Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2022:5825

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
06-07-2022
Datum publicatie
06-07-2022
Zaaknummer
AWB - 22 _ 2639
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Burgemeester mag woning met hennepkwekerij in opbouw nog niet sluiten.

Er bestaat twijfel over het antwoord op de vraag of de burgemeester van Alkmaar zijn bevoegdheid in overeenstemming met de Beleidsregel handhaving Opiumwet bij hennepplantages in woningen en lokalen heeft gebruikt door de woning te sluiten voor 3 maanden. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding het verzoek van verzoeker in te willigen. Verzoeker heeft een spoedeisend belang omdat hij zijn huis uit moet en hij heeft aangegeven niet ergens anders terecht te kunnen. Onder die omstandigheden, in relatie met de onzekerheid of het besluit in de procedure in stand zal blijven, weegt het belang van verzoeker zwaarder dan het belang van verweerder om tot onmiddellijke sluiting over te gaan. Dat betekent dat de woning van verzoeker nu niet gesloten mag worden, maar dat eerst de bezwaarprocedure moet worden afgewacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 22/2639


uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 juli 2022 in de zaak tussen


[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. M.A. Docter),

en

de burgemeester van de gemeente Alkmaar (verweerder)

(gemachtigden: M. IJzerman en D. Kemperman).

Inleiding

In deze uitspraak beslist de voorlopige voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van verweerder van 30 mei 2022 om de woning van verzoeker met ingang van 7 juni 2022 voor 3 maanden te sluiten.

Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft zich desgevraagd bereid verklaard de sluiting uit te stellen totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 juni 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van verweerder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Procesverloop

1. Op 7 april 2022 ontvangt verweerder een bestuurlijke melding van de politie. Daarin wordt gemeld dat de politie op de locatie [adres] op 31 maart 2022 een aanzienlijke hoeveelheid hennepgruis, zes verdorde hennepstekken en een niet in werking zijnde hennepkwekerij heeft aangetroffen.

2. Op 26 april 2022 heeft verweerder verzoeker meegedeeld voornemens te zijn om zijn woning te sluiten. Verzoeker heeft op 16 mei 2022 zijn zienswijze kenbaar gemaakt. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder verzoeker verzocht om een nadere toelichting en de politie om een reactie op de zienswijze. Nadat deze zijn ontvangen heeft verweerder het besluit van 30 mei 2022 genomen.

Standpunten verzoeker en verweerder

3. Verzoeker voert aan dat verweerder op basis van de Beleidsregel van de burgemeester van de gemeente Alkmaar houdende Beleidsregel handhaving Opiumwet bij hennepplantages in woningen en lokalen (Beleidsregel) slechts kan overgaan tot sluiting van een woning indien sprake is van een ernstig geval of recidive. Volgens verzoeker is daaraan niet voldaan, omdat niet aan de in de Beleidsregel genoemde criteria wordt voldaan. In de woning van verzoeker waren zes hennepplanten (verdorde stekjes, net iets meer dan de gebruikershoeveelheid) en hennepgruis aanwezig. Verzoeker betwist de hoeveelheid van 1000 gram, volgens hem was het minder. Er is geen informatie, niet concreet en niet algemeen dat verzoeker (soft)drugs zou hebben verkocht, afgeleverd, of verstrekt, met dat doel aanwezig heeft gehad, wat een vereiste is om tot sluiting van de woning over te kunnen gaan. Verzoeker heeft verklaard dat hij die zaken aanwezig had om een kwekerij te gaan opzetten, maar heeft ook duidelijk aangegeven dat hij van het plan wilde afzien.

4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een ernstig geval als bedoeld in de Beleidsregel. In de woning is naast een volledig ingerichte kwekerij met 6 planten en 57 vervuilde plantenpotten tevens een handelshoeveelheid softdrugs (1.000 gram hennepgruis) aangetroffen. Het gaat hier om een niet geringe overschrijding van de hoeveelheid voor eigen gebruik. Gezien de mate van professionaliteit en het aantreffen van het gruis acht verweerder een waarschuwing niet op zijn plaats en heeft daarom besloten de sluiting te matigen tot een periode van 3 maanden. In het bestreden besluit heeft verweerder

uiteengezet dat de belangen van verzoeker niet opwegen tegen het belang van de overheid om handhavend op te treden tegen de geconstateerde overtreding van de Opiumwet.

Beoordeling

5.1

De vraag die in deze zaak speelt of de sluiting noodzakelijk en niet onevenredig is, leent zich niet voor inhoudelijke beantwoording in deze voorlopige voorzieningenprocedure. Daarom zal de voorzieningenrechter de vraag of een voorlopige voorziening moeten worden getroffen beantwoorden aan de hand van een belangenafweging.

5.2

De voorzieningenrechter acht de verklaring van verzoeker dat hij was begonnen met het opbouwen van een hennepkwekerij aannemelijk. Dat past ook bij de waarnemingen van de politie op 10 maart 2022 en 23 maart 2022 dat het voertuig van verzoeker van de growshop naar zijn woning reed. Verzoeker heeft ter zitting bevestigd dat hij ook in de growshop was om informatie te vergaren over het opzetten van een hennepkwekerij. Hij zou daar echter op zijn teruggekomen op een datum gelegen tussen 23 maart 2022 en 31 maart 2022, de datum van doorzoeking. De voorzieningenrechter acht deze verklaring weinig geloofwaardig. Het moet dan ook eerder aan het toeval worden toegeschreven dat de politie de inval in de woning van verzoeker heeft gedaan op een moment dat de hennepkwekerij nog niet in werking was.

5.3

Volgens de Beleidsregel is het uitgangspunt dat woningsluiting alleen plaatsvindt als sprake is van een ernstig geval. Van een ernstig geval is, voor zover hier van belang, sprake als er naast een hennepplantage een handelshoeveelheid harddrugs of softdrugs of een combinatie ervan is aangetroffen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hieraan is voldaan doordat de hennepkwekerij en 1.000 gram hennepgruis zijn aangetroffen.

5.4

Of het in dit geval gaat om een handelshoeveelheid softdrug zal naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter echter nader moeten worden geduid in de bezwaarprocedure. Van het hennepgruis kan, zonder nadere toelichting die ontbreekt, namelijk niet zonder meer worden aangenomen dat dit voor handel bestemd is, nu hennepgruis een bij- of afvalproduct is. Voorts weegt de voorlopige voorzieningenrechter mee dat uit de van de politie verkregen informatie volgt dat de aangetroffen hennepkwekerij geenszins startklaar was. Niet gezegd kan worden dat de aangetroffen hennepkwekerij op het moment van doorzoeking daarom al zorgde voor gevaarzetting, of een verhoogd risico van brand opleverde door kortsluiting en lekkage. Ook was van overlast in de omgeving en grote schade aan het pand ook nog geen sprake. Of aldus aan de sluitingscriteria is voldaan en daarmee sprake is van een ernstig geval - in de zin van de Beleidsregel - waardoor de openbare orde dermate ernstig is verstoord dat de woning dient te worden gesloten in het belang van herstel van de openbare orde, staat op voorhand dan ook nog niet vast.

5.5

Voor zover het gaat om de sluitingsduur oordeelt de voorzieningenrechter in voorlopige zin als volgt. Volgens de Beleidsregel en de vaste jurisprudentie is in beginsel aannemelijk dat aangetroffen softdrugs voor verkoop, aflevering of verstrekking zijn bestemd, indien de aangetroffen drugs de maximale hoeveelheid voor eigen gebruik, te weten 5 hennepplanten, overschrijdt. Niet betwist is dat het bij de aangetroffen 6 plantjes om verdorde stekjes ging, zodat niet reëel is te veronderstellen dat het gaat om planten die voor de handel bestemd zijn.

Conclusie en gevolgen

5.6

Concluderend is de voorlopige voorzieningenrechter dan ook van oordeel dat twijfel bestaat over het antwoord op de vraag of verweerder zijn bevoegdheid in overeenstemming met de Beleidsregel heeft gebruikt door de woning te sluiten voor 3 maanden.

5.7

De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding het verzoek van verzoeker in te willigen. Verzoeker heeft een spoedeisend belang omdat hij zijn huis uit moet en hij heeft aangegeven niet ergens anders terecht te kunnen. Onder die omstandigheden, in relatie met de onzekerheid of het besluit in de procedure in stand zal blijven, weegt het belang van verzoeker zwaarder dan het belang van verweerder om tot onmiddellijke sluiting over te gaan. Dat betekent dat de woning van verzoeker nu niet gesloten mag worden, maar dat eerst de bezwaarprocedure moet worden afgewacht.

5.8

Verweerder heeft in het verweerschrift als subsidiaire grond voor sluiting van de woning artikel 11a van de Opiumwet (voorbereidingshandelingen) als basis genoemd. Nu dit eerst in het verweerschrift door verweerder is genoemd en verzoeker daarop nog niet heeft kunnen reageren, zal dit in de bewaarfase aan de orde moeten komen.

5.9

De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat verweerder het griffierecht moet vergoeden en dat verzoeker ook een vergoeding krijgt van zijn proceskosten, omdat hij in het gelijk wordt gesteld. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 759,00. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.518,00.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe in die zin dat de sluiting van de woning wordt opgeschort tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op het bezwaar van verzoeker;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184,00 aan verzoeker te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.518,00, te betalen aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Jurgens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2022.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.