Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2022:6183

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
07-07-2022
Datum publicatie
18-07-2022
Zaaknummer
325310/FT RK 22/91
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Verzet tegen uitdelingslijst. Verzoekers niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2022-0189
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats Haarlem

insolventienummer: F 15/16/343

zaaknummer: 325310/FT RK 22/91

Beschikking in het faillissement van:

[bedrijf 1] B.V.,

gevestigd te [plaats],

curator mr. [curator] te Velsen-Zuid.

1 De procedure

1.1.

Bij arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 13 september 2016 is het faillissement uitgesproken van [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1]), met benoeming van, laatstelijk, mr. M.P. de Valk tot rechter-commissaris en aanstelling van mr. [curator] te Velsen-Zuid tot curator.

1.2.

De rechter-commissaris heeft bij beschikking ex artikel 137a Faillissementswet (Fw) van 26 januari 2022 geoordeeld dat aannemelijk is dat de beschikbare baten niet voldoende zijn om daaruit de concurrente vorderingen geheel of gedeeltelijk te voldoen en daarom bepaald dat de behandeling van concurrente vorderingen achterwege blijft en dat geen verificatievergadering wordt gehouden.

1.3.

Op 7 februari 2022 is in bovengenoemd faillissement het financieel eindverslag tevens uitdelingslijst ex artikel 137d Fw ter griffie neergelegd.

1.4.

[verzoeker 1], mede namens [verzoeker 2] (hierna beiden: verzoekers), is bij verzetschrift, binnengekomen ter griffie van deze rechtbank op 17 februari 2022, (tijdig) in verzet gekomen tegen voornoemde uitdelingslijst.

1.5.

De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 24 februari 2022 de behandeling van het verzet bepaald op 22 maart 2022.

1.6.

De rechter-commissaris heeft een schriftelijk rapport uitgebracht als bedoeld in artikel 185 lid 2 Fw en geconcludeerd dat verzoekers niet-ontvankelijk zijn in hun verzet.

1.7.

Op de bepaalde dag hebben verzoekers een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechtbank Noord-Holland en tegen de behandelend rechter en griffier.

1.8.

Bij beslissing van 14 april 2022 is het wrakingsverzoek afgewezen.

1.9.

De rechtbank heeft de nieuwe datum van de behandeling vervolgens bepaald op 17 mei 2022.

1.10.

Bij e-mail van 16 mei 2022 hebben verzoekers verzocht om uitstel van de behandeling. De rechtbank heeft vervolgens de nieuwe datum van behandeling bepaald op 31 mei 2022.

1.11.

Bij e-mail van 30 mei 2022 hebben verzoekers wederom verzocht om uitstel van de behandeling. De rechtbank heeft vervolgens de nieuwe datum van behandeling bepaald op 5 juli 2022, waarbij verzoekers is meegedeeld dat daarna geen nader uitstel zal worden verleend.

1.12.

Bij e-mail van 4 juli 2022 hebben verzoekers wederom om uitstel van de behandeling verzocht. De rechtbank heeft dit verzoek om uitstel afgewezen.

1.13.

Bij e-mail van 4 juli 2022 hebben verzoekers de rechtbank meegedeeld niet ter zitting aanwezig te zullen zijn.

1.14.

Op 5 juli 2022 is het verzet behandeld ter openbare terechtzitting, alwaar de curator is verschenen.

1.15.

De curator heeft zijn standpunt nader toegelicht. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt.

2 Gronden van het verzet

2.1.

Verzoekers leggen (zo begrijpt de rechtbank) aan hun verzoek met name ten grondslag dat de curator ten onrechte een vordering van de voormalig raadsman van verzoekers (mr. [betrokkene 1]) van circa € 2.000.000 op de lijst van erkende concurrente crediteuren heeft geplaatst, terwijl deze vordering niet juist is en niet is onderbouwd. De rechter-commissaris heeft de slotuitdelingslijst dan ook ten onrechte goedgekeurd. Verzoekers wensen dat voormelde vordering wordt opgenomen op de lijst van betwiste concurrente crediteuren.

3 Advies van de rechter-commissaris

3.1.

De rechter-commissaris heeft op 16 maart 2022 op de voet van artikel 185 lid 2 Fw rapport uitgebracht. Hij is van oordeel dat verzoekers niet-ontvankelijk zijn in hun verzet, nu op grond van artikel 137e Fw uitsluitend schuldeisers in het faillissement van [bedrijf 1] verzet kunnen instellen. De rechter-commissaris heeft niet kunnen vaststellen dat verzoekers schuldeiser zijn. Ook indien voor juist moet worden gehouden dat verzoekers erfgenaam zijn in de nalatenschap van de aandeelhouder van [bedrijf 1], [betrokkene 2] (de vader van verzoekers), leidt dat volgens de rechter-commissaris niet tot een andere conclusie, omdat aandeelhouders geen schuldeisers zijn in de zin van artikel 137e Fw en dat geldt eveneens voor de erfgenamen van de aandeelhouder. Voor het overige verwijst de rechter-commissaris naar zijn reactie op de met het verzetschrift gecombineerde artikel 69 Fw-verzoeken, waarvan een afschrift bij het rapport is ingesloten.

4 De beoordeling

4.1.

Artikel 137e Fw geeft iedere schuldeiser met een verifieerbare vordering de mogelijkheid om tegen de gedeponeerde uitdelingslijst in verzet te komen. Nu niet is gesteld of gebleken dat verzoekers schuldeisers van [bedrijf 1] zijn in de zin van voormeld artikel, zullen zij niet-ontvankelijk worden verklaard in hun verzet.

4.2.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat in het onderhavige faillissement sprake is van een vereenvoudigde afwikkeling op grond van artikel 137a Fw, hetgeen impliceert dat er geen verificatievergadering zal plaatsvinden en dus ook geen sprake kan zijn van een lijst van erkende en betwiste crediteuren. Weliswaar is in de uitdelingslijst bij het kopje “Totaal concurrente crediteuren” een vordering van diverse concurrente crediteuren opgenomen van € 2.023.850,60, maar de curator heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling nader toegelicht dat deze vordering ad informandum is opgenomen en dat dit niet betekent dat deze vordering is erkend.

5 De beslissing

De rechtbank

- verklaart verzoekers niet ontvankelijk in hun verzet.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2022 in tegenwoordigheid van de griffier.1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, cassatie instellen. Het beroep in cassatie kan uitsluitend door een advocaat bij de Hoge Raad worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.