans. De vorige eigenaar had een röntgenologisch onderzoek laten uitvoeren, waaruit bleek dat het paard röntgenologisch acceptabel was. [eiseres] stelt zich dan ook op het standpunt dat zij niet hoefde te weten dat zij de kramperigheid diende aan te geven als gebrek.

5.5.

De kantonrechter volgt [eiseres] hierin. In dit kader is van belang dat op grond van de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) op EFO de stelplicht en bewijslast rusten ter zake van het niet nakomen van de mededelingsplicht. EFO heeft weliswaar betoogd en met stukken onderbouwd dat kramperigheid een ernstige aandoening is die een progressief verloop heeft/kan hebben, maar EFO heeft niet onderbouwd waarom [eiseres] dit ook had moeten weten. [eiseres] voert daar tegenover aan dat paarden met een licht krampbeen hier in beginsel geen hinder van ondervinden. Ook haar paard functioneerde voor het ongeval verder zonder problemen. Zij heeft daarbij ook gewezen op een online artikel van het College of Veterinary Medicine van Michigan State University waaruit blijkt dat paarden met een krampbeen in de sport op een hoog niveau kunnen presteren. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft EFO gelet op het voorgaande onvoldoende gesteld voor het oordeel dat [eiseres] als ‘leek’ had moeten begrijpen dat haar paard leed aan een aandoening die zij had moeten melden. Daar komt bij dat de verzekering is afgesloten op grondslag van een door EFO opgestelde vragenlijst. Artikel 7:928 BW lid 6 bepaalt dat in dat geval een verzekeraar zich er niet op kan beroepen dat een in algemene termen vervatte vraag onvolledig is beantwoord, tenzij is gehandeld met het opzet de verzekeraar te misleiden. De kantonrechter is van oordeel dat de vragen of het paard “helemaal gezond” is en “ooit heeft geleden aan ziekten, kreupelheid of een ander gebrek” een dergelijke in algemene termen vervatte vraag betreft. Op grond van dit artikel had het op de weg van EFO gelegen om duidelijk te maken wat zij onder een gebrek verstaat, en feiten en omstandigheden te stellen waaruit volgt dat [eiseres] die vraag redelijkerwijs zo had moeten opvatten dat [eiseres] ook had moeten beseffen dat zij had moeten melden dat haar paard soms (licht) kramperig was. Dat heeft EFO niet gedaan en ook heeft zij niet (voldoende gemotiveerd) gesteld dat [eiseres] heeft gehandeld met het opzet om haar te misleiden. EFO kan zich er dus niet op beroepen dat voornoemde vragen niet of niet volledig zijn beantwoord. De conclusie luidt dat [eiseres] niet heeft gehandeld in strijd met haar mededelingsplicht door het niet melden van de kramperigheid. Dit was dus geen geldige reden voor EFO om niet tot uitkering over te gaan.
paard nog onder behandeling

5.6.

Een tweede argument van EFO is dat [eiseres] niet heeft gemeld dat haar paard nog onder behandeling was op het moment van het aangaan van de verzekeringsovereenkomst. Hoewel [eiseres] dit heeft betwist, blijkt uit voornoemde verklaring van dierenarts [dierenarts 1] (r.o. 2.10) duidelijk dat het paard op 7 januari 2021 nog werd behandeld aan een wond op zijn been. [dierenarts 1] schrijft dat hij [eiseres] een behandeladvies heeft gegeven met het verzoek om over acht weken terug te komen voor een controle. De kantonrechter heeft geen reden om te twijfelen aan deze verklaring. [eiseres] heeft weliswaar verklaard dat niet dierenarts [dierenarts 1] maar een andere dierenarts de behandelend dierenarts was op 7 januari 2021 en dat die tegen haar heeft gezegd dat zij weer alles met het paard kon doen en dat zij het paard ook kon verzekeren, maar [eiseres] heeft dit niet met stukken onderbouwd. De conclusie moet daarom zijn dat [eiseres] bij het aangaan van de verzekering ten onrechte heeft verklaard dat het paard helemaal gezond was en niet heeft gemeld dat het paard nog onder behandeling was voor een wond aan zijn been. [eiseres] heeft echter (subsidiair) terecht een beroep gedaan op artikel 7:930 lid 2 BW. Daarin staat dat de bedongen uitkering onverkort geschiedt, indien de niet of onjuist meegedeelde feiten van geen belang zijn voor de beoordeling van het risico, zoals dit zich heeft verwezenlijkt. De kantonrechter constateert dat EFO niet heeft gesteld, laat staan onderbouwd, dat het paard is overleden als gevolg van een wond aan zijn been. Daarmee staat vast dat het niet melden van de behandeling van de beenwond niet van belang was voor de beoordeling van het risico dat zich heeft verwezenlijkt. Op grond van artikel 7:930 lid 4 BW is in afwijking van lid 2 geen uitkering verschuldigd als de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering zou hebben gesloten. EFO heeft in dat verband alleen gesteld dat zij nadere inlichtingen bij de dierenarts zou hebben ingewonnen als [eiseres] had gemeld dat het paard niet helemaal gezond was maar niet dat zij de overeenkomst dan niet zou hebben gesloten met [eiseres] . Voor zover EFO een beroep doet op artikel 7:930 lid 4 BW slaagt dat daarom niet. . De conclusie is dat EFO de uitkering niet had mogen weigeren vanwege het feit dat [eiseres] ten onrechte heeft meegedeeld dat het paard niet meer onder behandeling was voor de beenwond.


Is het paard overleden aan de gevolgen van een al aanwezige ziekte/aandoening?

5.7.

Subsidiair doet EFO een beroep op artikel 12.8 van de algemene voorwaarden. Daarin staat dat er geen vergoeding wordt uitgekeerd voor ziekten, aandoeningen, gebreken of medische klachten die al aanwezig waren op de ingangsdatum van de verzekering. Daarvan is volgens EFO hier sprake. Zij voert aan dat het paard is overleden als gevolg van de kramperigheid die al aanwezig was bij het aangaan van de overeenkomst. Zij wijst in dit verband op de verklaring van dierenarts [dierenarts 1] , waarin onder meer staat: “Het paard [paard] is op 5 februari 2021 geëuthanaseerd in verband met ataxie. Deze verschijnselen werden op 9 oktober 2020 ook al door ons waargenomen, maar toen in een minder ernstige mate. Kramperigheid (ataxie) geeft een verhoogd risico ten aanzien van het neurologisch systeem, zodat er een verband bestaat tussen de in oktober 2020 gesignaleerde kramperigheid en de reden van euthanasie op 5 februari 2021”.

5.8.

[eiseres] heeft het door EFO gestelde causale verband tussen de kramperigheid en het overlijden echter betwist en in dit verband betoogd dat haar paard is overleden ten gevolge van een ongeval. Volgens haar is het paard op 2 februari 2021 tijdens het napoetsen gaan “hangen” aan het halster achter zijn nek. Daarbij heeft het paard met alle kracht aan het touw waaraan hij vastzat getrokken om los te komen, waardoor het touw het begaf. Direct hierna vertoonde het paard ongewoon gedrag, aldus [eiseres] . Ter onderbouwing van haar stellingen dat het ongeval heeft plaatsgevonden heeft [eiseres] twee verklaringen overgelegd. Zowel [getuige 1] ( [getuige 1] ) als [getuige 2] ( [getuige 2] ) verklaren dat zij op 2 februari 2021 rond 15.15 uur hebben gezien dat het paard van [eiseres] zich met veel kracht lostrok van het touw en daarna zwalkend het terrein opliep. Daarnaast heeft [eiseres] een “Behandelplan voor paarden” van dierenarts [dierenarts 4] in het geding gebracht, die volgens [eiseres] het paard als eerste na het ongeluk heeft gezien. Daarin staat bij diagnose: “zenuwkneuzing tgv hangen”. Verder blijkt uit dit document dat de coördinatie in orde is, maar dat het paard rechtsachter wel af en toe kramperiger is en “tipt” met rechtervoorbeen. Dit document is gedateerd 3 mei 2021, maar [eiseres] heeft ter zitting uitgelegd dat dit komt omdat zij deze verklaring pas later heeft opgevraagd. Ook heeft [eiseres] een verklaring van dierenarts [dierenarts 3] van 8 februari 2021 in het geding gebracht, die het paard op 4 februari 2021 heeft onderzocht. In dat behandelplan staat als diagnose: “Trauma + ataxie.” Bij klinische bevindingen staat onder meer: in stand belast RV niet + continu krampen met RA, lijkt erg te lijden en blijft ongemakkelijk. Tn stapt wankelend en wil links om niet draaien. Achterbenen stappen niet over in de bocht. Onder “behandelplan” staat: : 3 dg behandeld met dex + pijnstilling. Paard gaat verder achteruit en ataxie wordt erger ondanks behandeling. Niet te vervoeren op veilige manier voor verder onderzoek. Euth in overleg eig + verzekering. Ten slotte heeft [eiseres] nog verwezen naar de hierboven vermelde verklaring van [dierenarts 2] (r.o. 2.4) waarin staat: “De reden om te besluiten tot euthanasie was gebaseerd op ernstige ataxie klachten, ontstaan na ongeval (paard was gaan hangen aan het halster wat leidde tot een paniekerige situatie) op 03-02-2021. Klachten bestonden uit: moeite met het correct plaatsen van het rechter voorbeen, het vrijwel continu krampen van het rechter achterbeen en ataxie in beweging. In rust stond [paard] met beide voorbenen gespreid om balans te houden. In stap was er verlies van coördinatie. Ook op 04-02-21 is [paard] nog beoordeeld waaruit bleek dat de beschreven symptomen nog niet verbeterde. Ondanks behandeling met corticosteroïden (krachtige zwelling/ontstekingsremmer) gedurende 2 dagen en pijnstilling waren de symptomen en verschijnselen op 05-02-21 nog erger en was er geen verbetering opgetreden. Wegens de slechte prognose en ernst van de klachten werd besloten tot euthanasie.”

5.9.

De bewijslast van de stelling dat er een causaal verband bestaat tussen de kramperigheid en het overlijden rust op EFO omdat zij zich beroept op het rechtsgevolg van die stelling, te weten dat zij niet tot uitkering hoeft over te gaan. Ter onderbouwing van die stelling beroept EFO zich op voornoemde verklaring van dierenarts [dierenarts 1] . Die enkele verklaring is in het licht van het verweer daartegen van [eiseres] echter onvoldoende om het standpunt van EFO te volgen. Zoals hiervoor is besproken (r.o. 5.4) staat weliswaar vast dat het paard al voor het aangaan van de overeenkomst leed aan kramperigheid, maar dat verklaart niet zonder meer dat deze kramperigheid kort voor en op 5 februari 2021 plotseling zodanig is verergerd dat het paard om die reden moest worden geëuthanaseerd. In dat verband is van belang dat [eiseres] voldoende heeft aangetoond dat sprake is geweest van een ongeval op 2 februari 2021. EFO heeft dat weliswaar betwist maar [eiseres] heeft met het overleggen van de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] voldoende onderbouwd dat het paard op die dag rond 15.15 uur is gaan “hangen” aan het halster en dat het daarna zwalkend bewoog. Bovendien heeft [eiseres] verwezen naar een video die zij heeft gemaakt van het paard vlak voor het hangen en gesteld dat daarop te zien is dat het paard toen nog normaal bewoog. EFO heeft dat onvoldoende betwist. Daarmee staat vast dat het paard op 2 februari 2021 vóór 15.15 uur normaal bewoog, dat rond die tijd sprake is geweest van een ongeval doordat het paard is gaan “hangen” en dat het paard nadien anders bewoog. Als onbetwist staat ook vast dat een dergelijke gebeurtenis kwalificeert als een ongeval als bedoeld in de algemene voorwaarden. Op grond van de door [eiseres] overgelegde verklaringen van [dierenarts 4] , [dierenarts 3] en [dierenarts 2] over de situatie van het paard daarna is vervolgens voldoende aannemelijk dat het ongeval de (dominante) oorzaak is geweest van het overlijden van het paard, in die zin dat als het ongeval niet had plaatsgevonden, het paard niet had hoeven worden geëuthanaseerd. In de verklaringen van voornoemde dierenartsen die door [eiseres] zijn overgelegd wordt ook een verband gelegd tussen het “hangen” en de daarna waargenomen ataxie (ongecoördineerde en onsamenhangende bewegingen). Het enkele feit dat de anamnese is gebaseerd op de verklaring van [eiseres] over het ontstaan van het letsel omdat geen van de dierenartsen aanwezig was bij het “hangen”, zoals EFO heeft aangevoerd, leidt er niet toe dat geen gewicht kan worden toegekend aan deze door hen alledrie vastgestelde causaliteit. In het algemeen gaat een ingeschakelde dierenarts bij het constateren en behandelen van letsel in eerste instantie af op de verklaringen van de eigenaar van een dier over de oorzaak van dat letsel. Als de in dit geval door de dierenartsen waargenomen verschijnselen niet zouden passen bij het door [eiseres] gestelde “hangen” dan mag worden aangenomen dat zij daar melding van zouden hebben gemaakt. Bovendien gaat het ook om andere symptomen dan kramperigheid, zoals het wankelend stappen en verlies van coördinatie. EFO heeft niet duidelijk gemaakt waarom ook deze symptomen zouden passen bij de al aanwezige kramperigheid, bijvoorbeeld door daarvoor een alternatief scenario aan te dragen, terwijl deze symptomen wel passen bij de gevolgen van dit ongeval, zo begrijpt de kantonrechter de verklaringen van de drie dierenartsen. De kantonrechter vindt dan ook dat EFO onvoldoende heeft gesteld voor het oordeel dat het overlijden het gevolg is van de kramperigheid en ziet daarom ook geen reden om haar toe te laten tot bewijslevering op dit punt. Nu EFO de noodzaak van de euthanasie niet betwist, vloeit uit het voorgaande ook voort dat sprake is geweest van een situatie waarin het paard is overleden aan een noodzakelijke levensbeëindiging als gevolg van een ongeval. Op grond van artikel 22 onder c van de algemene voorwaarden valt dit onder de overlijdensverzekering die [eiseres] heeft afgesloten. Op grond hiervan kan EFO de uitkering van € 5.500,- dus niet weigeren.
Heeft [eiseres] te laat contact opgenomen met de dierenarts?

5.10.

Meer subsidiair heeft EFO aangevoerd dat [eiseres] niet heeft voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit de algemene voorwaarden omdat zij niet direct na het ongeval contact heeft opgenomen met de dierenarts. De kantonrechter begrijpt dat EFO daarmee een beroep doet op artikel 11 van de algemene voorwaarden waarin staat dat als de verzekeringnemer zich niet houdt aan de verplichtingen en de belangen van EFO schaadt, EFO de schade en/of kosten niet vergoedt.

5.11.

De kantonrechter verwerpt dit verweer. Volgens [eiseres] heeft zij kort na het ongeval op 2 februari 2021 telefonisch gesproken met de assistent van de dierenarts. Deze zou haar hebben geadviseerd om het even aan te kijken. EFO heeft dat betwist en [eiseres] heeft dit niet onderbouwd met stukken. Wat hiervan ook zij, het kan [eiseres] niet worden aangerekend dat niet direct na het ongeval een dierenarts aanwezig was. Het doel van de verplichting in de algemene voorwaarden voor de verzekeringnemer om direct na een ongeval een dierenarts te raadplegen (artikel 10.2) is dat de verzekeraar op basis van de waarnemingen van een dierenarts moet kunnen vaststellen of al dan niet sprake is van letsel of overlijden als gevolg van een ongeval. Het ongeval vond plaats aan het eind van de middag en vast staat dat het paard in elk geval de dag daarna, op 3 februari 2021 en ook in de dagen daarna, meermaals door een dierenarts is gezien en behandeld. EFO heeft niet voldoende gemotiveerd gesteld dat en in welk opzicht zij in dit geval is benadeeld doordat het paard niet direct op 2 maar op 3 februari 2021 voor het eerst is gezien door een dierenarts. Daarbij weegt mee het verloop van de klachten in de dagen na het ongeval, de toestand van het paard ging immers snel achteruit, en het feit dat partijen het erover eens zijn dat het op 5 februari 2021 niet meer verantwoord was om het paard te vervoeren om een CT-scan te maken en de oorzaak van de ataxie te onderzoeken. Dat een bezoek van de dierenarts direct op 2 februari 2021 had geleid tot een andere situatie dan wel positie van EFO is gesteld noch gebleken. De kantonrechter vindt onder deze omstandigheden dat EFO zich niet met succes op de betreffende bepalingen kan beroepen.
Is EFO benadeeld in haar bewijspositie?

5.12.

Ten slotte heeft EFO aangevoerd dat zij benadeeld is in haar bewijspositie omdat [eiseres] is teruggekomen op de met EFO gesloten overeenkomst. Nu het paard is geëuthanaseerd kan geen nader veterinair onderzoek naar de oorzaak plaatsvinden. De kantonrechter verwerpt ook dit standpunt. Alleen al uit de verklaring van [dierenarts 2] volgt dat de situatie voor het paard niet langer houdbaar was. EFO heeft dat ook niet betwist. De kantonrechter leidt daaruit af dat de beslissing om tot euthanasie over te gaan hoe dan ook op zeer korte termijn moest worden genomen. EFO had dus in geen geval in een betere bewijspositie verkeerd dan nu. Ditzelfde geldt overigens voor [eiseres] . Een eventuele benadeling in de bewijspositie van EFO is dan ook geen reden om de vordering af te wijzen.


Conclusie

5.13.

De conclusie is dat EFO de verzekeringsovereenkomst moet nakomen en over moet gaan tot uitkering van de verzekeringsgelden. Hiervoor is al overwogen dat is voldaan aan de voorwaarden voor uitkering van de overlijdensverzekering. Daarnaast vloeit uit het voorgaande voort dat [eiseres] dierenartskosten heeft gemaakt als gevolg van het ongeval en dat is voldaan aan de voorwaarden voor uitkering van de ziektekostenverzekering. EFO heeft de hoogte van de bedragen niet betwist. Dit betekent dat EFO wordt veroordeeld om aan [eiseres] € 5.500,00 verzekeringsgelden uit de overlijdensverzekering en € 467,95 aan verzekeringsgelden uit de ziektekostenverzekering te betalen.

Wettelijke rente

5.14.

[eiseres] vordert wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de vordering (5 februari 2021). EFO heeft geen verweer gevoerd tegen dit onderdeel van de vordering. De gevorderde wettelijke rente wordt daarom toegewezen.

Buitengerechtelijke incassokosten

5.15.

[eiseres] vordert € 814,81 aan buitengerechtelijke incassokosten. Voldoende is gebleken dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is in lijn met het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief en zal worden toegewezen.
Proceskosten

5.16.

De proceskosten komen voor rekening van EFO, omdat zij ongelijk krijgt. Omdat [eiseres] procedeert op basis van een toevoeging zijn in deze zaak de explootkosten door de griffier voorgeschoten. Wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag is een kostenveroordeling met de verplichting tot betaling van de door de griffier voorgeschoten exploot- en/of advertentiekosten niet mogelijk. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden voor het overige begroot op € 85,00 aan griffierecht en € 622,00 (2x € 311,00) aan salaris gemachtigde van [eiseres] . Daarbij zal EFO ook worden veroordeeld tot betaling van € 124,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door [eiseres] worden gemaakt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt EFO tot betaling aan [eiseres] van € 5.967,95, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 5 februari 2021 tot aan de dag van de gehele betaling;

6.2.

veroordeelt EFO tot betaling van € 814,81 aan buitengerechtelijke incassokosten;

6.3.

veroordeelt EFO tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [eiseres] tot en met vandaag vaststelt op:

griffierecht € 85,00

salaris gemachtigde € 622,00 ;

6.4.

veroordeelt EFO tot betaling van € 124,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door [eiseres] worden gemaakt;

6.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.6.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Kruithof en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter