Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2022:3569

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
13-04-2022
Datum publicatie
17-05-2022
Zaaknummer
9031478 \ CV EXPL 21-1060
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Luchtvaart. Buitengewone omstandigheden, te weten slechte weersomstandigheden, onvoldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 9031478 \ CV EXPL 21-1060

Uitspraakdatum: 13 april 2022

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1 [passagier sub 1]

2. [passagier sub 2] , beiden pro se en beiden in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van hun minderjarige kind [minderjarige] allen wonende te [woonplaats]

eisers

hierna gezamenlijk te noemen de passagiers

gemachtigde Yource B.V.

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

Deutsche Lufthansa Aktiengesellschaft

statutair gevestigd te Keulen (Duitsland), mede kantoorhoudende te Schiphol

gedaagde

hierna te noemen de vervoerder

gemachtigde mr. E.A. Pluijm (Russell Advocaten)

1 Het procesverloop

1.1.

De passagiers hebben bij dagvaarding van 12 februari 2021 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

De passagiers hebben hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2 De feiten

2.1.

De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagiers diende te vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport via Frankfurt (Duitsland) naar Johannesburg (Zuid-Afrika) op 27 juli 2019.

2.2.

Vlucht LH999 van Amsterdam naar Frankfurt is geannuleerd.

2.3.

Yource B.V. heeft namens de passagiers compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde annulering.

2.4.

De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

2.5.

De passagiers zijn door de kantonrechter gemachtigd de onderhavige procedure namens hun minderjarige kind te voeren.

3. De vordering

3.1.

De passagiers vorderen dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 1.800,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der incident tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 363,00 althans € 326,70, althans een in redelijke justitie door de rechtbank te bepalen bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- de proceskosten en de nakosten;
- afgifte van het certificaat voor internationale tenuitvoerlegging als bedoeld in artikel 53 van de herziene EEX-verordening (1215/2012) middels het formulier van bijlage I van die verordening.

3.2.

De passagiers hebben aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder vanwege de annulering van de vlucht gehouden is hen te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 600,00 per passagier.

4 Het verweer

4.1.

De vervoerder betwist de vordering en doet een beroep op buitengewone omstandigheden, die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.

5 De beoordeling

5.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

5.2.

Niet in geschil is dat de vlucht is geannuleerd. Gesteld noch gebleken is dat de vervoerder zich kan beroepen op artikel 5, eerste lid, onder c sub i, ii of iii van de Verordening, geldt er in beginsel een compensatieplicht voor de vervoerder. Dit is anders indien de vervoerder kan aantonen dat de annulering het gevolg is van buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5, lid 3, van de Verordening. In de punten 14 en 15 van de considerans van de Verordening staat dat dergelijke omstandigheden zich onder meer kunnen voordoen in geval van onverwachte vliegveiligheidsproblemen, weersomstandigheden die de uitvoering van de vlucht in kwestie verhinderen en wanneer een besluit van de luchtverkeersleiding voor een specifiek toestel op een specifieke dag een langdurige vertraging, een vertraging van een nacht of de annulering van één of meer vluchten van dat vliegtuig veroorzaakt.

5.3.

De vervoerder voert in dat verband aan dat hij heeft besloten om de vlucht preventief te annuleren. Dit in verband met de slechte weersomstandigheden te Frankfurt. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft de vervoerder het Tagesberichtseinträge Verkehrszentrale FRA L/ZO-Z, alsmede het vluchtrapport van de vlucht in kwestie en het Adhoc Scheduled Message d.d. 26 juli 2019 overgelegd. Uit het Tagesberichtseinträge Verkehrszentrale FRA L/ZO-Z kan worden opgemaakt dat heel Zuid-Europa op 27 juli 2019 kampte met onheilspellend weer en onweersbuien. Dat op 27 juli 2019 sprake was van slecht weer blijkt uit het METAR-rapport, aldus de vervoerder. Hierin staat dat er in Frankfurt vanaf het einde van de middag sprake was van onheilspellend weer met (een dreiging van) onweersbuien en cumulonimbus (bewolking). Cumulonimbus in combinatie met onweersbuiten vormen een extreem veiligheidsrisico voor het luchtverkeer, aldus nog steeds de vervoerder. Tevens heeft de vervoerder aangevoerd dat, blijkens het Adhoc Scheduled Message, het luchtverkeersbeheer één dag voor het geplande vertrek van onderhavige vlucht een groot aantal vluchten van de vervoerder heeft geannuleerd wegens de verwachte slechte weersomstandigheden. Daarbij heeft de vervoerder aangevoerd dat een vlucht pas toestemming krijgt voor vertrek zodra het luchtverkeersbeheer zich ervan verzekerd heeft dat de vlucht onderweg niet geconfronteerd zal worden met slechte weersomstandigheden, die verhinderen dat de vlucht veilig kan landen op de luchthaven van bestemming. De weersomstandigheden vormen volgens de vervoerder een buitengewone omstandigheid. Het inzetten van een reservetoestel had geen zin, aangezien een reservetoestel ook onderworpen zou worden aan de weersomstandigheden, aldus nog steeds de vervoerder.

5.4.

De passagiers betwisten dat de gestelde weersomstandigheden tot de annulering van de vlucht hebben geleid. Daartoe hebben de passagiers aangevoerd dat op geen enkele wijze sprake was van weersomstandigheden die vliegen vanaf Amsterdam naar Frankfurt gevaarlijk, bijzonder of risicovol maakt. Voorts betogen de passagiers dat de vervoerder alleen zijn eigen vluchten kan annuleren. De annulering van onderhavige vlucht vond al een dag voor vertrek plaats, hetgeen een operationele keuze van de vervoerder impliceert, aldus de passagiers. Tevens hebben de passagiers aangevoerd dat op 27 juli 2019 wel andere vluchten van Amsterdam naar Frankfurt en van Frankfurt naar Amsterdam vlogen. De vervoerder heeft voornoemde stelling onvoldoende gemotiveerd weersproken, zodat hij geen geslaagd beroep kan doen op buitengewone omstandigheden. De vervoerder herhaalt dat hij vanwege de slechte weersomstandigheden, in verband met de vliegveiligheid, de vlucht heeft geannuleerd, maar hij gaat onvoldoende in op stelling van de passagiers dat er wel andere vluchten van Amsterdam naar Frankfurt en van Frankfurt naar Amsterdam vlogen. Hierdoor staat niet vast dat de vervoerder vanwege de slechte weersomstandigheden te Frankfurt genoodzaakt was de vlucht te annuleren of dat er wellicht, zoals de passagiers stellen, een operationeel aspect heeft gespeeld bij de annulering de vlucht. Door de vervoerder is dan ook onvoldoende weersproken dat de vlucht door de weersomstandigheden niet zou kunnen worden uitgevoerd.

5.5.

Gelet op het voorgaande slaagt het beroep van de vervoerder op buitengewone omstandigheden niet. De kantonrechter komt dan niet toe aan de vraag of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging te beperken. Het verzoek tot betaling van de compensatie op grond van artikel 7 van de Verordening zal om die reden worden toegewezen.

5.6.

De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vervoerder heeft deze vordering (gemotiveerd) betwist. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat de passagiers buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II; de tarieven neergelegd in het Besluit worden geacht redelijk te zijn.
Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal de vordering of het gevorderde bedrag dan ook toewijzen tot het subsidiair gevorderde, te weten € 326,70 (inclusief btw), en voor het overige afwijzen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is ook toewijsbaar, met dien verstande dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding, omdat de passagiers in elk geval vanaf die datum daarop aanspraak kan maken en gesteld noch gebleken is dat dit ook al vanaf een eerdere datum kon.

5.7.

De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder, omdat deze ongelijk krijgt. Ook de nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 2.126,70 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.800,00 vanaf 27 juli 2019 en over € 326,70 vanaf 12 februari 2021 tot aan de dag van voldoening van deze bedragen;

6.2.

veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:

dagvaarding € 109,65;
griffierecht € 240,00;
salaris gemachtigde € 374,00;

6.3.

veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 93,50 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt;

6.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter