Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2022:5071

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
09-06-2022
Datum publicatie
16-06-2022
Zaaknummer
9671171 / EJ VERZ 22-23
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Werkgeversaansprakelijkheid? Zaak is niet geschikt voor deelgeschil. Nader onderzoek is nodig naar de toedracht van het ongeval en naar de feitelijke omstandigheden voorafgaand aan ongeval. Beoordeling bestuurdersaansprakelijkheid in deelgeschil?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2022-0675
PS-Updates.nl 2022-0427
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

Zittingsplaats Alkmaar

Zaaknummer: 9671171 / EJ VERZ 22-23

Beschikking van de kantonrechter van 9 juni 2022 (bij vervroeging)

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

verzoeker,

advocaat mr. F.S. Bellekom te Den Haag,

tegen

1 [verweerder 1] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

advocaat mr. G.C. Endedijk te Amsterdam,
2. [verweerster 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
curator mr. M.A. le Belle te Alkmaar,
3. [verweerster 3] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
curator mr. M.A. le Belle te Alkmaar,
verweerders.

Partijen zullen hierna [verzoeker] , [verweerder 1] , [verweerster 2] en [verweerster 3] genoemd worden.

De zaak in het kort


In dit deelgeschil is aan de orde het verzoek van [verzoeker] aan de kantonrechter om te bepalen wie aansprakelijk is voor de schade die hij als gevolg van een verkeersongeval op 16 oktober 2015 heeft geleden en nog zal lijden. [verzoeker] meent dat (primair) [verweerder 1] en (subsidiair) [verweerster 2] / [verweerster 3] de aansprakelijke partij is wegens schending van hun zorgplicht als werkgever. Daarnaast doet [verzoeker] een beroep op bestuurdersaansprakelijkheid.


De kantonrechter acht deze complexe aansprakelijkheidszaak niet geschikt voor deelgeschil. Er is nader onderzoek nodig naar de toedracht van het ongeval en naar de feitelijke omstandigheden voorafgaand aan het ongeval. De vraag of [verweerder 1] als werkgever van [verzoeker] is te beschouwen en uit dien hoofde aansprakelijk is voor de ongevalsgevolgen kan bij de huidige stand van zaken niet worden beantwoord. De kantonrechter wijst in deze beschikking de verzoeken van [verzoeker] jegens [verweerder 1] daarom af. Wat betreft de verzoeken van [verzoeker] jegens [verweerster 2] en [verweerster 3] is de procedure geschorst, omdat deze vennootschappen gedurende de procedure failliet zijn verklaard.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van 2 februari 2022 met bijlagen;
- het verweerschrift van [verweerder 1] van 4 mei 2022;

- de brief van de zijde van [verzoeker] van 6 mei 2022 met bijlagen;
- de mondelinge behandeling op 12 mei 2022, waar zijn verschenen namens [verzoeker] zijn vader de heer [naam 1] , vergezeld van mr. B.D.W. Martens, kantoorgenoot van mr. F.S. Bellekom, en de heren [naam 2] en [naam 3] Daarnaast zijn verschenen de heer [verweerder 1] , vergezeld van mr. G.C. Endedijk en mevrouw [naam 4] en mr. M.A. le Belle, in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van [verweerster 2] en [verweerster 3] . De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Mr. Endedijk heeft gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die hij ter zitting aan de kantonrechter heeft overgelegd en die daarmee onderdeel zijn van de processtukken. Mr. Martens heeft namens [verzoeker] een akte aanvulling petitum overgelegd, waartegen mr. Endedijk geen bezwaar heeft gemaakt.

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 16 oktober 2015 rond 00.30 uur is [verzoeker] een zwaar verkeersongeval overkomen op de [adres] op de luchthaven [xxx] . Bij het ongeval heeft [verzoeker] ernstig hersenletsel opgelopen, met blijvende gevolgen. [verzoeker] was toen 19 jaar oud.

2.2.

[verzoeker] was ingezet als chauffeur om personenauto’s tussen [xxx] en een zogenaamde bufferlocatie - een groot parkeerterrein - te rijden. Tijdens een rit in een auto van een klant is [verzoeker] op zijn eerste werkdag, die op 15 oktober 2015 in de middag begon, in een bocht in de slip geraakt en tegen een Connexxion bus gebotst.

2.3.

Op het moment van het ongeval was nog geen arbeidsovereenkomst opgesteld.

2.4.

Bij brieven van 21 april 2016 heeft [verzoeker] [verweerster 2] en [verweerster 3] als werkgever aansprakelijk gesteld voor zijn geleden en nog te lijden schade.

2.5.

Ten tijde van het ongeval voerde [verweerster 2] een onderneming die zich toelegde op het wegbrengen en ophalen van motorvoertuigen van met name reizigers vanaf [xxx] . [verweerster 2] was op dat moment niet verzekerd voor de schade die werknemers lijden bij de uitoefening van hun werkzaamheden voor [verweerster 2] .

2.6.

[verweerder 1] was tot 10 april 2019 de enig aandeelhouder en bestuurder van [verweerster 3] en indirect ook de enig aandeelhouder en bestuurder van [verweerster 2] .

2.7.

Tussen de belangenbehartigers van [verzoeker] en [verweerder 1] is in 2016 en 2017 gecorrespondeerd en gesproken over de aansprakelijkstelling en de diverse schadeposten van [verzoeker] . [verweerder 1] heeft op 8 juli 2016 een intentieverklaring opgesteld, waarin hij zich bereid heeft gesteld om de schade die uit het ongeval voortvloeit op een correcte manier te regelen. [verweerder 1] heeft aangegeven dat het een uiterst betreurenswaardige situatie betreft waar hij naar eer en geweten wil proberen de zaak netjes op te lossen.

2.8.

[verweerder 1] heeft tot juni 2017 in totaal een bedrag van € 3.000,- aan [verzoeker] betaalbaar gesteld.

2.9.

In de tussentijd heeft [verweerster 2] haar assurantietussenpersoon aansprakelijk gesteld wegens het onzorgvuldig adviseren over het afsluiten van een verzekering om schade af te dekken die in het verkeer ontstaat als gevolg van gedragingen van werknemers van [verweerster 2] . De assurantietussenpersoon heeft de aansprakelijkheid afgewezen, waarna [verweerster 2] een bodemprocedure bij deze rechtbank is gestart.

2.10.

Bij vonnis van 26 september 2018 heeft deze rechtbank de vorderingen van [verweerster 2] - een verklaring voor recht dat de assurantietussenpersoon aansprakelijk is en een veroordeling tot schadevergoeding - afgewezen. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 28 april 2020 het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.

3 Het geschil

3.1.

[verzoeker] verzoekt de kantonrechter, na aanvulling van zijn verzoek, om bij beschikking
1) voor recht te verklaren dat verweerders aansprakelijk zijn voor de door [verzoeker] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade ten gevolge van het hem overkomen ongeval op 16 oktober 2015 en hem een voorschot van € 50.000,- op deze schade toe te wijzen, en
2) verweerders te veroordelen tot betaling van de door [verzoeker] gemaakte kosten ter zake van deze procedure ten bedrage van € 10.374,31, alsmede het door [verzoeker] in dit verband betaalde griffierecht.

3.2.

[verzoeker] legt aan zijn verzoeken, samengevat, het volgende ten grondslag.

3.2.1.

De relatie tussen [verzoeker] en [verweerder 1] c.q. [verweerster 2] en [verweerster 3] moet worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst. [verweerder 1] c.q. [verweerster 2] en [verweerster 3] heeft zijn zorgplicht als werkgever in grove mate geschonden. [verzoeker] heeft namelijk in strijd met de Arbeidstijdenwet gedurende meer dan twaalf uur werkzaamheden moeten verrichten. Zonder enige vorm van toezicht heeft [verzoeker] in opdracht van [verweerder 1] auto’s van diverse klanten weg moeten zetten. Daaraan heeft [verweerder 1] c.q. [verweerster 2] en [verweerster 3] geld verdiend, waaruit al een gezagsverhouding kan worden afgeleid. Daarnaast is geen enkele verzekering afgesloten om eventuele risico’s voor werknemers zoals [verzoeker] af te dekken. Dit alles leidt tot werkgeversaansprakelijkheid op grond van artikel 7:658 in samenhang met artikel 7:611 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

3.2.2.

Voor zover geen arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen, grondt [verzoeker] de aansprakelijkheid van [verweerder 1] c.q. [verweerster 2] en [verweerster 3] op artikel 7:658 lid 4 BW. [verweerder 1] heeft in de uitoefening van zijn bedrijf namelijk arbeid laten verrichten door [verzoeker] en is aansprakelijk voor de schade die [verzoeker] in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt.

3.2.3.

Verder baseert [verzoeker] zijn verzoek op bestuurdersaansprakelijkheid op de voet van artikel 2:9 BW in samenhang met artikel 2:11 BW en artikel 6:162 BW. Het onverzekerd houden van [verweerster 2] , het tewerkstellen van [verzoeker] zonder schriftelijke arbeidsovereenkomst en/of het in strijd handelen met de Arbeidstijdenwet kan aan [verweerster 3] en [verweerder 1] als bestuurder respectievelijk indirect bestuurder van [verweerster 2] worden toegerekend en kan aldus gekwalificeerd worden als een persoonlijk ernstig verwijt.

3.2.4.

Meer subsidiair stelt [verzoeker] dat het handelen van [verweerder 1] , [verweerster 2] en [verweerster 3] een onrechtmatige daad oplevert als bedoeld in artikel 6:162 BW.

3.2.5.

[verzoeker] stelt materiële en immateriële schade te lijden ten gevolge van het hem overkomen ongeval. De schadeposten bevatten onder meer het verlies aan verdienvermogen, huishoudelijke hulp, zelfwerkzaamheid en smartengeld. Zijn aanspraak op schadevergoeding overstijgt ruimschoots de door [verweerder 1] gedane betalingen. Daarom verzoekt [verzoeker] om een voorschot van € 50.000,-.

3.3.

[verweerder 1] voert verweer.

3.3.1.

Primair stelt [verweerder 1] dat de kantonrechter niet bevoegd is kennis te nemen van het op bestuurdersaansprakelijkheid gestoelde verzoek jegens hem.

3.4.

Subsidiair stelt [verweerder 1] dat deze zaak geen deelgeschil is, omdat nader onderzoek en mogelijk nadere bewijslevering nodig is. Volgens [verweerder 1] is hij niet aansprakelijk te houden voor de schade door het ongeval. Hij was niet betrokken bij het ongeval en is zelf uit hoofde van artikel 7:658 lid 1 of 4 BW niet aansprakelijk: hij was formeel noch materieel werkgever van [verzoeker] .

3.4.1.

Verder kan de vraag naar bestuurdersaansprakelijkheid volgens [verweerder 1] niet in een deelgeschil worden voorgelegd. Deze vraag moet overigens ook ontkennend worden beantwoord. Er is namelijk geen sprake van een persoonlijk ernstig verwijt aan zijn adres. Als hij al aansprakelijk is, zal een correctie vanwege eigen schuld moeten plaatsvinden, in beginsel van ten minste 50%, aldus [verweerder 1] .

3.4.2.

Over de kosten van het deelgeschil voert [verweerder 1] aan dat deze tot een bedrag van € 5.000,- beperkt moeten blijven, omdat [verzoeker] voor het risico van rechtsbijstand is verzekerd.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Faillissement van [verweerster 2] en [verweerster 3]

4.1.

Tijdens de mondelinge behandeling op 12 mei 2022 is besproken dat de huidige bestuurder van [verweerster 2] en [verweerster 3] daags voor de mondelinge behandeling een eigen aangifte tot faillietverklaring van deze vennootschappen heeft ingediend. Op 11 mei 2022 zijn [verweerster 2] en [verweerster 3] door de rechtbank Noord-Holland in staat van faillissement verklaard. Mr. M.A. le Belle is tot curator benoemd.

4.2.

Tijdens de mondelinge behandeling is verder besproken welke gevolgen het faillissement heeft voor deze lopende procedure. Mr. Le Belle en mr. Martens waren het erover eens dat de procedure wat betreft de tegen [verweerster 2] en [verweerster 3] ingestelde verzoeken op grond van het bepaalde in artikel 29 Faillissementswet van rechtswege wordt geschorst. De kantonrechter zal dit als zogeheten verstaansbeslissing opnemen in het dictum.

4.3.

Resteren de verzoeken van [verzoeker] jegens [verweerder 1] , die de kantonrechter hieronder zal bespreken. Eerst komen enkele procesrechtelijke aspecten aan de orde.

Bewind

4.4.

Het verzoekschrift is ingediend door [verzoeker] . Mr. Martens heeft in zijn brief van 6 mei 2022 aangegeven dat de ouders van [verzoeker] sinds 19 april 2016 zijn bewindvoerders zijn. Uit het Centraal curatele- en bewindregister blijkt dit echter niet, zoals [verweerder 1] terecht opmerkt. Als het juist is dat er een bewindregeling is, verbindt de kantonrechter geen gevolgen aan het feit dat [verzoeker] in dit deelgeschil zelfstandig procedeert. Uit de zitting, waarbij de vader van [verzoeker] aanwezig was en een video opname werd getoond van [verzoeker] in aanwezigheid van zijn moeder, blijkt immers van toestemming van de ouders aan [verzoeker] om zelf de procedure te voeren.

Bevoegdheid

4.5.

[verweerder 1] stelt verder dat de kantonrechter onbevoegd is om van dit geschil kennis te nemen en dat de zaak naar de handelskamer van de rechtbank moet worden verwezen, omdat de grondslag van het verzoek jegens [verweerder 1] bestuurdersaansprakelijkheid is.

4.6.

Dit verweer faalt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. Martens namens [verzoeker] verduidelijkt dat het verzoek jegens [verweerder 1] primair is gegrond op werkgeversaansprakelijkheid op de voet van artikel 7:658 lid 1 en 4 BW. Een verzoek dat is gebaseerd op artikel 7:658 BW behoort tot de bevoegdheid van de kantonrechter. Terecht stelt [verweerder 1] dat voor zover het verzoek subsidiair is gegrond op bestuurdersaansprakelijkheid het niet bij de kantonrechter thuishoort. Gezamenlijke behandeling van de verschillende grondslagen van het verzoek van [verzoeker] is echter gewenst vanuit het oogpunt van proceseconomie en om tegenstrijdige uitspraken te voorkomen. De samenhang tussen de verschillende grondslagen verzet zich hier niet tegen. De kantonrechter zal de zaak daarom geheel aan zich houden en verwijzing naar de handelskamer van de rechtbank achterwege te laten.

Zaak geschikt voor deelgeschil?

4.7.

Vervolgens moet worden beoordeeld of het geschil zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure, zoals [verzoeker] stelt en [verweerder 1] betwist.

4.8.

Uitgangspunt in een deelgeschil is dat daarmee een snelle toegang tot de rechter wordt geboden om vervolgens de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In beginsel kunnen een aansprakelijkheidsvraag en een verzoek om bevoorschotting als in deze zaak aan de orde ter beoordeling in een deelgeschil aan de rechter worden voorgelegd. Indien echter de verzochte beslissing onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 1019z Rv dient deze te worden afgewezen. Daarbij moet ook worden beoordeeld of de bijdrage van de verzochte beslissing opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop; als uitvoerige bewijsvoering nodig is en/of deskundigenberichten, kan geoordeeld worden dat het geschil zich niet leent voor de deelgeschilprocedure.

4.9.

Kern van dit geschil is of de relatie die op 15 oktober 2015 tussen [verzoeker] en [verweerder 1] is ontstaan kan worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst. Partijen twisten wie als werkgever van de [verzoeker] is beschouwen en aansprakelijk kan worden gehouden voor de door [verzoeker] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeluk. [verweerder 1] stelt dat [verweerster 2] als werkgever de aansprakelijke partij is, terwijl [verzoeker] (primair) aanvoert dat [verweerder 1] als formeel en materieel werkgever moet worden aangemerkt.

4.10.

De kantonrechter hecht eraan om op te merken dat [verzoeker] een ernstig ongeval is overkomen, en dat de gevolgen en daaruit voortvloeiende schade voor hem groot zijn. Ook [verweerder 1] heeft dat benadrukt.

4.11.

Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is besproken moet echter worden geconcludeerd dat een beslissing op wat door [verzoeker] is verzocht in deze procedure onvoldoende kan bijdragen aan een regeling in der minne. Er zal geen sprake kunnen zijn van een snelle beantwoording van de vraag of [verweerder 1] als werkgever aansprakelijk is ten opzichte van [verzoeker] .

4.12.

Anders dan [verzoeker] meent, levert de onder 2.7 genoemde intentieverklaring van [verweerder 1] geen erkenning van aansprakelijkheid op. Evenmin kan die erkenning worden afgeleid uit het feit dat tussen (de belangenbehartigers van) [verweerder 1] en [verzoeker] is gecorrespondeerd en gesproken over de aansprakelijkheid en de schadeposten en dat door [verweerder 1] betalingen zijn gedaan aan [verzoeker] . Zoals hieronder zal worden toegelicht, is nadere instructie naar de feiten geïndiceerd.

Toedracht van het ongeval

4.13.

Zowel uit de stukken als op zitting is duidelijk geworden dat de relevante feiten in deze zaak nog niet vast staan. Met [verweerder 1] is de kantonrechter van oordeel dat de door [verzoeker] ter beschikking gestelde informatie - een kort proces verbaal en een fotomap - voorshands onvoldoende is om vast te stellen wat precies de toedracht van het ongeval is geweest. Op de stelling van [verweerder 1] dat [verzoeker] ook zou moeten beschikken over een politierapport met verklaringen van de buschauffeur en van getuigen, is van de zijde van [verzoeker] geen reactie gekomen. Zonder nadere informatie van [verzoeker] , die ontbreekt, kan nu niet een zo precies mogelijk beeld worden gegeven van wat er is gebeurd.

Feitelijke gang van zaken voor het ongeval

4.14.

Er is ook nader onderzoek nodig naar de feitelijke omstandigheden voorafgaand aan het ongeval om de vraag te kunnen beantwoorden of aan de voorwaarden (arbeid, loon en gezag) voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] en [verweerder 1] is voldaan, dan wel of [verweerder 1] in de uitoefening van zijn bedrijf arbeid heeft laten verrichten door [verzoeker] . De kantonrechter kan daarover op basis van de beschikbare informatie geen oordeel vellen.
Zo geven de stukken geen duidelijkheid over de start en de duur van de werkzaamheden van [verzoeker] op het terrein van [xxx] en geven zij evenmin uitsluitsel over de vraag in wiens opdracht [verzoeker] de werkzaamheden heeft verricht. Een schriftelijke arbeidsovereenkomst is nimmer opgesteld.

4.15.

Pas tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat [verzoeker] via een studievriend, die al als chauffeur werkte op [xxx] , is geïntroduceerd bij [verweerder 1] en dat hij voor het eerst op 15 oktober 2015 met [verweerder 1] persoonlijk contact heeft gehad. [verweerder 1] heeft ter zitting aangevoerd dat hij in zijn hoedanigheid van (middellijk) bestuurder van [verweerster 2] met [verzoeker] heeft besproken wat de werkzaamheden inhouden en op welke dagen [verzoeker] naast zijn studie zou willen werken. Ook is hij nagegaan of [verzoeker] goed kon in- en uitparkeren. [verweerder 1] heeft op vragen van de kantonrechter verder gesteld dat [verzoeker] aan de hand van het, door de chauffeurs gebruikte formulier met daarop de bedrijfsnaam van [verweerster 2] én een bij te houden logboek kon weten dat zijn werkopdracht van [verweerster 2] afkomstig was en niet van [verweerder 1] pro se. Het was volgens [verweerder 1] de bedoeling dat [verzoeker] voor aanvang van het werk zou worden ingeboekt in de loonadministratie van [verweerster 2] , maar dit was er niet van gekomen omdat [verzoeker] geen legitimatie bij zich had. [verzoeker] zou ook net als de andere werknemers door [verweerster 2] worden betaald. Dit waren ZZP-ers, scholieren en studenten die sinds de zomer van 2015 voor [verweerster 2] werkten. Dat [verzoeker] op zijn eerste werkdag, zonder pauzes en toezicht, meer dan twaalf uur heeft gewerkt wordt door [verweerder 1] betwist.

4.16.

Al deze stellingen heeft [verweerder 1] echter niet nader onderbouwd. (De advocaat van) [verzoeker] heeft ook nog geen adequate gelegenheid gehad hierop te reageren. Het debat over de door [verweerder 1] geschetste feitelijke gang van zaken is dus nog niet volledig door partijen gevoerd. Daarom kan de kantonrechter op dit moment niet van de juistheid van de stelling van [verzoeker] uitgaan dat hij er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat [verweerder 1] pro se zich als werkgever jegens hem heeft willen verbinden. Nader feitenonderzoek en mogelijk nadere bewijslevering is bij de huidige stand van zaken nodig. Gelet op de hiermee gepaard gaande investering in tijd, geld en moeite, afgewogen tegen het belang van [verzoeker] , is hiervoor in deze procedure geen plaats.

Conclusie

4.17.

Gelet op het voorgaande leent het geschil tussen [verzoeker] en [verweerder 1] zich niet voor afdoening binnen de kaders van een deelgeschil. Daarbij is ook belang, zoals [verweerder 1] terecht betoogt, dat de behandeling van de subsidiaire grondslag van bestuurdersaansprakelijkheid buiten de reikwijdte van de deelgeschilprocedure ex artikel 1019w Rv valt. De deelgeschilprocedure is bedoeld voor geschillen over de aansprakelijkheid voor schade door dood of letsel na een ongeval en niet voor geschillen over de aansprakelijkheid voor schade als gevolg van handelen van een bestuurder van een vennootschap (i.c. het niet regelen van een verzekeringsdekking voor werknemers).

4.18.

Het verzoek tot vaststelling van aansprakelijkheid zal daarom op grond van artikel 1019z Rv worden afgewezen. Een veroordeling tot vergoeding van een voorschot op de schade is dan ook niet aan de orde.

4.19.

Partijen zijn onder de gegeven omstandigheden gebaat bij een behandeling van hun gehele geschil in een bodemprocedure, waarbij – als de aansprakelijkheidsvraag bevestigend beantwoord zou worden – ook het schadevraagstuk inclusief het door [verweerder 1] aangevoerde verweer van eigen schuld aan de orde zal kunnen komen.

Kosten van het deelgeschil
4.20. De kantonrechter moet de kosten van deze deelschilprocedure te begroten, ook als een verzoek niet wordt toegewezen. Dit staat in artikel 1019aa lid 1 Rv. Hoe de kosten moeten worden begroot is geregeld in artikel 6:96 lid 2 BW. Daaruit volgt dat de kantonrechter de zogenoemde dubbele redelijkheidstoets moet gebruiken; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. Dit betekent dat als een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen.

4.21.

De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval van laatstgenoemde situatie geen sprake is. Immers, het is niet ongebruikelijk om een aansprakelijkheidsvraagstuk in deelgeschil voor te leggen, al dan niet tezamen met een andere vraag. [verweerder 1] heeft ook geen specifiek verweer gevoerd tegen de begroting van de kosten an sich. De kantonrechter zal hiertoe daarom overgaan.

4.22.

[verzoeker] maakt aanspraak op een bedrag van € 10.374,31, te vermeerderen met het door hem betaalde griffierecht. Daarbij is hij uitgegaan van een tijdsbesteding van 32 uren, een uurtarief van € 255,00, vermeerderd met kantoorkosten en 21% btw.

4.23.

[verweerder 1] acht dit bedrag te hoog. Hij acht het redelijk het aantal uren te matigen, omdat [verzoeker] voor het risico van rechtsbijstand is verzekerd. Dit betekent dat niet alleen de kosten van de advocaat door de rechtsbijstandsverzekeraar worden vergoed, maar ook dat de voor de opstelling van het verzoekschrift nodige informatie geordend aan de advocaat van [verzoeker] is aangereikt. Het was daarom niet nodig dat kantoorgenoten van de advocaat van [verzoeker] nog aan het dossier dienden te werken. Bij een redelijke begroting zouden de kosten volgens hem tot € 5.000,- beperkt moeten blijven.

4.24.

De kantonrechter stelt voorop dat [verweerder 1] geen bezwaar heeft gemaakt tegen het gehanteerde uurtarief, zodat de kantonrechter daar ook van zal uitgaan. Met [verweerder 1] is de kantonrechter wel van mening dat de zaak niet de door de advocaat van [verzoeker] opgevoerde tijdsbesteding rechtvaardigt die hij in rekening wil brengen. Er is door hem een urenstaat overgelegd met een begindatum van 18 juni 2021, terwijl het verzoekschrift dateert van 2 februari 2022. Een toelichting op deze urenstaat is niet gegeven en daaruit blijkt ook niet welke werkzaamheden verband houden met de behandeling van dit verzoekschrift. Er zijn ook uren besteed aan werkzaamheden waarvan niet aannemelijk is dat deze (alleen) hebben plaatsgevonden vanwege het deelgeschil. Verder heeft (de advocaat van) [verzoeker] niet gereageerd op de stelling van [verweerder 1] dat [verzoeker] voor het risico van rechtsbijstand is verzekerd, zodat het de vraag is of sprake is van kosten aan de zijde van [verzoeker] .

4.25.

Al met al vindt de kantonrechter, gelet op de aard, de omvang en de complexiteit van de zaak, een tijdsbesteding van 20 uur redelijk: 10 uur voor het verzoekschrift, 5 uur voor het voorbereiden van de zitting en 5 uur voor de zitting (inclusief overleg met de ouders van [verzoeker] ). Dat leidt tot een bedrag van € 6.171,- inclusief btw. Daarbij wordt het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 244,- opgeteld. De kostenbegroting komt daarmee uit op € 6.415,-.

4.26.

Omdat in deze deelgeschilprocedure de aansprakelijkheid niet is vastgesteld, is er geen grond voor een veroordeling tot betaling van de begrote kosten, zodat het verzoek daartoe zal worden afgewezen.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de verzoeken jegens [verweerder 1] af,

5.2.

begroot de kosten van de deelgeschilprocedure op € 6.415,-,

5.3.

verstaat dat de procedure wat betreft de verzoeken van [verzoeker] jegens [verweerster 2] en [verweerster 3] is geschorst,

5.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. van Rijn en bij vervroeging uitgesproken op 9 juni 2022.


type: ST

coll: MvR