Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2022:4639

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-05-2022
Datum publicatie
01-06-2022
Zaaknummer
9015868 \ CV EXPL 21-876
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Luchtvaartclaim. Redelijke maatregelen. Toepassing van het arrest van het Hof van 11 juni 2020 (C-74/19).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 9015868 \ CV EXPL 21-876

Uitspraakdatum: 25 mei 2022

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1 [eiser 1]

2. [eiser 2]

3. [eiser 3]

allen wonende te [plaats]

4. de besloten vennootschap PROBE-ASP, h.o.d.n. AVICLAIM

statutair gevestigd te Garyp

eisers

gemachtigde mr. S. Diederich

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

Deutsche Luthansa Aktiengesellschaft

statutair gevestigd te Keulen (Duitsland)

gedaagde

hierna te noemen de vervoerder

gemachtigde mr. P.C.X. de Leede

1 Het procesverloop

1.1.

De passagiers hebben bij dagvaarding van 2 februari 2021 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

De passagiers hebben hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2 De feiten

2.1.

Eisers sub 1 tot en met 3, [betrokkene 1] , [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4] en [betrokkene 5] (hierna gezamenlijk: de passagiers) hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagiers diende te vervoeren van Amsterdam naar Frankfurt (Duitsland) met vlucht LH989 op 19 december 2019 (hierna: de vlucht) en aansluitend op dezelfde dag van Frankfurt naar Orlando (Verenigde Staten) met vlucht LH464.

2.2.

De vlucht is vertraagd uitgevoerd. De passagiers hebben de aansluitende vlucht naar Orlando gemist. De passagiers zijn omgeboekt naar een vervangende vlucht en zijn met meer dan drie uur vertraging op de eindbestemming aangekomen.

2.3.

Passagiers [betrokkene 1] , [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4] en [betrokkene 6] hebben hun (vermeende) vordering gecedeerd aan DAS, die op haar beurt de vordering heeft gecedeerd aan eiseres sub 4.

2.4.

Eisers hebben compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde vertraging.

2.5.

De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3 De vordering

3.1.

Eisers vorderen dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 5.400,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vluchtdatum althans vanaf de datum van de ingebrekestelling dan wel vanaf de datum van betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 645,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de vluchtdatum althans vanaf de datum van de ingebrekestelling dan wel vanaf de datum van betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening en de nakosten.

3.2.

Eisers hebben aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is hen te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 600,00 per passagier. Volgens eisers hebben eisers sub 1 en 3 de vordering van hun minderjarige kind [minderjarige] aan zichzelf gecedeerd.

4 Het verweer

4.1.

De vervoerder betwist de vordering. Hij voert aan dat er geen rechtsgeldige cessie heeft plaatsgevonden van de vordering van [minderjarige] aan eisers sub 1 en 3. Voorts voert de vervoerder - samengevat - aan dat de vertraging van de vlucht het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.

5 De beoordeling

5.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

5.2.

Voor wat betreft het verweer ten aanzien van de gestelde cessie van de vordering(en) van de minderjarige aan eisers sub 1 en 3 geldt het volgende.

5.3.

Eisers hebben voor eisers sub 1 en 3 een “Volmacht - akte van cessie” overgelegd die door hen is ondertekend op 30 maart 2020. In deze akten staat - voor zover van belang - :

II Verklaart het volgende te zijn overeengekomen: Cedent(en) draagt/dragen, in de hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger(s) van hun minderjarige kind(eren) hierbij in eigendom over, op zichzelf/cessionaris(sen), die bij deze in eigendom aanvaarden, de vorderingen van hun minderjarige kind(eren) op cessus/de luchtvaartmaatschappij”.

5.4.

De vraag die voorligt is of eisers sub 1 en 3, in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige [minderjarige] (hierna: de minderjarige), de aanspraak op compensatie van de minderjarige hebben overgedragen aan eisers sub 1 en 3 door middel van cessie als bedoeld in artikel 3:94 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Naar het oordeel van de kantonrechter moet deze vraag ontkennend beantwoord worden. Artikel 3:94 van het BW vereist voldoende bepaaldheid: uit vaste rechtspraak vloeit voort dat de over te dragen vordering in voldoende mate door de akte moet worden bepaald. Voldoende is dat de akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vordering het gaat.

5.5.

Artikel II van de “Volmacht - akte van cessie” van (zie 5.3) is te algemeen van aard om hierin de cessie van de aanspraak van de minderjarige te kunnen lezen. Gelet op het voorgaande is niet aan de vereisten voor geldige overdracht van de vordering van de minderjarige voldaan. Eisers sub 1 en 3 hebben de vordering niet in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige ingesteld, noch hebben zij een machtiging als bedoeld in artikel 1:349 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) in verbinding met artikel 1:253k BW overgelegd. Eisers kunnen dus geen aanspraak maken op de compensatie die eventueel aan de minderjarige toekomt. Dit deel van de vordering zal daarom worden afgewezen.

5.6.

Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur zijn aangekomen op de eindbestemming te Orlando, zodat de vervoerder op grond van de Verordening in beginsel gehouden is de compensatie als bedoeld in de Verordening te voldoen. Dit is anders indien de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening.

5.7.

De vervoerder voert aan dat hiervan sprake is. Hij voert aan dat de vlucht is vertraagd als gevolg van restricties van het luchtverkeersbeheer, opgelegd aan de vlucht voorafgaand aan de onderhavige vlucht en opgelegd aan de vlucht in kwestie. Door het luchtverkeersbeheer opgelegde (ATFM SLOT) restricties moeten worden aangemerkt als een buitengewone omstandigheid, aldus de vervoerder.

5.8.

Wat er ook zij van eventuele bijzondere omstandigheden, volgens planning zouden de passagiers op 19 december om 17:55 uur lokale tijd aankomen in Orlando. De vervoerder heeft eisers sub 1 tot en met 3 omgeboekt naar vlucht LH440 van Frankfurt naar Houston en aansluitend van Houston naar Orlando met vlucht UA1707. De overige passagiers zijn omgeboekt naar vlucht LH998 van Frankfurt naar Amsterdam en aansluitend van Amsterdam naar Orlando met vlucht DL411. Vast staat dat alle passagiers met een vertraging van meer dan 24 uur zijn aangekomen op hun eindbestemming. Volgens de vervoerder is vlucht UA1707 uitgevoerd door United Airlines en is vlucht DL411 uitgevoerd door Delta Airlines. De vervoerder voert aan dat hij door de passagiers om te boeken naar een alternatieve vlucht die niet uitsluitend door de vervoerder of een dochtermaatschappij zijn uitgevoerd, aan zijn verplichtingen heeft voldaan.

5.9.

De passagiers betwisten dat de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging te beperken. Zij wijzen in dit verband op een vonnis van deze rechtbank van 12 mei 2021, in welk vonnis is verwezen naar het arrest van het Hof van 11 juni 2020
(C-74/19). Uit dat arrest volgt dat het in beginsel geen redelijke maatregel is, indien de passagier met een door de vervoerder zelf uitgevoerde alternatieve vlucht de dag na de oorspronkelijk vastgestelde dag aankomt. Dit is anders indien er geen enkele andere mogelijkheid voor een rechtstreekse of indirecte alternatieve vlucht bestond met een door haarzelf of door een andere luchtvaartmaatschappij uitgevoerde vlucht die op een minder laat tijdstip aankwam dan de volgende vlucht van de betrokken luchtvaartmaatschappij, of dat het organiseren van een dergelijke alternatieve vlucht voor die laatste een onaanvaardbaar offer betekende gelet op de mogelijkheden van haar onderneming op het relevante tijdstip. Hierbij gaat de kantonrechter, voor de interpretatie van het hiervoor genoemde woord ‘dag’, uit van een tijdruimte en voor de uitleg ervan wordt aangesloten bij de algemeen geaccepteerde uitleg, zijnde een tijdsduur van 24 uur.

5.10.

Voldoende vast staat dat de vervoerder de passagiers naar een alternatieve vlucht met een overstap te Houston dan wel te Amsterdam heeft omgeboekt, waarbij het eerste deel door de vervoerder zelf is uitgevoerd en het tweede deel van de vlucht niet door (een dochtermaatschappij van) de vervoerder is uitgevoerd. Hieruit volgt echter niet dat de vervoerder in dit geval een redelijk alternatief heeft aangeboden. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de vervoerder tegenover de betwisting dat de alternatieve vluchten niet redelijk waren, niet aannemelijk gemaakt dat er redelijkerwijs geen eerdere mogelijkheid was om de passagiers naar de eindbestemming te vervoeren met een rechtstreekse vlucht vanaf Frankfurt of een indirecte alternatieve vlucht waarbij ook het eerste deel door een andere luchtvaartmaatschappij dan de vervoerder werd uitgevoerd. Evenmin heeft de vervoerder onderbouwd dat het organiseren van een dergelijke alternatieve vlucht voor de vervoerder een onaanvaardbaar offer zou vergen. De vervoerder heeft al met al niet aangetoond dat hij alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging van de passagiers te voorkomen dan wel te beperken.

5.11.

Het voorgaande betekent dat ook indien op enig moment zou komen vast te staan dat sprake was van een buitengewone omstandigheid, de vervoerder gehouden is eisers te compenseren in verband met de vertraging van de vlucht. De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom is als onvoldoende gemotiveerd weersproken toewijsbaar vanaf de vluchtdatum, te weten 19 december 2019.

5.12.

Eisers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vervoerder heeft deze vordering (gemotiveerd) betwist. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat de passagiers buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II; de tarieven neergelegd in het Besluit worden geacht redelijk te zijn.
Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal de vordering of het gevorderde bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief, te weten € 605,00, en voor het overige afwijzen.

5.13.

De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder, omdat hij ongelijk krijgt.. De gevorderde rente over de proceskosten is toewijsbaar zoals gevorderd.

5.14.

Ook de nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt de vervoerder tot betaling aan eisers van € 5.405,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 4.800,00 vanaf 19 december 2019 en over € 605,00 vanaf 2 februari 2020 tot aan de dag van voldoening van deze bedragen;

6.2.

veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van eisers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:

dagvaarding € 111,86;
griffierecht € 240,00
salaris gemachtigde € 622,00
vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;

6.3.

veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 120,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door eisers worden gemaakt;

6.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter