Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2022:4660

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-05-2022
Datum publicatie
01-06-2022
Zaaknummer
9269274
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

CTOT voorgaande vlucht en vlucht in kwestie. De passagier heeft naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwd waarom de omstandigheid dat de vlucht hem naar een ander vliegveld heeft gebracht geen redelijke maatregel zou vormen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

Locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 9269274 \ CV EXPL 21-3833

Uitspraakdatum: 11 mei 2022

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiser]

wonende te [plaats]

eiser

hierna te noemen: de passagier

gemachtigde: Yource B.V.
procesgemachtigde: Verdex B.V.

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht
Lufthansa
gevestigd te Keulen (Duitsland)

gedaagde

hierna te noemen: de vervoerder

gemachtigde: mr. E.A. Pluijm & mr. L.E. Schalk

1 Het procesverloop

1.1.

De passagier heeft bij dagvaarding van 25 mei 2021 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

De passagier heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2 De feiten

2.1.

De passagier heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagier diende te vervoeren van Amsterdam Schiphol Airport via Frankfurt am Main (Duitsland) naar Philadelphia International Airport (Verenigde Staten) op 10 oktober 2019, hierna: de vlucht.

2.2.

Het eerste deel van de vlucht is vertraagd uitgevoerd. De passagier heeft zijn aansluitende vlucht gemist. De passagier is omgeboekt naar een alternatieve vlucht, waarmee hij meer dan 3 uur later op de overeengekomen eindbestemming is aangekomen.

2.3.

De passagier heeft compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde vertraging.

2.4.

De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3 De vordering

3.1.

De passagier vordert – na vermeerdering van eis – dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 966,77 vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 oktober 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;
- de proceskosten en de nakosten.

3.2.

De passagier heeft aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is de passagier te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 966,77.

4 Het verweer

4.1.

De vervoerder betwist de vordering. Hij voert aan dat de vertraging het gevolg was van (doorwerking van) buitengewone omstandigheden, te weten ATFM slotrestricties van het luchtverkeersbeheer, die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen hadden kunnen worden.

5 De beoordeling

5.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

5.2.

Niet in geschil is dat de passagier met een vertraging van meer dan drie uur op zijn eindbestemming is aangekomen, zodat er in beginsel een compensatieplicht geldt voor de vervoerder. Dit is anders indien de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden welke ondanks het treffen van redelijke maatregelen niet voorkomen hadden kunnen worden. In punt 15 van de considerans van de Verordening heeft de Gemeenschapswetgever erop gewezen dat dergelijke omstandigheden zich onder meer kunnen voordoen wanneer een besluit van de luchtverkeersleiding voor een specifiek toestel op een specifieke dag een langdurige vertraging, een vertraging van een nacht of de annulering van één of meer vluchten van dat vliegtuig veroorzaakt.

5.3.

De vervoerder heeft een beroep gedaan op buitengewone omstandigheden. Hij voert daartoe aan dat de vlucht in kwestie (vlucht LH989) deel uitmaakt van de rotatievlucht Frankfurt-Amsterdam-Frankfurt (LH988/89). De voorgaande vlucht (LH988) kreeg te maken met door de luchtverkeersleiding opgelegde beperkingen (vertragingscode 83W). De vlucht heeft uiteindelijk gebruik kunnen maken van de slot van 07:55 uur UTC. De vertraging werkt door op het volgende deel van de rotatie, en heeft ten aanzien van de vlucht in kwestie tot een vertrekvertraging van 17 minuten geleid (vertragingscode 93). De vlucht in kwestie heeft daar bovenop 16 minuten extra vertraging opgelopen als gevolg van door de luchtverkeersleiding opgelegde gewijzigde slottijden (vertragingscode 89). De passagier betwist dat deze omstandigheden kunnen worden aangemerkt als ‘buitengewoon’ in de zin van de Verordening.

5.4.

De kantonrechter overweegt dat het intrekken van de oorspronkelijke slottijd en het toekennen van een latere slottijd is aan te merken als een besluit van de luchtverkeersleiding gericht aan het toestel waarmee de vlucht is uitgevoerd. De vervoerder is verplicht door de luchtverkeersleiding opgelegde restricties op te volgen, hij kan daarop geen invloed uitoefenen. In beginsel is niet van belang wat de reden is voor het besluit van het luchtverkeersbeheer. Niet is gebleken dat de luchtverkeersleiding de gewijzigde slottijd heeft opgelegd door toedoen van de vervoerder. Instructies van de luchtverkeersleiding kunnen worden aangemerkt als buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening.

5.5.

Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging van de passagier te voorkomen dan wel te beperken. De passagier stelt dat de vervoerder onvoldoende buffer in de overstaptijd heeft ingeruimd. De kantonrechter overweegt dat de vervoerder in het stadium van de planning van de vlucht redelijkerwijs rekening moet houden met het risico op vertraging. De kantonrechter acht in dit kader een reservetijd (of ‘buffer’) van ten minste 20 minuten bovenop de MCT (“Minimum Connecting Time”) noodzakelijk. In dit geval hebben de buitengewone omstandigheden tot een vertraging van 33 minuten geleid. De kantonrechter concludeert dat, ook al had de vervoerder voldoende reservetijd in acht genomen, de passagier zijn aansluitende vlucht niet meer had kunnen halen.

5.6.

De passagier stelt verder dat de omboeking naar de alternatieve vlucht (UA933 van Frankfurt naar Washington) geen redelijke maatregel vormt. Uit het arrest van het Hof van 11 juni 2020 (C-74/19) volgt dat, indien de passagier met een door de vervoerder zelf uitgevoerde alternatieve vlucht de dag na de oorspronkelijk vastgestelde dag aankomt dit in beginsel geen redelijke maatregel vormt. Hierbij gaat de kantonrechter voor de interpretatie van het hiervoor genoemde woord ‘dag’ uit van een tijdruimte en voor de uitleg ervan wordt aangesloten bij de algemeen geaccepteerde uitleg, zijnde een tijdsduur van 24 uur. De passagier is in het onderhavige geval echter met een vertraging van minder 24 uur aangekomen op zijn eindbestemming. De passagier heeft naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwd waarom de omstandigheid dat de vlucht hem naar een ander vliegveld heeft gebracht geen redelijke maatregel zou vormen. Niet gebleken is dan ook dat de alternatief aangeboden vlucht geen redelijke maatregel vormt.

5.7.

Niet valt in te zien welke maatregelen de vervoerder nog meer had kunnen nemen om de vertraging te voorkomen dan wel te beperken. De passagier heeft in dit kader ook niets gesteld. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen. In de gegeven omstandigheden kon er niet meer van de vervoerder worden verwacht. De vordering van de passagier zal dan ook worden afgewezen. De gevorderde rente is toewijsbaar met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.

5.8.

De proceskosten komen voor rekening van de passagier, omdat deze ongelijk krijgt. Weliswaar heeft de passagier verzocht de vervoerder ook in het geval wordt geoordeeld dat de vervoerder bevrijd kan worden van zijn betalingsverplichting in de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten te veroordelen, maar dat verzoek wordt afgewezen. De passagier heeft niet gesteld dat hij niet tot dagvaarding over zou zijn gegaan als hij voorafgaande aan de procedure door de vervoerder in kennis zou zijn gesteld van feiten en omstandigheden die pas in deze procedure bij de passagier bekend zijn geworden. Er is daarom geen grond voor de stelling dat deze procedure voorkomen had kunnen worden als de vervoerder in een eerder stadium meer informatie zou hebben gegeven.

5.9.

Ook de nakosten komen voor rekening van de passagier, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

wijst de vordering af;

6.2.

veroordeelt de passagier tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 248,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder en veroordeelt de passagier tot betaling van € 62,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;

6.3.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter