Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2022:5115

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20-04-2022
Datum publicatie
23-06-2022
Zaaknummer
8965924
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vordering schadevergoeding ex art 7:658, 6:162 afgewezen. Causaal verband tussen psychische en fysieke klachten en werkomstandigheden niet aangetoond. Omkeringsregel niet aan de orde vanwege multi-causale karakter klachten. Geen schending zorgplicht werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2022-0727
PS-Updates.nl 2022-0445
JA 2022/130
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8965924 \ CV EXPL 21-214

Uitspraakdatum: 20 april 2022

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiseres]

wonende te [woonplaats]

eiseres

verder te noemen: [eiseres]

gemachtigde: mr. L.H.W.M. Koenen

tegen

de rechtspersoonlijkheid bezittende stichting [werkgever]

gevestigd te [vestigingsplaats]

gedaagde

verder te noemen: [werkgever]

gemachtigde: mr. M. van Westendorp

De zaak in het kort

De zaak gaat over een vordering tot schadevergoeding van een werkneemster die stelt dat zij lichamelijke en psychische schade heeft geleden door de (schadelijke) werkomstandigheden bij de werkgever. Die omstandigheden bestonden volgens de werkneemster uit een onveilig werkklimaat en een chronisch te hoge werkdruk. De kantonrechter wijst deze vordering af, omdat het causale verband tussen de gezondheidsschade enerzijds en de werkzaamheden anderzijds niet is aangetoond. De kantonrechter ziet geen grond voor toepassing van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel, nu het verband tussen de werkzaamheden en de gezondheidsklachten, mede gelet op het multi-causale karakter daarvan, te onbepaald en te onzeker is.

1 Het procesverloop

1.1.

[eiseres] heeft bij dagvaarding van 5 januari 2021 een vordering tegen [werkgever] ingesteld. [werkgever] heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

Bij aktes van 26 augustus en 9 september 2021 en 8 februari 2022 heeft [eiseres] haar eis gewijzigd.

1.3.

Bij akte van 26 augustus 2021 heeft [eiseres] ook een incidentele vordering ex artikel 843a Rv ingediend. Daarop is, na antwoord van [werkgever] , bij vonnis in incident van 2 december 2021 beslist.

1.4.

Bij brief van 3 februari 2022 heeft [eiseres] een verzoek gedaan tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor.

1.5.

Op 17 februari 2022 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. [eiseres] en [werkgever] hebben gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd. Voorafgaand aan de zitting heeft [werkgever] bij brief van 13 januari 2022 nadere stukken ingediend. [eiseres] heeft bij brief van 8 februari 2022 nadere stukken toegezonden.

2 Feiten

2.1.

[eiseres] is van 18 juni 2001 tot 1 oktober 2020 in dienst geweest bij (de rechtsvoorganger van) [werkgever] . De functie van [eiseres] was Assistent Begeleider met een salaris van € 2.392,01 bruto per maand op basis van een 32-urige werkweek. De overname door [werkgever] heeft plaatsgevonden per 1 juli 2017.

2.2.

[werkgever] biedt op diverse aspecten begeleiding aan mensen met een verstandelijke beperking, autisme of niet aangeboren hersenletsel.

2.3.

In 2016 is [eiseres] vijf dagen ziek geweest, in 2017 zeven dagen en in 2018 is zij ziek geweest op 5, 6 en 24 juli tot en met 7 augustus.

2.4.

Vanaf oktober 2018 heeft de leidinggevende van [eiseres] ( [de leidinggevende] ) meermaals aan [eiseres] laten weten dat zij niet tevreden is over het functioneren van [eiseres] .

2.5.

In een e-mail van 19 februari 2019 heeft [de leidinggevende] [eiseres] uitgenodigd voor een gesprek over het functioneren van [eiseres] en omdat [eiseres] had aangegeven dat ze klachten van overbelasting ervoer. e

2.6.

Eind februari 2019 heeft [eiseres] zich ziek gemeld, waarna zij tot 6 mei 2019 (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt is geweest.

2.7.

In de zomer van 2019 is [eiseres] op initiatief van [de leidinggevende] gestart met een verbetertraject inclusief scholing op maat, met een looptijd tot juli 2020. Als onderdeel van dit traject heeft [eiseres] vanaf de zomer van 2019 een opleiding gevolgd. [werkgever] heeft [eiseres] bij aanvang van het traject voorgehouden dat het traject niet vrijblijvend is en dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden wordt beëindigd indien [eiseres] twee keer negatief wordt beoordeeld tijdens een tussentijdse evaluatie of het traject niet tijdig en met een positieve eindevaluatie wordt afgerond. Aan [eiseres] is in dat kader een vaststellingsovereenkomst voorgelegd, waarmee [eiseres] niet akkoord is gegaan.

2.8.

In september 2019 heeft [eiseres] bij de adviseur inzetbaarheid van de Arbodienst van [werkgever] gemeld dat zij als gevolg van het ingezette verbetertraject druk ervaart en bang is te gaan uitvallen.

2.9.

Eind oktober 2019 heeft [eiseres] zich wegens rugklachten ziekgemeld, waarna zij tot eind december 2019 (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt is geweest.

2.10.

In een e-mail van 2 december 2019 heeft [de leidinggevende] [eiseres] onder meer laten weten dat de tussentijdse evaluatie van het verbetertraject wordt uitgesteld tot februari 2020 omdat [eiseres] door ziekte en geplande vrije dagen beperkt aanwezig was geweest, waardoor het nog niet mogelijk was een eerste beoordeling te geven over de gewenste voortgang.

2.11.

Eind januari 2020 heeft [de leidinggevende] [eiseres] per e-mail laten weten dat de eerste tussentijdse evaluatie als gevolg van haar beperkte aanwezigheid sinds de start van de opleiding, als onvoldoende beoordeeld zal worden.

2.12.

Van 6 tot en met 9 februari 2020 heeft [eiseres] zich ziekgemeld met psychische klachten.

2.13.

[eiseres] heeft een tussenevaluatie psychologische behandeling BasisGGZ van 7 februari 2020 overgelegd, waarin staat:

Aanmelding & klachten : Mevrouw is bij ondergeschreven behandelaar in behandeling, sinds februari 2019. Mevrouw had last van spanningsklachten. Zij sliep slecht, voelde zich gejaagd en rusteloos. Zij had last van fysieke klachten, rugklachten en hoofdpijn.

Verloop van behandeling : Middels inzicht gevende technieken en interventies vanuit de emotie gerichte therapie, heeft mevrouw geleerd beter in contact te komen met haar eigen emoties en verlangens. Zij leert beter voor zichzelf te zorgen, haar verlangens uit _te spreken.

Haar werk is belangrijk voor haar. Mevrouw werkt als assistent begeleider bij een Gezondheidsinstelling. Zij is betrokken, wil het graag goed doen voor haar cliënten, collega's en leidinggevende. Bij aanvang van de therapie geeft cliënte aan zeer onzeker te worden van haar werk. Cliënte krijgt veel negatieve feedback van haar leidinggevende, zo vertelt zij. Zij ervaart een weinig veilig werkklimaat, waarbij fouten worden uitvergroot, zo vertelt zij. Het is haar niet altijd duidelijk hoe zij goed kan presteren, zo geeft zij aan. Zij heeft bevestiging nodig en krijgt die te weinig, zo zegt zij. Het afgelopen jaar kwam naar voren hoe ondermijnend dit systeem voor haar leek te werken.

Haar onzekerheid werd groter, zij werd faalangstig, zij haalde geen plezier meer uit haar werk. Zij gaf aan wel nog energie uit haar collega's te halen, maar het leek een fijne lijn waar mevrouw zich op bewoog. Vanuit de therapie is diverse malen gekeken hoe zij meer afstand kon nemen. Vanuit haar onzekerheid ging zij alleen maar harder werken, zette zich enorm in voor bijvoorbeeld een opleiding die haar gevraagd was te doen, zo gaf zij aan.

Verdere doelstellingen behandeling : In de verdere behandeling zal mevrouw verder geleerd worden zichzelf centraal te stellen en te begrenzen. De situatie op het werk lijkt zorgelijk.

Prognose : Als mevrouw haar behandeldoelen behaalt en er binnen het werk goed op haar gereageerd kan worden, verwachten wij de prognose gunstig.’

2.14.

Op 12 februari 2020 heeft [de leidinggevende] [eiseres] bevestigd dat het eindoordeel van de eerste tussentijdse evaluatie onvoldoende is, omdat de aanwezigheid van [eiseres] bovengemiddeld laag is geweest. Daardoor kon onvoldoende worden beoordeeld of [eiseres] een groei had laten zien en die ook wist vast te houden. De tweede tussentijdse evaluatie is gepland in april 2020.

2.15.

[eiseres] heeft vervolgens aan [de leidinggevende] laten weten dat zij het niet eens is met de onvoldoende beoordeling en dat zij niet zal deelnemen aan een door [de leidinggevende] voorgesteld gesprek om afspraken te maken over het vervolg van het verbetertraject.

2.16.

Op 24 februari 2020 heeft [eiseres] een gesprek gehad met de Adviseur Inzetbaarheid, die over dit gesprek het volgende heeft geschreven: ‘Mevrouw vraagt AI om een onderzoek in te stellen naar haar situatie. Mevrouw zit in een verbetertraject en dit loopt voor mevrouw niet zoals zou moeten. Mevrouw geeft aan hierdoor al gedurende een jaar op haar tenen te lopen en nu beperkingen te hebben in persoonlijk en sociaal functioneren. Ik heb met mevrouw de situatie uitgevraagd echter mevrouw blijft vragen om het onderzoek. Hierop eiste zij een antwoord voordat het gesprek verder zou gaan. Mijn antwoord hierop was nee. Ik kan geen onafhankelijk onderzoek voor jou uitvoeren. Hierop heeft mevrouw het gesprek beëindigd.’

2.16.

Op 25 februari 2020 heeft tussen [eiseres] , [de leidinggevende] en HR een gesprek plaatsgevonden over de onvoldoende tussentijdse beoordeling. [eiseres] heeft niet inhoudelijk willen reageren op de vraag wat zij nodig heeft in het verbetertraject en op welke punten zij extra ondersteuning wenst. Verder is [eiseres] in het gesprek door [de leidinggevende] aangesproken op een aantal e-mails die [de leidinggevende] van [eiseres] had ontvangen die [de leidinggevende] als agressief en aanvallend heeft ervaren.

2.17.

In navolging op dit gesprek heeft [eiseres] [de leidinggevende] een aantal e-mails gestuurd, waarin zij heeft aangegeven dat [de leidinggevende] haars inziens niet in staat is een verbetertraject te begeleiden en dat [de leidinggevende] aan zelfreflectie zou moeten doen.

2.18.

Het gesprek van 25 februari 2020 en de e-mails van [eiseres] voorafgaand en na dat gesprek waren voor [werkgever] aanleiding [eiseres] op 26 februari 2020 op non-actief te stellen vanwege een vastgelopen arbeidsrelatie. [werkgever] heeft aangekondigd een ontbindingsprocedure te starten, voor het geval [eiseres] haar standpunt en gedragslijn over [de leidinggevende] en het verbetertraject niet zou herzien.

2.19.

In een brief van 28 februari 2020 heeft [werkgever] een voorstel van [eiseres] , om een mediator in te schakelen, van de hand gewezen.

2.20.

Op 30 maart 2020 heeft [werkgever] een ontbindingsverzoek ingediend, waarna de arbeidsovereenkomst bij beschikking van 31 augustus 2020 met ingang van 1 oktober 2020 is ontbonden wegens een verstoorde arbeidsrelatie (8429999 \ AO VERZ 20-50). In de beschikking staat voor zover relevant: ‘De kantonrechter is van oordeel dat beide partijen enig verwijt valt te maken, maar dat van een ernstig verwijtbaar handelen noch aan de zijde van [eiseres] , noch aan de zijde van [werkgever] sprake is geweest. (…) Omdat [eiseres] ter zitting expliciet heeft verzocht geen billijke vergoeding toe te kennen, zal de kantonrechter geen nadere overweging daaraan wijden. (…)’. [eiseres] heeft geen hoger beroep tegen deze beschikking ingesteld.

2.21.

[eiseres] ontvangt sinds de beëindiging van haar arbeidsovereenkomst met [werkgever] een WW-uitkering van het UWV. [eiseres] heeft besloten dat zij niet meer gaat solliciteren op vacatures in de (gehandicapten) zorg, omdat zij na een korte periode van vrijwilligerswerk op een dagbesteding in 2021 heeft geconcludeerd dat zij niet meer geschikt is voor werken in de (gehandicapten-)zorg.

3 De (gewijzigde) vordering

3.1.

[eiseres] vordert dat de kantonrechter, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat [werkgever] jegens [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW en wanprestatie jegens [eiseres] heeft gepleegd door zich niet als goed werkgever te gedragen, door:
(i) het creëren en in stand laten van een onveilig werkklimaat (2019/2020),
(ii) een chronisch te hoge werkdruk en andere schadelijke werkomstandigheden laten voortbestaan, waardoor ziekteverzuim en gezondheidsschade ontstaat (2016-2020),
(iii) na te laten adequate actie te nemen na de melding in maart 2019 van een onveilig werkklimaat en te hoge werkdruk (2019-2020),
(v) door psychische en lichamelijke ziekte-schade te veroorzaken (2019-2020 en daarvoor) en
(vi) geen RI&E update (2016-2020).

II. [werkgever] te veroordelen tot vergoeding aan [eiseres] van € 21.180,- (bestaande uit € 5.000,- aan immateriële schadevergoeding en € 16.180,- aan materiele schadevergoeding) als gevolg van het verwijtbaar handelen en nalaten van [werkgever] bestaande uit de onder I) genoemde onrechtmatige daden en wanprestaties, te betalen binnen 14 dagen na betekening van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, onder vermelding daarbij dat [eiseres] afstand heeft gedaan van haar recht op een hogere totale schadevergoeding dan de competentiegrens van € 25.000,- uit artikel 93 Rv;

III. [werkgever] te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van de juridische kosten die tot en met de zittingsdatum zijn begroot op € 1.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente;

IV. [werkgever] te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van de nakosten.

3.2.

[eiseres] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [werkgever] schadeplichtig is jegens [eiseres] , omdat [eiseres] psychische en lichamelijke schade heeft geleden door onrechtmatig handelen en wanprestatie van [werkgever] . De materiële schadevergoeding bestaat uit een bedrag van € 3.820,- aan medische kosten (hogere ziektekostenpremie voor fysiotherapie en de eigen bijdrage van 2018 – 2021 voor slaaponderzoek, reumatoloog en psycholoog) en € 12.360,- aan loonverlies (verschil tussen WW-uitkering en loon bij [werkgever] ).

4 Het verweer

4.1.

[werkgever] betwist de vordering. Zij voert primair aan dat de dagvaarding nietig moet worden verklaard op grond van artikel 111 lid 2 sub d Rv en 120 lid 1 Rv jo 122 Rv.
Verder moet de kantonrechter zich onbevoegd verklaren van het geschil kennis te nemen, omdat de vorderingen de competentiegrens ex artikel 93 Rv overschrijden.
Subsidiair stelt [werkgever] zich op het standpunt dat de vorderingen niet-ontvankelijk zijn althans moeten worden afgewezen, omdat [eiseres] geen belang bij de vorderingen heeft, zij misbruik van haar processuele bevoegdheid maakt en het ‘ne bis in idem’ beginsel eraan in de weg staat dat na de beslissing in de ontbindingszaak nogmaals over deze zaak wordt geoordeeld.
Meer subsidiair betwist [werkgever] dat sprake is van een onrechtmatige daad of wanprestatie. [werkgever] betwist ook dat [eiseres] de door haar gestelde schade heeft geleden door schadelijke werkomstandigheden bij [werkgever] . [eiseres] heeft hiervan ook geen bewijs geleverd.
moet worden veroordeeld tot betaling van een symbolisch bedrag van € 2.000,- aan proceskosten, omdat zij wist danwel had moeten begrijpen dat deze procedure geen kans van slagen heeft. [werkgever] heeft hierdoor onnodig hoge advocaatkosten moeten maken.

5 De beoordeling

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of [werkgever] aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] stelt te hebben geleden door de werkomstandigheden bij [werkgever] .

Bevoegdheid kantonrechter

5.2.

Het verweer van [werkgever] dat de kantonrechter niet bevoegd is en de zaak moet verwijzen naar de rechtbank slaagt niet. De competentiegrens uit artikel 93 sub a en b Rv is niet van toepassing, omdat het geschil betrekking heeft op een arbeidsovereenkomst. De kantonrechter is daarom op grond van artikel 93 sub c Rv bevoegd van het geschil kennis te nemen ongeacht de hoogte van de vordering.

Nietigheid dagvaarding

5.3.

[werkgever] heeft aangevoerd dat de dagvaarding nietig moet worden verklaard, omdat rt (in strijd met artikel 111 lid 2 sub d en lid 3, artikel 120 en 122 Rv) geen producties met de dagvaarding zijn mee betekend, de dagvaarding onnavolgbaar is en een feitelijke onderbouwing ontbreekt, het petitum te ruim en te onbepaald is en de verweren van [werkgever] niet in de dagvaarding zijn opgenomen.

5.4.

De kantonrechter overweegt dat de sanctie van nietigheid slechts is verbonden aan het niet in acht nemen van expliciet op straffe van nietigheid voorgeschreven formaliteiten.1 Daarvan is in dit geval geen sprake.

5.5.

Dat de producties niet met de dagvaarding zijn meegestuurd, leidt niet tot nietigheid van de dagvaarding (artikel 85 lid 4 en artikel 86 lid 6 Rv). De kantonrechter ziet geen aanleiding daar een andere sanctie aan te verbinden. Ter zitting is namelijk duidelijk geworden dat [werkgever] de producties bij de dagvaarding op een later moment alsnog heeft ontvangen, waardoor zij niet in haar belangen is geschaad.
Ten aanzien van de aanvullende producties die [eiseres] op 8 februari 2022 heeft ingediend, is door [werkgever] terecht opgemerkt dat dat te laat (want buiten de gestelde termijn van 10 dagen voor de mondelinge behandeling) is gebeurd. Gelet op de geringe termijnoverschrijding (van een dag) zal de kantonrechter hieraan echter geen sanctie verbinden en de stukken tot het geding toelaten.
Voor de (aanvullende) producties 2.20 en III.1 tot met III.7 ligt dat anders. [werkgever] heeft ter zitting namelijk aangegeven dat zij deze stukken niet heeft ontvangen. De kantonrechter zal die producties daarom buiten beschouwing laten (artikel 85 lid 4 en artikel 87 lid 6 Rv).

5.6.

De kantonrechter is met [werkgever] van oordeel dat de 63 pagina’s tellende dagvaarding zeer moeilijk leesbaar en op sommige onderdelen onnavolgbaar is. Toch kunnen daaruit wel de eis, de gronden daarvan en enige feitelijke onderbouwing worden gedestilleerd. Ook het petitum is – na diverse eiswijzigingen - voldoende concreet geformuleerd om over te kunnen oordelen. Daarmee is naar het oordeel van de kantonrechter in voldoende mate voldaan aan de eisen van artikel 111 lid 2 sub d Rv.

De kantonrechter wijst er, wellicht ten overvloede, nog op dat bij de beoordeling, ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 10 maart 2017 slechts acht zal worden geslagen op feiten waarop een partij ter ondersteuning van haar standpunt een beroep heeft gedaan. De enkele omstandigheid dat uit door een partij overgelegde stukken een bepaald feit blijkt, impliceert niet dat zij zich ter ondersteuning van haar standpunt op dat feit beroept.

5.7.

[werkgever] heeft ook aangevoerd dat door [eiseres] de substantiëringsplicht ex artikel 111 lid 3 Rv is geschonden. Een eventuele schending van de substantiëringsplicht leidt ex artikel 111 lid 3 Rv echter niet tot nietigheid van de dagvaarding, zodat in het midden kan blijven of [eiseres] zich hieraan heeft schuldig gemaakt.

5.8.

Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat geen sprake is van nietigheid van de dagvaarding en dat de vorderingen ontvankelijk zijn.

Geen belang / misbruik van processuele bevoegdheid

5.9.

Het verweer van [werkgever] dat [eiseres] geen belang heeft bij deze procedure en dat [eiseres] misbruik van haar processuele bevoegdheid maakt door desondanks tegen [werkgever] te procederen, slaagt niet. Uit de processtukken blijkt dat [eiseres] wel degelijk (wellicht naast een streven om de gezondheidszorg in het algemeen te willen veranderen) belang heeft bij deze procedure; zij meent immers schade te hebben geleden door toedoen van [werkgever] , waarvoor zij [werkgever] aansprakelijk houdt. Van misbruik van processuele bevoegdheid is daardoor geen sprake.

Ne bis in idem

5.10.

De kantonrechter is, anders dan door [werkgever] bepleit, van oordeel dat het ‘ne bis in idem’ beginsel niet aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil in de weg staat. De reden hiervoor is dat in beide procedures een andere rechtsvraag centraal staat. In de ontbindingsprocedure ging het om de vraag of de aangedragen feiten en omstandigheden een ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigden en zo ja, of [werkgever] daarvan een ernstig verwijt te maken viel, in welk geval [eiseres] aanspraak zou kunnen maken op een billijke vergoeding.
In deze procedure staat echter de rechtsvraag centraal of [werkgever] aansprakelijk is voor lichamelijke en psychische schade die [eiseres] stelt te hebben geleden door schadelijke werkomstandigheden bij [werkgever] . Hoewel in beide procedures (grotendeels) hetzelfde feitencomplex aan de orde is, zijn strekking, inhoud en grondslag van de vorderingen wél verschillend.2 Van strijdigheid met het ‘ne bis in idem’ beginsel is daardoor geen sprake. Dat is niet anders in het geval verschillende vergoedingen zouden worden toegekend die zien op dezelfde schade (zoals volgens [werkgever] het geval is bij de door [eiseres] gevorderde inkomensschade in relatie tot de reeds toegekende ontbindingsprocedure). In dat geval kan immers verrekening plaatsvinden.3 Overigens heeft de kantonrechter in de ontbindingsprocedure op uitdrukkelijk verzoek van [eiseres] geen oordeel over de billijke vergoeding gegeven (omdat [eiseres] de mogelijkheid wilde behouden om in een bodemprocedure integrale schadevergoeding van [werkgever] te vorderen), zodat ook om die reden het ‘ne bis in idem’ niet aan een inhoudelijke beoordeling in de weg staat.

Aansprakelijkheid [werkgever] ?

5.11.

[eiseres] stelt psychische en lichamelijke schade te hebben geleden waarvoor [werkgever] aansprakelijk is als gevolg van onrechtmatige daden en wanprestatie van [werkgever] jegens [eiseres] , bestaande uit:

1) een onveilig werkklimaat creëren en in stand laten (in 2019/2020) door de omstandigheden, zoals genoemd op pagina 11 tot en met 13 van de dagvaarding, waaronder:
- het ontslaan van meerdere werknemers van 55 jaar en ouder
- angst creëren
- het verhogen van de werkdruk
- de focus leggen op fouten
- collega’s tegen elkaar uitspelen
- tijdens ziekte bellen over werkzaken
- mannelijke collega’s voortrekken, meten met twee maten
- schreeuwen
- niet transparant zijn
- geen begeleiding vanwege personeelstekorten
- [eiseres] verbieden ziek te zijn
- klachten niet serieus nemen
- [eiseres] opjagen

2) een te hoge werkdruk laten voortbestaan en andere schadelijke werkomstandigheden (in 2016-2020), door onder andere:
- het uitdunnen van het team / personeelstekort
- chronisch geldtekort
- grotere groepen cliënten
- onvoldoende zorg voor personeel
- teveel werkzaamheden voor de beschikbare tijd, waardoor achterstanden ontstaan
- deadlines en een te hoog werktempo
- onvoldoende pauze gelegenheid te bieden
- vanaf september 2019 onvoldoende gelegenheid voor verlofopname
- onvoldoende mogelijkheden om het werk zelf te kunnen indelen, en ongunstige, onregelmatige werkroosters
- een hoge emotionele belasting
- onvoldoende gelegenheid om nieuwe vaardigheden aan te leren
- onvoldoende begrip en zorg vanuit het management
- verbale agressie
- ongewenst gedrag door collega’s en leidinggevenden zoals pesten, intimidatie en discriminatie
- te hoge taakeisen te stellen
- te weinig afwisseling in het werk
- een te hectische werkomgeving
- te vaak/lang overwerken

4) na te laten adequate actie te nemen na de melding van [eiseres] over een onveilig werkklimaat en te hoge werkdruk (2019/2020);

5) psychische en lichamelijke ziekte-schade te veroorzaken (in 2019/2020, daarvoor), bestaande uit:
- hielspoor door veel staan en lopen, overbelasting
- pijn in onderrug door veel staan en fysieke overbelasting als gevolg van ADL-zorg, duwen van rolstoelen, algehele vermoeidheid door hoge werkdruk, multi-tasken
- fybromyalgie
- ziekteverzuim door oververmoeidheid en stress gerelateerde klachten

9) geen RI&E update (2016-2020)

5.12.

Volgens [eiseres] heeft [werkgever] met bovengenoemd handelen en nalaten de volgende wettelijke bepalingen geschonden: artt. 207, 225, 300, 336 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en art. 3 lid 1 a en b, lid 2, lid 4, art. 5 en art. 32 van de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) en heeft zij gehandeld in strijd met de zorgvuldigheidsnorm in het maatschappelijk verkeer.
De tekortkomingen zijn aan [werkgever] toe te rekenen, omdat [werkgever] de onrechtmatige daden willens en wetens heeft gepleegd. Er is volgens [eiseres] ook voldaan aan de causaliteits- en relativiteitseis uit artikel 6:162 BW, omdat de door haar geleden schade voorzienbaar en een direct gevolg is van het onrechtmatig handelen van [werkgever] , terwijl de geschonden wettelijke bepalingen als doel hebben die schade te voorkomen.

5.13.

Ter onderbouwing van het causaal verband tussen haar schade en de werkzaamheden doet [eiseres] een beroep op:
(i) het feit van algemene bekendheid dat sprake is van een te hoge werkdruk in de gezondheidszorg, wat onder andere kan leiden tot lichamelijke en geestelijke gezondheidsschade waaronder stress, uitval door ziekte, slapeloosheid en
(ii) het feit van algemene bekendheid dat een onveilig werkklimaat veroorzaakt door handelen van een leidinggevende kan leiden tot lichamelijke en geestelijke gezondheidsschade, waaronder stress, uitval door ziekte, slapeloosheid

5.14.

Ter onderbouwing van het door [eiseres] gestelde onveilige werkklimaat en de chronisch te hoge werkdruk op haar eigen werklocatie ( [werklocatie] , verwijst [eiseres] naar:
(iii) de Arbodienst-dossiers (productie III.9),
(iv) de tussenrapportage van haar psycholoog (productie 1.2),
(v) verklaringen van ex-collega’s,
(vi) verslagen / transcripten van gesprekken.

(vii) e-mailberichten van werknemers onderling en met leidinggevenden,
(viii) OR e-mails en
(ix) een e-mailbericht van directeur [directeur] , leidinggevenden onderling, afdeling HR.

5.15.

[werkgever] heeft de stellingen van [eiseres] (gemotiveerd) betwist.

Aansprakelijkheid op grond van artikel 7:658 BW?

5.16.

De kantonrechter stelt vast dat [eiseres] haar vordering heeft gebaseerd op artikel 6:162 en 6:74 jo 7:611 BW. De kantonrechter zal de vorderingen echter eerst beoordelen op basis van artikel 7:658 BW, omdat deze lex specialis van boek 6 de aansprakelijkheid van werkgevers regelt voor schade van werknemers geleden in de uitoefening van de werkzaamheden.

5.17.

Op grond van artikel 7:658 lid 2 BW is een werkgever tegenover een werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont dat hij zijn zorgplicht als bedoeld in lid 1 van dat artikel is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Hieruit volgt:

I. dat de werknemer moet stellen en bij betwisting bewijzen dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden, derhalve dat sprake is van een causaal verband tussen de werkzaamheden en de schade;

II. dat indien dit vast komt te staan, de werkgever vervolgens moet stellen en zo nodig bewijzen dat hij heeft voldaan aan zijn verplichting om voor een veilige werkplek en gezonde arbeidsomstandigheden te zorgen; hij moet dus bewijzen dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan;

III. dat wanneer de werkgever er niet in slaagt te bewijzen dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan, het causaal verband tussen zijn tekortkoming en de schade in beginsel gegeven is.

5.18.

Bij gezondheidsschade die niet veroorzaakt is door een arbeidsongeval, zoals bij beroepsziekten, is niet altijd duidelijk of de oorzaak werk gerelateerd is. Om de werknemer tegemoet te komen in zijn stelplicht en bewijslast, hanteert de Hoge Raad de arbeidsrechtelijke omkeringsregel:

a. de werknemer moet stellen en bij betwisting aannemelijk maken dat hij bij het verrichten van de werkzaamheden is blootgesteld aan omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid;

b. daarnaast moet de werknemer stellen en bij betwisting aannemelijk maken dat hij lijdt aan een ziekte of gezondheidsklachten die door de blootstelling kunnen zijn veroorzaakt;

c. de werkgever is dan aansprakelijk, op grond van het vermoeden dat de gezondheidsschade van de werknemer is veroorzaakt door de omstandigheden waarin deze zijn werkzaamheden heeft verricht, tenzij de werkgever kan aantonen dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan.

5.19.

Er is evenwel een ondergrens voor het toepassen van de omkeringsregel, in die zin dat

daarvoor geen plaats is als het verband tussen de gezondheidsschade en arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald is.4

Fysieke klachten

5.20.

[eiseres] stelt dat zij als gevolg van de werkomstandigheden fysieke klachten in de vorm van rugklachten, hielspoor en fybromyalgie heeft gekregen. Als oorzaken noemt [eiseres] fysieke overbelasting, veel lopen en staan, ADL-werkzaamheden, het duwen van rolstoelen, multi-tasken en een (te) hoge werkdruk.

5.21.

Voor vaststelling van aansprakelijkheid door [werkgever] voor door [eiseres] als gevolg van de fysieke klachten geleden schade dient een causaal verband te worden vastgesteld tussen de klachten en de uitoefening van de werkzaamheden. [werkgever] heeft dit verband en de door [eiseres] gestelde schadelijke werkomstandigheden, waardoor de fysieke klachten zouden zijn ontstaan, uitdrukkelijk weersproken. Daarnaast heeft [werkgever] gewezen op de volgende maatregelen die zij heeft genomen ter voorkoming van te hoge werkdruk en het ontstaan van fysieke klachten:
- de groepsgrootte op of onder de norm van 8 is;

- de medewerkers worden uit geroosterd van groepsactiviteiten voor administratieve taken;

- de medewerkers ondersteuning krijgen van persoonlijk begeleiders, leidinggevende, gedragskundig GZ-psycholoog en zorgbemiddelaar;

- scholing op het gebied van tiltechnieken, methodiek en gedragsproblematiek;

- er ADL-medewerkers zijn die primair de ADL-taken uitvoeren;

- [eiseres] vanwege haar lichamelijke klachten langere tijd in het geheel geen ADL-taken heeft hoeven uitvoeren;

- er tilliften worden gebruikt waarvoor medewerkers jaarlijks een tilcursus krijgen;

- er consulten van een ergo-coach beschikbaar zijn voor tips en adviezen;

- aanschaf van een kruk;

- er hoog-laag bedden worden gebruikt;

- vaste deskundige invallers in geval van afwezigheid van vaste begeleiders;

- vrijwilligers die de begeleiders structureel ondersteunen bij activiteiten;

5.22.

Het ligt gelet hierop op de weg van [eiseres] om het verband tussen de fysieke klachten en de werkzaamheden te bewijzen. De door [eiseres] overgelegde bescheiden bieden daarvoor onvoldoende steun. De kantonrechter stelt vast dat een verklaring van een medische deskundige die de fysieke klachten en de oorzaak daarvan heeft vastgesteld, ontbreekt. Ook ontbreekt een medische verklaring dat sprake is van lichamelijke klachten die in de uitoefening van de werkzaamheden zijn ontstaan. [eiseres] heeft ter onderbouwing van het causale verband slechts verwezen naar feiten van algemene bekendheid (ad i en ii) dat in de gezondheidszorg sprake is van een hoge werkdruk en dat een hoge werkdruk en een onveilig werkklimaat kunnen leiden tot fysieke klachten. Dat is echter onvoldoende om in deze concrete situatie het vereiste causale verband aan te nemen.

5.23.

Ook op basis van de onder r.o. 5.14 genoemde stukken kan het vereiste causale verband niet worden aangenomen. Zo blijkt uit het Arbodossier (ad iii) weliswaar dat [eiseres] in 2019 en 2020 geregeld (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt was door fysieke en mentale klachten, maar niet dat die klachten door (schadelijke) werkomstandigheden zijn veroorzaakt. Datzelfde geldt voor de tussenrapportage van de psycholoog (t.o. 2.13), waarin ten aanzien van de fysieke klachten slechts valt te lezen dat [eiseres] kampte met rug- en hoofdpijn. Dit rapport levert echter geen bewijs van het causaal verband tussen die klachten en de werkomstandigheden.

Voor wat betreft de verklaringen van ex-collega’s (ad v) doelt [eiseres] vermoedelijk op een e-mail van 5 maart 2020 van oud-collega [oud-collega] . Daarin geeft [oud-collega] aan dat zij het vervelend vindt dat ze door [eiseres] wordt benaderd, dat zij niet wil dat [eiseres] haar naam en verhaal gebruikt en bevestigt [oud-collega] dat ze destijds de keuze heeft gemaakt om bij [werkgever] weg te gaan en dat achter zich wil laten. De kantonrechter leest ook daarin geen onderbouwing voor de stellingen van [eiseres] .
Datzelfde geldt voor de e-mails van collega’s onderling en met leidinggevenden en verslagen van vergaderingen (ad vi en vii). Daaruit blijkt niets meer of minder dan dat de (krappe) bezetting en de noodzaak tot vervanging van zieke collega’s een gespreksonderwerp binnen het team is en de aandacht van [werkgever] heeft.
Uit een e-mail van de OR (viii) over een OR-petitie ter verbetering van de werkdruk in de gehandicaptenzorg blijkt weliswaar dat de werkdruk een onderwerp is dat leeft in de gezondheidzorg, maar dit alles levert nog geen bewijs van het causaal verband tussen de door [eiseres] gestelde lichamelijke klachten en de werkomstandigheden op de werkplek van [eiseres] bij [werkgever] .
Tot slot verwijst [eiseres] nog naar e-mails van statutair directeur [directeur] (ad iv), maar onduidelijk is welke e-mail (van de talloze e-mails die [eiseres] heeft overgelegd) wordt bedoeld. Voor zover het gaat om een e-mail van 4 maart 2020, waarin [directeur] aan [eiseres] laat weten dat hij mediation niet zinvol acht (productie 15.3), ziet de kantonrechter niet in hoe die e-mail kan bijdragen aan het door haar te leveren bewijs van het causaal verband.

5.24.

De conclusie is dat [eiseres] er niet in is geslaagd het vereiste causaal verband tussen de lichamelijke klachten en de werkomstandigheden te bewijzen. Voor toepassing van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel ziet de kantonrechter geen grond. Daarvoor is, vanwege het multi-causale karakter van de fysieke klachten, het verband tussen de lichamelijke klachten en de werkomstandigheden te onzeker en te onbepaald. Door de multi-causale aard van de klachten zal [eiseres] óók feiten en omstandigheden met betrekking tot haar werksituatie moeten stellen op grond waarvan kan worden aangenomen dat haar klachten daardoor en niet door iets anders zijn ontstaan. Wanneer immers sprake is van een volstrekt normale werksituatie en een werknemer niettemin klachten krijgt, kan niet gezegd worden dat deze klachten door de werksituatie zijn veroorzaakt. Onder verwijzing naar r.o. 5.21, oordeelt de kantonrechter dat [eiseres] hierin – in het licht van de gemotiveerde betwisting door [werkgever] , niet is geslaagd.

Psychische klachten

5.25.

De kantonrechter overweegt dat een werkgever op grond van artikel 7:658 BW onder omstandigheden óók voor psychische schade van de werknemer aansprakelijk kan worden gesteld.5 Ook bij psychische schade geldt dat er een causaal verband moet zijn tussen de werkzaamheden en de – in dit geval psychische - schade. De werknemer dient te stellen en in geval van betwisting te bewijzen dat hij psychische schade heeft geleden als gevolg van zijn werkzaamheden.

5.26.

[werkgever] heeft het causaal verband tussen de psychische klachten en de werkzaamheden betwist. Zij betwist ook dat sprake is van een structureel te hoge werkdruk (zie ook r.o. 5.21) en een onveilig werkklimaat als gevolg van door [eiseres] gestelde (en de door [werkgever] betwiste) gedragingen van [de leidinggevende] . Volgens [werkgever] blijkt uit (niet in het geding gebrachte) evaluaties en medewerkers tevredenheidsonderzoeken dat het werkklimaat door het personeel als prettig wordt ervaren en dat de werkdruk bij [werklocatie] in vergelijking tot andere werkgevers/vestigingen van [werkgever] , over het algemeen niet als te hoog wordt ervaren. Volgens [werkgever] zijn de door [eiseres] ervaren psychische klachten niet het gevolg van (schadelijke) werkomstandigheden, maar van het feit dat [eiseres] de capaciteiten voor de functie van assistent-begeleider ontbeerde, waardoor zij het tempo en de taken niet aankon.

5.27.

Het is gelet op de gemotiveerde betwisting van [werkgever] aan [eiseres] om het vereiste causaal verband tussen haar psychische schade en de werkomstandigheden te bewijzen. De tussenrapportage van de psycholoog (r.o. 2.13) is hiervoor onvoldoende. Deze rapportage maakt melding van door [eiseres] ervaren spanningsklachten (slechts slapen, opgejaagd en rusteloos gevoel) en vermeldt dat [eiseres] onzeker wordt van het werk doordat zij veel negatieve feedback van haar leidinggevende ontvangt, dat [eiseres] een weinig veilig werkklimaat ervaart, weinig bevestiging krijgt en faalangstig is geworden. Iedere toelichting van (een medisch deskundige) op de betekenis die deze verklaring voor het causaal verband volgens hem zou moeten hebben ontbreekt. Het rapport is dan ook onvoldoende om een causaal verband tussen de diverse psychische klachten en de werkomstandigheden te kunnen aannemen. Onder verwijzing naar hetgeen onder 5.22 en 5.23 is overwogen, oordeelt de kantonrechter dat ook de door [eiseres] aangehaalde ‘feiten van algemene bekendheid’ (i en ii)en de door [eiseres] aangehaalde stukken (iii tot en met iv) onvoldoende zijn om een causaal verband tussen de psychische klachten en de werkomstandigheden aan te nemen.

5.28.

De conclusie van het voorgaande is dat [eiseres] er niet in is geslaagd het causale verband tussen haar psychische klachten enerzijds en de werkzaamheden anderzijds te bewijzen. De kantonrechter ziet geen aanleiding [eiseres] tegemoet te komen in de bewijslast door de arbeidsrechtelijke omkeringsregel toe te passen. Het verband tussen de psychische klachten en de werkomstandigheden is te onzeker /te onbepaald, doordat de psychische klachten van [eiseres] multifactorieel van aard zijn. Stress kan immers door vele omstandigheden ontstaan en is sterk individueel bepaald. Onder gelijke omstandigheden zal de ene persoon geen stressklachten krijgen en de andere wel. Voorts kan stress ook worden veroorzaakt door persoonlijke omstandigheden en kan bijvoorbeeld een minder goede lichamelijke conditie maken dat iemand minder goed bestand is dan normaal tegen de eisen die zijn werkzaamheden aan hem stellen, zodat de werkdruk als te zwaar – als stress -wordt ervaren. Dat betekent dat de werknemer, die stelt dat hij door zijn werk stressklachten heeft gekregen, feiten en omstandigheden met betrekking tot zijn werksituatie zal moeten stellen op grond waarvan moet worden aangenomen dat c.q. in hoeverre, zijn klachten door zijn werk en niet door iets anders zijn ontstaan. Wanneer immers sprake is van een volstrekt normale werksituatie en een werknemer niettemin klachten krijgt, kan niet gezegd worden dat deze klachten door de werksituatie zijn veroorzaakt.6

5.29.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiseres] niet aannemelijk gemaakt dat de arbeidsomstandigheden bij [werkgever] zodanig waren dat naar objectieve maatstaven bij [eiseres] sprake was van (mentale) overbelasting die door toedoen van [werkgever] is veroorzaakt. De door [eiseres] ervaren werkdruk rechtvaardigen niet zonder meer de conclusie dat de werkdruk ook naar objectieve maatstaven te hoog was. Van belang in dit verband is dat van structureel overwerk door [eiseres] geen sprake lijkt te zijn geweest. [eiseres] heeft hierover in haar dagvaarding immers zelf opgemerkt dat zij ‘doe dit [overwerken, ktr] zo min mogelijk, soms wel of neem werk mee naar huis’. Ook is niet gebleken dat op basis van de functie en het takenpakket van [eiseres] meer van haar werd verlangd dan van haar kon worden verwacht.

5.30.

Het rapport van de psycholoog en ook de brief van [eiseres] zoals opgenomen in de pleitnota van mr. Koenen, maken duidelijk dat het ontstaan van haar (psychische) klachten - die [eiseres] thans aanduidt als een ‘werktrauma’ - volgens [eiseres] vooral is terug te voeren op de periode 2019-2020. [eiseres] geeft aan dat zij zich toen zeer onveilig heeft gevoeld door de handelwijze van haar leidinggevende, bestaande uit het voortdurend verzamelen van fouten, door collega’s en cliënten hiernaar te vragen en door [eiseres] met kritiek te bestoken. De kantonrechter kan zich voorstellen dat het voor [eiseres] niet prettig is geweest dat zij door haar leidinggevende werd bekritiseerd. Dat neemt niet weg dat het beoordelen van het functioneren van een werknemer en het uiten van kritiek op het functioneren inherent is aan de gezagsverhouding in een arbeidsrelatie en niet duiden op een abnormale werksituatie. Het is de kantonrechter niet gebleken dat de wijze waarop [de leidinggevende] haar kritiek heeft geuit onrechtmatig is geweest en afwijkt van een normale werksituatie. De kantonrechter is er ook niet van overtuigd geraakt dat [werkgever] steken heeft laten vallen door [eiseres] , zoals zij zelf stelt, te laat scholing aan te bieden waardoor de kritiek op het gebrek aan kennis onterecht is geweest. [de leidinggevende] heeft ter zitting toegelicht dat er al (ver) vóór 2019 maatregelen zijn genomen om [eiseres] te helpen haar functioneren naar het vereiste niveau te tillen, zoals: het voeren van gesprekken, aanbod scholing, coach op locatie, advies om in gesprek te gaan met collega’s die het wel lukt, veel taken (tijdelijk) bij [eiseres] weggehaald en, uiteindelijk, in 2019 een op maat gemaakt scholingstraject.
De kantonrechter is wel met [eiseres] eens dat het feit dat [werkgever] bij aanvang van het verbetertraject al een beëindigingsovereenkomst heeft willen sluiten en dat [werkgever] [eiseres] in februari 2020 een onvoldoende tussentijdse beoordeling heeft gegeven vanwege de veelvuldige afwezigheid van [eiseres] wegens ziekte niet netjes en niet bevorderlijk voor de arbeidsrelatie is geweest. Deze omstandigheden zijn naar het oordeel van de kantonrechter echter onvoldoende om aan te nemen dat sprake is geweest van onrechtmatig handelen van [werkgever] danwel van voor de gezondheid schadelijke werkomstandigheden, waardoor de psychische klachten van [eiseres] (kunnen) zijn veroorzaakt.

Zorgplicht niet geschonden

5.31.

Dat de gezondheidsklachten van [eiseres] voortkomen uit enige schending van [werkgever] van een norm gericht op het voorkomen van uitval door overbelasting is niet gebleken. Uit hetgeen onder 5.21 is vermeld volgt dat [werkgever] voldoende maatregelen heeft genomen ter voorkoming van gezondheidsschade door een te hoge werkdruk/overbelasting.
Dat [werkgever] de verplichtingen uit artikelen 3, 5 en 32 van de Arbeidsomstandighedenwet heeft geschonden, zoals door [eiseres] is gesteld, is gelet op de gemotiveerde betwisting door [werkgever] niet komen vast te staan. [werkgever] heeft ter zitting toegelicht dat er een RI&E uit 2017 is die in 2020/2021 is geactualiseerd en dat het beleid psychosociale arbeidsbelasting daarvan onderdeel uitmaakt. Ook als [werkgever] deze verplichtingen wel zou hebben geschonden, dan staat hiermee – zonder nadere onderbouwing van [eiseres] , die ontbreekt - het causaal verband met de door [eiseres] gestelde gezondheidsschade nog niet vast. Het enkele feit dat een RI&E ontbreekt, is onvoldoende om te concluderen dat een werkgever zijn zorgplicht ex artikel 7:658 BW heeft geschonden.7

5.32.

De conclusie van het voorgaande is dat [werkgever] niet op grond van artikel 7:658 BW gehouden is de door [eiseres] gestelde schade te vergoeden.

Is [werkgever] aansprakelijk op grond van artikel 6:162 en 6:74 BW

5.33.

Ook het beroep van [eiseres] op grond van artikel 6:162 en 6:74 BW wordt verworpen. Zoals hiervoor is overwogen, is immers niet komen vast te staan dat de psychische en lichamelijke klachten van [eiseres] zijn veroorzaakt door de werkomstandigheden bij [werkgever] danwel door onrechtmatig handelen of een toerekenbare tekortkoming van [werkgever] .

5.34.

De kantonrechter ziet geen aanleiding om [eiseres] toe te laten tot nadere bewijslevering, omdat het bewijsaanbod ziet op bewijs van de gestelde (immateriële en materiele) schade en de kantonrechter daar niet aan toekomt omdat het causaal verband met de werkomstandigheden ontbreekt.

5.35.

De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van [eiseres] zal afwijzen.

Verzoek voorlopig getuigenverhoor

etHet5.36. Het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor zal worden afgewezen. Hoewel het op grond van artikel 186 lid 2 Rv mogelijk is om een dergelijk verzoek hangende de procedure te doen, is de kantonrechter van oordeel dat het gelet op het stadium waarin de het hoofdgeding zich op dat moment bevond (vlak voor de mondelinge behandeling) in strijd met de goede procesorde is.8

Proceskosten

5.37.

De proceskosten komen voor rekening van [eiseres] , omdat zij ongelijk krijgt.

Het salaris gemachtigde wordt daarbij begroot op € 996,- (€ 498,- per punt x 2 punten). De kantonrechter ziet geen aanleiding om [eiseres] , zoals door [werkgever] verzocht, te veroordelen tot betaling van een hoger bedrag. Proceskosten worden immers op grond van art. 237-240 Rv met een forfaitair bedrag volgens het Liquidatietarief vergoed. Afwijking daarvan is slechts in uitzonderlijke gevallen gerechtvaardigd, zoals in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Bij het aannemen daarvan past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM. Van een dergelijke uitzonderingssituatie is in dit geval geen sprake.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

wijst de vordering af;

6.2.

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [werkgever] worden vastgesteld op een bedrag van € 996,00 aan salaris van de gemachtigde van [werkgever] .

6.3.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.I.V. Scherpenhuijsen Rom en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

1 HR 19 juni 1998, NJ 1998/670.

2 HR 24 oktober 1997, NJ 1998/257 (Baijings) en Hof Den Haag 17 januari 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:315, r.o. 4.2.

3 Hoge Raad 2 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1939 (Drankencentrale Waterland/Blakborn).

4 ECLI:NL:HR:2013:BZ1721.

5 ECLI:NL:HR:2005:AR6657 (ABN AMRO/Nieuwenhuys).

6 ECLI:NL:GHSGR:2007:BA0761, ECLI:NL:PHR:2021:21.

7 Hoge Raad 9 juli 2004, JAR 2004/190.

8 Hoge Raad 16 december 2011, NJ 2012/316.