Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2022:4202

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-03-2022
Datum publicatie
13-05-2022
Zaaknummer
15/085133-21
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich een jaar geleden in een kort tijdsbestek van twee maanden schuldig gemaakt aan het medeplegen van twee straatroven en een poging tot afpersing. De rechtbank veroordeelt verdachte gelet op zijn aandeel in het uitgeoefende geweld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 180 uur, met aftrek van voorarrest, waarvan 90 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De vordering van de benadeelde partij van feit 1 wordt afgewezen, omdat verdachte en een van de medeverdachten in het kader van een mediationtraject een vaststellingsovereenkomst zijn overeengekomen waarin afspraken zijn gemaakt over de schadevergoeding. De vordering van de benadeelde partij van feit 2 wordt gedeeltelijk en hoofdelijk toegewezen voor een bedrag van €734,40.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd

Locatie Alkmaar

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer: 15/085133-21 (P)

Uitspraakdatum: 28 maart 2022

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 14 maart 2022 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. K. Sanders en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. E. Boskma, advocaat te Alkmaar, de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en De Jeugd- & Gezinsbeschermers (hierna ook: de jeugdreclassering) ter terechtzitting naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1:
hij op of omstreeks 24 maart 2021 te Akersloot, binnen de gemeente Castricum, op de openbare weg, de Geesterweg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer goederen waaronder sigaretten en/of airpods, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld
en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [benadeelde partij 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader
-die [benadeelde partij 1] aan zijn jas heeft vastgepakt en/of
-(vervolgens) die [benadeelde partij 1] van zijn fiets heeft getrokken en/of
-(vervolgens die [benadeelde partij 1] (met een voorwerp) in het gezicht, althans tegen het lichaam heeft geslagen en/of
-(vervolgens die [benadeelde partij 1] (terwijl hij op de grond lag) tegen het hoofd, althans het lichaam heeft geschopt;


Feit 2:
hij op of omstreeks 15 januari 2021 te Castricum, op de openbare weg, de Geesterduinweg,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer goederen waaronder een tas en/of geld en/of een bankpas en/of sleutels en/of een ov kaart, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [benadeelde partij 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het
bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader

-die [benadeelde partij 2] bij zijn keel heeft vastgepakt en/of
-(vervolgens) in de keel van die [benadeelde partij 2] heeft geknepen en/of
-(vervolgens) de tas van die [benadeelde partij 2] heeft gepakt/ gegrist;

Feit 3:
hij op of omstreeks 15 januari 2021 te Castricum, op of aan de openbare weg, te weten de Geesterduinweg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij 3] te dwingen tot de afgifte van een tas en/of portemonnee, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde partij 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan
verdachte en/of zijn mededader,
-tegen die [benadeelde partij 3] heeft gezegd “wat heb je” en/of
-(vervolgens) die [benadeelde partij 3] bij de nek heeft vastgepakt (waardoor hij ten val is gekomen),
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot partiële vrijspraak van de diefstal van de AirPods onder feit 1 en tot bewezenverklaring van het overig ten laste gelegde.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft geen opmerkingen geplaatst ten aanzien van de bewezenverklaring.

3.3.

Partiële vrijspraak feit 1
Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gebleken dat de AirPods van het slachtoffer zijn weggenomen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte het slaan van het slachtoffer [benadeelde partij 1] (met een voorwerp) in het gezicht, althans tegen het lichaam heeft (mede)gepleegd. Verdachte moet hiervan dan ook worden vrijgesproken.

3.4.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

Feit 1:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het proces-verbaal van aangifte gedaan door [benadeelde partij 1] van 24 maart 2021 (dossierpagina’s 77 en 78).

Feit 2 en feit 3:

  • -

    het proces-verbaal van verhoor van verdachte door de politie d.d. 28 maart 2021, waarin opgenomen de bekennende verklaring van verdachte (dossierpagina’s 112 t/m 119);

  • -

    het proces-verbaal van aangifte gedaan door [benadeelde partij 2] van 15 januari 2021 (dossierpagina’s 44 t/m 46);

  • -

    het proces-verbaal van aangifte gedaan door [benadeelde partij 3] van 16 januari 2021 (dossierpagina’s 47 t/m 49);

  • -

    het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte] door de politie d.d. 27 maart 2021 (p. 120 t/m 127).

Eendaadse samenloop

De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot feiten 2 en 3 sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De bewezen verklaarde gedragingen leveren in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op dat verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen slechts enigszins uiteenloopt. Om onevenredige aansprakelijkheid te voorkomen, zal de rechtbank het feit enkelvoudig kwalificeren zoals hierna, onder 4, vermeld.

De door de rechtbank als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

3.5.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1:
hij op 24 maart 2021 te Akersloot, binnen de gemeente Castricum, op de openbare weg, de Geesterweg, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen sigaretten toebehorende aan [benadeelde partij 1] , welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen voornoemde [benadeelde partij 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld hierin bestond dat verdachte
-die [benadeelde partij 1] aan zijn jas heeft vastgepakt en
-vervolgens die [benadeelde partij 1] van zijn fiets heeft getrokken en
-vervolgens die [benadeelde partij 1] terwijl hij op de grond lag tegen het hoofd heeft geschopt.

Feit 2:
hij op 15 januari 2021 te Castricum, op de openbare weg, de Geesterduinweg, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen goederen waaronder een tas en geld en een bankpas en sleutels en een ov-kaart, toebehorende aan [benadeelde partij 2] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen voornoemde [benadeelde partij 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld hierin bestond dat verdachte

-die [benadeelde partij 2] bij zijn keel heeft vastgepakt en
-vervolgens in de keel van die [benadeelde partij 2] heeft geknepen en
-vervolgens de tas van die [benadeelde partij 2] heeft gepakt.

Feit 3:
hij op 15 januari 2021 te Castricum, op de openbare weg, te weten de Geesterduinweg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [benadeelde partij 3] te dwingen tot de afgifte van enig goed, toebehorende aan die [benadeelde partij 3] , door
-tegen die [benadeelde partij 3] te zeggen “wat heb je” en
-vervolgens die [benadeelde partij 3] bij de nek vast te pakken waardoor hij ten val is gekomen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1:

diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en terwijl het feit wordt gepleegd door een of meer verenigde personen.

Feiten 2 en feit 3:

eendaadse samenloop van

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en terwijl het feit wordt gepleegd door een of meer verenigde personen

en

poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en terwijl het feit wordt gepleegd door een of meer verenigde personen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 180 uur met aftrek van voorarrest, waarvan 60 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft verzocht om de hoogte van de gevorderde taakstraf te matigen gezien de positieve persoonlijke omstandigheden van verdachte en de proeftijd te bekorten.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Feiten

Verdachte heeft zich in een kort tijdsbestek van twee maanden schuldig gemaakt aan twee straatroven en een poging tot afpersing. Dergelijke ernstige feiten leveren niet alleen bij de slachtoffers zelf, maar ook voor de maatschappij in het algemeen gevoelens van onveiligheid en angst op, zeker nu deze feiten zijn gepleegd op de openbare weg. Verdachte en de medeverdachten hebben daarnaast ook geweld gebruikt tegen de slachtoffers en daarmee een ernstige inbreuk gemaakt op hun lichamelijke integriteit. Daarbij springt in het oog het gepleegde geweld door verdachte tegen slachtoffer [benadeelde partij 1] . Hij is door verdachte in zijn gezicht geschopt en heeft daarbij fors letsel opgelopen. De rechtbank rekent dit verdachte stevig aan. Verdachte heeft door aldus te handelen geen oog gehad voor de gevolgen die zijn handelingen voor de slachtoffers teweeg hebben gebracht. De rechtbank concludeert dat verdachte enkel oog heeft gehad voor zijn eigen financieel gewin.

Persoonlijke omstandigheden

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 1 februari 2022, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld;

- het over verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 10 maart 2022 van [raadsonderzoeker] , als raadsonderzoeker verbonden aan de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

Voornoemd rapport houdt – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende in:

Verdachte heeft zich het afgelopen jaar aan alle schorsingsvoorwaarden gehouden en is niet meer in aanraking gekomen met de politie. Tevens heeft verdachte een mediationtraject met het slachtoffer van het bewezenverklaarde feit onder 1. positief afgerond. De overeengekomen schadevergoeding is door de ouders betaald. Sinds de zomer is verdachte aan het werk om dit geld aan zijn ouders terug te betalen. Verdachte lijkt zich dan ook in het afgelopen jaar positief te hebben ontwikkeld. Zijn schoolgang verloopt goed en hij heeft een bijbaantje. Daarnaast heeft hij van de inzet van TBoss kunnen profiteren, waardoor hij het maximale bereikt heeft voor zichzelf. Ook het contact met de medeverdachte is hersteld. Verdachte lijkt te hebben geprofiteerd van de hulpverlening die vanuit de jeugdreclassering voor hem is ingezet gedurende de lange schorsing van zijn voorlopige hechtenis.

De Raad is zich er ten zeerste van bewust dat [verdachte] wordt verdacht van twee ernstige feiten die inmiddels een jaar geleden hebben plaatsgevonden. Sindsdien is [verdachte] niet gerecidiveerd en vanuit de informatie vanuit zowel [verdachte] , ouders alsook de jeugdreclassering komt naar voren dat in de afgelopen maanden er nauwelijks tot geen contact is geweest met de jeugdreclasseerder binnen de Toezicht en Begeleiding. Desondanks heeft [verdachte] een positieve ontwikkeling laten zien en is hij niet gerecidiveerd.
Nu de jeugdreclasseerder aangeeft dat er geen doelen meer zijn om aan te werken, ziet de Raad op dit moment geen meerwaarde meer in het voortzetten van de maatregel.
De Raad is dan ook van mening dat eenvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf met een proeftijd van twee jaren, als zogenoemde stok achter de deur, meer passend is en pedagogisch meer effectief zal zijn.

[vertegenwoordiger van de raad] heeft ter terechtzitting voornoemd advies onderschreven en hieraan toegevoegd dat zij zich realiseert dat de straf die door de Raad wordt geadviseerd zeer mild is voor de feiten die zijn tenlastegelegd. De Raad heeft echter geen zorgen meer over verdachte en de kans op herhaling wordt als laag ingeschat. Indien de rechtbank verdachte zou veroordelen tot een onvoorwaardelijke werkstraf, ziet de Raad geen aanleiding om aan te nemen dat verdachte deze niet zou uitvoeren.

[vertegenwoordiger jeugdreclassering] heeft ter terechtzitting namens de jeugdreclassering bevestigd dat verdachte de afgelopen periode een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. Evenals de Raad ziet de jeugdreclassering daarom geen toegevoegde waarde in verdere begeleiding door een jeugdreclasseerder. Vanwege de ernst van de feiten kan [vertegenwoordiger jeugdreclassering] echter niet achter het advies van de Raad staan om enkel een voorwaardelijke werkstraf op te leggen.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of aan verdachte een deels onvoorwaardelijke taakstraf dient te worden opgelegd.

Ten voordele weegt de rechtbank daarin mee de proceshouding van verdachte en de positieve ontwikkeling gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis. Ook weegt de rechtbank ten voordele mee dat een mediationtraject met het slachtoffer [benadeelde partij 1] door verdachte positief is afgerond en de schade aan het slachtoffer is vergoed.

Daar tegenover weegt de rechtbank ten nadele mee de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten. Met name het forse letsel dat verdachte heeft veroorzaakt bij het slachtoffer [benadeelde partij 1] en zijn grote bijdrage bij het plegen van geweld en dreiging richting [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] , maakt dat de rechtbank van oordeel is dat niet kan worden volstaan met het opleggen van een geheel voorwaardelijke taakstraf. De rechtbank acht het van belang dat verdachte de directe gevolgen van zijn handelen ondervindt door, naast het werk dat hij al moet verrichten om de schade te vergoeden, ook tijd te besteden aan onbetaalde arbeid. De rechtbank heeft daarbij ook gekeken naar de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd.

Wel is de rechtbank van oordeel dat in de persoonlijke omstandigheden van verdachte grond is gelegen om af te wijken van de straf zoals door de officier van justitie is gevorderd. Daarom zal de gevorderde straf worden gematigd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 180 uur zal worden opgelegd, met aftrek van het voorarrest. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte van 90 uur vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

7 Vordering benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

7.1.

Benadeelde partij [benadeelde partij 1]

7.1.1.

De vordering

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.804,81 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder 1. ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

7.1.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd tot niet-ontvankelijk verklaring van de gevorderde schadevergoeding, nu de schade van de benadeelde partij reeds is betaald door verdachte en de medeverdachte.

7.1.3.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de vordering tot schadevergoeding af te wijzen en daarbij verwezen naar de uitlatingen van de officier van justitie.

