Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2022:3726

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
26-04-2022
Datum publicatie
12-05-2022
Zaaknummer
C/15/325418 / KG ZA 22-70
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Gedaagde is niet gerechtigd tot weigering van de goedkeuring aan eiser voor overdracht van (deel) participaties aan zijn twee zoons. Weigering houdt geen verband met doel weigeringsbevoegdheid. Toewijzen voorzieningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/325418 / KG ZA 22-70

Vonnis in kort geding van 26 april 2022

in de zaak van

1 [eiser 1],

wonende te [plaats 1],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser 2] B.V.,

gevestigd te [plaats 2],

eisers,

advocaten mr. J.J. Dijkman en mr. D.J.M. de Lange te Haarlem,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaats 3],

gedaagde,

advocaat mr. A.N. Kampherbeek te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser 1], [eiser 2] en [gedaagde] genoemd worden.

De zaak in het kort

[eiser 1] wenst een deel van zijn participaties aan zijn twee zoons over te dragen. Hiervoor is op grond van artikel 4.4. van de vof-overeenkomst goedkeuring van de andere vennoten, waaronder [gedaagde], nodig. Met een beroep op dat artikel weigert [gedaagde] goedkeuring aan [eiser 1] te verlenen. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat [gedaagde] hiertoe niet gerechtigd is omdat de weigering geen verband houdt met het doel waarvoor de weigeringsbevoegdheid is verleend. De gevraagde voorzieningen worden toegewezen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 10 maart 2022 met 22 producties van [eiser 1] en [eiser 2];

- de door [gedaagde] op 17 maart 2022 in het geding gebrachte producties 1 t/m 13;

- de mondelinge behandeling van 18 maart 2022, waarvan door de griffier aantekeningen zijn bijgehouden en waarbij door de advocaten van beide partijen pleitaantekeningen zijn overgelegd.

1.2.

De zaak is in verband met schikkingsonderhandelingen aangehouden tot 1 april 2022. Op die dag hebben partijen bericht dat het niet is gelukt een schikking te treffen en is om vonnis verzocht.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Feiten

2.1.

De [eiser 2] is een internationale rederij, gevestigd in [plaats 2]. De groep bestaat uit meerdere (scheepvaart)ondernemingen, waaronder [eiser 2] Bevrachtingskantoor B.V. (hierna: SBK), de topholding. Kernactiviteiten van de [eiser 2] zijn wereldwijd vervoer van houtproducten en projecten voor de olie-, gas- en telecommunicatie-industrie.

2.2.

[eiser 1] (78 jaar) is de voormalig CFO, en sinds 1 juli 2008 via SBK lid van de Raad van Commissarissen (bestaande uit vier leden), van de [eiser 2]. Daarnaast is [eiser 1] bestuurder van de Stichting Administratie [eiser 2]’s Bevrachtingskantoor, welke stichting alle aandelen houdt in SBK.

2.3.

[eiser 2] is een dochtervennootschap van SBK en verricht de administratie van de scheepsexploitatievennootschappen.

2.4.

[gedaagde] is in 1995 bij de [eiser 2] in dienst getreden als werknemer en is (als opvolger van [eiser 1]) in 2008 doorgegroeid naar de functie van Group CFO/lid hoofddirectie van SBK. In de aandeelhoudersvergadering van 17 maart 2021 is [gedaagde] ontslagen.

2.5.

Bij beschikking van 17 september 2021 heeft de kantonrechter te [plaats 2] de arbeidsovereenkomst van [gedaagde] met ingang van 1 november 2021 ontbonden wegens ernstig verwijtbaar handelen, zonder toekenning van een (transitie)vergoeding. Het door [gedaagde] tegen deze beschikking bij het Gerechtshof te Amsterdam ingestelde hoger beroep loopt nog.

2.6.

De [eiser 2] exploiteert ruim 100 schepen. Deze schepen zijn ondergebracht in daartoe opgerichte vennootschappen, waarbij bijvoorbeeld het (gedeeltelijk) juridisch eigendom aan een bv toebehoort, terwijl het economische eigendom rust bij een vof. De schepen worden geëxploiteerd middels tussen de bv en de vof aangegane rederijen ex artikel 8:160 BW. Het aandeel dat de vennoten in de vof/bv houden bepaalt evenredig het uiteindelijke aandeel in de jaarlijkse winsten en verliezen van het schip of rederij waar de vof of bv lid van zijn.

2.7.

[eiser 1] participeert in 32 schepen, waarvan in 20 schepen samen met [gedaagde] middels de hiervoor toegelichte vof/bv-constructie.

2.8.

Tussen de vennoten van diverse vof’s zijn (gelijkluidende) vof-overeenkomsten gesloten (hierna: de vof-overeenkomst). In artikel 4 van de vof-overeenkomst staat onder meer:

(…)

3. Een vennoot is bevoegd, zonder goedkeuring van alle vennoten, zijn vordering(en) op de vennootschap te verpanden aan een tot de [eiser 2]-groep behorende rechtspersoon.

4. Een vennoot is, zonder goedkeuring van alle vennoten, niet bevoegd zijn aandeel in de vennootschap te bezwaren, dan wel zijn vordering(en) op de vennootschap te verpanden anders dan hiervoor onder 3. vermeld.

Toetreding tot of vervanging van vennoten zonder goedkeuring van alle vennoten is niet mogelijk. (…)

2.9.

Bij brief van 12 juli 2021 heeft SBK aan de vennoten binnen de [eiser 2] geschreven: ‘(…) Gelet op de aandacht die er thans bestaat omtrent de toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) heeft de directie van de [eiser 2] besloten om éénmalig toe te staan dat participaties in een VOF onder bepaalde voorwaarden worden overgedragen van ouder naar kind(eren). (…)’ Onder die voorwaarden is onder meer bepaald dat (i) voor overdracht van een belang van ouder aan kind de toestemming van alle overige participanten van de desbetreffende vof is vereist en (ii) de overdrachtswaarde door [eiser 2] wordt bepaald.

2.10.

De bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) kent een (gedeeltelijke) vrijstelling van de erf- of schenkbelasting bij de vererving van ondernemingsvermogen. Op dit moment geldt een vrijstelling van 100% tot een going-concern waarde van € 1.134,403,00. Boven die waarde geldt een vrijstelling van de erf- of schenkbelasting van 83%.1

2.11. 20

participanten, waaronder [eiser 1], hebben gemeld gebruik te willen maken van de BOR.

2.12.

SBK heeft de participanten vervolgens op 5 oktober 2021 om goedkeuring van de beoogde herschikking verzocht. [gedaagde] heeft hiertegen op 3 november 2021 (als enige, van de ruim 100 vennoten) bezwaar gemaakt. Als redenen hiervoor heeft hij opgegeven dat de voorgestelde vennoten voor hem onbekend zijn en hij daarom in onzekerheid verkeert over hoe zij tegen het beleid van vof’s aankijken, hoe de vaststelling van de winst en verlies zal verlopen en hoe de besluitvorming zal zijn omtrent waardering bij uittreden.

2.13.

Nadat [gedaagde] is verzocht zijn bezwaar te heroverwegen, verleende [gedaagde] op 23 december 2021 alsnog zijn goedkeuring aan de herschikking en overdracht van de participaties aan de vennoten die dat wensten, behalve aan [eiser 1]. Bij email van 3 februari 2022 heeft mr. Kamperbeek namens [gedaagde] uitgelegd wat hem daartoe heeft bewogen. De mail bevat onder meer het volgende:

(…)

De heer [gedaagde] heeft eerder toestemming gevraagd voor een overdracht van door hem gehouden participaties aan overige firmanten. [eiser 2] heeft geweigerd daaraan mee te werken en wenste uitsluitend mee te werken aan het vragen van toestemming voor een overdracht aan [eiser 2] (als een van de vennoten) zelf. Het zal u bekend zijn dat de heer [eiser 1] vrijwel volledig de zeggenschap in handen heeft binnen [eiser 2]. Het is derhalve de heer [eiser 1] die bewust niet aan het verkrijgen van die toestemming heeft willen meewerken. Thans wenst hij echter wel toestemming te verkrijgen voor een door hem wenselijk geachte overdracht aan een derde.

(…)

Mijn cliënt heeft als medewerker van [eiser 2] in de afgelopen 25 jaar geïnvesteerd in de schepen

van [eiser 2]. Dit werd door [eiser 2] mogelijk gemaakt met behulp van personeelsleningen. Sinds zijn ontslag, waar overigens nog een beroepsprocedure over loopt bij het Hof Amsterdam, zet [eiser 2] cliënt onder druk door de leningen op te eisen en cliënt te dwingen onder de marktwaarde te verkopen. Daarbij geeft [eiser 2] alleen toestemming voor overdracht aan [eiser 2] en niet aan een medefirmant, laat staan een nieuwe firmant. Waarom cliënt dan nu wel toestemming zou moeten geven aan overdracht aan een nieuwe firmant is dan ook onduidelijk.

De andere 19 vennoten die u noemt, hebben - in tegenstelling tot de heer [eiser 1] - geen invloed op het beleid van [eiser 2] en profiteren nu van het feit dat de heer [eiser 1] zelf over wil dragen aan zijn kinderen en daarom niet in redelijkheid kon weigeren mee te werken aan een door hen gewenste overdracht. Een dergelijke medewerking is daarvoor steeds geweigerd.

(…)

2.14.

Op 4 maart 2022 hebben SBK en [gedaagde] geprobeerd om tot een allesomvattende regeling te komen (inclusief het arbeidsrechtelijke geschil tussen [eiser 2] en [gedaagde]).
Dat is niet gelukt.

3 Het geschil

3.1.

[eiser 1] en [eiser 2] vorderen samengevat – (1) veroordeling van [gedaagde] tot het verlenen van medewerking aan de overdracht van een deel van de participaties van [eiser 1] aan zijn twee zonen, met alles wat daartoe nodig en noodzakelijk is, (2) bij gebreke waarvan dit vonnis in de plaats treedt van de door [gedaagde] te verrichten noodzakelijke rechtshandelingen, (3) met veroordeling van [gedaagde] in de proces-, na- en (eventuele) betekeningskosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de 15e dag.

3.2.

[eiser 1] en [eiser 2] leggen aan de vorderingen – kort weergegeven – het volgende ten grondslag.

[gedaagde] maakt misbruik van zijn bevoegdheid door ex artikel 4.4. van de vof-overeenkomst zijn goedkeuring aan de overdracht van een deel van de participaties door [eiser 1] aan zijn zonen te weigeren. [gedaagde] gebruikt dat artikel voor een ander doel dan partijen daarmee hebben beoogd. Hij laat zijn goedkeuring afhangen van het bereiken van een meeromvattende regeling met [eiser 1], terwijl de inhoudelijke bezwaren van [gedaagde] geen stand houden. [gedaagde] oefent zijn bevoegdheid uit om [eiser 1] te schaden.

Voor zover de argumenten van [gedaagde] betrekking hebben op de wijze waarop hij is ontslagen en de afwikkeling van dat ontslag bieden deze geen grond om goedkeuring te weigeren, nu de governance struktuur van de Spliethof-groep er aan in de weg staat om [eiser 1] daarvoor (als enige) verantwoordelijk te houden. [eiser 1] is geen bestuurder van SBK en heeft ook als commissaris geen overwegende zeggenschap.

3.3.

[gedaagde] voert verweer en verzoekt de voorzieningenrechter om [eiser 1] en [eiser 2] niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen, of die vorderingen af te wijzen, met veroordeling van [eiser 1] en [eiser 2] in de proceskosten.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Spoedeisend belang

4.1.

Een vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als daarbij sprake is van een spoedeisend belang, hetgeen [gedaagde] ten aanzien van de onderhavige vorderingen heeft betwist.

4.2.

[eiser 1] en [eiser 2] stellen dat zij een spoedeisend belang bij de vorderingen hebben, omdat momenteel ter behandeling in de Tweede Kamer voorligt om de BOR te versoberen. Die plannen zien onder meer op de verlaging van de vrijstelling van erf- of schenkbelasting (boven de goingconcernwaarde) van 83% naar 50%. [eiser 1] stelt dat hij in die situatie € 1.600.000 aan erf- en schenkbelasting moet betalen bij de overdracht van het betreffende deel van zijn participaties aan zijn zonen, terwijl hij onder de huidige BOR € 60.000 zou betalen. [gedaagde] voert – onder verwijzing naar brieven van de Staatssecretaris van Financiën van 17 november 2021 en 16 februari 2022 – aan dat nog onduidelijk is wanneer de BOR zal wijzigen, maar dat het de verwachting is dat dit in ieder geval niet vóór 2023 zal gebeuren en waarschijnlijk ook nog niet in 2023. [gedaagde] ziet daarom niet in waarom dit geschil in kort geding moet worden beslecht, in plaats van de in de vof-overeenkomst opgenomen geschillenbeslechting door bindend advies conform het NAI-reglement of middels een bodemprocedure bij de rechtbank.

4.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser 1] en [eiser 2] voldoende hebben gesteld om de spoedeisendheid van de vorderingen aan te nemen. Nog daargelaten dat de in de vof-overeenkomst opgenomen geschillenbeslechting het entameren van een kortgedingprocedure niet in de weg staat, staat als onbetwist vast dat het doorlopen van een dergelijke procedure in beginsel ongeveer een jaar duurt én daarmee geen executoriale titel kan worden verkregen. De onzekerheid die momenteel nog bestaat over het moment waarop de BOR zal wijzigen en het daarmee samenhangende aanzienlijk financiële belang van [eiser 1], is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende om de spoedeisendheid van de vorderingen aan te nemen, zodat [eiser 1] en [eiser 2] in die zin ontvankelijk zijn in hun vorderingen.

De vordering als ingesteld door [eiser 2]

4.4.

[gedaagde] voert aan dat [eiser 2] geen zelfstandig belang heeft bij de vorderingen. [eiser 2] is een dochtervennootschap van SBK en valt als zodanig volledig binnen de controle van [eiser 1]. De reden dat [eiser 2] in dit kort geding als mede-eiser optreedt is volgens [gedaagde] onduidelijk. Volgens [gedaagde] moet [eiser 2] daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vorderingen. Dat standpunt hebben [eiser 1] en [eiser 2] onweersproken gelaten, zodat de voorzieningenrechter [eiser 2] niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vorderingen.

De vordering als ingesteld door [eiser 1]

Is [gedaagde] gerechtigd zijn toestemming aan de door [eiser 1] gewenste overdracht te onthouden?

4.5.

[eiser 1] wenst een deel van zijn participaties aan zijn twee zonen over te dragen. Vaststaat dat hiervoor ex artikel 4.4. van de vof-overeenkomst goedkeuring van de andere vennoten, waaronder [gedaagde], nodig is. Met een beroep op dat artikel weigert [gedaagde] deze te verlenen. Hij heeft laten weten dat hij wel zou kunnen instemmen met een door hem gewenste overdracht op voorwaarde dat SBK ook instemt met een door hem gewenste overdracht van zijn participaties aan een andere partij dan SBK, althans met een overdracht aan SBK op gunstiger condities dan thans worden geboden.

[gedaagde] heeft in dit verband opgemerkt dat hij tot die overdracht wordt gedwongen doordat SBK het bedrag van circa € 1.700.000 aan personeelsleningen opeist die [gedaagde] heeft gesloten in verband met zijn investeringen in scheepsparticipaties. [gedaagde] stelt dat SBK niet wil onderhandelen over een verkoopprijs voor die participaties die aansluit bij de daadwerkelijke waarde daarvan, maar -als vast beleid- een methodiek voor de berekening van de verkoopprijs hanteert die tot een aanzienlijk lagere waardering leidt. Hij meent dat SBK aldus zichzelf bevoordeelt boven de investeerders. [gedaagde] heeft verder verwezen naar de wijze waarop hij is ontslagen en de manier waarop in de context van dat ontslag met zijn belangen is omgesprongen. Hij stelt dat hij door onzorgvuldige communicatie naar participanten toe te kijk is gezet en op rancuneuze wijze onder druk wordt gezet met opeising van de genoemde personeelslening. Hij realiseert zich dat [eiser 1] formeel niet SBK is, maar houdt staande dat [eiser 1] overwegende invloed heeft op het beleid van SBK en de [eiser 2]. Er gebeurt volgens hem binnen de [eiser 2] niets wat [eiser 1] niet wil.

[gedaagde] ziet niet in waarom hij gehouden zou zijn toestemming aan de door [eiser 1] beoogde overdracht van participaties aan zijn kinderen te geven, waar de door hem gewenste toestemming voor overdracht van participaties aan een derde wordt onthouden.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.6.

De bevoegdheid om toestemming te onthouden aan de toetreding of vervanging van vennoten in een VOF strekt er in het algemeen gesproken toe de zittende vennoten te beschermen tegen de komst van vennoten die in de visie van de vennoot die de bevoegdheid heeft het perspectief op voordeel uit de vennootschap -hoe ook ingevuld- vermindert. De bevoegdheid is in zoverre doelgebonden. De evengenoemde vennoot is vrij in de taxatie van het effect van de toetreding of vervanging waarop het gaat op dat perspectief, maar zal hantering van die bevoegdheid wel binnen de grenzen van die doelgebondenheid moeten kunnen plaatsen.

[gedaagde] heeft niet weersproken dat de participanten in de Vof waarom het hier gaat feitelijk investeerders zijn en niet of slechts beperkt optreden als vennoten namens de Vof. Dat brengt mee dat het belang en de reden om goedkeuring te verlenen of te onthouden dan ook gezocht dient te worden in de bescherming van ieders respectievelijke economische positie binnen de betrokken Vof, zoals [eiser 1] ook heeft betoogd.

4.7.

De voorzieningenrechter stelt vast dat [gedaagde] zijn onthouding van toestemming in casu heeft gestoeld op argumenten en omstandigheden die hiermee in geen enkel opzicht van doen hebben. [gedaagde] weigert mee te werken aan de door [eiser 1] gewenste overdracht omdat hij de druk hoog wil houden om te bewerkstelligen dat er met meer consideratie met zijn belangen wordt omgesprongen. Dat zou op zichzelf een begrijpelijke en respectabele wens kunnen zijn. De noodzaak tot verkoop van zijn participaties vloeit voort uit de beëindiging van zijn dienstverband als gevolg van ontslag en de follow-up die daaraan door SBK is gegeven. Dat ontslag is weliswaar door de kantonrechter rechtmatig geacht, maar de kantonrechter heeft in zijn beschikking niet kenbaar gereageerd op de in die procedure overgelegde verklaring van [gedaagde], die voeding geeft aan de gedachte dat hij de rol van zondenbok heeft moeten vervullen.

Als in hoger beroep anders wordt beslist, zou dat implicaties kunnen hebben voor de manier waarop SBK de afwikkeling van het ontslag heeft vormgegeven. De keuze om [gedaagde] enerzijds strikt te houden aan de verplichting om zijn geldlening af te lossen en hem anderzijds niet de ruimte te geven om zijn participaties aan anderen dan aan SBK te verkopen zou daardoor in ander licht kunnen komen te staan.

Dat zijn echter kwesties waarop (primair) SBK, niet [eiser 1], moet worden aangesproken. Het zijn reeds hierom geen argumenten die ten grondslag kunnen worden gelegd aan de weigering om [eiser 1] toestemming te geven zijn participaties fiscaal vriendelijk door te schuiven naar zijn kinderen.

4.8.

De omstandigheid dat [eiser 1] als commissaris en aandeelhouder binnen de [eiser 2] invloedrijk is en dat hij, vanuit die posities, onder meer betrokken is geweest bij het bepalen van de lijn die de vennootschap ten aanzien van de financiële fraude binnen SBK heeft gekozen, die uiteindelijk heeft geleid tot het ontslag van [gedaagde], en in dat opzicht ook andere keuzes had kunnen maken, is onvoldoende reden om anders te oordelen. Het ontslag moet immers vooralsnog rechtmatig worden geacht en voor de vereenzelviging van [eiser 1] met SBK is onvoldoende onderbouwing geleverd.

Conclusie en proceskosten

4.9.

De conclusie is dat de vorderingen van [eiser 1] toewijsbaar zijn. Bij de proceskostenveroordeling zal griffierecht tegen het tarief voor natuurlijke personen worden geliquideerd.

4.10.

[gedaagde] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van worden begroot op:

- dagvaarding € 103,33

- griffierecht € 314,00

- salaris advocaat € 1.016,00 (tarief kort geding)

Totaal € 1.433,33

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verklaart [eiser 2] niet-ontvankelijk in haar vorderingen;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om binnen 3 dagen na betekening van dit vonnis zijn

onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de overdracht van een deel van de

participaties van [eiser 1] aan zijn zonen [betrokkene 1] en [betrokkene 2], een en ander als omschreven onder de randnummer 2.11 en producties 8, 11 en 12 van/bij de dagvaarding in dit kort geding, met alles wat daartoe nodig en noodzakelijk is, waaronder het verlenen van goedkeuring conform artikel 4.4 van de VOF-overeenkomst;

5.3.

bepaalt dat indien [gedaagde] niet binnen de bij vonnis gestelde termijn zijn onvoorwaardelijke medewerking verleent aan de sub 5.2 omschreven overdracht, dit vonnis in de plaats treedt van de door de [gedaagde] te verrichten noodzakelijke rechtshandelingen, waaronder het verlenen van goedkeuring conform artikel 4.4 van de VOF-overeenkomst;

5.4.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [eiser 1] begroot op € 1.433,33, te vermeerderen met nakosten ten belope van € 163 zonder betekening, dan wel € 248 in geval van betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening, voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de géstelde termijn plaatsvindt te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf de termijn voor voldoening;

5.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 26 april 2022.2

1 Informatiebrochure Belastingdienst over de BOR 2022.

2 Conc.: 1419