Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2022:5062

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
31-05-2022
Datum publicatie
17-06-2022
Zaaknummer
C/15/326506 / JU RK 22-469, C/15/326695 / JU RK 22-490 en C/15/326696 / JU RK 22-491
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beschikking gedeeltelijke vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing ex artikel 1:265f lid 1 BW en vaststellen omgangsregeling ex artikel 1:265f lid 2 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd

Zittingsplaats: Alkmaar

Zaakgegevens : C/15/326506 / JU RK 22-469, C/15/326695 / JU RK 22-490 en C/15/326696 / JU RK 22-491

datum uitspraak: 31 mei 2022

beschikking gedeeltelijke vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing

[de moeder] , hierna te noemen: de moeder,

wonende te [plaats] ,

Betreffende

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , hierna te noemen [minderjarige 1] .

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] .

[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , hierna te noemen: [minderjarige 3] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de vader van minderjarige 1] , hierna te noemen: de vader van [minderjarige 1] ,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

de gecertificeerde instelling de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de WSG.

De kinderrechter merkt als informant aan:

[de vader van minderjarige 2] , hierna te noemen: de vader van [minderjarige 2] ,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

[de vader van minderjarige 3] , hierna te noemend: de vader van [minderjarige 3] ,

wonende te [plaats] ,

de Jeugdbescherming Regio Amsterdam,

gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de JBRA.

1 Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoek met bijlagen van de moeder van 22 maart 2022, ingekomen bij de griffie op 23 maart 2022;

- het bericht van de JBRA ter afmelding van de zitting, ingekomen bij de griffie op 14 april 2022;

- het bericht van de WSG met daarin de visie van de WSG op het verzoek van de moeder, ingekomen bij de griffie op 12 mei 2022;

- het omgangsverslag van de moeder, ingebracht ter zitting.

1.2.

Op 17 mei 2022 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Hierbij zijn verschenen en gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. M.A. van de Weerd, kantoorhoudende te Den Haag;

- namens de vader van [minderjarige 1] , mr. M. Metin, kantoorhoudende te Arnhem;

- de vader van [minderjarige 2] , bijgestaan door mr. E.B. Warmerdam-Wolfs kantoorhoudende te Alkmaar;

- namens de WSG, [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] .

Hoewel de vader van [minderjarige 3] , daartoe behoorlijk is opgeroepen, is hij niet ter zitting verschenen. De JBRA is, na afmelding, niet ter zitting verschenen.

2 De feiten

2.1.

Het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt uitgeoefend door de moeder en de vader van [minderjarige 1] , respectievelijk de vader van [minderjarige 2] . Het ouderlijk gezag over [minderjarige 3] wordt uitgeoefend door de moeder. De vader van [minderjarige 3] heeft [minderjarige 3] erkend.

2.2.

[minderjarige 1] verblijft bij zijn vader. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven samen in een gezinshuis ( [gezinshuis] ).

2.3.

Bij beschikking van de kinderrechter van 21 september 2019 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld die voortduurt tot 21 september 2022.

2.4.

Bij beschikking van de kinderrechter van 11 januari 2021 is een machtiging verleend [minderjarige 1] uit huis te plaatsen bij de vader zonder gezag, welke machtiging telkens is verlengd en nu eindigt op 21 september 2022. Bij beschikking van de kinderrechter van 11 januari 2021 is een machtiging verleend [minderjarige 2] en [minderjarige 3] uit huis te plaatsen, welke machtiging telkens is verlengd en nu eindigt op 21 september 2022.

2.5.

Bij beschikking van 20 december 2021 is het verzoek van de vader van [minderjarige 1] ter verkrijging van het gezamenlijke gezag toegewezen. De verzoeken voor het hoofdverblijf en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zijn voor onbepaalde tijd aangehouden in afwachting van NIFP onderzoek.

2.6.

Bij beschikking van 20 januari 2022 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank een door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (hierna: het NIFP) aan te wijzen persoon als deskundige benoemd en die verzocht aan de hand van de in die beschikking geformuleerde vragen, schriftelijk en met redenen omkleed aan de rechtbank te rapporteren - samengevat - waar de kinderen het beste kunnen opgroeien. Het definitieve rapport dient uiterlijk op 20 juli 2022 bij de rechtbank binnen te zijn of het NIFP dient vóór die tijd aan te geven wanneer verwacht wordt dat het onderzoek kan plaatsvinden.

2.7.

Bij beschikking van 15 maart 2022 heeft de kinderrechter de JBRA door de WSG vervangen als GI voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling.

2.8.

Bij beschikking van 11 april 2022 heeft de rechtbank het verzoek van de vader van [minderjarige 3] ter verkrijging van het gezamenlijk gezag aangehouden tot 2 september 2022 in afwachting van het onderzoek door het NIFP.

2.9.

De JBRA heeft op 8 maart 2021 de hieronder geformuleerde schriftelijke aanwijzing gegeven aan de moeder met het oog op de contacten tussen haar en [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] :

“Jeugdbescherming stelt de volgende contactregeling vast:

  • -

    U ziet [minderjarige 3] en [minderjarige 2] tweewekelijks en [minderjarige 1] eens per 4 weken.

  • -

    De omgang wordt begeleid door [naam] .

  • -

    De tijd is van 15-17u.

  • -

    De data zijn als volgt verdeeld, waarbij de dikgedrukte data [minderjarige 1] aansluit: 27

maart, 9 april, 23 april, 7 mei, 21 mei, 4 juni.

  • -

    In de week van 11 april wordt een 1e evaluatie gepland.

  • -

    In de week van 30 mei wordt een 2e evaluatie gepland.

Verdere afspraken:

  • -

    Voor en na iedere omgang volgt een kwartier voor- en nabespreking.

  • -

    In de weken dat [minderjarige 1] niet bij de omgang is, zal er op vrijdagavond een beeldbelmoment zijn met [minderjarige 1] , begeleid door [naam] . Tijd; 1900-l915u.

  • -

    U bespreekt geen volwassen zaken met [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] ook als het gaat om vader(s).

  • -

    U kan speelgoed meenemen, en neemt dit speelgoed na afloop van het bezoek weer mee naar huis.

  • -

    Geen overmatig snoepgoed en/of eten meenemen voor [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] ; wat u wel mee mag nemen zijn 1 stuk fruit per kind, en 1 toetje per kind.

  • -

    In overleg met [naam] van [gezinshuis] worden er beeldbelmomenten gepland met opa en oma; dit kan op dinsdag 8 maart, 21 maart en 4 april. Tijd om 18.30u. De bedoeling is dat opa en oma naar [gezinshuis] bellen via Whatsapp, en dan 20 minuten bellen met [minderjarige 2] / [minderjarige 3] .

  • -

    U houdt zich aan de afspraken/huisregels zoals gesteld vanuit [gezinshuis] ; deze heeft u in het verleden ondertekend in overleg met [naam] en zijn reeds in uw bezit.

  • -

    U zorgt er voor dat er 25 euro beschikbaar is voor de reis van [minderjarige 1] , opdat deze kosten tussen u en vader fifty-fifty worden gedeeld. U kunt dat in een enveloppe meenemen en afgeven bij [gezinshuis] .”

3 Het verzoek

3.1.

De moeder verzoekt primair om vervallenverklaring van deze schriftelijke aanwijzing. Subsidiair verzoekt de moeder om een omgangsregeling tot stand te laten komen die de mogelijkheid biedt om frequenter contact te laten plaatsvinden tussen de moeder en de minderjarigen, die meer in het belang is van de minderjarigen en in lijn met de wensen van de moeder. De moeder heeft de verzoeken als volgt onderbouwd.

3.2.

De moeder stelt zich op het standpunt dat de schriftelijke aanwijzing niet berust op een deugdelijke motivering en daarom vervallen verklaard dient te worden. De omgangsmomenten die voorheen door de BOR begeleid zijn, zijn door zowel de BOR als de moeder als prettig ervaren. De positieve feedback die door de BOR is gegeven en op schrift is gesteld, wordt onvoldoende meegewogen door de GI. De GI lijkt zich bovendien nog steeds op het standpunt te stellen dat het perspectief van de kinderen is bepaald terwijl de rechtbank het NIFP opdracht heeft gegeven dit gedegen te onderzoeken.

3.3.

Met de vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing verzoekt de moeder een omgangsregeling vast te stellen die meer in het belang is van de minderjarigen. De huidige omgangsregeling geeft haar veel te weinig contactmomenten met de kinderen en vormt een grote bedreiging voor de hechtingsband tussen de moeder en de kinderen. Dit terwijl de gedachte achter de uithuisplaatsing is dat de moeder in een later stadium de verzorging en opvoeding van de kinderen zo mogelijk weer op zich zal nemen en NIFP onderzoek is gelast naar het uiteindelijk perspectief van de kinderen. Voor het beschermen van de hechtingsband tussen de moeder en de kinderen is het van belang dat zij vaker en langduriger contact hebben met elkaar. Er zijn ook geen contra-indicaties die aan uitbereiding van de omgang in de weg staan. De omgangsmomenten die hebben plaatsgevonden zijn goed verlopen, zo blijkt ook uit de eindrapportage van de BOR. Het recht op het gezinsleven van de moeder en de minderjarigen leidt tot de conclusie dat de huidige omgangsregeling een onevenredige breuk maakt op dit recht. De moeder wil zodoende een omgangsregeling voorstellen waarin zij tweemaal per week fysiek omgang heeft voor de duur van twee uur met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en eenmaal per week fysiek omgang heeft voor de duur van twee uur met [minderjarige 1] . Daarnaast wil moeder eenmaal per week een telefonisch contactmoment voor de duur van 30 minuten met [minderjarige 1] .

4 De standpunten

4.1.

De WSG heeft voor de zitting schriftelijk laten weten dat zij, op basis van de stukken die zijn ontvangen van de JBRA, de visie van de JBRA zoals neergelegd in de schriftelijke aanwijzing, aanhoudt. De WSG gaat met de ouders een plan maken waarbij de schriftelijke aanwijzing van 8 maart 2022 verder getoetst wordt. Indien aanpassing noodzakelijk is zal dit met de ouders worden besproken. De WSG heeft ter zitting naar voren gebracht dat het gaat om een complexe situatie. De rode draad in het dossier is dat voorbij wordt gegaan aan de belangen van de kinderen nu het perspectief niet kan worden bepaald. [minderjarige 2] geeft bijvoorbeeld duidelijk aan bij zijn vader te willen wonen. Het NIFP onderzoek is hierin niet helpend omdat het mogelijk nog anderhalf jaar duurt voordat het gaat starten en daarnaast loopt tegen die beschikking nog een hoger beroep. Voordat de omgang tussen de moeder en de kinderen uitgebreid wordt dient onderzocht te worden in hoeverre de moeder in staat is de zorg te dragen voor de kinderen. Daarvoor is een professionele visie nodig (anders dan de BOR) en daarom is [naam] (Parlan) ingezet. De evaluatie daarvan en de gespreksverslagen moeten zichtbaar maken in hoeverre de moeder leerbaar is.

4.2.

Namens de vader van [minderjarige 1] is ter zitting naar voren gebracht dat [minderjarige 1] al sinds december 2020 bij zijn vader woont en dat hij sindsdien een enorme groei heeft doorgemaakt. De vader van [minderjarige 1] is zeker bereid om [minderjarige 1] naar de omgang met de moeder te brengen. De reis bedraagt echter in totaal vijf uur en de vader van [minderjarige 1] heeft niet genoeg geld om de reiskosten alleen te dragen. Daarnaast is het niet in het belang van [minderjarige 1] om hem iedere week vijf uur te laten reizen voor een bezoek aan zijn moeder. [minderjarige 1] vindt dat niet fijn. De vader van [minderjarige 1] maakt zich zorgen of de moeder de veiligheid van [minderjarige 1] kan waarborgen. De vader van [minderjarige 1] en de vader van [minderjarige 2] kunnen het recht van de kinderen op family life ook waarborgen. Zo zijn zij laatst gezamenlijk naar een pretpark geweest.

4.3.

Door of namens de vader van [minderjarige 2] is ter zitting naar voren gebracht dat hij begrip heeft voor het verzoek van de moeder. De hulpverlening van [naam] is gestart en de resultaten daarvan worden afgewacht; er heeft nog geen evaluatie van de omgang plaatsgevonden. Met het verzoek van de moeder tot vaststelling van een omgangsregeling wordt een voorschot genomen op de uitkomst van het NIFP onderzoek en de uitkomst van de inzet van [naam] en daarom moet het verzoek van de moeder worden afgewezen. De vader van [minderjarige 2] geeft aan dat hij het contact tussen de moeder en [minderjarige 2] zeer belangrijk vindt en dat hij zich ervoor wil inzetten dat de omgang tussen de moeder en [minderjarige 2] kan blijven plaatsvinden. Feitelijk is [minderjarige 2] nu bijna ieder weekend bij de vader en mocht de regeling worden toegewezen zoals de moeder verzoekt dan is dat heel onrustig voor [minderjarige 2] en overlappen de omgangsmomenten elkaar. De vader van [minderjarige 2] moet [minderjarige 2] dan tijdens zijn omgangsmoment naar [gezinshuis] brengen voor omgang met de moeder. Als dat af en toe moet is dat geen enkel probleem maar het zou beter zijn de omgang tussen de moeder en [minderjarige 2] doordeweeks te laten plaatsvinden. Het is zeer zorgelijk dat de kinderen nog geen perspectief hebben en dat bijvoorbeeld [minderjarige 2] bij [gezinshuis] moet blijven wonen omdat het NIFP onderzoek zo lang op zich laat wachten.

5 De beoordeling

Belanghebbenden
5.1. Ter zitting rees de vraag of de vaders als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt in deze zaak.. De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt.

De schriftelijke aanwijzing van 8 maart 2022 richt zich tegen de moeder. De vader van [minderjarige 3] heeft geen gezag over [minderjarige 3] en [minderjarige 3] woont niet bij zijn vader maar bij [gezinshuis] . De vader van [minderjarige 3] wordt niet rechtstreeks in zijn belangen geraakt en daarom aangemerkt als informant en niet als belanghebbende. De vader van [minderjarige 2] heeft wel gezag over [minderjarige 2] maar [minderjarige 2] woont niet bij hem maar bij [gezinshuis] . De omgangsmomenten tussen [minderjarige 2] en zijn vader zijn officieel om het weekeinde en de omgang van de moeder met [minderjarige 2] in het weekeinde dat hij niet bij de vader is. Dat [minderjarige 2] feitelijk inmiddels onofficieel vaker bij zijn vader is maakt dit niet anders. De schriftelijke aanwijzing van 8 maart 2022 aan de moeder raakt hem daarom niet rechtstreeks in zijn belang. De vader van [minderjarige 2] wordt daarom aangemerkt als informant en niet als belanghebbende. De vader van [minderjarige 1] heeft (inmiddels) het gezag over [minderjarige 1] en daarnaast woont [minderjarige 1] ook bij zijn vader. De schriftelijke aanwijzing raakt de vader in zijn belangen, mede omdat hij vervoer voor de omgang van [minderjarige 1] met de moeder moet faciliteren. De vader van [minderjarige 1] wordt daarom wel aangemerkt als belanghebbende.

Vervallen verklaring van de schriftelijke aanwijzing

5.2.

Artikel 1:265f lid 1 BW bepaalt, dat voor zover noodzakelijk in verband met de uithuisplaatsing van de minderjarige, de GI voor de duur daarvan de contacten tussen een met het gezag belaste ouder en de minderjarige kan beperken. Die beslissing geldt ingevolge het tweede lid als een schriftelijke aanwijzing waar de gezaghebbende ouder vervallenverklaring van kan verzoeken. In die procedure kan de kinderrechter en zodanige regeling vaststellen als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt.

Op grond van de uitspraak van de Hoge Raad van 14 december 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2321) kan alleen gebruik worden gemaakt van de in artikel 1:265f, eerste lid, van het BW gegeven bevoegdheid tot het beperken van de contacten tussen een met het gezag belaste ouder en de minderjarige als niet eerder bij een rechterlijke uitspraak een omgangsregeling is vastgesteld. De kinderrechter stelt vast dat er niet eerder bij een rechterlijke uitspraak een omgangsregeling tussen de moeder en de minderjarigen is vastgesteld. De rechtbank is van oordeel dat artikel 1:265f, eerste lid, van het BW als uitgangspunt heeft te gelden bij de beoordeling van het verzoek.

5.3.

Op grond van artikel 1:264, eerste lid, BW kan de met het gezag belaste ouder de kinderrechter verzoeken een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren, waarbij de kinderrechter op grond van artikel 1:265f, tweede lid, een zodanige regeling kan vaststellen als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt. De moeder is daarom ontvankelijk in haar verzoek.

5.4.

Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of de schriftelijke aanwijzing van

8 maart 2022 volgens de regels van de Awb en de ongeschreven algemene beginselen van behoorlijk bestuur tot stand is gekomen. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat de beperking van de omgang tussen een ouder en kind een ingrijpende beslissing is. Dit betekent dat een dergelijke beperking moet zijn ingegeven door concrete omstandigheden en in het belang van het kind dient te zijn.

5.5.

De kinderrechter ziet aanleiding de schriftelijke aanwijzing gedeeltelijk vervallen te verklaren. Daartoe overweegt de kinderrechter dat de schriftelijke aanwijzing van de JBRA van 8 maart 2022 gelet op de inhoud van de overlegde stukken en het verhandelde ter zitting onvoldoende is gemotiveerd. Ter zitting is duidelijk geworden dat de moeder voor de coronaperiode de kinderen veel vaker zag; zij had om de week begeleide omgang met [minderjarige 1] en iedere week begeleide omgang met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Daarnaast hadden de moeder en [minderjarige 1] iedere week op vrijdag een belmoment. In de schriftelijke aanwijzing van 8 maart 2022 is onvoldoende gemotiveerd waarom de omgangsmomenten – nu corona geen rol meer speelt - met de kinderen nu minder frequent zijn dan in het verleden. Daarbij is ook van belang dat het opvoedperspectief van de kinderen nog niet is vastgesteld.

Ter zitting is namens de moeder naar voren gebracht dat het verzoek tot vervallen verklaring niet ziet op de verdere afspraken zoals deze in de schriftelijke aanwijzing van 8 maart 2022 staan geformuleerd. De kinderrechter zal daarom dat gedeelte van de schriftelijke aanwijzing in stand laten.

5.6.

Gelet op het voorgaande stelt de kinderrechter vast dat bij de totstandkoming van de schriftelijke aanwijzing niet is voldaan aan de beginselen van een zorgvuldige motivering. Aldus voldoet de bestreden aanwijzing niet aan de daaraan gestelde formele vereisten, en zal deze gedeeltelijk vervallen worden verklaard.

Omgangsregeling

5.7.

De kinderrechter zal op grond van artikel 1:265f, tweede lid, van het BW een zodanige regeling vaststellen als haar in het belang van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wenselijk voorkomt.

5.8.

De onderhavige procedure kent vele achterliggende procedures. Bij beschikking van 20 januari 2022 is een NIFP onderzoek gelast. Tegen deze beschikking is appel ingediend en deze zaak moet nog behandeld worden bij het Gerechtshof Amsterdam. Ter zitting is gebleken dat de start van het NIFP mogelijk nog anderhalf jaar op zich laat wachten. Daarnaast is op 15 maart 2022 een beschikking gewezen waarbij de GI is gewijzigd. Hierdoor is de WSG pas sinds kort betrokken en kan de begeleiding vanuit de WSG nu pas beginnen. De machtiging uithuisplaatsing van alle drie de kinderen loopt in ieder geval nog tot 21 september 2022. Zoals in 5.5. overwogen had de moeder voor de coronaperiode een meer uitgebreide omgangsregeling met de kinderen. Tijdens de coronaperiode werden de omgangsmomenten beperkt en begeleid door de BOR. Nadat de BOR eindigde ontstond er een vacuüm in de omgangsbegeleiding waarna de schriftelijke aanwijzing van 8 maart 2022 is gegeven aan de moeder om weer vorm te geven aan de omgang.

5.9.

De kinderrechter stelt vast dat het perspectief van de kinderen, gelet op het hangende NIFP onderzoek en het lopende hoger beroep tegen die beslissing, nog niet is bepaald. Uit de overlegde verslagen van de moeder over de laatste omgangsmomenten blijkt dat de moeder zich goed aan de afspraken houdt en dat de contacten goed verlopen. Dit ligt in lijn met de eerdere verslagen van de BOR. De kinderrechter is van oordeel dat de omgangsregeling zoals deze is bepaald in de schriftelijke aanwijzing van 8 maart 2022 onvoldoende frequent is om de moeder de kans te bieden haar opvoedvaardigheden te laten zien. Daarbij komt dat de kinderrechter geen contra-indicaties ziet om een, zoals hieronder nader omschreven, frequentere begeleide omgangsregeling vast te stellen tussen de moeder en de kinderen hangende de procedures en onderzoeken die nog lopen.

5.10.

De kinderrechter vraagt nog expliciet aandacht voor de positie van [minderjarige 3] . Hij woont in [gezinshuis] , is de jongste van het stel (nu 4 jaar) en zou, als de schriftelijke aanwijzing wordt gevolgd zijn moeder slechts één keer per 14 dagen voor twee uur zien terwijl zijn perspectief nog niet bepaald is. [minderjarige 3] heeft minder contact met zijn vader en een volstrekt andere positie dan [minderjarige 2] , die zijn vader wel vaak ziet en regelmatig bij hem verblijft. Om die reden ziet de kinderrechter aanleiding om de contactmomenten tussen de moeder en [minderjarige 3] uit te breiden in die zin dat de moeder tweemaal per week gedurende twee uur begeleide omgang heeft met [minderjarige 3] . Eén moment daarvan is samen met [minderjarige 2] en soms met aansluiting van [minderjarige 1] . Het andere begeleide omgangsmoment is [minderjarige 3] alleen met moeder en zijn daar de broertjes niet bij. Zo kan ook goed gemonitord worden hoe het voor de moeder is om alleen met [minderjarige 3] te zijn.

5.11.

De kinderrechter laat aan de GI over, in overleg met de moeder, de vaders van de kinderen en [gezinshuis] , op welke dagen de omgangsmomenten tussen de moeder en de kinderen het beste kunnen plaatsvinden, in het belang van de kinderen. Dit, gelet op de reistijd van [minderjarige 1] , en het feit dat [minderjarige 2] in het weekeinde veelal bij zijn vader zal zijn.

5.12.

Ten overvloede wil de kinderrechter aan partijen een compliment geven over de meewerkende en meedenkende houding ter zitting.

6 De beslissing


De kinderrechter:

6.1.

wijst het verzoek van de moeder tot vervallen verklaring van de schriftelijke aanwijzing van 8 maart 2022 gedeeltelijk toe;

6.2.

laat de schriftelijke aanwijzing van 8 maart 2022 in stand wat betreft de verdere afspraken met de moeder, inhoudende dat:

- Voor en na iedere omgang volgt een kwartier voor- en nabespreking.

- U bespreekt geen volwassen zaken met [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] ook als het gaat om vader(s).

- In de weken dat [minderjarige 1] niet bij de omgang is, zal er op vrijdagavond een beeldbelmoment zijn met [minderjarige 1] , begeleid door [naam] . Tijd; 1900-l915u.

- U kan speelgoed meenemen, en neemt dit speelgoed na afloop van het bezoek weer mee naar huis.

- Geen overmatig snoepgoed en/of eten meenemen voor [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] ; wat u wel mee mag nemen zijn 1 stuk fruit per kind, en 1 toetje per kind.

- In overleg met [naam] van [gezinshuis] worden er beeldbelmomenten gepland met opa en oma; dit kan op dinsdag 8 maart, 21 maart en 4 april. Tijd om 1830u. De bedoeling is dat opa en oma naar [gezinshuis] bellen via Whatsapp, en dan 20 minuten bellen met [minderjarige 2] / [minderjarige 3] .

- U houdt zich aan de afspraken/huisregels zoals gesteld vanuit [gezinshuis] ; deze heeft u in het verleden ondertekend in overleg met [naam] en zijn reeds in uw bezit.

- U zorgt er voor dat er 25 euro beschikbaar is voor de reis van [minderjarige 1] , opdat deze kosten tussen u en vader fifty-fifty worden gedeeld. U kunt dat in een enveloppe meenemen en afgeven bij [gezinshuis] .

6.3.

verklaart de schriftelijke aanwijzing van 8 maart 2022 vervallen wat betreft de omgangsregeling tussen de moeder en de minderjarigen;

6.4.

stelt de volgende begeleide omgangsregeling vast:

  • -

    waarbij de minderjarige: [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] te [plaats] , een keer per 14 dagen omgang heeft met de moeder voor de duur van twee uren, waarbij [minderjarige 1] aansluit bij het omgangsmoment van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en een (beeld-)belcontact met de moeder heeft in de week dat hij geen omgang heeft.

  • -

    waarbij de minderjarige: [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] te [plaats] , iedere week omgang heeft met de moeder voor de duur van twee uren;

  • -

    waarbij de minderjarige: [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] te [plaats] , twee keer per week omgang heeft met de moeder voor de duur van telkens twee uren, waarbij [minderjarige 2] minimaal één keer per week aansluit.

6.5.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.A.M. van Dijk, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Bos als griffier en in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2022.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Amsterdam