Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2022:4626

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-05-2022
Datum publicatie
01-06-2022
Zaaknummer
8095306 \ CV EXPL 19-15205
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Luchtvaartclaim. Buitengewone omstandigheden, te weten stroomstoring, onvoldoende onderbouwd. Geen geslaagd beroep op buitengewone omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8095306 \ CV EXPL 19-15205

Uitspraakdatum: 18 mei 2022

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

  1. [eiser 1] , pro se en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger voor haar minderjarige kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2]

  2. [eiser 2]
    allen wonende te [plaats 1]

  3. [eiser 3] , pro se en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger voor haar minderjarige kinderen [minderjarige 3] en [minderjarige 4]
    allen wonende te [plaats 2]

  4. [eiser 4] , pro se en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger voor zijn minderjarige kinderen [minderjarige 5] en [minderjarige 6]

  5. [eiser 5]
    allen wonende te [plaats 3]

  6. [eiser 6] , wonende te Rijnsburg

  7. [eiser 7] , pro se en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger voor haar minderjarige kind [minderjarige 7]
    beiden wonende te [plaats 4]

  8. [eiser 8] , pro se en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger voor haar minderjarige kind [minderjarige 8]

  9. [eiser 9]
    allen wonende te [plaats 5]

  10. [eiser 10] , pro se en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger voor haar minderjarige kind [minderjarige 9]
    beiden wonende te [plaats 2]

  11. Stichting Achmea Rechtsbijstand, statutair gevestigd te Tilburg

eisers

hierna gezamenlijk te noemen de passagiers en Achmea

gemachtigde mr. I.G.B. Maertzdorff en mr. M.J.R. Hannink (EUclaim B.V.)

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Corendon Dutch Airlines

statutair gevestigd te Lijnden, gemeente Haarlemmermeer

gedaagde

hierna te noemen de vervoerder

gemachtigde mr. S.G. Basarat en mr. M. Nijenhuis

1 Het procesverloop

1.1.

De passagiers en Achmea hebben bij dagvaarding van 17 januari 2019 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

De passagiers en Achmea hebben hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven. De passagiers en Achmea hebben hierna nog een akte genomen.

2 De feiten

2.1.

De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagiers diende te vervoeren van Ibiza Airport (Spanje) naar Amsterdam-Schiphol Airport met vlucht CND192 op 31 juli 2017, hierna: de vlucht.

2.2.

De vlucht heeft meer dan drie uur vertraging opgelopen.

2.3.

[betrokkene] heeft haar vermeende vordering overgedragen aan Achmea.

2.4.

EUclaim B.V. heeft namens de passagiers en Achmea compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde vertraging.

2.5.

De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

2.6.

Passagiers sub 1, sub 3, sub 4, sub 7, sub 8 en sub 10 zijn door de kantonrechter gemachtigd de onderhavige procedure namens hun minderjarige kinderen te voeren.

3 De vordering

3.1.

De passagiers en Achmea vorderen dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 8.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 juli 2017, althans vanaf datum ingebrekestelling dan wel vanaf de datum van betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 847,00 dan wel € 937,75 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

De passagiers en Achmea hebben aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers en Achmea stellen dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 8.000,00.

4 Het verweer

4.1.

De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling ingegaan.

5 De beoordeling

5.1.

De kantonrechter heeft geen acht geslagen op het in de laatste akte van de passagiers opgenomen commentaar dat niet ziet op de door de vervoerder in haar laatste conclusie overgelegde producties. De passagiers zijn per abuis door de kantonrechter in de gelegenheid gesteld om zich over die producties uit te laten, maar niet om het in de eerdere twee schriftelijke rondes gevoerde debat voort te zetten.

5.2.

Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur dan oorspronkelijk gepland zijn aangekomen op de overeengekomen eindbestemming Amsterdam-Schiphol Airport, zodat de vervoerder op grond van de Verordening in beginsel gehouden is de compensatie als bedoeld in de Verordening te voldoen. Dit is anders indien hij kan aantonen dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening. Gelet op het arrest Wallentin-Hermann (C-549/07) van het Hof van 22 december 2008 dient een luchtvaartmaatschappij in het voorkomende geval aan te tonen dat zij zelfs met de inzet van alle beschikbare materiële en personeelsmiddelen de buitengewone omstandigheden kennelijk niet had kunnen vermijden – behoudens indien zij op het relevante tijdstip onaanvaardbare offers uit het oogpunt van de mogelijkheden van haar onderneming had gebracht – dat de buitengewone omstandigheden waarmee zij werd geconfronteerd tot de langdurige vertraging van de vlucht leidden.

5.3.

De vraag die voorligt is of de vervoerder met de overgelegde producties en zijn toelichting daarop, voldoende heeft aangetoond dat de vertraging van de passagiers het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden.

5.4.

De vervoerder heeft in dit verband aangevoerd dat de aankomstvertraging van de vlucht voor een groot deel is veroorzaakt door een stroomstoring op Amsterdam-Schiphol Airport op 31 juli 2017. Als gevolg van de stroomstoring zijn vluchten met vertraging vertrokken en gearriveerd in Amsterdam, waaronder de vlucht in kwestie. De vervoerder heeft hierbij aangevoerd dat tijdens een stroomstoring de vliegveiligheid in het geding is. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de vervoerder twee e-mails van Schiphol overgelegd. Uit deze e-mails blijkt dat de vervoerder om 15:04 uur lokale tijd een melding heeft gekregen dat op de C-pier een stroomstoring gaande was. Naar verwachting zou de stroomstoring om 15:40 uur lokale tijd zijn verholpen. De aan de stroomstoring toe te rekenen aankomstvertraging van ten minste 51 minuten dient op grond van het Peskova-arrest van de totale aankomstvertraging te worden afgetrokken, aldus de vervoerder. Er blijft volgens de vervoerder een aankomstvertraging over van ten hoogste twee uur en acht minuten, zodat de passagiers en Achmea geen recht hebben op compensatie.

5.5.

Met de vervoerder is de kantonrechter van oordeel dat een stroomstoring een buitengewone omstandigheid kan opleveren, mits dit voldoende is onderbouwd. Een storing op een (deel) van de luchthaven ligt immers buiten de invloedsfeer van een luchtvaarmaatschappij.

5.6.

In het onderhavige geval heeft de vervoerder echter onvoldoende onderbouwd dat (een deel van) de vertraging van de vlucht het directe gevolg is geweest van de stroomstoring. De door de vervoerder overgelegde e-mails van de Customer Support van Schiphol zijn daartoe onvoldoende. Daar komt bij dat uit de e-mails volgt dat de stroomstoring om 15:40 uur lokale tijd voorbij was, terwijl de onderhavige vlucht om 18:10 uur lokale tijd dan wel 18:30 uur lokale tijd zou landen op Amsterdam-Schiphol Airport. Weliswaar heeft de vervoerder aangevoerd dat om 15:40 uur de stroomstoring voorbij was en dat toen niet alle vluchten direct volgens schema konden vertrekken en landen, maar de vervoerder heeft onvoldoende onderbouwd wat de gevolgen zijn geweest voor de vlucht in kwestie. Bovendien hebben de passagiers en Achmea zich op het standpunt gesteld dat de voorafgaande vlucht (vlucht CND191) eveneens met vertraging is uitgevoerd. Deze vlucht zou, in plaats van 11:55 uur lokale tijd, om 13:55 uur lokale tijd vanaf de D-pier vertrekken. Volgens de passagiers en Achmea is vlucht CND191 uiteindelijk om 15:09 uur lokale tijd vanuit [plaats 2]-Schiphol Airport vertrokken en is deze vlucht om 19:11 uur lokale tijd, met een vertraging van drie uur en 18 minuten, te Ibiza gearriveerd. Voornoemde vertraging heeft invloed gehad op de uitvoering van de vlucht in kwestie, aldus de passagiers en Achmea. De vervoerder heeft dit standpunt van de passagiers en Achmea onvoldoende gemotiveerd weersproken. Derhalve is niet vast komen te staan dat de vertraging van vlucht CND191 geen invloed heeft gehad op de vertraging van de onderhavige vlucht. De vervoerder heeft geen vluchtrapport van de onderhavige vlucht overgelegd. Hierdoor valt niet na te gaan of een deel van de vertraging van deze vlucht is veroorzaakt door de stroomstoring te Schiphol. Het is aan de vervoerder om voldoende gegevens te verstrekken, opdat de kantonrechter een oordeel kan vormen, hetgeen de vervoerder heeft nagelaten. Het beroep van de vervoerder op buitengewone omstandigheden wordt dan ook verworpen. De vervoerder heeft nog een bewijsaanbod gedaan, maar dit verzoek is door de vervoerder onvoldoende gespecificeerd. De kantonrechter gaat dan ook aan dit bewijsaanbod voorbij.

5.7.

Nu niet is gebleken dat (een deel van) de vertraging is veroorzaakt door een buitengewone omstandigheid, komt de kantonrechter ook niet toe aan de beantwoording van de vraag of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging van de passagiers te voorkomen dan wel te beperken. De vordering tot betaling van de hoofdsom zal, gelet op de duur van de vertraging van de vlucht worden toegewezen. De overige verweren van de vervoerder behoeven geen bespreking meer.

5.8.

De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom is als onvoldoende gemotiveerd weersproken toewijsbaar.

5.9.

De passagiers en Achmea hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vervoerder heeft deze vordering (gemotiveerd) betwist. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat de passagiers buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II; de tarieven neergelegd in het Besluit worden geacht redelijk te zijn.
Omdat het gevorderde bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is ook toewijsbaar, met dien verstande dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding, omdat de passagiers en Achmea in elk geval vanaf die datum daarop aanspraak kunnen maken en gesteld noch gebleken is dat dit ook al vanaf een eerdere datum kon.

5.10.

De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder, omdat deze ongelijk krijgt. Ook de nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers en Achmea worden gemaakt. De gevorderde rente is toewijsbaar met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers en Achmea van € 8.847,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 8.000,00 vanaf 31 juli 2017 en over € 847,00 vanaf 17 januari 2019 tot aan de dag van voldoening van deze bedragen;

6.2.

veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers en Achmea tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:

dagvaarding € 99,01;
griffierecht € 231,00;
salaris gemachtigde € 622,00;
vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;

6.3.

veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 124,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers en Achmea worden gemaakt, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;

6.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter