Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2022:46

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
06-01-2022
Datum publicatie
14-01-2022
Zaaknummer
C/15/320107 / KG ZA 21-474
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kort geding. Geldvordering toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/320107 / KG ZA 21-474

Vonnis in kort geding van 6 januari 2022

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. A.J. Butter te Hoorn Nh,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] [provincie] ,

gedaagde.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 14 december 2021, met 13 producties;

  • -

    de mondelinge behandeling die heeft plaatsgevonden op 23 september 2021, alwaar zijn verschenen: [eiser] , mr. Butter voornoemd en de heer [gemachtigde] , gemachtigde van [gedaagde] . Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] een akte van wijziging van eis genomen;

  • -

    de brief van mr. Butter voornoemd van 30 september 2021;

  • -

    de brief van mr. Butter voornoemd van 18 oktober 2021, met productie 14;

  • -

    de brief van mr. Butter voornoemd van 1 november 2021, met producties 15 tot en met 18;

  • -

    de voortzetting van de mondelinge behandeling die heeft plaatsgevonden op 15 december 2021, alwaar alleen mr. Butter voornoemd is verschenen. De voorzieningenrechter heeft mr. Butter verzocht om [gedaagde] op te roepen bij exploot voor 30 december 2021 en in het exploot aan te geven welk bedrag er nog wordt gevorderd.

  • -

    de voortzetting van de mondelinge behandeling die heeft plaatsgevonden op 30 december 2021, alwaar alleen mr. Butter voornoemd is verschenen. Mr. Butter heeft een afschrift overgelegd van het exploot van 21 december 2021. Hierin is [gedaagde] opgeroepen om te verschijnen op de mondelinge behandeling van 30 december 2021 om 09.30 uur.

  • -

    de gemachtigde van [gedaagde] heeft telefonisch aan de griffie laten weten dat hij en [gedaagde] niet kunnen verschijnen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De uitgangspunten

2.1.

[gedaagde] was bij [eiser] in dienst. Bij beschikking van 3 juni 2021 van deze rechtbank is [eiser] veroordeeld om [gedaagde] loon, te vermeerderen vakantiebijslag en overige emolumenten uit vroegere dienstbetrekking te betalen.

2.2.

Op 6 juli 2021 heeft [eiser] aan [gedaagde] betaald een (netto) bedrag van

€ 6.812,46.

2.3.

[gedaagde] meent recht te hebben op een hoger (netto) bedrag dan het bedrag dat hij van [eiser] heeft ontvangen. Op 23 augustus 2021 heeft [gedaagde] executoriaal beslag gelegd op alle voor beslag vatbare gelden die [eiser] onder zich heeft. Middels het gelegde beslag heeft [gedaagde] een bedrag van € 3.666,20 geïnd.

2.4.

Bij de aanvang van deze procedure heeft [eiser] onder meer gevorderd dat het door [gedaagde] gelegde beslag wordt opgeheven en dat het bedrag dat [gedaagde] via het beslag heeft geïnd wordt terugbetaald.

2.5.

Tijdens de mondelinge behandeling op 23 september 2021 heeft [eiser] een akte van wijziging eis genomen op basis waarvan hij onder meer aanspraak maakt op betaling van het middels beslag geinde bedrag van € 3.666,20. De zaak is aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen hun berekeningen met elkaar te vergelijken en tot overeenstemming te komen. Dat is niet gelukt.

2.6.

Bij brief van 1 november 2021 heeft mr. Butter aan de voorzieningenrechter bericht dat [eiser] nog een bedrag van € 1.320,61 aan [gedaagde] is verschuldigd. [eiser] maakt aanspraak op € 2.345,59 (€ 3.666,20 - € 1.320,61) en heeft verzocht om voortzetting van de behandeling nu [gedaagde] niet bereid blijkt het teveel geinde bedrag vrijwillig terug te betalen.

2.7.

Bij exploot van 21 december 2021 heeft [eiser] – samengevat – na eiswijziging gevorderd dat [gedaagde] wordt veroordeeld om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis te betalen: a) € 2.345,59, b) € 360,- aan schadevergoeding, beide vermeerderd met rente en c) de proceskosten.

3 De beoordeling

3.1.

Na wijziging van zijn eis vordert [eiser] nog een bedrag van € 2.345,59 van [gedaagde] , zijnde het verschil tussen het door [gedaagde] middels het door hem gelegde beslag geinde bedrag (€ 3.660,20) en het bedrag waar [gedaagde] volgens [eiser] nog als nabetaling recht op heeft (€ 1.320,61).

3.2

Het thans gevorderde wordt niet langer weersproken door [gedaagde] en is dan ook voor toewijzing vatbaar behoudens het navolgende.

3.3.

De gevorderde veroordeling tot betaling van € 360,00, als vergoeding voor de gemaakte kosten voor rechtsbijstand voorafgaand aan de procedure, zal worden afgewezen. Als grondslag voor deze schadevergoeding is gesteld dat de vordering van [gedaagde] apert onjuist was. Dat is evenwel niet gebleken. Daarmee is de gestelde grondslag aan deze vordering ontvallen. Daarbij gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat deze kosten reeds vallen onder het bereik van de proceskosten, waartoe [gedaagde] als de in het ongelijk gestelde partij zal worden veroordeeld.

3.4.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- betekening oproeping € 98,52

- betekening oproeping 119,21

- griffierecht 952,00

- salaris advocaat 656,00

Totaal € 1.825,73

4 De beslissing

De voorzieningenrechter

4.1.

veroordeelt [gedaagde] om binnen 2 dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.345,59 (tweeduizenddriehonderdvijfenveertig euro en negenenvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW vanaf 14 december 2021 tot het moment van algehele voldoening,

4.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.825,73,

4.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr.drs. J. Blokland, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. I.C.C. Kerkhoven op 6 januari 2022.1

1 type: IK coll: JB