Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2022:550

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-01-2022
Datum publicatie
27-01-2022
Zaaknummer
9545276 en 9545283
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 9 Wahv. Verkeersboetezaak. De kantonrechter heeft vanaf 2014 verkeersboetes voor overtreding van de geslotenverklaring van de Busbrug in Zaanstad steeds standaard gematigd, door iedere tweede en volgende boete te verlagen tot 50%. Daarop komt de kantonrechter in deze uitspraak terug. In het vervolg zal niet meer standaard matiging plaatsvinden, maar zal steeds per geval worden beoordeeld of matiging gerechtvaardigd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Zaanstad

Zaaknummer : 9545276 en 9545283 \ WM VERZ 21-628 en 21-629

CJIB-nummer : 235490918 en 235491032

Uitspraakdatum : 25 januari 2022

Uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 9 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV)

in de zaak van

[betrokkene]

gemachtigde : M.J.M. Bergers

Het verloop van de procedure

Aan betrokkene zijn administratieve sancties (hierna te noemen: boetes) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroepen ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft de beroepen ongegrond verklaard. Tegen die beslissingen is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.

De zaken zijn behandeld op de zitting van 21 december 2021. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft na de zitting uitspraak gedaan.

Overwegingen

De gedraging waarvoor de boetes zijn opgelegd, luidt - kort omschreven - als volgt:

handelen in strijd met gesloten verklaring in beide richtingen weg(gedeelte) bestemd voor bepaalde categorie voertuigen op de locatie De Binding in Zaandam.

Betrokkene is het niet eens met de beslissingen van de officier van justitie en heeft in het beroepschrift de gronden daarvoor aangevoerd.

Betrokkene betwist allereerst de gedraging. Zij betwist niet de aanwezigheid van de bebording, maar stelt dat op de schouwfoto’s te zien is dat het bord onderaan de busbrug naar links gedraaid staat en dat deze voor automobilisten die linksaf de brug oprijden daardoor niet goed te zien is. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn de borden voor iedere weggebruiker goed zichtbaar. Dat blijkt voldoende uit de overgelegde schouwrapporten en de daarbij behorende foto’s. Aan het begin van busbrug de Binding is aan beide kanten goed zichtbaar een bord C1 geplaatst, met een duidelijk leesbaar onderbord. Dit bord C1 wordt na ongeveer 100 meter herhaald. Ook is aan beide kanten een bord geplaatst dat erop wijst dat cameratoezicht plaatsvindt. Van iedere weggebruiker mag worden verwacht dat deze oplettend is op de aanwezige bebording. De kantonrechter is daarom van oordeel dat betrokkene zich had moeten vergewissen of er een bord stond en dat de omstandigheid dat betrokkene dit heeft nagelaten, voor rekening en risico van betrokkene komt.

Ook aan de overige voorwaarden van het ‘Beleidskader digitale handhaving geslotenverklaringen en voetgangersgebieden’ (hierna: het Beleidskader) is voldaan. Op de in de dossiers aanwezige foto’s zijn de contouren van het voertuig voldoende zichtbaar. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat daarvoor genoeg is dat de omtrek of omtreklijn van het voertuig zichtbaar is. Verder staat op die foto’s een zogeheten databalk met de gegevens die volgens het Beleidskader moeten worden vermeld.

Dat betekent dat vast staat dat betrokkene in strijd heeft gehandeld met de ter plaatse geldende geslotenverklaring. Er konden daarvoor dus boetes worden opgelegd.

Betrokkene heeft verder een beroep gedaan op matiging en daartoe aangevoerd dat zij meerdere boetes heeft gehad voor eenzelfde overtreding, te weten handelen in strijd met de geslotenverklaring op de locatie De Binding in Zaandam.

In een uitspraak van 21 oktober 2014 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl met nummer ECLI:NL:RBNHO:2014:9808) heeft de kantonrechter geoordeeld dat een opeenstapeling van boetes voor het overtreden van de geslotenverklaring op de locatie De Binding leidt tot een onevenredig hoog totaalbedrag aan boetes, en dat gelet daarop een matiging van die boetes moet plaatsvinden. Daarbij is overwogen dat de kantonrechter zich kan vinden in een toepassing van matiging zoals destijds door de officier van justitie voorgesteld, te weten dat de eerste boete in stand wordt gelaten en dat vervolgens de tweede en iedere daarop volgende boete wordt gematigd tot 50% van het boetebedrag. Die uitspraak van 21 oktober 2014 wordt sindsdien toegepast in zaken met betrekking tot gevallen waarin twee of meer boetes zijn opgelegd voor het overtreden van de geslotenverklaring op de locatie De Binding.

De kantonrechter ziet aanleiding om op de uitspraak van 21 oktober 2014 en de sindsdien toegepaste wijze van matiging terug te komen, omdat is gebleken dat die matiging onvoldoende recht doet aan de relevante omstandigheden van ieder afzonderlijk geval. De standaardmatige wijze van matiging van die uitspraak houdt onder meer geen rekening met de financiële omstandigheden van betrokkene, met de bekendheid van betrokkene met de situatie ter plaatse, met de omstandigheden waaronder de gedraging is begaan, en met het totaal aantal opgelegde boetes en het cumulatieve effect daarvan. Verder weegt daarbij mee dat de officier van justitie geen matiging meer voorstaat of voorstelt, zoals destijds ten tijde van de uitspraak van 21 oktober 2014 nog wel het geval was.

Ook is er reden om op de uitspraak van 21 oktober 2014 terug te komen, omdat uit de rechtspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden volgt dat de grondslag voor matiging moet worden gevonden in artikel 9 lid 2 WAHV, en dat bij de beoordeling daarvan de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden of de omstandigheden waarin betrokkene verkeert, bepalend moeten zijn (zie onder meer de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 februari 2017, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, met nummer ECLI:NL:GHARL:2017:1494). De kantonrechter moet daarbij in het concrete geval de opgelegde boete(s) toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. Daarbij past niet (meer) een matiging die in feite standaard wordt toegepast.

Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter voortaan geen matiging meer zal toepassen op de wijze zoals neergelegd in de uitspraak van 21 oktober 2014, maar steeds per geval zal beoordelen of matiging gerechtvaardigd is, op basis van de hiervoor genoemde maatstaf.

De kantonrechter merkt nog op dat in beginsel geen matiging kan plaatsvinden als betrokkene de tweede of volgende overtreding heeft begaan nadat hij de beschikking met de boete voor de eerste overtreding al heeft ontvangen. In dat geval is betrokkene namelijk al ‘gewaarschuwd’ dat het overtreden van de geslotenverklaring op de locatie De Binding tot een boete leidt. Ook kan in beginsel geen matiging meer plaatsvinden als betrokkene geen beroep heeft ingesteld tegen een tweede of volgende boete, omdat in dat geval maar één beroep ter beoordeling van de kantonrechter staat.

Daarnaast verdient nog vermelding dat het aan betrokkene is om een beroep op matiging voldoende aannemelijk te maken.

In de twee voorliggende zaken is de kantonrechter onvoldoende gebleken van een grond voor matiging. Betrokkene heeft er ter onderbouwing van haar beroep op matiging op gewezen dat zij in één keer 23 boetes heeft ontvangen. Het enkele feit dat aan betrokkene meerdere boetes zijn opgelegd voor het overtreden van de geslotenverklaring op de locatie De Binding, is zoals hiervoor overwogen op zichzelf genomen niet genoeg voor matiging. Gebleken is dat het merendeel van de 23 opgelegde boetes al door de officier van justitie is vernietigd. De overgebleven boetes zijn, op één boete na, al gematigd tot de helft van het boetebedrag. Van een onevenredig hoog totaalbedrag aan boetes is dan ook geen sprake (meer). Er is verder niet gebleken van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven voor matiging. De enkele stelling dat betrokkene kostwinner is van een gezin met jonge kinderen levert, zonder nadere toelichting of onderbouwing, niet zo’n bijzondere omstandigheid op. Een toelichting op het al dan niet bekend zijn met de situatie ter plaatse en een verklaring voor het feit dat betrokkene in een betrekkelijk korte periode zo vaak achter elkaar de geslotenverklaring bij busbrug De Binding heeft genegeerd, heeft betrokkene niet gegeven. De boete is dan ook terecht opgelegd en voor matiging is in dit geval geen plaats.

De beroepen zijn dus ongegrond en het verzoek om proceskosten wordt afgewezen.

De uitspraak

De kantonrechter:

‒ verklaart de beroepen ongegrond;

‒ wijst de verzoeken om vergoeding van de proceskosten af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Slijkhuis, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.

De griffier De kantonrechter

Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 WAHV hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 70,00. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht. Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk.

Datum toezending: