Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2022:4654

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-05-2022
Datum publicatie
14-06-2022
Zaaknummer
C/15/319304 / HA ZA 21-430
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Duurovereenkomst en koop mallen. IPR. Duurovereenkomst is opzegbaar zonder zwaarwegende reden en zonder opzegtermijn vanwege geringe afhankelijkheid en vrijblijvend karakter. Geen opzegging met valse reden of misbruik van opzeggingsbevoegdheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats

Zaaknummer: C/15/319304 / HA ZA 21-430

Vonnis van 25 mei 2022

in de zaak van

[eiser] , h.o.d.n. [eiser],

wonende te [plaats 1] ,

eiser,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat mr. T.E. Deenik te Haarlem,

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

[gedaagde] (LLC),

gevestigd te [plaats 2] , Polen,

gedaagde,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat mr. J.B. Houtappel te Rotterdam.

De zaak in het kort

[eiser] en [gedaagde] hebben in 2017 een overeenkomst gesloten voor de productie en verkoop van sloepen met de naam Escape door [gedaagde] . In de overeenkomst is een verkoopprijs voor de bijbehorende mallen opgenomen en een door [gedaagde] aan [eiser] te betalen commissie, waarvan de hoogte afhankelijk is gesteld van het type Escape-sloep dat werd verkocht en of het een klant afkomstig van [eiser] of [gedaagde] betrof. Eind 2018 heeft [gedaagde] de overeenkomst per direct opgezegd. Vervolgens heeft zij de mallen verkocht aan een ander. In opdracht van die ander en met gebruikmaking van de mallen produceert [gedaagde] sinds 2020 sloepen, die worden verkocht onder een andere naam. [eiser] ontvangt sinds de opzegging van de overeenkomst geen vergoeding meer van [gedaagde] voor de productie van sloepen waarbij de mallen worden gebruikt.

De vraag is of [gedaagde] de overeenkomst met onmiddellijke ingang en zonder (een aanbod tot) vergoeding van schade mocht opzeggen of niet, dan wel of sprake is van een overeenkomst voor de duur van vijf jaar. De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] af. De overeenkomst was opzegbaar en ook zonder opzegtermijn, gelet op de geringe afhankelijkheid van [eiser] en het vrijblijvende karakter van de overeenkomst voor [gedaagde] . Het stond [gedaagde] vrij de mallen enige tijd na het einde van de overeenkomst te verkopen aan een derde en deze op verzoek van die derde te blijven gebruiken. Er is niet gebleken van een opzegging met een valse reden of een ongeoorloofd doel.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 27 oktober 2021

- de akte overlegging aanvullende producties van 8 april 2022 van [eiser]
- de mondelinge behandeling van 8 april 2022, waarvan door de griffier aantekeningen zijn bijgehouden.

1.2.

Tenslotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is een fabrikant en groothandelaar in watersportartikelen, waaronder sloepen. [gedaagde] is een producent van verschillende typen schepen, waaronder sloepen.

2.2.

In vervolg op een eerdere samenwerking hebben partijen op 27 juli 2017 een overeenkomst gesloten voor de productie en verkoop van sloepen onder de naam Escape van [eiser] door [gedaagde] .

2.3.

Hierover is voor zover van belang in de overeenkomst het volgende opgenomen:

(C) Due to the lack of payment of remuneration by [eiser] to [gedaagde] , despite the proper execution of the orders by [gedaagde] , [gedaagde] under Article 3 of the Contract acquired ownership of sets of molds for boats type Escape 750, that included: hull, inner hull, sets of covers, ruder blade, engine box and console;

(D) [gedaagde] is interested in the production and sale of Escape Boats (Escape 600, Escape 22, Escape 288, Escape 233 inboard, Escape 233 outboard and Escape 750) – hereinafter referred to collectively as “ Escape Boats ”, without any territorial restrictions;

(E) [eiser] owns all intellectual and industrial property rights to Escape Boats, including their manufacturing and production, as well as the full rights to the “ESCAPE” brand;

(…)

ARTICLE 1 – SUBJECT OF CONTRACT

Under this Agreement:

1.1.

[gedaagde] shall acquire from [eiser] 3 (three) sets of molds for the boats: (i) Escape 600, (ii) Escape 22 and (iii) Escape 288, for a total price of € 35,000 (…) – in accordance of Article 2 of the Agreement;

(…)

Article 2 – SALE OF ESCAPE MOLDS

2.1

[eiser] sells and [gedaagde] acquires 3 sets of molds for boat type “Escape”: (i) Escape 600, (ii) Escape 22 and (iii) Escape 288 (hereinafter referred to as “ Escape Molds ”).

2.2

[eiser] states that the Escape Molds are free of any legal defects and that they are located in the [gedaagde] factory – [plaats 3] / [plaats 2] , Poland.(address).

2.3

The price of the Escape Molds is € 35.000 (thirty-five thousands Euros). The price shall be paid in accordance with Article 5 of the Agreement.

ARTICLE 3 – INTELLECTUAL PROPERTY AND COMMISSION

3.1

[eiser] hereby grants to [gedaagde] a perpetual, worldwide, irrevocable, non-exclusive, royalty free, sub-licensable to [gedaagde] affiliates, license to use all intellectual property rights owned by or licensed to [eiser] , that are related to the production process of Escape boats and the “ESCAPE” brand, including: patents, utility models, trademarks, designs, copyrights and related, Know-How and intellectual property rights. Such license includes the right to grant sub-licenses to [gedaagde] production suppliers as may be required for the purposes of production and sale of Escape Boats.

3.2

The license granted by [eiser] include the right for [gedaagde] to sub-license to any third party the right to use, copy, modify, interpret or otherwise deal with intellectual property rights mentioned in Article 3.1 above, for the purpose of production and selling of Escape Boats.

3.3

Under the terms of the Agreement, [eiser] expressly agrees to allow [gedaagde] to freely, unrestrictedly manufacture and sell Escape Boats, as well as to use the “ESCAPE” brand without any restriction to do so. As such, [gedaagde] is empowered to independently decide on any rules for the production and sale of Escape Boats, with or without using the “ESCAPE” brand, including setting up sales rules and price policy of Escape Boats.

3.4

In return for the licenses and approvals referred to in Articles 3.1. - 3.3. above, [gedaagde] undertakes to pay the commission to [eiser] after each sale of Escape Boats (hereinafter referred to in as “ Commission ”), as follows:

3.1.1.

when selling Escape boats to a [eiser] customer, [gedaagde] is obliged to pay a Commission of € 1.500 (one thousand five hundred Euros) to [eiser] for the sale of the Escape 288 boat and € 1.000 (one thousand Euros) for the sale of any other Escape Boat;

3.1.2.

when selling Escape Boats to a [gedaagde] customers, [gedaagde] is obliged to pay a Commission of € 500 (five hundred Euros) to [eiser] for the sale of any Escape Boat.

3.5

The Commission, referred to in Article 3.4. above, shall be paid by [gedaagde] to [eiser] within 30 working days from the day [gedaagde] receives the full purchase price of Escape Boat from the customer.

3.6

In order to document the Commission due to [eiser] , [gedaagde] shall send reports indicating customer orders for Escape Boats every two months. [gedaagde] is committed to send reports to [eiser] via e-mail: …. [e-mailadres]

3.7

Payment of the Commission shall be based on invoices issued by [eiser] in accordance with clause 3.5. above.

3.8

Licenses and consents referred to in Articles 3.1. – 3.3. above are granted by [eiser] to [gedaagde] indefinitely. At the same time, [eiser] undertakes not to issue such licenses or given consents for any reason for a period not shorter than 5 years.

(…)

2.4.

[eiser] heeft op 11 december 2017 een factuur aan [gedaagde] gestuurd voor de door [gedaagde] aan [eiser] verschuldigde commissie van € 5.000 onder de overeenkomst. Deze factuur is betaald door [gedaagde] .

2.5.

Op 5 februari 2018 heeft een medewerker van [gedaagde] aan [eiser] een e-mail gestuurd waarin het volgende staat:

At this point of our activity on the market, the Board of [gedaagde] company had decided to assign the exclusive rights to consortium-group of dealers in cooperation. Those dealers are on the contract list, what means higher provisions for you. They reason of such action is the sufficient amount of orders they provided, which cover (overwhelm) production line of 2018 and the involvement of dealers to promote the ESCAPE brand.

If you will find any customer- please forward him to the proper dealer.

The planned estimated volume is as follows:

ESCAPE

Dealer I

Dealer II

Dealer III

Dealer IV

Total

600

4

3

3

3

13

750

7

4

6

3

20

22

3

3

3

2

11

233

5

3

3

3

14

288

3

3

3

2

11

SUM

22

16

18

13

TOTAL

69

(…)

2.6.

In de periode 17 maart 2018 tot en met 4 augustus 2018 heeft [eiser] de volgende facturen gestuurd aan [gedaagde] , voor de door [gedaagde] onder de overeenkomst verschuldigde commissie voor verkopen aan Nederlandse dealers van in de facturen nader genoemde typen Escape-sloepen. Deze facturen zijn betaald door [gedaagde] .

  • -

    17 maart 2018 € 4.000 (5 sloepen)

  • -

    22 april 2018 € 5.000 (5 sloepen)

  • -

    15 mei 2018 € 1.000 (1 sloep)

  • -

    13 juni 2018 € 2.000 (2 sloepen)

  • -

    4 augustus 2018 € 1.000 (1 sloep)

2.7.

Partijen hebben op 11 oktober 2018 gesproken over de samenwerking. Na 11 oktober 2018 zijn er geen nieuwe orders door [eiser] bij [gedaagde] aangebracht.

2.8.

Op 13 oktober 2018 heeft [eiser] een factuur aan [gedaagde] gestuurd, voor de door [gedaagde] onder de overeenkomst verschuldigde commissie van € 500 (1 Escape-sloep). Deze factuur is betaald door [gedaagde] .

2.9.

Bij brief van 7 november 2018 heeft [gedaagde] de overeenkomst met onmiddellijke ingang opgezegd, met als reden een gebrek aan interesse van klanten in Escape-sloepen: “due to the lack of costumers’ interest in products covered by the aforementioned Agreement”.

2.10.

Bij brieven van 14 juni en 14 oktober 2019 heeft [eiser] [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de onrechtmatige opzegging en gesommeerd tot betaling van een schadevergoeding. De mallen wenste [eiser] terug te kopen voor een bedrag van

€ 45.000. [gedaagde] heeft daarop schriftelijk gereageerd en betwist iets verschuldigd te zijn aan [eiser] . [gedaagde] is niet ingegaan op de (ver)koop van de mallen.

2.11.

[gedaagde] is vervolgens met een Nederlandse concurrent van [eiser] , Sloepencentrum, in zee gegaan. [gedaagde] verkocht de eerder van [eiser] gekochte mallen aan Sloepencentrum en produceert sindsdien, met gebruikmaking van deze mallen, sloepen die onder de naam ‘Pieterman’ door Sloepencentrum worden verkocht.

2.12.

Sloepencentrum heeft korte tijd op haar website bij de toelichting van de Pieterman-sloepen, marketingteksten van origineel de Escape gebruikt waarbij ook de naam ‘Escape’ werd genoemd.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert - samengevat - dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

primair

1. verklaart voor recht dat [gedaagde] gehouden is aan hem een (vervangende) schadevergoeding te betalen, vanwege het op onrechtmatige wijze beëindigen van de overeenkomst en het als gevolg daarvan mislopen van de commissie die [gedaagde] op grond van de overeenkomst tot en met 27 juli 2022 is verschuldigd;

2. [gedaagde] veroordeelt tot vergoeding van de door [eiser] als gevolg van het op onrechtmatige wijze beëindigen van de overeenkomst geleden schade, nader op te maken bij staat;

subsidiair

3. verklaart voor recht dat de overeenkomst nog van kracht is en [gedaagde] gehouden is de overeengekomen commissie te betalen;

zowel primair als subsidiair

4. [gedaagde] beveelt tot openlegging van de boeken en bescheiden wat betreft de verkoop van een aantal nader genoemde modellen Pieterman en Escape-sloepen vanaf 7 november 2018 tot op heden, op straffe van een dwangsom;

5. indien vordering 4 niet door de rechtbank wordt toegewezen; [gedaagde] te bevelen tot het geven van inzage en afschrift (kopie) van haar administratie wat betreft de verkoop van een aantal nader genoemde modellen Pieterman en Escape-sloepen vanaf 7 november 2018 tot op heden, op straffe van een dwangsom;

alles met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met nakosten en rente.

3.2.

Onder vordering 1. vordert [eiser] primair een verklaring voor recht dat [eiser] een schadevergoeding is verschuldigd wegens het zonder voldoende zwaarwegende reden en een redelijke opzegtermijn ten onrechte beëindigen van de overeenkomst door [gedaagde] , althans subsidiair wegens het voortijdig beëindigen van de overeenkomst door [gedaagde] . De overeenkomst heeft dan te gelden als een overeenkomst voor bepaalde tijd zonder tussentijdse opzeggingsmogelijkheid. [eiser] grondt de verplichting tot vergoeding van schade primair op artikel 6:74 Burgerlijk Wetboek (BW) en subsidiair op artikel 6:87 BW (vervangende schadevergoeding). De onder vordering 2. gevorderde schade bestaat uit de commissie voor verkochte Escape-sloepen die [eiser] sinds 7 november 2018 niet meer ontvangt, terwijl [gedaagde] met gebruik van de mallen wel sloepen produceert en verkoopt en [eiser] tot 22 juli 2022 recht heeft op die commissie.

De subsidiaire vordering onder 3. is ingesteld voor het geval de rechtbank oordeelt dat de opzegging niet rechtsgeldig is, maar van een schadevergoeding ex artikel 6:74 BW geen sprake kan zijn, dan wel dat de omzettingsverklaring ex artikel 6:87 BW geen effect zou hebben gesorteerd, en dus de overeenkomst nog voortduurt. In dat geval is sprake van een vordering tot nakoming ex artikel 3:296 BW en is de overeengekomen commissie verschuldigd op grond van de overeenkomst.

3.3.

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Bevoegdheid en toepasselijk recht

4.1.

Omdat [gedaagde] is gevestigd in het buitenland, zal eerst worden beoordeeld of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en welk recht op dit geschil van toepassing is.

4.2.

De bevoegdheid van de rechtbank zal op basis van internationaal privaatrecht worden beoordeeld. Van toepassing is de Verordening (EU) 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I bis-Vo). Partijen hebben geen forumkeuze gemaakt.

4.3.

Aan de primaire vorderingen van [eiser] is een verbintenis uit overeenkomst ten grondslag gelegd, aangezien een vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige opzegging van de overeenkomst haar grondslag vindt in de niet-nakoming van een contractuele verplichting.1 Hetzelfde geldt voor de gevorderde verklaringen voor recht en de subsidiaire vordering tot nakoming. Op basis van artikel 7 lid 1 sub a Brussel I bis-Vo kan worden gedagvaard voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Voor de bepaling in welke plaats de oorspronkelijke verbintenis tot betaling van de commissie moet worden uitgevoerd is van belang welk recht op de gestelde overeenkomst van toepassing is.2

4.4.

Voor de bepaling van het toepasselijke recht zijn de verwijzingsregels van toepassing van de verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst in burgerlijke en handelszaken (Rome I-Vo). Partijen hebben geen rechtskeuze gemaakt. Op grond van artikel 4 lid 2 van Rome I-Vo is het recht van toepassing van het land waar de partij die de kenmerkende prestatie van de overeenkomst moet verrichten, haar gewone verblijfplaats heeft. Anders dan [gedaagde] stelt, is het verlenen van de toestemming door [eiser] aan [gedaagde] om gebruik te maken van het concept van de Escape-sloepen en de marktpositie die hij daarvoor heeft ontwikkeld, de meest kenmerkende prestatie onder de overeenkomst. Deze prestatie is verricht door [eiser] die zijn verblijfplaats heeft in Nederland, zodat op de vorderingen in dit geschil Nederlands recht van toepassing is.

4.5.

Dit betekent dat de vraag waar de oorspronkelijke verbintenis tot betaling van de commissie moet worden uitgevoerd, beantwoord dient te worden op grond van artikel 6:116 lid 1 BW in samenhang met artikel 6:118 BW. Daaruit volgt dat de vergoeding moet worden betaald aan de plaats van vestiging van de schuldeiser, zijnde de woonplaats van [eiser] in Nederland. Dit leidt tot het oordeel dat de rechtbank Noord-Holland op grond van artikel 7 lid 1 sub a Brussel I bis-Vo bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen 1-3 van [eiser] .

4.6.

In artikel 10:3 BW is bepaald dat op de wijze van procederen ten overstaan van de Nederlandse rechter het Nederlandse recht van toepassing is. Dit betekent in dit geval dat deze rechtbank ook bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen 4 en 5 op grond van artikelen 22, 162 en 843a Rv.

4.7.

Het verweer van [gedaagde] met betrekking tot de onbevoegdheid van de Nederlandse rechter en de toepasselijkheid van Pools recht wordt dan ook gepasseerd.

Mocht [gedaagde] de overeenkomst opzeggen, zoals zij heeft gedaan?

4.8.

De rechtbank moet de vraag beantwoorden of [gedaagde] de overeenkomst met onmiddellijke ingang mocht opzeggen zoals zij heeft gedaan en zonder enige vergoeding aan [eiser] te betalen (of daartoe een aanbod te doen) of niet. De rechtbank zal eerst ingaan op de inhoud van de overeenkomst, omdat partijen daar op onderdelen een verschillende uitleg aan geven en die uitleg van belang is voor de verdere beoordeling van het geschil.

- Inhoud van de overeenkomst

4.9.

Partijen gaan uit van het bestaan van een duurovereenkomst en de rechtbank volgt partijen daarin, met inachtneming van het volgende. De overeenkomst houdt enerzijds in dat [eiser] aan [gedaagde] een aantal mallen verkoopt waarmee bepaalde typen Escape-sloepen kunnen worden gebouwd. Dit deel van de overeenkomst betreft geen duurovereenkomst, maar een koop-/verkoopovereenkomst. Anderzijds houdt de overeenkomst in de toestemming van [eiser] aan [gedaagde] om gebruik te maken van het concept van de Escape-sloepen en de marktpositie die hij daarvoor heeft ontwikkeld tegenover de verplichting voor [gedaagde] om commissie te betalen aan [eiser] als zij Escape-sloepen verkoopt, waarvan de hoogte afhankelijk is van het type Escape-sloep en of het een klant van [eiser] betreft of een klant afkomstig van [gedaagde] .

4.10.

[eiser] heeft de stelling van [gedaagde] niet betwist dat de aanleiding voor het sluiten van de overeenkomst was, dat [eiser] een betalingsachterstand had in de betaling van de door [gedaagde] voor [eiser] geproduceerde sloepen. Dat dit het geval was, blijkt ook uit de considerans (onder C) in de overeenkomst, waarin dit met zoveel woorden staat. [gedaagde] wilde met het aangaan van de overeenkomst bereiken dat zij direct door dealers betaald zou krijgen en dat zij hiervoor niet meer afhankelijk was van [eiser] .

4.11.

Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde] geen productie- en/of verkoopverplichting onder de overeenkomst heeft. Voor [gedaagde] heeft de overeenkomst op dit punt een vrijblijvend karakter.

4.12.

Artikel 3.3 van de overeenkomst geeft aan [gedaagde] onder meer het recht om te bepalen wat de prijsstelling van de Escape-sloepen is.

4.13.

In de dagvaarding stelt [eiser] dat er model- en merkrechten aan de Escape-lijn verbonden zijn, maar op de zitting is door hem erkend dat dit niet geval is. [eiser] heeft uitgelegd dat hij hierover gerechtelijke procedures heeft gevoerd, maar dat de rechter(s) ervan uitgaat/gaan dat een boot een boot is, waaruit de rechtbank afleidt dat de Escape-sloepen onvoldoende onderscheidend vermogen hebben. Uit de door [gedaagde] overgelegde uitspraak in kort geding, die onder andere betrekking had op één van de Escape-sloepen, volgt dit ook. De mallen en/of de sloepen zijn dus niet beschermd door een intellectueel eigendomsrecht. Evenmin is een beroep op de leer van slaafse nabootsing voor [eiser] succesvol gebleken, zo volgt uit die uitspraak.

4.14.

[gedaagde] stelt dat partijen bij het aangaan van de overeenkomst ervan uitgingen dat er geen intellectuele eigendomsrechten verbonden waren aan de Escape-lijn en dit is verder niet betwist door [eiser] , zodat dit vaststaat. De onder de overeenkomst aan [eiser] verschuldigde commissie bij verkoop van Escape-sloepen, hield dus geen verband met model- en/of merkrechten op de Escape-sloepen: dergelijke rechten bestonden niet. Daarmee hield de verplichting tot betaling van commissie dus (uitsluitend) verband met de marktpositie die [eiser] had gecreëerd voor Escape-sloepen. Hieruit volgt dat de stelling van [eiser] die inhoudt dat de commissie verschuldigd is voor iedere sloep die met de mal wordt geproduceerd, ongeacht of hierbij de marktpositie van de Escape-lijn wordt benut, niet opgaat.

4.15.

Partijen zijn verder verdeeld over de vraag of de mallen onbeperkt in eigendom zijn verkocht of niet. Volgens [eiser] mogen de mallen alleen worden gebruikt voor Escape-sloepen, waarbij hij verwijst naar artikel 1.1 en 3.3 van de overeenkomst, zodat deze na het einde van de overeenkomst niet vrijelijk kunnen worden gebruikt voor de productie van andere sloepen. De rechtbank is het met [gedaagde] eens dat een dergelijke beperking van de in eigendom overgedragen mallen, niet volgt uit de overeenkomst. Dat er in artikel 1.1 van de overeenkomst typen Escape-sloepen worden genoemd, is om de mallen specifiek aan te duiden, maar houdt geen beperking van de eigendomsrechten in. En artikel 3.3 van de overeenkomst gaat over de commissie en niet over een beperking van de eigendomsrechten van de mallen.

4.16.

Ten slotte zijn partijen verdeeld over de vraag of uit artikel 3.8 van de overeenkomst volgt dat [eiser] erop mocht vertrouwen dat de overeenkomst ten minste voor vijf jaar werd aangegaan. De beoordeling van dit punt komt hierna aan bod in alinea 4.22 (waarnaar ook in alinea 4.28 wordt verwezen).

- Juridisch kader voor de beoordeling van de opzegging van de duurovereenkomst

4.17.

De rechtbank zal eerst de primaire stelling van [eiser] behandelen, die uitgaat van een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd, zonder contractuele beperking in de opzegmogelijkheid. Ook [gedaagde] gaat hiervan uit.

4.18.

Een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd waarbij geen opzegtermijn is overeengekomen, is in beginsel opzegbaar. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat.

Uit diezelfde eisen kan, ook in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval, voortvloeien dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding.

- Zwaarwegende grond voor de opzegging vereist? - nee

4.19.

De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheden die [eiser] stelt niet maken dat [gedaagde] de overeenkomst alleen op zwaarwegende gronden had mogen opzeggen. Daarom kan in het midden blijven of de door [gedaagde] aangevoerde grond (teleurstellende omzet) een zwaarwegende grond oplevert of niet.

4.20.

[eiser] stelt dat er een zwaarwegende grond vereist is om de overeenkomst al na één jaar en vier maanden op te zeggen, omdat hij er gerechtvaardigd vanuit mocht gaan de overeenkomst ten minste vijf jaar zou duren en hij tot 22 juli 2023 commissie zou ontvangen, waarbij hij door hem gedane investeringen kon terugverdienen. [eiser] verwijst hierbij naar artikel 3.8 van de overeenkomst (zie alinea 2.3 van dit vonnis). Ter onderbouwing van die door hem gedane investeringen, heeft [eiser] een aantal facturen uit 2014 overgelegd, die zien op de koop van twee mallen voor een totaalbedrag van € 40.000. [eiser] begroot zijn investering, die hij in 2010 en 2014 zegt te hebben gedaan, op een bedrag van € 90.000. Daarnaast stelt [eiser] dat hij in 2015 de kosten voor CE test/certificaten van € 2.000 heeft betaald. Door de overeenkomst eerder te beëindigen en geen verdere commissie af te dragen, heeft [eiser] volgens hem geen eerlijke prijs van [gedaagde] ontvangen voor de mallen.

4.21.

[gedaagde] betwist deze argumentatie van [eiser] op ieder punt. De rechtbank volgt de stellingen van [eiser] ook niet en zal de door hem aangevoerde punten afgaan.

4.22.

Ten eerste volgt de rechtbank de stelling van [eiser] niet dat hij erop mocht vertrouwen dat de overeenkomst tenminste vijf jaar zou duren. In artikel 3.8 van de overeenkomst staat dat de licenties en rechten genoemd in de overeenkomst voor onbepaalde tijd aan [gedaagde] zijn verstrekt en dat [eiser] voor een periode van vijf jaar eenzelfde licenties en rechten niet aan derden zal verstrekken. Daarmee is dit een exclusiviteitsbeding, dat eenzijdig een verplichting op [eiser] legt. Het beding regelt de duur van de exclusiviteit, maar daarmee niet ook de duur van de overeenkomst. [eiser] stelt geen feiten of omstandigheden die maken dat hier anders over moet worden geoordeeld.

4.23.

Evenmin volgt de rechtbank de stelling van [eiser] dat [gedaagde] onder de overeenkomst de verplichting had ervoor te zorgen dat diens investering kon worden terugverdiend, nog daargelaten dat de hoogte van die investering gemotiveerd is betwist door [gedaagde] en dus niet vaststaat. Een dergelijke verplichting volgt niet uit de inhoud van de overeenkomst en verdraagt zich ook niet met het vaststaande feit dat er geen productieverplichting voor [gedaagde] was en de verkoop van de mallen aan [gedaagde] onvoorwaardelijk is geweest.

4.24.

Verder ontbreekt een verband in de overeenkomst tussen de door [gedaagde] verschuldigde commissie en de koopprijs van de mallen, zie hiertoe ook alinea 4.14. Daarmee gaat de stelling van [eiser] ook niet op dat er vanwege de opzegging en het uitblijven van de betaling van verdere commissie, geen eerlijke prijs voor de mallen zou zijn ontvangen. Daarbij heeft [gedaagde] terecht aangevoerd dat in de overeenkomst een koopprijs voor de mallen is opgenomen, die zij aan [eiser] heeft betaald en dat niet gesteld of gebleken is dat die koopprijs onder de marktwaarde is geweest. De rechtbank merkt op dat hier ook geen aanwijzingen voor zijn, gelet op de hoogte van de prijs die [eiser] bereid was te betalen voor het terugkopen van de mallen, te weten voor een bedrag van

€ 45.000.

- Opzegtermijn vereist of (aanbod tot) vergoeding van schade? - nee

4.25.

De rechtbank oordeelt dat de eisen van redelijkheid en billijkheid niet maken dat [gedaagde] de overeenkomst niet met onmiddellijke ingang mocht opzeggen of dat de opzegging gepaard had moeten gaan met een (aanbod tot) vergoeding van schade.

4.26.

Wat betreft een te hanteren opzegtermijn is niet gesteld of gebleken dat [eiser] tijd nodig had zijn bedrijfsvoering aan te passen aan de nieuwe situatie. Bij de opzegging zijn geen lopende orders afgebroken. Niet gesteld of gebleken is dat er op korte termijn nieuwe orders te verwachten waren. Dat een opzegtermijn verschil zou hebben gemaakt voor het terugverdienen van de door [eiser] gestelde investering of hij anderszins in een wezenlijk andere positie zou zijn komen te verkeren, is dan ook onvoldoende gebleken.

4.27.

Er zijn daarmee ook geen feiten of omstandigheden aanwezig, die maken dat de opzegging op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid gepaard had moeten gaan met (een aanbod tot) vergoeding van schade.

Overeenkomst voor bepaalde tijd? – nee

4.28.

Subsidiair stelt [eiser] dat de overeenkomst voor bepaalde tijd is gesloten, te weten voor de duur van vijf jaar, zodat deze niet tussentijds kon worden beëindigd. De rechtbank volgt [eiser] hierin niet. Zoals uit alinea 4.22 blijkt, is de rechtbank het niet met [eiser] eens dat uit artikel 3.8 van de overeenkomst volgt dat de overeenkomst een duur heeft van vijf jaar. Daarmee strandt de subsidiair ingenomen stelling van [eiser] .

Onrechtmatig gehandeld: schadevergoeding verschuldigd? - nee

4.29.

Het oordeel dat [gedaagde] bevoegd was de overeenkomst zonder inachtneming van een opzegtermijn op te zeggen, neemt niet weg dat zij onder omstandigheden gehouden kan zijn de door [eiser] als gevolg van de opzegging geleden schade te vergoeden.

4.30.

Voor zover met ‘onrechtmatig’ in het petitum een beroep op artikel 6:162 BW is bedoeld, zodat het standpunt van [eiser] is dat de opzegging van [gedaagde] naast een schending van de overeenkomst ook een onrechtmatige daad oplevert, neemt de rechtbank dat in de beoordeling mee. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat een beroep op schadevergoeding wegens onrechtmatige daad is beperkt door de in het petitum aan de schadevergoeding verbonden voorwaarde: ‘.., vanwege het op onrechtmatige wijze beëindigen van de overeenkomst en het als gevolg daarvan mislopen door [eiser] van de commissie die [gedaagde] op grond van de overeenkomst tot en met 27 juli 2022 verschuldigd was’.

4.31.

[eiser] stelt dat dat de aangevoerde reden van de opzegging onjuist is, waarbij hij wijst op de e-mail van 5 februari 2018 van [gedaagde] aan hem en waarin juist een ‘overweldigend’ aantal bestellingen aan Escape-boten wordt genoemd. In deze e-mail staat het woord ‘provided’, waaruit volgt dat het aangeleverde bestellingen zijn. Van een prognose is volgens [eiser] dus geen sprake. In de e-mail staat verder dat er exclusieve (verkoop)rechten aan een beperkte groep dealers worden gegeven, die zich hebben bereid getoond om het Escape-merk te promoten en dus nóg succesvoller te maken, en dat de reden hiervoor is dat deze dealers voldoende bestellingen hebben geleverd. Hiermee valt volgens [eiser] niet te rijmen dat in november datzelfde jaar de overeenkomst werd opgezegd wegens een gebrek aan interesse van klanten. De rechtbank begrijpt deze stelling van [eiser] zo dat [gedaagde] zich bij de opzegging met een valse reden zou hebben bediend.

4.32.

[gedaagde] heeft hierop aangevoerd dat het in de e-mail van 5 februari 2018 genoemde aantallen gaat om een prognose, waarbij zij wijst op de tekst die boven het overzicht met aantallen staat; “planned estimated volume”. De rechtbank volgt [gedaagde] in deze uitleg van de e-mail. Weliswaar heeft [eiser] gelijk dat daaraan voorafgaand in tekst van de

e-mail staat dat er voldoende orders zijn aangeleverd voor het verstrekken van exclusieve verkooprechten, maar in dat deel van de e-mail (bij die tekst) worden geen getallen genoemd. En bij de getallen die wél in de e-mail worden genoemd, staat expliciet dat het hierbij om een prognose gaat en dus om een verwacht aantal bestellingen. Daarom stelt de rechtbank vast dat in de e-mail van 5 februari 2018 een prognose van 69 bestelling wordt genoemd. Vast staat dat dit aantal niet is gehaald. Dit blijkt ook uit de in rekening gebrachte commissie voor in totaal vijftien sloepen (zie alinea 2.6 en 2.8). Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde] hier debet aan is. [eiser] stelt wel dat [gedaagde] voor nieuwe orders maar bij hem had hoeven aan te kloppen, maar hij heeft zelf nagelaten in loop van 2018 – toen uit de betalingen van de commissies duidelijk werd dat de werkelijkheid aanzienlijk achterbleef bij de prognose - en tenminste naar aanleiding van het gesprek van 11 oktober 2018 vanuit zijn dealernetwerk orders aan te dragen of in het vooruitzicht te stellen. Dit heeft hij echter niet gedaan. Daarbij heeft [eiser] in 2018 tot onvrede van [gedaagde] en andere dealers in Nederland, Escape-sloepen voor 20% onder de door [gedaagde] vastgestelde prijs aangeboden op Marktplaats. [eiser] heeft de stelling van [gedaagde] niet of onvoldoende betwist dat dit heeft bijgedragen aan een verminderde interesse bij dealers in Nederland in de afname van Escape-sloepen tegen de door [gedaagde] bepaalde (hogere) verkoopprijs. Van het gebruik van een valse reden voor opzegging is de rechtbank dan ook niet gebleken.

4.33.

[eiser] stelt verder dat [gedaagde] de verplichting van betaling van commissie heeft willen omzeilen. Dit door de overeenkomst op te zeggen om vervolgens uit de mallen Pieterman-sloepen te kunnen produceren en verkopen, zonder daarover aan hem commissie verschuldigd te zijn. De Pieterman-sloepen zijn Escape-modellen en daarover is commissie verschuldigd, aldus [eiser] . De Pieterman-sloepen zijn door dealer Sloepencentrum in Nederland op de markt gebracht, nadat zij de mallen van [gedaagde] had gekocht. De mallen zijn echter bij [gedaagde] gebleven en [gedaagde] heeft daarmee de Pieterman-sloepen geproduceerd. [eiser] wijst in dit verband op een e-mail die hij op 18 november 2018 heeft ontvangen van Sloepencentrum en waarin zij informeert naar het “Escape fee verhaal”. De rechtbank begrijpt deze stelling van [eiser] in het kader van de vorderingen zo dat er sprake zou zijn van zodanig bijzondere omstandigheden dat kan worden gesproken van misbruik van de opzeggingsbevoegdheid door [gedaagde] .

4.34.

Bij beantwoording van de vraag of er sprake is van misbruik van de opzeggingsbevoegdheid is ten eerste van belang waarop de overeengekomen commissie ziet. [eiser] beroept zich erop dat partijen hebben beoogd dat de vergoeding ook zag op het gebruik van de mallen omdat hieraan intellectuele eigendomsrechten verbonden waren. Echter, hij heeft niet betwist – sterker, hij heeft erkend - dat hij de mallen zonder enige voorwaarden aan [gedaagde] heeft verkocht alsook dat de mallen niet zijn beschermd door enige intellectuele eigendomsrechten. Zie hiertoe ook alinea 4.13 en 4.14 van dit vonnis. [eiser] heeft aldus in het licht van de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] zijn stelling onvoldoende gehandhaafd.

4.35.

Voorts heeft [gedaagde] gemotiveerd betwist dat Pieterman-sloepen gelijk zijn te stellen met Escape-sloepen. Pieterman-sloepen verschillen wat betreft o.a. de plaatsing van de motor en het roer wezenlijk van Escape-sloepen. Een mal is nog geen boot; er kan niet worden gesproken over eenzelfde sloep. Hergebruik van een mal voor een boot van een ander merk is ook niet vreemd of ongebruikelijk in de branche; zo heeft [eiser] de mal van de Espevaer 288 van een derde gekocht en vervolgens gebruikt voor zijn Escape 288. [gedaagde] produceert en verkoopt geen Escape-sloepen meer sinds oktober 2018. Daarbij voert [gedaagde] aan dat zij geen Pieterman-sloepen verkoopt; zij produceert deze in opdracht van Sloepencentrum, waarbij zij gebruikt maakt van de mallen die zij na het beëindigen van de overeenkomst op enig moment heeft verkocht aan Sloepencentrum.

4.36.

Gelet op deze gemotiveerde betwisting door [gedaagde] had het op de weg van [eiser] gelegen zijn stelling dat Pieterman-sloepen gelijk zijn aan Escape-sloepen en daarom aan hem commissie is verschuldigd, nader te onderbouwen. Dit heeft hij nagelaten. Deze stelling is dan ook niet vast komen te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen omdat [eiser] niet heeft voldaan aan de op hem rustende stelplicht.

4.37.

De rechtbank overweegt verder dat [gedaagde] onweersproken heeft gesteld dat zij na de opzegging van de overeenkomst geen gebruik meer maakt van de naam Escape. Of Sloepencentrum onrechtmatig tegenover [eiser] heeft gehandeld door - al dan niet bij vergissing - in haar reclame-uitingen korte tijd de naam ‘Escape’ te noemen is in deze zaak niet van belang, omdat Sloepencentrum geen partij in deze procedure. [gedaagde] is in beginsel niet verantwoordelijk voor het handelen van Sloepencentrum en [eiser] heeft geen argumenten aangevoerd waarom dat in dit geval wel zo zou zijn.

4.38.

Daarbij geldt als uitgangspunt de vrijheid van handel en bedrijf. Het enkel profiteren of aanhaken bij het bedrijfsdebiet van een ander is nog niet onrechtmatig, ook niet als de ander daarvan nadeel ondervindt. Voor het oordeel van onrechtmatigheid moet er sprake zijn van bijzondere omstandigheden. Hiervan is de rechtbank niet gebleken. Bovendien heeft [eiser] na de beëindiging van de overeenkomst meer dan een jaar de mogelijkheid gehad om zijn bedrijfsvoering in te richten naar de nieuwe situatie. De rechtbank houdt namelijk de stelling van [gedaagde] aan, die inhoudt dat zij de mallen heeft verkocht aan Sloepencentrum en niet eerder dan midden 2020 de samenwerking voor het maken (en verkopen) van Pieterman-sloepen is gestart. Dit is onvoldoende betwist door [eiser] , zodat het door [gedaagde] gestelde vaststaat.

4.39.

Het voorgaande leidt tot het oordeel van de rechtbank dat het na beëindiging van de overeenkomst [gedaagde] vrij stond gebruik te maken van de mallen, zoals zij heeft gedaan. De opzegging kan niet als een kunstgreep worden beschouwd om onder betaling van de commissie uit te komen. Het beroep van [eiser] op het op onrechtmatige wijze beëindigen van de overeenkomst door [gedaagde] faalt.

Conclusie ten aanzien van vorderingen onder 1, 2 en 3

4.40.

De slotsom is dat de vorderingen 1, 2 en 3 zullen worden afgewezen: de overeenkomst is door [gedaagde] rechtsgeldig met onmiddellijke ingang opgezegd en [gedaagde] is niet schadeplichtig jegens [eiser] .

Vorderingen 4 en 5

4.41.

Gelet op het voorgaande heeft [eiser] geen rechtmatig belang bij de vorderingen 4 en 5, nog daargelaten dat de artikelen 22 en 162 Rv een discretionaire bevoegdheid van de rechter bevatten en geen zelfstandig vorderingsrecht geven aan een partij. De vorderingen 4 en 5 zullen dan ook worden afgewezen.

Proceskosten

4.42.

[eiser] is de partij die ongelijk krijgt en hij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] als volgt vastgesteld:

- griffierecht

667,00

- salaris advocaat

1.126,00

(2,00 punten × € 563,00)

Totaal

1.793,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen van [eiser] af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot dit vonnis vastgesteld op € 1.793,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.K. Korteweg en uitgesproken op 25 mei 2022.

1 HvJ EG 8 maart 1988, 9/87, NJ 1990, 424 (Arcado/Haviland)

2 HvJ EG 6 oktober 1976, ECLI:EU:C:1976:133 (Tessili/Dunlop)