Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2022:5717

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
01-07-2022
Datum publicatie
13-07-2022
Zaaknummer
C/15/318471 / FA RK 21-3449
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zaak over echtscheiding, verdeling, afwikkeling huwelijkse voorwaarden en vergoedingsrechten. Partijen zijn, gezien de door de man overgelegde overeenkomst, slechts voor 50% eigenaar van de woning in Spanje. De vergoedingsrechten van de vrouw worden bijna allemaal afgewezen, omdat de vrouw daarvoor onvoldoende bewijs heeft geleverd. Partijen hebben op grote voet hebben geleefd en structureel meer geld uitgegeven dan er aan inkomsten binnenkwam. Op grond van de huwelijkse voorwaarden dienden partijen zo nodig uit hun privé vermogen bij te dragen in de kosten van de huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd

locatie Alkmaar

zaaknummer / rekestnummer: C/15/318471 / FA RK 21-3449

Beschikking d.d. 1 juli 2022 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende te [plaats] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. S.Y. Dijkstra, gevestigd te Groningen,

tegen

[de man] ,

wonende te [plaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. M.L. Molenaar, gevestigd te Noord-Scharwoude.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de vrouw, ingekomen op 15 juli 2021;

- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, van de man, ingekomen op 28 oktober 2021;

- de brief, met aanvullende bijlagen, van de vrouw, ingekomen op 17 januari 2022;

- de brief, met aanvullende bijlagen, van de man, ingekomen op 17 januari 2022;

- de brief, met bijlage, van de man, ingekomen op 18 januari 2022.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 januari 2022.

Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen en hun advocaten. Mr. Molenaar heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

1.3.

Partijen zijn na afloop van de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld om onderling afspraken te maken. Partijen hebben de rechtbank op 10 maart 2022 geïnformeerd dat zij er niet in zijn geslaagd om tot overeenstemming te komen. Partijen verzoeken de rechtbank daarom over te gaan tot het afgeven van een beschikking.

2 De beoordeling

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [plaats] .

2.2.

De meerderjarige kinderen van partijen zijn:

  • -

    [meerderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;

  • -

    [meerderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ; en

  • -

    [meerderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] (Spanje).

2.3.

Scheiding

2.3.1.

Partijen hebben verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.

2.4.

Onderhoudsbijdrage

2.4.1.

De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) vast te stellen van € 6.000,- per maand.

2.4.2.

De man heeft daartegen verweer gevoerd en verzocht het verzoek van de vrouw af te wijzen.

ingangsdatum

2.4.3.

De rechtbank overweegt dat uit de wet volgt dat de partnerbijdrage niet kan ingaan op een datum die is gelegen voor de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand. De rechtbank bepaalt de ingangsdatum van een eventuele partnerbijdrage op laatstgenoemde datum.

behoefte en aanvullende behoefte

2.4.4.

Partijen hebben hun samenwoning feitelijk op [datum] beëindigd.

2.4.5.

Op basis van de hofnorm heeft de vrouw haar huwelijksgerelateerde behoefte in het verzoekschrift gesteld op € 3.397,20 netto per maand. De vrouw is hierbij uitgegaan van een inkomen aan de zijde van de man in 2018 van € 108.037,- per jaar (waarbij de vrouw heeft aangenomen dat de man dit inkomen ook in 2019 heeft gegenereerd) en van de vrouw van € 4.900,- per jaar.
Ter zitting heeft de vrouw betoogd dat haar behoefte bij nader inzien dient te worden vastgesteld op € 5.100,00 netto per maand. Deze behoefte heeft zij gebaseerd haar eigen inkomsten van € 4.900,00 per jaar, het gemiddelde van de privé onttrekkingen uit het bedrijf van de man in 2017, 2018 en 2019 en huurinkomsten van een vakantiewoning van partijen van gemiddeld € 2.500,00 per maand. In deze berekening heeft zij rekening gehouden met maandelijkse kosten voor de kinderen van € 1.345,00.

2.4.6.

De man heeft gesteld dat de behoefte vrouw, berekend volgens de hofnorm, € 2.226,00 netto per maand bedraagt. De man is hierbij uitgegaan van een gemiddeld netto besteedbaar gezinsinkomen in 2017 tot en met 2019 van € 4.480,00 per maand. Hiervan betreft € 4.151,00 het maandelijks inkomen van de man (gebaseerd op een gemiddelde winst van € 67.133,00 per jaar, een gemiddelde aan loon van € 11.074,00 per jaar en een gemiddelde uitkering van € 1.049,00 per jaar) en € 329,00 het maandelijkse inkomen van de vrouw (gebaseerd op de gemiddelde winst uit onderneming van de vrouw over de jaren 2017 tot en met 2019 van € 4.149,00 per jaar). De man heeft voor de berekening van de behoefte de kosten die man voldoet voor twee van drie kinderen (€ 509,- per kind per maand) afgetrokken van het netto gezinsinkomen.

De man stelt dat het onjuist is om voor de berekening van de behoefte van de vrouw uit te gaan van de privé onttrekkingen uit zijn onderneming, zoals de vrouw ter zitting heeft betoogd. Dit betreft bruto privé onttrekkingen, waarover belasting moet worden betaald en premie ZVW moet worden afgedragen.

2.4.7.

De rechtbank is van oordeel dat de behoefte dient te worden berekend op basis van de cijfers waarvan de man is uitgegaan. Nu partijen ieder een eigen onderneming hebben en zij in 2020 feitelijk uiteen zijn gegaan, is het gebruikelijk de behoefte te baseren op basis van de gemiddelde winst uit onderneming over de drie daaraan voorafgaande jaren en eventuele andere inkomstenbronnen (voor de man: loon en uitkeringen). De rechtbank zal niet uitgaan van de privé onttrekkingen, nu de vrouw geen acht heeft geslagen op het feit dat dit bruto bedragen betreft. Ook zal de rechtbank geen rekening houden met de door de vrouw gestelde huurinkomsten, nu deze door de man zijn betwist en zij niet heeft aangetoond dat die inkomsten daadwerkelijk zijn genoten.

Niet in geschil is dat rekening moet worden gehouden met de kosten van de kinderen van partijen. De rechtbank zal, nu dit niet ten nadele van de vrouw werkt, rekening houden met de door de man berekende kosten van de kinderen.

De rechtbank berekent de behoefte van de vrouw, overeenkomstig de door de man overgelegde productie 9, op € 2.226,00 netto per maand per 1 januari 2021. Hierbij overweegt de rechtbank dat de door de man in productie 9 gehanteerde cijfers zijn ontleend aan de door de man overgelegde inkomensgegevens van beide partijen over de jaren 2017 tot en met 2019 (producties 1 tot en met 7). De rechtbank ziet in de wijze waarop partijen hebben samengeleefd geen aanleiding om te oordelen dat het niet passend zou zijn om uit te gaan van de hofnorm. Geïndexeerd naar 2022 bedraagt de behoefte van de vrouw € 2.268,00 netto per maand.

aanvullende behoefte vrouw

2.4.8.

De vrouw heeft in haar verzoekschrift gesteld dat zij alleen eigen inkomsten heeft uit haar [eenmanszaak] . Zij heeft deze inkomsten in het verzoekschrift gesteld op € 800,- netto per maand en gesteld dat haar aanvullende behoefte dan € 2.597,20 netto per maand bedraagt. Als productie 27 heeft de vrouw een prognose overgelegd van de inkomsten uit haar [eenmanszaak] voor het jaar 2021. De prognose, gedateerd 14 januari 2022, gaat uit van een winst uit onderneming van € 31.927,88. Ter zitting heeft de vrouw gesteld dat haar netto besteedbaar inkomen in redelijkheid op circa € 2.000,00 per maand kan worden gesteld.

2.4.9.

De man heeft in het verweerschrift betwist dat de vrouw niet meer zou kunnen verdienen dan € 800,- per maand, nu de kinderen van partijen inmiddels meerderjarig zijn. Ter zitting heeft de man gesteld dat de vrouw, gezien de door haar overgelegde prognose voor de inkomsten uit haar [eenmanszaak] voor 2021, over een maandelijks netto besteedbaar inkomen van € 2.394,00 beschikt. Daarom stelt de man zich op het standpunt dat dat de vrouw in haar eigen behoefte kan voorzien en geen behoefte heeft aan een bijdrage.

2.4.10.

De rechtbank overweegt dat vanwege de ingangsdatum van een eventuele partnerbijdrage voor het vaststellen van de aanvullende behoefte van de vrouw moet worden uitgegaan van de meest recente, beschikbare inkomensgegevens van de vrouw. De rechtbank is daarom van oordeel dat moet worden uitgegaan van de door de vrouw overgelegde prognose voor 2021. Nu de vrouw op basis van die prognose geacht wordt te beschikken over een netto besteedbaar inkomen van € 2.560,00 per maand (de rechtbank heeft hiervan een berekening gemaakt die is gehecht aan deze beschikking), gaat de rechtbank ervan uit dat zij met ingang van de datum van inschrijving van deze beschikking volledig in haar eigen behoefte kan voorzien. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw om een partnerbijdrage vast te stellen daarom af.

2.5.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden

2.5.1.

De vrouw heeft verzocht een voorziening te treffen ter afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van partijen.

2.5.2.

De man heeft eveneens verzocht een voorziening te treffen ter afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van partijen.

2.5.3.

Partijen hebben op 2 april 2002 huwelijkse voorwaarden opgesteld. De huwelijkse voorwaarden luiden – voor zover hier van belang – als volgt:

Gemeenschap van inboedel

Artikel 1

De echtgenoten zijn gehuwd in gemeenschap van inboedel; elke andere gemeenschap van goederen is tussen hen uitgesloten.

Artikel 2

1. Onder inboedel wordt verstaan huisraad en tot stoffering en meubilering van de woning of woningen van de echtgenoten dienende roerende zaken, met uitzondering van […].
2. Tot de huwelijksgemeenschap behoren mitsdien alle inboedelzaken van de echtgenoten, onverschillig door wie, wanneer of op welke wijze verkregen. Van de gemeenschap is uitgesloten hetgeen gedurende het bestaan van de gemeenschap door schenking, vererving of legaat wordt verkregen of is verworven met aldus verkregen middelen.

Aansprakelijkheid voor schulden

Artikel 3

Ieder van de echtgenoten is uitsluitend aansprakelijk voor de schulden die door hem zijn aangegaan, voor zover de wet daarop geen uitzondering maakt.

Bewijs- en vaststellingsregels inzake roerende zaken en rechten aan toonder

Artikel 4

1. Rechten aan toonder en zaken, die geen registergoederen zijn en deel uitmaken van het bedrijfs- of beroepsvermogen van een echtgenoot, behoren toe aan die echtgenoot, ongeacht van wiens zijde deze goederen zijn opgekomen, doch onverminderd het in artikel 5 bepaalde.

2. […]
3. Indien over andere rechten aan toonder en zaken die geen registergoederen zijn dan de sub 1 en sub 2 bedoelde een geschil bestaat hetzij aan wie deze toebehoren hetzij over de grootte van ieders aandeel daarin, terwijl niet kan worden vastgesteld of bewezen aan wie van beiden deze toebehoren, dan worden deze geacht toe te behoren aan ieder van de echtgenoten voor een gelijk deel.
4. […]

Vergoedingen

Artikel 5

De echtgenoten zijn, voor zover zij niet anders overeenkomen, verplicht aan elkaar te vergoeden hetgeen aan het vermogen van de ene echtgenoten is onttrokken ten bate van de andere echtgenoot, naar de waarde op de dag van de onttrekking.

Deze vergoeding is terstond opeisbaar, tenzij de redelijkheid en billijkheid zich hiertegen verzetten.

Kosten huishouding

Artikel 8

1. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding, […], worden voldaan uit de inkomens van de echtgenoten naar evenredigheid daarvan; voor zover deze inkomens ontoereikend zijn, worden deze kosten voldaan uit ieders vermogen naar evenredigheid daarvan.

Jaarlijkse verrekening van inkomsten

Artikel 10

De echtgenoten verplichten zich over elk kalenderjaar hetgeen van hun inkomen onder aftrek van hetgeen daarvan is besteed voor de gemeenschappelijke huishouding, maar met bijtelling van verschuldigde premies en koopsommen als bedoeld in artikel 9 voor zover deze premies en koopsommen het inkomen verminderen, overblijft, onderling te verrekenen in die zin, dat de ene echtgenoot een vordering verkrijgt op de andere echtgenoot ten bedrage van de helft van het aan diens zijde overblijvende als hiervoor bedoeld. Indien de echtgenoten over en weer een vordering op elkaar krijgen worden de vorderingen door een desbetreffende verklaring verrekend tot het bedrag van de kleinste vordering.

[…]

Pensioen

Artikel 14

Indien het huwelijk van de echtgenoten door echtscheiding wordt ontbonden dan wel indien tussen de echtgenoten de scheiding van tafel en bed wordt uitgesproken, zal geen pensioenverevening conform de Wet verevening pensioenrechter bij scheiding plaatsvinden. Het vorenstaande laat onverlet de aanspraak op nabestaandenpensioen.

Afrekening aan het einde van het huwelijk

Artikel 15

1. Ingeval het huwelijk wordt ontbonden of tussen de echtgenoten scheiding van tafel en bed wordt uitgesproken, vindt er verrekening van hun vermogen plaats zo, dat ieder van de partijen gerechtigd is tot een waarde gelijk aan die, waartoe hij gerechtigd zou zijn indien tussen de echtgenoten de algehele gemeenschap van goederen had bestaan.

2. De verrekening heeft plaats naar de toestand ten tijde van de ontbinding van het huwelijk door de dood of ingeval van echtscheiding of scheiding van tafel en bed, naar de toestand per de aanvang van de dag van het instellen van een verzoekschrift daartoe.

De beschrijving van de vermogens zal plaats hebben binnen zes maanden na de ontbinding van het huwelijk of de scheiding van tafel en bed.

3. Het vermogen van ieder van de echtgenoten bestaat uit het saldo van zijn bezittingen en schulden. […]

Aanspraken op al of niet ingegaan pensioen worden niet in deze verrekening betrokken.

De vaststelling van beide vermogens alsmede de bepaling van de waarde daarvan zullen geschieden in onderling overleg of bij gebreke daarvan door een of meer deskundigen als door de aard der goederen wordt vereist, zulks ter beoordeling van na te melden kantonrechter.

[…]

4. De verrekening heeft plaats doordat de ene partij aan de andere partij een bedrag uitkeert zo, dat ieder van hen de helft geniet van de waarde van de vermogens.

5. De uitkering moet worden gedaan in geld en wel binnen een jaar na de ontbinding van het huwelijk of, ingeval van scheiding van tafel en bed, binnen een jaar nadat de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.

[…]

8. In de verrekening worden, in geval van echtscheiding of scheiding van tafel en bed, niet betrokken:

- een/derde gedeelte van de waarde van de goederen behorende tot het beroeps- of bedrijfsvermogen van een echtgenoot danwel, indien een echtgenoot de uitoefening van zijn beroep of bedrijf heeft ingebracht in een rechtsvorm met een in aandelen verdeeld kapitaal, twee/derde van de waarde van de aandelen gehouden door een echtgenoot in deze rechtsvorm;

- de goederen die door de echtgenoten krachtens erfrecht of schenking zijn of zullen worden verkregen;

- de op die verkrijgingen drukkende schulden en de wegens die verkrijgingen geheven belastingen, zoals successie-, schenkings- en overgangsrecht;

- al hetgeen krachtens de jaarlijkse verrekening is verkregen;

- al hetgeen voor bovengenoemde goederen in de plaats is getreden;

met dien verstande, dat de inkomsten uit die goederen en de renten van die schulden, alsmede de kosten en lasten die uit die inkomsten plegen te worden voldaan, niet in de verrekening zullen worden betrokken.

9. Er wordt niet verrekend, indien het vermogen van een van de echtgenoten negatief is.

( Eenvoudige) gemeenschappen

2.5.4.

Vaststaat dat de volgende goederen gemeenschappelijk eigendom van partijen, en dus eenvoudige gemeenschappen, zijn:

  1. de echtelijke woning aan [adres] , alsmede de bijbehorende hypothecaire leningen bij de Rabobank, bekend onder de nummers [nummer] , [nummer] en [nummer] ;

  2. de woning in Spanje aan [adres] ;

  3. de saldi op de bankrekeningen op naam van beide partijen;

  4. e inboedels van de woningen in [plaats] en in Spanje.

2.5.5.

Deze eenvoudige gemeenschappen dienen te worden verdeeld.

2.5.6.

Als peildatum voor de waardering van deze goederen geldt als maatstaf de datum van de feitelijke verdeling, te weten de datum van deze beschikking.

Echtelijke woning

2.5.7.

Partijen zijn gezamenlijk eigenaar woning aan [adres] . Op de woning rusten drie hypothecaire geldelingen bij de Rabobank, bekend onder de nummers [nummer] , [nummer] en [nummer] .

2.5.8.

De vrouw wenst de woning toegedeeld te krijgen.

2.5.9.

De man heeft geen bezwaar tegen toedeling van de woning aan de vrouw. Hij denkt echter dat de vrouw niet in staat zal zijn om de woning te herfinancieren. Mocht de vrouw haar wens handhaven, dan dient de woning te worden getaxeerd. Vervolgens zal de vrouw een termijn van drie maanden moeten krijgen om de financiering rond te krijgen en de man uit te kopen. Als de vrouw daarin niet slaagt, zal de woning aan een derde verkocht moeten worden.

2.5.10.

De rechtbank zal bepalen dat de echtelijke woning aan de vrouw wordt toegedeeld tegen de waarde waarvoor deze conform het bepaalde hierna wordt getaxeerd, onder de voorwaarde dat zij binnen uiterlijk drie maanden vanaf de datum van deze beschikking, te weten op 1 oktober 2022,ervoor dient zorg te dragen dat de man wordt ontslagen uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldleningen, met de bepaling dat de vrouw aan hem de helft van de overwaarde (na aftrek van de met de overdracht samenhangende kosten) dient te vergoeden, dan wel dat de onderwaarde door partijen ieder voor de helft zal worden gedragen.

2.5.11.

Teneinde de waarde van de woning vast te stellen, zal de rechtbank bepalen dat de vrouw binnen één week na de datum van de beschikking drie makelaars/taxateurs van onroerend goed mag voorstellen aan de man voor het verrichten van een taxatie. Vervolgens mag de man binnen één week één van deze drie makelaars kiezen voor het verrichten van de taxatie. Partijen dienen deze makelaar vervolgens gezamenlijk opdracht te geven om de woning te taxeren, uitgaande van de vrije verkoopwaarde op de dag van deze beschikking. Deze getaxeerde waarde is bindend voor partijen. De kosten van deze taxatie dienen door partijen bij helfte te worden gedragen, nu het om gezamenlijk eigendom gaat.

2.5.12.

Indien de vrouw niet de mogelijkheid heeft om het aandeel van de man in de woning over te nemen en hem te laten ontslaan uit zijn aansprakelijkheid voor de aan de woning verbonden hypothecaire leningen, zal de woning dienen te worden verkocht en geleverd aan een derde.

2.5.13.

In geval van noodzakelijke verkoop van de woning aan een derde, dienen partijen binnen vier weken na afloop van de termijn van drie maanden vanaf de datum van deze beschikking, te weten op 29 oktober 2022, een gezamenlijke opdracht te geven tot verkoop aan een makelaar in onroerend goed. Indien partijen niet uiterlijk op 29 oktober 2022 gezamenlijk opdracht hebben gegeven tot verkoop, is ieder van partijen afzonderlijk bevoegd makelaar [makelaar] te [plaats] opdracht tot verkoop te geven.

2.5.14.

Partijen zullen in onderling overleg met de makelaar de vraagprijs bepalen, die dient te zijn gebaseerd op de onroerend goed markt ter plaatse en de kwaliteit van de woning. Indien partijen er niet binnen twee weken na de opdrachtverlening in slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, zal de makelaar de woning te koop aanbieden tegen een volgens hem/haar marktconforme vraagprijs.

2.5.15.

Voorts zullen partijen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt, indien en voor zover die prijs volgens beide partijen de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, dan zal de makelaar dit naar beste weten kunnen bepalen.

2.5.16.

Beide partijen zijn gehouden – indien en voor zover de vrouw de woning niet binnen de daarvoor gestelde termijn kan overnemen – aan deze verkoop en de daaropvolgende overdracht mee te werken. Ieder der partijen is gehouden de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen.

2.5.17.

Na verkoop en overdracht van de woning wordt de overwaarde (te weten de verkoopopbrengst die resteert na aflossing van de aan de woning verbonden hypothecaire geldleningen en na aftrek van de notariskosten en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering) gelijkelijk tussen partijen verdeeld, dan wel zal ieder van partijen de helft van de restschuld (te weten de schuld die resteert nadat uit de verkoopopbrengst zoveel mogelijk de aflossing van de aan de woning verbonden hypothecaire leningen, de notariskosten en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering zijn voldaan) als eigen schuld dragen en voldoen.

Woning in Spanje

2.5.18.

De vrouw stelt dat partijen gezamenlijk volledig eigenaar zijn van de woning in Spanje. De vrouw stelt dat de waarde van de woning in Spanje € 250.000,00 bedraagt. Op de woning rust geen hypothecaire geldlening. De vrouw wenst de woning te verkopen, waarbij de verkoopopbrengst tussen partijen dient te worden verdeeld. De vrouw kan echter ook instemmen met toedeling van de woning aan de man, onder vergoeding van de helft van de waarde van de woning aan de vrouw.

De vrouw betwist de stelling van de man dat de ouders van de man voor de helft eigenaar zijn van de woning in Spanje. De woning is een registergoed, en bij registergoederen geldt dat de tenaamstelling het eigendomsrecht bepaalt. De woning staat in het Spaanse kadaster op naam van de man en de vrouw, getuige het door de vrouw als productie 30 overgelegde taxatierapport en de daarin opgenomen eigendomsgegevens. De door de man als productie 20 overgelegde overeenkomst tussen partijen en de ouders van de man is geen formeel document dat ertoe zou leiden dat de ouders van de man mede-eigenaar zijn geworden van de woning. De ouders van de man hebben met deze overeenkomst aan partijen een bedrag ter beschikking gesteld ter aflossing van de hypotheek, maar hierdoor is geen mede-eigendom ontstaan.

2.5.19.

De man erkent dat partijen in 2003 de woning in Spanje hebben gekocht. De man erkent bovendien dat er geen hypotheek meer op de woning rust. De man merkt echter op dat partijen niet meer voor 100% eigenaar zijn van de woning. In 2005 hebben partijen met de ouders van de man een overeenkomst (productie 20 van de man) getekend, waarbij de helft van het eigendom van de woning is overgedragen aan de ouders van de man. De man stelt zodoende dat partijen nog slechts voor de helft eigenaar zijn van de woning in Spanje. De man kan instemmen met een waarde van de woning van € 250.000,00. Het aandeel van partijen bedraagt zodoende € 125.000,00. De man wenst de woning toebedeeld te krijgen. Bij toedeling aan de man, dient de man de vrouw derhalve € 62.500,00 te vergoeden. De man verzoekt de rechtbank dit bedrag te mogen verrekenen met het bedrag dat de vrouw de man uit hoofde van toedeling van de echtelijke woning aan hem moet betalen, dan wel te mogen betalen uit zijn aandeel in de verkoopopbrengst van de echtelijke woning.

Ter zitting heeft de man op het bovenstaande aangevuld dat de ouders van de man een gedeelte van de hypotheek van partijen op de woning in Spanje hebben ingelost, met het idee dat de ouders van de man mede-eigenaar van de woning zouden worden. Wegens de notariële kosten is dit nog niet verwezenlijkt, maar het was wel de bedoeling dat de ouders van de man mede-eigenaar zouden worden.

2.5.20.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet (meer) in geschil is dat de waarde van de woning in Spanje € 250.000,00 bedraagt. Partijen twisten echter over hun aandeel in het eigendom van de woning.

De rechtbank overweegt als volgt. Blijkens het als productie 30 door de vrouw overgelegde Spaanse taxatierapport en de daarin opgenomen eigendomsgegevens (Nota Simpla Informativa van Registro de la Propriedad) waren partijen op [datum] gezamenlijk eigenaar van de woning. Op grond van artikel 157, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) leveren authentieke akten tegen een ieder dwingend bewijs op. Uit artikel 151, tweede lid, Rv, volgt echter dat tegenbewijs, ook tegen dwingend bewijs, vrij staat, tenzij de wet dit uitsluit. Van een dergelijke uitsluiting is geen sprake. De rechtbank is van oordeel dat de man met de door hem als productie 20 overgelegde overeenkomst heeft aangetoond dat zijn ouders ieder voor 25% mede-eigenaar zijn geworden van de woning in Spanje. In deze overeenkomst hebben partijen met de ouders van de man ondubbelzinnig afgesproken dat de ouders van de man na betaling van een som van € 55.000,- (ieder) mede-eigenaar zijn van ‘het project’ (waarmee de woning in Spanje wordt bedoeld), waarbij ieder der mede-eigenaren 25% van de eigendom verwerft. Partijen zijn voorts overeengekomen dat alle kosten voor het project na 1 februari 2004 voor gemeenschappelijke rekening komen. Ook is in deze overeenkomst bepaald dat verkoop van eigendom in dit project door één of meerdere partijen aan een andere partij dan één van de bovengenoemde partijen goedkeuring vooraf van alle partijen vereist.

De rechtbank is daarom van oordeel dat partijen gezamenlijk eigenaar zijn van 50% van de woning. Dat aandeel zal moeten worden verdeeld.

2.5.21.

De rechtbank bepaalt, overeenkomstig het verzoek van de man, dat de man in staat moet worden gesteld om het aandeel van de vrouw in de woning in Spanje over te nemen tegen een vergoeding van de helft van de waarde van het gezamenlijke aandeel van partijen in de woning, te weten een bedrag van (€ 125.000,00/2=) € 62.500,00. Overeenkomstig het verzoek van de man, zal de rechtbank bepalen dat de man dit bedrag mag verrekenen met het bedrag dat de vrouw uit hoofde van toedeling van de echtelijke woning aan de man moet betalen, dan wel dat hij dat mag betalen uit zijn aandeel in de verkoopopbrengst van de echtelijke woning.

Indien de man niet in staat is om de woning over te nemen, zal het aandeel van partijen in de woning verkocht moeten worden en zal de verkoopopbrengst tussen partijen (na aftrek van de daarmee gemoeide kosten) bij helfte verdeeld moeten worden.

Gemeenschappelijke bankrekeningen

2.5.22.

Partijen hebben de navolgende gezamenlijke rekeningen:

  • -

    [rekeningnummer] , saldo op 27 juni 2021 bedroeg € 296,06;

  • -

    Rekening bij Banco Populair te Spanje, saldo onbekend.

2.5.23.

Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat dat de rekening [rekeningnummer] wordt opgeheven, waarbij het saldo op de datum van de opheffing gedeeld dient te worden. Voorts zijn partijen overeengekomen dat de man de rekening in Spanje voortzet. De man zal de mogelijke roodstand voor zijn rekening nemen, zonder nadere verrekening.

Inboedel

2.5.24.

Partijen hebben conform de artikelen 1 en 2 van de huwelijkse voorwaarden een gemeenschap van inboedel, die de woning of woningen van de echtgenoten betreft.

2.5.25.

De vrouw stelt inboedel woning in [plaats] als verdeeld kan worden beschouwd. De man heeft zijn spullen uit die woning al meegenomen. De inboedel van woning in Spanje kan aan man worden toebedeeld.

2.5.26.

De man kan ermee instemmen dat de vrouw de inboedel van echtelijke woning in [plaats] houdt en de man inboedel van woning in Spanje. De man is echter van mening dat de vrouw dan wordt overbedeeld. De man maakt daarom aanspraak op bedrag van € 5.000,- uit hoofde van onderbedeling. Indien de vrouw hier niet mee instemt, verzoekt de man te bepalen dat de inboedel bij helfte zal worden verdeeld.

2.5.27.

Omdat partijen er getuige het standpunt van de man kennelijk niet in zijn geslaagd om de inboedels naar tevredenheid in overleg te verdelen, zal de rechtbank de wijze van verdeling bepalen. Die houdt in dat partijen gezamenlijk van beide woningen een inboedellijst moeten opstellen en dat zij om en om een goed mogen kiezen totdat alles is verdeeld, waarbij voorafgaand aan het kiezen moet worden gedobbeld. Degene die het hoogste gooit, mag als eerste een goed kiezen.

Mochten partijen naar aanleiding van deze beslissing alsnog in onderling overleg overeenstemming bereiken over de verdeling van de inboedels, dan staat het hen vrij geen uitvoering te geven aan dit onderdeel van de beschikking.

Finaal verrekenbeding

2.5.28.

Partijen erkennen beiden dat finaal verrekend moet worden op grond van artikel 15 van de huwelijkse voorwaarden, tenzij het vermogen van één der echtgenoten negatief is. De rechtbank verwerpt de stelling van de vrouw dat het vermogen van de man negatief is, omdat de vrouw ten onrechte het aandeel van de man in de eenvoudige gemeenschappen buiten beschouwing heeft gelaten. Dit betekent dat er moet worden verrekend.

2.5.29.

De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 15, eerste lid, van de huwelijkse voorwaarden de verrekening van hun vermogen plaatsvindt zo, dat ieder van de partijen gerechtigd is tot een waarde gelijk aan die, waartoe hij gerechtigd zou zijn indien tussen de echtgenoten de algehele gemeenschap van goederen had bestaan. In het achtste lid van artikel 15 zijn enkele uitzonderingen op deze hoofdregel opgenomen. De belangrijkste uitzonderingen betreffen dat 1/3 gedeelte van de waarde van goederen behorende tot het bedrijfsvermogen van een echtgenoot en goederen die krachtens erfrecht of schenking zijn verkregen, niet in de verrekening worden betrokken.

Als waardepeildatum voor het te verrekenen vermogen geldt op grond van artikel 15, tweede lid, van de huwelijkse voorwaarden de datum van indiening van het verzoek tot echtscheiding, te weten 15 juli 2021.

te verrekenen vermogen van de vrouw

2.5.30.

Tussen partijen is niet in geschil dat het te verrekenen vermogen van de vrouw in ieder geval bestaat uit de volgende onderdelen:

[eenmanszaak]

2.5.31.

De vrouw heeft een eenmanszaak genaamd [eenmanszaak] . Het eigen vermogen van de eenmanszaak bedroeg blijkens de door de vrouw als productie 5 overgelegde jaarrekening 2020 per 31 december 2020 € 8.049,33. Volgens de bepalingen in de huwelijkse voorwaarden moet worden verrekend twee/derde van deze waarde, te weten een bedrag van € 5.366,22.

Bankrekening

2.5.32.

De bankrekening bekend onder het nummer [rekeningnummer] staat op naam van de vrouw. De man heeft uit de door de vrouw overgelegde productie 31 afgeleid dat het saldo op de peildatum € 1.526,18 bedroeg. De vrouw heeft dat niet weersproken. Dit bedrag dient in zijn geheel in de verrekening te worden betrokken.

De auto

2.5.33.

Op naam van de vrouw staat een personenauto, te weten een [merk auto] met kenteken [kenteken] . Partijen schatten de waarde van de auto op € 1.250,00. Ook dit bedrag dient in zijn geheel in de verrekening te worden betrokken.

Een perceel grond aan [adres] (kadastraal bekend gemeente [gemeente] sectie [sectie] nummer [nummer] ), door partijen aangeduid als: [perceel grond]

2.5.34.

De man stelt zich op het standpunt dat tot het te verrekenen vermogen van de vrouw tevens behoort het perceel grond dat de vrouw [perceel grond] noemt. De vrouw betwist dit.

2.5.35.

De vrouw stelt dat [perceel grond] bij notariële akte van [datum] namens haar vader aan haar is geleverd. De vrouw stelt, onder verwijzing naar de door haar als productie 19 overgelegde verklaring van haar zus (vervat in een notariële akte gedateerd [datum] ), dat zij het bedrag waarmee zij [perceel grond] heeft aangekocht kort voor de levering geschonken heeft gekregen van haar vader. Omdat er sprake is van schenking, althans de grond is aangekocht met geschonken geld, dient de waarde van [perceel grond] volgens de vrouw niet in de verrekening betrokken te worden.

2.5.36.

De man betwist de lezing van de vrouw. Als er sprake was van een schenking, dan had dit moeten blijken uit de notariële akte van [datum] . Uit deze akte blijkt dit geenszins. Integendeel, in de akte wordt expliciet gemeld dat de koopprijs door de vrouw is gestort op de kwaliteitsrekening bij de notaris. De man acht het merkwaardig dat de zus van de vrouw bijna vijf jaar later, op [datum] (als de man en de vrouw al ruim een jaar uit elkaar zijn), bij de notaris verklaart dat de vrouw destijds de koopprijs geschonken heeft gekregen van haar vader. Het heeft er alle schijn van dat deze verklaring is opgesteld om de man in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden te benadelen. De man is dan ook van mening dat aan de verklaring van de zus geen waarde kan worden gehecht. De vrouw heeft niet aangetoond dat zij [perceel grond] heeft verworven met geschonken geld. De man stelt zich dan ook op het standpunt dat hij uit hoofde van het finaal verrekenbeding recht heeft op de helft van de waarde van [perceel grond] . De man verzoekt de rechtbank om een taxateur te benoemen om de waarde van de grond vast te stellen.

2.5.37.

De rechtbank overweegt als volgt. Blijkens de notariële akte van [datum] is [perceel grond] namens de vader van de vrouw aan de vrouw geleverd. In die notariële akte is geen uitsluitingsclausule opgenomen. De stelling van de vrouw dat zij het stuk grond heeft aangekocht met geld dat door haar vader aan haar is geschonken, heeft zij enkel onderbouwd met een – in de notariële akte van [datum] vastgelegde – verklaring van haar zus. Gezien de datering van deze verklaring, het ontbreken van overig bewijs voor haar stelling en de betwisting door de man, is de rechtbank van oordeel dat de vrouw niet heeft aangetoond dat zij [perceel grond] heeft aangekocht met aan haar geschonken geld. De rechtbank is daarom van oordeel dat [perceel grond] tot het te verrekenen vermogen van de vrouw behoort.

2.5.38.

De rechtbank zal, overeenkomstig het verzoek van de man, bepalen dat de waarde van [perceel grond] wordt vastgesteld door een makelaar/taxateur. Teneinde de waarde van de grond vast te stellen, zal de rechtbank bepalen dat de vrouw binnen één week na heden drie makelaars/taxateurs van onroerend goed mag voorstellen aan de man voor het verrichten van een taxatie. Vervolgens mag de man binnen één week één van deze drie makelaars kiezen voor het verrichten van de taxatie. Partijen dienen deze makelaar vervolgens gezamenlijk opdracht te geven om [perceel grond] te taxeren, uitgaande van de vrije verkoopwaarde op de dag van deze beschikking. Deze getaxeerde waarde is bindend voor partijen. De kosten van deze taxatie dienen door partijen bij helfte te worden gedragen. De vrouw is in het kader van de verrekening gehouden de man de helft van de waarde van [perceel grond] te vergoeden.

De rechtbank zal bepalen dat partijen de verrekening uiterlijk op het moment van de overdracht van de echtelijke woning moeten laten geschieden.

Resumé

2.5.39.

Het te verrekenen vermogen van de vrouw betreft een bedrag van (€ 5.366,22. + € 1.526,18 + € 1.250 =) € 8.142,40 plus de waarde van [perceel grond] .

te verrekenen vermogen van de man

2.5.40.

Tussen partijen is niet in geschil dat het te verrekenen vermogen van de man in ieder geval bestaat uit de volgende onderdelen:

[eenmanszaak]

2.5.41.

De man heeft een eenmanszaak genaamd [eenmanszaak] . Tussen partijen is niet in geschil dat het saldo van het eigen vermogen van de eenmanszaak per 31 december 2020 € 3.760,09 bedroeg. Volgens de bepalingen in de huwelijkse voorwaarden moet worden verrekend twee/derde van deze waarde, te weten een bedrag van € 2.506,73.

De bankrekeningen van de man

2.5.42.

De bankrekeningen van de man betreffen:

• [rekeningnummer] : De man stelt dat het saldo op de peildatum € 25,75 bedroeg en de vrouw stelt dat het saldo op de peildatum € 164,17 bedroeg. Partijen zijn ter zitting overeengekomen om te middelen. De rechtbank zal zodoende uitgaan van een saldo van € 94,96.

• [rekeningnummer] : Tussen partijen is niet in geschil dat het saldo op de peildatum € 2.860,22 bedroeg.

Deze bedragen dienen in hun geheel in de verrekening te worden betrokken.

Zeilboot en trailer

2.5.43.

De man is eigenaar van een zeilboot en een trailer. De vrouw schat de waarde van de zeilboot en de trailer samen € 2.000,00 bedraagt. De man stelt dat de waarde van zijn zeilbootje en trailer samen € 1.000,00 bedraagt. De rechtbank is op grond van de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting niet in staat om de waarde van de zeilboot en de trailer te bepalen. De rechtbank zal de waarde van de zeilboot en de trailer daarom in het midden bepalen, te weten op een bedrag van € 1.500,00.

Dit bedrag dient in de verrekening te worden betrokken.

Schulden

2.5.44.

De man heeft alle onderstaande schulden met producties onderbouwd:

  • -

    belastingschuld van de man over de jaren 2017 tot en met 2019 van € 46.801,00;

  • -

    schuld van de man bij zijn vader van € 17.000,00;

  • -

    schuld van de man bij het UWV van € 392,01;

  • -

    nog op te leggen belastingaanslagen van 2020: € 22.094,- en half jaar over 2021 € 11.047,-;

  • -

    schuld van partijen bij [bedrijf] ad € 2.000,00. Dit betreft de restant betaling van een schuur op [perceel grond] . De man weet niet of dit bedrag nog opgeëist zou worden door de schuldeiser.

Ter zitting is gebleken dat onzeker is of de (door de vrouw erkende) schuld bij [bedrijf] nog zal worden geïnd. Partijen hebben ter zitting afgesproken dat deze schuld bij helfte wordt gedragen indien [bedrijf] nog gaat innen en dat de schuld thans bij de verrekening buiten beschouwing zal worden gelaten.

De rechtbank stelt vast dat de hierboven vermelde schulden bij de belastingdienst en het UWV zien op de huwelijkse jaren en dat de schuld bij de vader van de man is ontstaan op 30 juni 2018. Al deze schulden dienen daarom voor het geheel in de verrekening te worde betrokken. Het gaat in totaal om een bedrag van € 97.334,01.

Resumé

2.5.45.

Het te verrekenen vermogen van de man beslaat een bedrag van ((€ 2.506,73 + € 94,96 + € 2.860,22 + € 1.500,00) - € 97.334,01 =) - € 90.372,10.

Vergoedingsrechten

2.5.46.

De vrouw stelt dat zij een vordering op de man heeft uit hoofde van vergoedingsrechten.

Ter onderbouwing van het verzochte stelt de vrouw dat partijen op grond van artikel 5 van de huwelijkse voorwaarden verplicht zijn om hetgeen aan het vermogen van de een ten bate van het vermogen van de ander is onttrokken, nominaal jegens elkaar te vergoeden. De vrouw stelt dat zij vergoedingsaanspraken heeft jegens de man. De vordering van de vrouw bestaat uit verschillende deelvorderingen die hierna besproken zullen worden.

2.5.47.

De man betwist deze vorderingen van de vrouw.

2.5.48.

De rechtbank overweegt in algemene zin als volgt. Degene die een vergoedingsrecht stelt te hebben, dient bij betwisting dit recht ook te bewijzen. Ter zitting heeft de man onweersproken gesteld dat partijen op grote voet hebben geleefd en dat er structureel meer geld is uitgegeven dan er aan inkomsten binnenkwam. De niet bovenmatige spaarsaldi op de bankrekeningen van partijen lijken deze stelling van de man te ondersteunen. Op grond van artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden dienden partijen eerst naar evenredigheid van hun inkomen te voorzien in de kosten van de huishouding, en als dat niet voldoende was dan naar evenredigheid uit ieders vermogen. Op grond van de huwelijkse voorwaarden dienden partijen dus zo nodig uit hun privé vermogen bij te dragen in de kosten van de huishouding.

€ 73.300,00

2.5.49.

De vrouw stelt als volgt. De vrouw heeft op 16 september 2002 geschonken en in eigendom overgedragen gekregen van haar vader een perceel tuingrond met daarop een schuur/atelier (perceel [perceel] ). De waarde van het geschonkene is destijds gesteld op € 90.756,00. De schenking heeft plaatsgevonden onder een uitsluitingsclausule, zowel ten aanzien van het geschonkene als de revenuen daarvan als ten aanzien van hetgeen voor het geschonkene in de plaats komt.

2.5.50.

Bij notariële akte van [datum] is op voornoemd perceel een hypotheek gevestigd voor een bedrag van € 250.000,00, waarschijnlijk aangewend als garantstelling voor de aankoop van de woning in Spanje.

2.5.51.

Bij notariële akte van [datum] is het perceel nogmaals bezwaard met een hypothecaire inschrijving, ditmaal ten behoeve van de aankoop van de gezamenlijke woning aan [adres] .

2.5.52.

Bij notariële akte van [datum] heeft er een ruiling zonder toegift plaatsgevonden tussen de vrouw en haar vader, waarbij de vrouw in eigendom heeft verkregen het perceel grond met daarop een stacaravan aan de [perceel] te [plaats] . Het perceel is geruild tegen de [perceel] te [plaats] , welk perceel weer in eigendom is gekomen van de vader van de vrouw.

2.5.53.

Het perceel [perceel] is op dezelfde dag, naast het pand aan [adres] , bezwaard met een hypothecaire inschrijving. De hypothecaire inschrijving op het perceel [perceel] is geroyeerd.

2.5.54.

Bij notariële akte van [datum] heeft de vrouw aan haar vader verkocht en geleverd een gedeelte van het perceel [perceel] tegen een koopprijs van € 73.300,00. Betaling door de vader van de vrouw heeft deels plaatsgevonden door middel van schuldvermenging wegens door de vader aan de vrouw geleende gelden. Uiteindelijk is er door de notaris een bedrag overgemaakt op de gezamenlijke rekening van partijen van € 28.552,61.

2.5.55.

De man erkent hetgeen door de vrouw is gesteld onder punt 2.4.49 t/m 2.4.53. De man betwist hetgeen de vrouw stelt onder punt 2.4.54. De man erkent dat de vrouw een gedeelte van het perceel aan de [perceel] heeft verkocht aan de vader van de vrouw tegen een koopprijs van € 73.300,00. Een deel van de koopsom, te weten een bedrag van € 43.300,00 werd verrekend met diverse leningen van de vader van de vrouw aan de vrouw. Een bedrag van € 30.000,00 werd overgemaakt op de derdengeldenrekening van de notaris. De vrouw stelt vervolgens dat er door de notaris een bedrag van € 28.552,61 is overgemaakt op de gezamenlijke rekening van partijen. Dit wordt door de man, bij gebrek aan bewijs, betwist.

De man stelt dat de vrouw op geen enkele wijze heeft aangetoond dat een bedrag van € 28.552,61 ten goede is gekomen aan de man. Zelfs als het geld is overgemaakt op de en/ofrekening van partijen brengt dit, gezien relevante jurisprudentie, nog niet automatisch met zich dat de vrouw een vergoedingsrecht heeft op de man. Uit een bijschrijving op een en/of-rekening volgt immers niet dat de gelden aan het vermogen van de vrouw zijn onttrokken en evenmin volgt daaruit dat de man daardoor is gebaat.

Bovendien merkt de man op dat de vrouw niet achteraf kan terugkomen op de wijze waarop partijen vorm hebben gegeven aan de financiële huishouding tijdens het huwelijk. Partijen hebben zich tijdens het huwelijk gedragen alsof zij in gemeenschap van goederen waren gehuwd. De man heeft tijdens het huwelijk het grootste aandeel gehad in het inkomen van partijen en zijn inkomen ging volledig op aan kosten voor het gezin, waaronder ook de kosten die verband hielden met de schenkingen die de vrouw had ontvangen, zoals onroerende zaakbelasting en kosten die gemaakt zijn om de diverse percelen te ontwikkelen. De vrouw koos er vanwege de schenkingen voor om nauwelijks te werken. Hetgeen partijen tekort kwamen, werd betaald vanuit de schenkingen. De vrouw was hiermee akkoord en dit was in lijn met de huwelijkse voorwaarden.

2.5.56.

Ter zitting heeft de vrouw, vanwege het verweer van de man, haar vordering ter beperkt tot het bedrag van € 28.552,61, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum indiening verzoek..

2.5.57.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw er niet in is geslaagd bewijs te leveren van deze vordering. Met haar enkele stelling dat het resterende bedrag (na aftrek van kosten) van € 28.552,61 is overgemaakt op een gezamenlijke rekening van partijen, heeft de vrouw niet aangetoond dat er vermogen van haar is onttrokken ten bate van het vermogen van de man. Er is geen bewijs geleverd dat dit bedrag daadwerkelijk op een gezamenlijke rekening is gestort en evenmin van wat er daarna met dat geld is gebeurd. Niet uitgesloten is dat het bedrag, overeenkomstig de huwelijkse voorwaarden, vanuit het vermogen van de vrouw is besteed aan de kosten van de huishouding. De rechtbank wijst deze vordering dan ook af.

€ 15.000,00

2.5.58.

De vrouw heeft deze vordering ter zitting ingetrokken, zodat dit geen bespreking behoeft.

€ 297.500,00

2.5.59.

De vrouw stelt dat op 13 februari 2015 het gezamenlijk bezit van partijen aan de [perceel] te [plaats] is verkocht. Haar eigen perceel aan de [perceel] met daarop een stacaravan verkoopt en levert de vrouw op 17 april 2015 voor een bedrag van € 297.000,00 aan [naam] en [naam] . Uit de nota van afrekening blijkt dat een bedrag van € 71.000,00 is gebruikt om de lening aan de ouders van de man af te lossen. Voor zover de vrouw bekend betrof het een aflossing van een hypothecaire lening van € 43.000,00 en betrof de rest de aflossing van een persoonlijke schuld van de man of is het onverschuldigd aan de ouders van de man betaald. Het restantbedrag van € 206.005,00 is overgemaakt op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van de man. De vrouw dacht dat het bedrag zou worden overgemaakt naar een gezamenlijke rekening van partijen en dat het bedrag zou worden aangewend voor aflossing van een gezamenlijke hypothecaire geldlening. Dit is echter nooit gebeurd. Het bedrag is uitdrukkelijk niet door de vrouw aan de man geschonken. De vrouw verzoekt de man te veroordelen € 297.000,00 aan de vrouw te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum indiening verzoek.

2.5.60.

De man erkent dat de vrouw op 17 april 2015 haar perceel grond heeft verkocht voor € 297.500,00. De man erkent ook dat bij deze verkoop een lening bij de ouders van de man van € 71.000,00 is ingelost. De man betwist dat dit deels een persoonlijke schuld van de man betrof.

De man stelt dat blijkens de nota van afrekening van de opbrengst van € 297.500,00 een bedrag van € 20.776,13 is aangewend ter voldoening van de kosten die verband houden met de verkoop. Dit bedrag is sowieso niet ten bate van de man gekomen. De man betwist ook dat het bedrag van € 71.000,00 dat is afgelost aan de ouders van de man aan hem ten bate is gekomen. Dit bedrag had betrekking op geld dat de man en de vrouw bij de ouders van de man hadden geleend voor het betalen van de kosten van de huishouding.

De man betwist ook dat het bedrag van € 206.005,00 ten bate van de man is gekomen. Voor zover de man weet, is daarvan een [merk auto] voor de vrouw gekocht, die zij onlangs heeft verkocht en waarvan de opbrengst aan haar is toegekomen. De rest is opgegaan aan de kosten van de huishouding, die altijd werden betaald van de rekening van de man.

2.5.61.

De rechtbank overweegt als volgt. Door de man is erkend dat het perceel eigendom was van de vrouw. De verkoopopbrengst was dus ook privévermogen van de vrouw. Partijen hebben met een gedeelte van deze verkoopopbrengst, te weten een bedrag van € 71.000,00, ingelost op een lening van partijen aan de ouders van de man. De vrouw heeft naar het oordeel van de rechtbank, gezien de betwisting van de man en de vermelding ‘aflossing hypothecaire lening [namen] ’ op de nota van afrekening bij het bedrag van € 71.000,00, niet aangetoond dat deze lening deels een persoonlijke lening van de man betrof en evenmin aangetoond dat er sprake zou zijn van een (deels) onverschuldigde betaling aan de ouders van de man. De rechtbank is daarom van oordeel dat ervan moet worden uitgegaan dat met het bedrag van € 71.000,00 een gezamenlijke lening van partijen is afgelost. Dit bedrag is onttrokken aan het vermogen van de vrouw en voor de helft ten goede gekomen aan de man. De vrouw komt daarom een vergoedingsrecht toe ter hoogte van de helft van dit bedrag, te weten een bedrag van € 35.500,00.

2.5.62.

Voor het overige bedrag van € 206.005,00 geldt dat de vrouw niet heeft aangetoond dat het is onttrokken aan haar vermogen en ten goede is gekomen aan de man. Het enkele feit dat dit bedrag is gestort op een bankrekening op naam van de man, is daarvoor ontoereikend. De rechtbank overweegt in dit verband dat veel kosten van de huishouding kennelijk zijn voldaan vanaf de bankrekening van de man en dat die kosten bij het leven op (te) grote voet mede uit de vermogens van partijen moesten worden voldaan. Ook is niet uitgesloten dat dat bedrag (deels) is besteed aan de aanschaf van een [merk auto] voor de vrouw. De rechtbank zal dit gedeelte van de deelvordering daarom afwijzen.

€ 81.829,85

2.5.63.

De vrouw stelt dat bij notariële akte van [datum] het aan de man en de vrouw tezamen in eigendom toebehorende perceel met opslagruimte aan de [adres] is verkocht voor een bedrag van € 110.000,00. Met de verkoopopbrengst is een hypothecaire geldlening van € 27.500,00 afgelost. Het is de vrouw niet bekend waarnaar het restant van de verkoopopbrengst ad € 81.829,85 is overgemaakt. De vrouw verzoekt de man te veroordelen € 81.829,85 aan de vrouw te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum indiening verzoek.

2.5.64.

De man betwist de vordering van de vrouw. De man erkent dat partijen in 2018 een gezamenlijk stuk grond hebben verkocht. Het is de man echter een raadsel waarom de vrouw van oordeel is dat zij recht heeft op de volledige verkoopopbrengst, die resteerde na aflossing van de hypotheek. Het betrof immers een gezamenlijk onroerend goed. De helft van de verkoopopbrengst kwam sowieso aan de man toe. De man weet ook niet wat er met de verkoopopbrengst is gebeurd en gaat ervan uit dat dit is opgegaan aan de kosten van de huishouding.

2.5.65.

De rechtbank overweegt dat wederom niet duidelijk is wat er met het bedrag van € 81.829,85 is gebeurd. Net als de man kan de rechtbank niet volgen waarom de vrouw meent recht te hebben op de volledige (resterende) verkoopopbrengst van een gezamenlijk onroerend goed. Ook voor dit bedrag geldt dat het vermoedelijk is besteed aan de kosten van de huishouding. De vrouw heeft geen bewijs geleverd voor dit vergoedingsrecht en de rechtbank zal het verzoek van de vrouw op dit punt daarom afwijzen.

€ 100.000,00

2.5.66.

De vrouw stelt dat zij in april 2003 in privé van haar vader een bedrag van € 100.000,00 in cash geschonken heeft gekregen. De man is volgens haar bekend met deze schenking. Het geld is volgens haar aangewend voor de aankoop van de woning in Spanje. De vrouw verzoekt de man te veroordelen € 100.000,00 aan de vrouw te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum indiening verzoek.

2.5.67.

De man heeft hiertegen verweer gevoerd. De stelling van de vrouw wordt volgens de man op geen enkele wijze onderbouwd met stukken. Voor de woning in Spanje is een hypotheek aangegaan. Mocht het bedrag al geïnvesteerd zijn in de woning in Spanje, dan zou de vrouw slechts recht hebben op een bedrag van € 50.000,00. De vrouw is immers medeeigenaar van de woning in Spanje. De man vermoedt dat de vrouw zelf ook wel weet dat deze vordering geen kans van slagen heeft, omdat het bedrag niet terugkomt in het petitum.

2.5.68.

Nu de vordering niet is opgenomen in het petitum, is de rechtbank van oordeel dat daarover niet behoeft te worden beslist. Ten overvloede overweegt dat het verzoek niet met stukken is onderbouwd, zodat de vrouw geen bewijs van haar vordering heeft geleverd.

Huurinkomsten

2.5.69.

De vrouw stelt dat op het aan haar in eigendom toebehorende perceel [perceel] te [plaats] zich een stacaravan bevond. Deze stacaravan is in de periode van 16 juli 2004 tot 17 april 2015 regelmatig verhuurd door partijen. De vrouw stelt dat de man de map met huurcontracten in zijn bezit heeft. De maandelijkse huur bedroeg rond de € 700,00 en werd geïnd door de man. De huurinkomsten betreffen inkomsten uit goederen die de vrouw uit hoofde van schenking heeft verkregen en dienen, conform artikel 15 lid 8 van de akte huwelijkse voorwaarden, niet in de verrekening tussen partijen te worden betrokken. De vrouw heeft een vordering op de man voor het totaalbedrag van de ontvangen huursom. De man dient opgave te doen van de ontvangen huurbedragen zodat de vrouw haar vordering kan vaststellen.

2.5.70.

De man erkent dat de stacaravan van de vrouw regelmatig verhuurd is geweest. De man betwist dat de huurpenningen op grond van de huwelijkse voorwaarden buiten het finaal verrekenbeding vallen. Huurinkomsten zijn immers de vruchten van een vermogen. In artikel 15 lid 8 van de huwelijkse voorwaarden worden de vruchten van schenkingen niet genoemd. De huurinkomsten vallen derhalve wel onder het te verrekenen vermogen.

De man betwist voorts dat de huurinkomsten door hem geïnd zijn. De man beschikt niet (meer) over stukken waaruit blijkt hoeveel huurinkomsten er totaal zijn geweest. De man stelt zich op het standpunt dat de huurinkomsten opgesoupeerd zijn. Deze zijn opgegaan aan de kosten van de huishouding.

2.5.71.

De rechtbank is van oordeel dat huurinkomsten onder het ruime inkomensbegrip van artikel 7 lid 1 van de huwelijkse voorwaarden kunnen worden geschaard, in het bijzonder onder ‘resultaat uit overige werkzaamheden’. De huurinkomsten moesten daarom (mede) worden aangewend voor het voldoen van de kosten van de huishouding. Bij gebrek aan bescheiden die anders aantonen, neemt de rechtbank aan dat de huurinkomsten daaraan zijn besteed. Voor zover er huurinkomsten zouden resteren, mag worden aangenomen dat die op een bankrekening van partijen staan en bij de verdeling van de banksaldi in de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden zijn betrokken. Ook deze vordering wijst de rechtbank af.

Conclusie

2.5.72.

Op grond van het voorgaande heeft de vrouw recht op een vergoedingsrecht van de man ter hoogte van € 35.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum indiening verzoek.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] op [huwelijksdatum] ;

3.2.

gelast de wijze van verdeling van de woning aan [adres] en de overname dan wel aflossing aan de woning verbonden hypothecaire leningen bij de Rabobank, bekend onder de nummers [nummer] , [nummer] en [nummer] , conform hetgeen is overwogen onder punt 2.5.10 tot en met 2.5.17;

3.3.

gelast de wijze van verdeling van de woning in Spanje aan [adres] conform hetgeen is overwogen onder punt 2.5.21;

3.4.

gelast de wijze van verdeling van de inboedelgoederen conform hetgeen is overwogen onder punt 2.5.27;

3.5.

bepaalt dat partijen in het kader van de finale verrekening en afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden dienen uit te gaan van een te verrekenen vermogen van de vrouw ten bedrage van € 8.142,20 plus de waarde van [perceel grond] (welke waarde vastgesteld dient te worden conform hetgeen is overwogen onder punt 2.5.28) en een te verrekenen (negatief) vermogen van de man van - € 90.372,10;

3.6.

bepaalt dat de man aan de vrouw uit hoofde van haar vergoedingsrecht als omschreven in rechtsoverweging 2.5.61 dient te voldoen een bedrag van € 35.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum indiening verzoek;

3.7.

bepaalt dat partijen uiterlijk op het moment van de overdracht van de woning aan [adres] aan de vrouw dan wel een derde dienen over te gaan tot de financiële afwikkeling van de verdeling, de finale verrekening en het vergoedingsrecht;

3.8.

verklaart deze beslissing, behoudens de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad;

3.9.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.P. van der Haak, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. B. Schoonewil op 1 juli 2022.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.