7.1.4.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt met de officier van justitie en de raadsman vast dat verdachte en de medeverdachte in het kader van een mediationtraject een vaststellingsovereenkomst zijn overeengekomen met de benadeelde partij. In die overeenkomst zijn ook afspraken gemaakt over de vergoeding van de geleden schade aan die benadeelde partij.

Gelet op de bovengenoemde situatie, wijst de rechtbank de vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde partij 1] dan ook af.

7.2.

Benadeelde partij [benadeelde partij 2]

7.2.1.

De vordering

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van in totaal € 765,48 ingediend wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 2. ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. Hij verzoekt in totaal €165,48 voor de geleden materiële schade en € 600,- voor de geleden immateriële schade.

7.2.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft de hoofdelijke toewijzing gevorderd van het totale verzochte bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht.

7.2.3.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de materiële schade – naar de rechtbank begrijpt – dient te worden gematigd.

De schadeposten ten aanzien van het Nike schoudertasje, de weggenomen huissleutels en de bankbiljetten zijn namelijk onvoldoende onderbouwd. Naar de rechtbank begrijpt, heeft de raadsman verzocht tot afwijzing dan wel niet-ontvankelijkheidsverklaring van deze genoemde schadeposten.

Ten aanzien van het overige deel van de vordering van de benadeelde partij heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.2.4.

Oordeel van de rechtbank

Materiele schade

De rechtbank is van oordeel dat de verzochte materiële schadeposten rechtstreeks voortvloeien uit het onder 2. bewezen verklaarde feit.

De rechtbank acht de verzochte schadeposten van de bankbiljetten, OV-chipkaart en borg voor de kluishuur volledig voor toewijzing vatbaar, gezien de onderbouwing hiervoor.

Ten aanzien van het verzochte bedrag voor de Nike schoudertas oordeelt de rechtbank dat ook die schade rechtstreeks is geleden uit het onder 2. bewezen verklaarde feit, maar zal de rechtbank gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en de waarde van die schade vaststellen op €40,-.

Ten aanzien van de verzochte kosten voor het aanmaken van nieuwe sleutels, is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd waarom de benadeelde partij op twee verschillende dagen, te weten op 20 januari 2021 en op 9 juni 2021, twee verschillende bedragen voor de nieuwe sleutels heeft betaald. De rechtbank zal daarom alleen het verzochte bedrag van € 31,90, dat kort na het gepleegde feit is betaald, toewijzen.

Ten aanzien van de overige verzochte materiële schadeposten, verklaart de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Immateriële schade

Met betrekking tot de immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat het verzochte en gestelde bedrag van € 600,- deugdelijk is onderbouwd en dat deze schade ook rechtstreeks in verband staat tot het bewezenverklaarde onder 2. De rechtbank zal deze verzochte schadepost dan ook volledig toewijzen.

Conclusie

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij dan ook gedeeltelijk toewijzen, te weten voor een bedrag van in totaal € 734,40, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 januari 2021 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

Ook zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen zoals gevorderd door de officier van justitie. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd. Het aantal dagen gijzeling bij het niet voldoen aan de opgelegde betalingsverplichting, stelt de rechtbank vast op 0 dagen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 36f, 45, 55, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 312, 317 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 180 (honderdtachtig) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 90 (negentig) dagen jeugddetentie, met bevel dat een gedeelte groot 90 (negentig) uren, bij niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 45 (vijfenveertig) dagen jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de eventueel ten uitvoer te leggen taakstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht en met dien verstande dat voor elke dag die verdachte in verzekering heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag jeugddetentie, in mindering worden gebracht.

Wijst af de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] geleden schade.

Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 2] geleden schade tot een bedrag van € 734,40 (zevenhonderdenvierendertig euro en veertig eurocent), bestaande uit € 134,40 (honderdvierendertig euro en veertig eurocent) voor de materiële en € 600,- (zeshonderd euro) voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 januari 2021 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde partij 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde partij 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 734,40 (zevenhonderdenvierendertig euro en veertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 januari 2021 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 (nul) dagen gijzeling.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn bevrijd.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.S. van Leeuwen, voorzitter,

mr. W.C. Oosterbroek, rechter, beiden tevens kinderrechter, en mr. J.J. Veldheer, rechter,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. Jense,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 maart 2022.

Mr. J.J. Veldheer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.