Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2022:6585

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-08-2022
Datum publicatie
23-08-2022
Zaaknummer
C/15/326329 / HA ZA 22-194
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Vordering in incident ex artikel 843a Rv afgewezen omdat vordering het karakter draagt van fishing expedition

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/326329 / HA ZA 22-194

Vonnis in incident van 3 augustus 2022

in de zaak van

de naamloze vennootschap

ING BANK N.V.,

gevestigd en kantoor houdende te Amsterdam,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. D.J. Posthuma te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaats], gemeente [gemeente],

gedaagde in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat mr. H.W.E. Vermeer te Zaandam.

Partijen zullen hierna ING en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    Het vonnis van de kantonrechter d.d. 24 februari 2022 waarmee de zaak is verwezen naar de sectie Handel van de rechtbank

  • -

    het exploot van 8 maart 2022 waarbij ING haar akte wijziging/vermeerdering eis heeft doen betekenen aan [gedaagde]

  • -

    de akte wijziging/vermeerdering eis

  • -

    de conclusie van antwoord tevens incidentele vordering ex artikel 843a Rv

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident ex artikel 843a Rv met producties

  • -

    de uitlating in incident van [gedaagde].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De beoordeling in het incident

2.1.

ING vordert in de hoofdzaak, na vermeerdering van eis, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 100.000,- te vermeerderen met rente en met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure, te vermeerderen met nakosten en rente.

2.2.

[gedaagde] vordert dat ING op de voet van artikel 843a Rv wordt veroordeeld tot het overleggen van:

  1. de akte van cessie om aan te tonen dat zij het vorderingsrecht heeft verworven van Postbank N.V. (2b)

  2. stukken waaruit de in de brief van ING van 12 maart 2020 genoemde overdracht van de vordering (aan Vestiging Finance) is vastgelegd (2g)

  3. communicatie uit het klantdossier (3)

  4. e correspondentie tussen Vesting Finance Fiditon en Griffioen Advies beginnend met de brief van 29 april 2014 tot en met 2 juli 2014 (5).

2.3.

[gedaagde] stelt dat hij belang heeft bij afgifte van (afschriften van) deze bescheiden om te kunnen vaststellen of ING nog wel gelegitimeerd is om de onderhavige vordering tegen hem in te stellen.

2.4.

ING voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering. Zij betwist dat zij de vordering door cessie heeft verkregen van Postbank N.V. Zij wijst er op dat zij op 7 februari 2009 door fusie onder algemene titel het gehele vermogen van de per die datum ontbonden naamloze vennootschap Postbank N.V. heeft verkregen. Verder betwist zij dat het vorderingsrecht juridisch is overgedragen aan Vesting Finance. Zij verklaart dat Vesting Finance haar incassogemachtigde is die voor haar debetsaldi, zoals het debetsaldo waar het in deze zaak om gaat, incasseert. Voor zover er over ‘overdragen aan’ wordt gesproken wordt daarmee dus bedoeld dat de vordering ter incasso uit handen is gegeven aan Vesting Finance. Over de gevraagde communicatie uit het klantendossier voert ING aan dat het haar niet duidelijk is welke communicatie uit het klantendossier [gedaagde] precies bedoelt, omdat [gedaagde] nalaat om dit specifiek aan te geven. Ook heeft hij bij zijn conclusie geen afschrift overgelegd van het bericht waar hij aan refereert. ING verklaart dat zij vermoedt dat hij refereert aan een e-mail van 27 maart 2020 die zij bij haar conclusie in het geding brengt en waarin [gedaagde] stelt dat hij geen schuld aan ING zou hebben, maar dit is onjuist. De VOF, waarvan [gedaagde] een van de vennoten was, heeft een kredietovereenkomst gesloten met Postbank/ING, er is een debetsaldo ontstaan en als vennoot is [gedaagde] op grond van artikel 18 Wetboek van Koophandel hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de VOF. Tenslotte voert ING aan dat [gedaagde] niet heeft vermeld welk rechtmatig belang hij heeft bij de correspondentie tussen Griffioen Advies en Vesting Finance over de periode 29 april 2014 t/m 2 juli 2014. Zij benadrukt dat deze correspondentie uitsluitend betrekking had op [gedaagde], de andere vennoot van de VOF, omdat Griffioen Advies uitsluitend voor laatstgenoemde optrad, niet ook voor de VOF of voor [gedaagde]. ING legt uit dat de communicatie ziet op een betalingsvoorstel en dat [gedaagde] er door de inhoud van de dagvaarding mee bekend is welk bedrag [gedaagde] heeft betaald en dat dit bedrag in mindering strekt op de vordering. Zij benadrukt dat echter noch aan de VOF, noch aan [gedaagde] kwijting is verleend in die correspondentie.

2.5.

[gedaagde] heeft zich bij akte uitgelaten over de door ING overgelegde producties. Hij verklaart dat de door ING overgelegde productie 8 de vraag onder 2b heeft beantwoord, maar dat voor het overige de gevraagde stukken niet zijn overgelegd.

2.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

2.7.

Bij de beoordeling van de incidentele vordering van [gedaagde] op grond van artikel 843a Rv geldt als uitgangspunt dat dit artikel niet voorziet in een onbeperkt recht op inzage van bescheiden jegens degene die deze te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, maar dat recht afhankelijk stelt van een aantal cumulatieve vereisten. Op grond van het eerste lid van artikel 843a Rv

moet de eiser, in dit geval [gedaagde], een rechtmatig belang hebben bij de afgifte of inzage,

moet het gaan om bepaalde bescheiden en

moeten die bescheiden zien op een rechtsbetrekking waarbij hij partij is; daaronder valt mede een rechtsbetrekking uit onrechtmatige daad.

Artikel 843a Rv biedt niet de mogelijkheid voor het opvragen van documenten waarvan [gedaagde] slechts vermoedt dat zij wel eens steun zouden kunnen geven aan zijn stellingen in de hoofdzaak.

2.8.

De rechtbank begrijpt dat [gedaagde] zijn grondslag cessie en in het voetspoor daarvan zijn incidentele vordering wat betreft het sub 2.2 aangeduide stuk niet langer handhaaft. Gegeven die vaststelling heeft hij bij afgifte van de sub 2.2.b. aangeduide stukken geen belang, zodat de vordering in zoverre niet toewijsbaar is.

De sub 2.2 c. en d. aangeduide bescheiden strekken ertoe steun te vinden voor zijn stelling in de hoofdzaak dat de schuld aan ING als gevolg van een mede met hem overeengekomen kwijting teniet is gegaan. De rechtbank kent bij de beoordeling van de toewijsbaarheid van de vordering wat betreft deze stukken betekenis toe aan het feit dat uit de reeds in het geding gebrachte bescheiden blijkt dat Griffioen op de mail van 28 september 2016, waarin Vesting Finance toelicht dat deze kwijting niet voor [gedaagde] geldt, (uiteindelijk) heeft gereageerd met inzending van stukken waaruit de financiële situatie voor [gedaagde] blijkt. Ook is van belang dat [gedaagde] in het door hem ingevulde informatieformulier zelf schrijft dat hij het liefst ziet dat het bedrag wordt kwijtgescholden. Uit deze bescheiden kan worden afgeleid dat zowel Griffioen Advies als [gedaagde] zelf destijds hebben begrepen dat de schuld aan ING niet door kwijting teniet was gegaan.

Mede gelet op deze vaststellingen heeft [gedaagde] niet voldoende duidelijk gemaakt wat de gevraagde stukken behelzen en op welke wijze deze zijn verweer kunnen onderbouwen. Aldus bezien draagt de incidentele vordering het karakter van een fishing expedition. Zoals hiervoor is overwogen is artikel 843a Rv daarvoor niet bedoeld. Dit leidt ertoe dat de vordering van [gedaagde] wordt afgewezen.

2.9.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit incident, tot op heden begroot aan de zijde van ING op € 563,00 aan salaris advocaat.

3 De beoordeling in de hoofdzaak

3.1.

De rechtbank is voornemens een mondelinge behandeling te bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.

3.2.

De rechtbank zal een mondelinge behandeling bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.

3.3.

De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter mondelinge behandeling de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.

3.4.

In beginsel wordt ter mondelinge behandeling aan de raadslieden van partijen de gelegenheid geboden de juridische standpunten van partijen nader toe te lichten. Daarbij mag gebruik worden gemaakt van beknopte spreekaantekeningen, niet langer dan vier bladzijden. Uitgebreide mondelinge en schriftelijke uiteenzettingen zullen echter niet worden toegestaan.

3.5.

Op de mondelinge behandeling zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden nagegaan hoe de verdere gang van de procedure moet zijn. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking of inschakeling van een mediator aan de orde komen. Partijen moeten er op voorbereid zijn, dat de rechtbank een mondeling vonnis kan wijzen. De zitting eindigt met een aantal formaliteiten.

3.6.

De rechtbank wijst partijen erop dat zij schriftelijk en gemotiveerd om extra behandeltijd kunnen vragen indien zij van mening zijn dat de geplande anderhalf uur voor de mondelinge behandeling niet toereikend is.

3.7.

De naam van de betrokken rechter wordt vanaf één week voor de zitting vermeld in het roljournaal.

3.8.

Partijen wordt verzocht er zorg voor te dragen dat bescheiden die voor de zaak van belang zijn – voor zover deze nog niet zijn overgelegd – uiterlijk tien dagen voor de mondelinge behandeling in het bezit zijn van de rechtbank en de wederpartij.

3.9.

Uitgangspunt is dat er geen proces-verbaal wordt opgemaakt van de mondelinge behandeling. De rechter maakt alleen een proces-verbaal op indien hij dit, ambtshalve of op verzoek van een partij die daarbij belang heeft, bepaalt of op verzoek van de hoger-beroepsrechter.

4 De beslissing

De rechtbank

in het incident

4.1.

wijst het gevorderde af;

4.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan ING van € 563,00;

4.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in de hoofdzaak

4.4.

beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen het nader onderbouwen van hun stellingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van een nog aan te wijzen rechter van deze rechtbank in het gerechtsgebouw te Haarlem aan de Jansstraat 81 op 6 december 2022 van

9 uur tot 10.30 uur,

4.5.

bepaalt dat de partijen dan in persoon, ING vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen, aanwezig moeten zijn,

4.6.

bepaalt dat de partij die op genoemd tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de rechtbank ter attentie van de roladministratie van de afdeling privaatrecht - om een nadere dag- en uurbepaling dient te vragen onder opgave van de verhinderdata van alle partijen in de drie maanden volgend op het uitstelverzoek.

4.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2022.1

1 type: 1155 coll: