Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2022:3554

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
08-02-2022
Datum publicatie
22-04-2022
Zaaknummer
C/15/323291 / JU RK 21-2308
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging ots en uhp, perspectiefbesluit GI. Vooronderzoek TNHO: thuisplaatsing niet mogelijk. Moeder is terug naar Sri Lanka en verblijft daar in een instelling. Vader wil kind mee terug nemen naar Sri Lanka en onderbrengen bij familie. Ontwikkelingsbedreiging nog immer aanwezig. Terugkeren naar huis bij de ouders dan wel alleen bij de vader is geen optie voor het kind. Hij maakt het goed in het pleeggezin waar hij veel leert, letterlijk en figuurlijk groeit en een inhaalslag heeft gemaakt qua hechting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Alkmaar

Zaaknummer: C/15/323291 / JU RK 21-2308

Datum uitspraak: 8 februari 2022

Beschikking van de meervoudige kamer

in de zaak van

De Jeugd- & Gezinsbeschermers,

gevestigd te Alkmaar, hierna te noemen: de GI,

betreffende

[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,

hierna te noemen: [de minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende(n) aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende te [plaats] , thans verblijvende te Sri Lanka,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende te [plaats] .

1 Het procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoek, met bijlagen, van de GI van 17 november 2021, ingekomen bij de griffie op 16 december 2021;

- de omgangsrapportage van 29 december 2021, door de GI ingediend op

29 december 2021;

- het e-mailbericht van de GI van 26 januari 2022.

1.2.

Op 8 februari 2022 heeft de meervoudige kamer de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de vader;
- [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] namens de GI.

De vader is bijgestaan door een tolk, Tamil, [tolk] .

De moeder is, ondanks deugdelijk te zijn opgeroepen, niet verschenen.

2. De feiten

2.1.

Het ouderlijk gezag over [de minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders.

2.2.

[de minderjarige] verblijft in een voorziening voor pleegzorg.

2.3.

Bij beschikking van 28 februari 2020 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld. Deze maatregel is daarna verlengd, voor het laatst tot 28 februari 2022. De kinderrechter heeft bij beschikking van 10 maart 2021 een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 10 september 2021. Bij beschikking van 8 september 2021 is deze machtiging verlengd tot 28 februari 2022.

3 Het verzoek

3.1.

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen met een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

Ter onderbouwing van het verzoek heeft de GI onder meer het volgende aangevoerd. Vanuit de GI is de beslissing genomen dat [de minderjarige] gaat opgroeien bij de pleegouders. De ouders willen graag zelf voor [de minderjarige] zorgen, maar de GI ziet dat de gezins- en opvoedsituatie bij de ouders thuis bij [de minderjarige] tot trauma heeft geleid. Dit trauma draagt hij bij zich, alsook de gevolgen van de ontwikkelingsachterstanden die op cognitief en sociaal-emotioneel vlak zijn ontstaan door onder andere ernstige onderstimulatie, sociale isolatie en een ongezonde en onveilige opvoedingsomgeving. Het trauma is dan ook gerelateerd aan de ouders en de gezinssituatie waaruit hij komt. In de contacten met de ouders wordt [de minderjarige] met dit trauma geconfronteerd. De onderlinge relaties zijn ernstig verstoord. Terugplaatsing van [de minderjarige] zou zeer onwenselijk en schadelijk zijn voor zijn ontwikkeling. De GI verwacht niet dat de situatie van de moeder voldoende zal veranderen en dat zij haar rol als opvoeder op een gezonde manier kan uitvoeren richting [de minderjarige] . Hoewel de vader thans zonder werk is, zal hij weer gaan werken en niet meer volledig beschikbaar zijn. De vader laat daarnaast niet de opvoedvaardigheden zien die de GI nodig acht voor [de minderjarige] . De vader heeft de eerder ingezette hulpverlening tot verbetering niet aangegrepen noch voldaan aan de gestelde voorwaarden.

Tussen de ouders en [de minderjarige] is sprake van een grote taalbarrière. De communicatie was en is nog steeds nihil tijdens de huidige omgangsmomenten. De moeder laat geen initiatief zien tot verbetering tijdens die momenten. Ook [de minderjarige] zelf laat geen tot weinig initiatief zien tijdens het contact met zijn ouders. Hieruit is voldoende op te maken dat hij eerder een onveilige en gedesoriënteerde hechting heeft doorgemaakt en dat er nog steeds sprake is van onveiligheid in de relatie. Dit is terug te zien in het trauma gerelateerd gedrag dat [de minderjarige] laat zien vóór en ná de omgangsmomenten. Hij heeft paniekmomenten in de nacht, waarbij hij de pleegouders nodig heeft om tot rust te komen. Er is sprake van een terugval in zindelijkheid, waaronder bedplassen en het ophouden van de ontlasting. Ook valt [de minderjarige] terug in het gebruik van gesproken taal. Als de pleegouders niet op tijd terug zijn om [de minderjarige] op te halen van de omgang, reageert [de minderjarige] daar paniekerig op door vervolgens in hun armen te springen en zich vast te klampen. De omgangsmomenten zijn teruggebracht van twee naar één keer per maand, omdat de eerdere frequentie te belastend was voor [de minderjarige] . Uit het vooronderzoek in het kader van het ‘Terug Naar Huis-onderzoek’ (TNHO), uitgevoerd door Parlan in juni 2021, komt de conclusie naar voren dat de kans op een geslaagde thuisplaatsing nihil is en de kans op schade in de ontwikkeling van [de minderjarige] groot. Het is van belang voor [de minderjarige] dat hij opgroeit in een omgeving die hem veiligheid en structuur biedt en waar sprake is van trauma-sensitief opvoeden met opvoeders die in staat zijn aan te sluiten bij zijn huidige ontwikkeling met aandacht voor de achterstanden. Dit vraagt voor [de minderjarige] extra en intensieve inzet van zijn opvoeders. Het gaat thans goed met [de minderjarige] bij de pleegouders. Hij laat een grote groei zien op zowel fysiek als cognitief gebied en in zijn leeftijdsadequate vaardigheden. [de minderjarige] haalt binnen het pleeggezin alle stadia van hechting in richting de pleegouders.

Ook al zouden de ouders in staat zijn tot het alsnog accepteren van hulpverlening en het verbeteren van hun opvoedvaardigheden, dan zal dit toch niet voldoende aansluiten bij de behoeftes van [de minderjarige] . Het herstellen van de relatie met zijn ouders en het creëren van vertrouwen en veiligheid in die relatie, mogelijk met behulp van systeemtherapie, zal pas mogelijk zijn als [de minderjarige] de in de gezinssituatie opgedane trauma’s heeft verwerkt en voldoende stabiliteit en veiligheid ervaart vanuit zijn huidige opvoedingsomgeving. De ouders dienen in staat te zijn terug te kijken naar hun eigen handelen en de effecten hiervan. Hiervoor is psychische stabiliteit nodig bij de ouders.

3.3.

De GI acht de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk. Daarnaast acht de GI het in het belang van [de minderjarige] en de ouders dat er duidelijkheid komt ten aanzien van het opvoedperspectief. De GI verzoekt de rechtbank om een opvoedbesluit te nemen en het opgroeien van [de minderjarige] binnen het huidige pleeggezin te bekrachtigen. De genoemde benodigde huidige hulpverlening en toekomstige hulpverlening alsmede de omgang kunnen dan voor [de minderjarige] een beter resultaat opleveren voor zijn ontwikkeling.

4 Het standpunt van de belanghebbende(n)

4.1.

De moeder is niet ter zitting verschenen. De vader heeft ter zitting verklaard dat de moeder sinds kort in een instelling in Sri Lanka verblijft waar zij een behandeling volgt voor haar psychische problematiek.

4.2.

De vader is het niet eens met de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing en heeft daartoe ter zitting het volgende aangevoerd.

De moeder heeft de vader een brief meegegeven vanuit Sri Lanka waarin zij aangeeft dat zij graag wil dat [de minderjarige] bij de vader gaat wonen. De vader heeft op dit moment geen werk, de oudste zoon [oudste zoon] heeft een eigen woonplek en de vader heeft de tijd om voor [de minderjarige] te zorgen. De vader erkent dat hij het moeilijk vond om de adviezen op te volgen van de hulpverlening, zoals ervoor te zorgen dat [de minderjarige] op tijd naar bed gaat en hem niet teveel vrijheid te geven. Tijdens de begeleide omgangsmomenten ziet de vader dat als de pleegouders erbij zijn en de vader [de minderjarige] iets wil geven, zoals snoep, [de minderjarige] angstig om zich heen kijkt en bang is om het aan te nemen. De vader wil dat [de minderjarige] bij hem opgroeit. [oudste zoon] is vanaf zijn achtste jaar ook opgegroeid bij de ouders in Nederland en zit nu op Havo. Dat had niet kunnen gebeuren als de vader en de moeder slechte ouders zijn. De verpleegkundige in Sri Lanka heeft aangegeven dat het beter is voor de moeder als [de minderjarige] bij haar of bij de vader opgroeit. De vader heeft voorts, geëmotioneerd, aangegeven dat [de minderjarige] bij de moeder hoort te zijn en dat het ook zo kan zijn dat hij met [de minderjarige] naar Sri Lanka gaat, nu er hier in Nederland alleen maar mensen zijn die zeggen wat de vader moet doen. In Sri Lanka is er ondersteuning voor de vader vanuit de familie, zoals de tante van [de minderjarige] , die ook voor [de minderjarige] kan zorgen. De vader heeft geen verdere hulpverlening nodig. Het enige wat de vader nodig heeft, is dat de GI hem zijn zoon teruggeeft.

5 De beoordeling

5.1.

De hierna genoemde artikelen zijn derhalve van toepassing. In artikel 255, eerste lid, BW is bepaald dat de kinderrechter een minderjarige onder toezicht kan stellen van een gecertificeerde instelling indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat zijn te dragen.

Ingevolge artikel 260, eerste lid, BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 255, eerste lid, BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, BW kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

Ingevolge artikel 1:265c, tweede lid, BW kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling, de raad of het openbaar ministerie de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

5.2.

Ter zitting heeft de GI, in reactie op hetgeen de vader naar voren heeft gebracht, het volgende aangegeven.

De GI is geschrokken van het feit dat de ouders zonder enige mededeling aan de GI naar Sri Lanka zijn vertrokken en dat de moeder daar is achtergebleven. De pleegouders zijn met [de minderjarige] tevergeefs op het laatste omgangsmoment verschenen, waarbij is gebleken dat de ouders al waren vertrokken. [de minderjarige] heeft bij de ouders een onveilige hechting meegemaakt en heeft onveilig contact met zijn ouders. Dat zijn moeder er ineens niet meer is, is niet goed voor [de minderjarige] . De vader heeft aangegeven geen hulpverlening meer nodig te hebben nu de moeder in Sri Lanka is opgenomen in een kliniek. De vader zegt dat hij [de minderjarige] thans alleen kan opvoeden. Er is echter sprake van een te grote onmacht bij de vader ten aanzien van zijn opvoedvaardigheden. De vader erkent het belang van hechting niet en in de opvoedsituatie van de ouders is weinig veranderd. De vader zal moeten erkennen wat er is gebeurd met [de minderjarige] en moeten accepteren dat [de minderjarige] een grote ontwikkelingsachterstand heeft opgelopen in de jaren dat hij bij zijn ouders opgroeide. Ook dient de vader hulpverlening te accepteren. Maar dan nog zal het perspectief van [de minderjarige] om op te groeien niet meer bij de ouders liggen. De pijn en het verdriet van de ouders is echter te groot om te kunnen inzien dat dit in het belang van [de minderjarige] is. Het is wel belangrijk voor de ouders om de genoemde stappen desondanks te zetten, omdat het voor [de minderjarige] van belang is dat de ouders toewerken naar de mogelijkheid om een goede familiare band met [de minderjarige] te hebben, waarvan ook zijn broer [oudste zoon] deel uit maakt.

De GI is bekend met de wens van de ouders om [de minderjarige] mee te nemen naar Sri Lanka. [de minderjarige] is in Nederland geboren en spreekt alleen Nederlands. Door de taalbarrière is de communicatie met zijn ouders slecht. De GI acht het niet in het belang van [de minderjarige] dat hij naar Sri Lanka zou gaan. Hij kent de cultuur niet, spreekt de taal niet en zijn moeder is daar in een kliniek opgenomen in verband met psychische problematiek. Terugkeer in het gezin waarin zoveel problematiek speelt, is niet in het belang van [de minderjarige] . [de minderjarige] heeft veel hulp nodig bij zijn ontwikkeling. Hij maakt thans een grote inhaalslag qua ontwikkeling in het pleeggezin. Dat is in het belang van [de minderjarige] , en daar moet dan ook het opvoedperspectief liggen, aldus de GI.

5.3.

De rechtbank is van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid, BW genoemde gronden voor ondertoezichtstelling nog steeds aanwezig zijn, omdat [de minderjarige] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van zijn verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, BW). Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Er is nog steeds sprake van onveiligheid in de gezinssituatie. De vader denkt dat hij de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] alleen aan kan, nu de moeder in Sri Lanka is. Hij is echter onvoldoende leerbaar gebleken in zijn opvoedkundige basisvaardigheden om aan te sluiten bij de behoeftes van [de minderjarige] . De vader heeft te weinig erkenning voor de trauma’s die [de minderjarige] in zijn jeugd heeft opgelopen en de ouders hebben onvoldoende laten zien hulpverlening te willen of te kunnen accepteren. Er is sprake van forse persoonlijke psychische problematiek bij de moeder, die nu ook, al dan niet tijdelijk, afwezig is en in Sri Lanka in een kliniek verblijft. Het feit dat de vader thans van mening is dat het in het belang van [de minderjarige] is dat hij met zijn vader naar Sri Lanka vertrekt om daar verder te opgroeien bij zijn ouders met behulp van de familie, getuigt ervan dat de vader de ontstane problematische situatie voor [de minderjarige] niet wil of kan zien. Dit is begrijpelijk, gelet op de pijn en het verdriet dat de ouders hebben. Echter, op het moment van de uithuisplaatsing waren er zeer grote zorgen over [de minderjarige] . De meest basale verzorging ontbrak, met als gevolg dat er sprake was van grove verwaarlozing. De ouders hebben tot op heden geen blijk gegeven van probleeminzicht. De vader wijst naar de moeder, maar hij heeft de eerste vier jaar in het leven van [de minderjarige] ook niet ingegrepen. Niet is gebleken dat de vader zijn opvoedvaardigheden heeft verbeterd of daartoe hulpverlening heeft aangenomen.

Het plotselinge vertrek van de ouders naar Sri Lanka eind 2021/begin 2022 is niet gedeeld met de pleegouders en de GI. Daarmee is [de minderjarige] de kans ontnomen om zijn moeder nog te zien en zijn de pleegouders tevergeefs naar [plaats] gekomen voor de omgang tussen de ouders en [de minderjarige] . De ouders hebben hiermee niet in het belang van [de minderjarige] gehandeld.

De ontwikkelingsbedreigingen zoals genoemd in de beschikking van 24 februari 2021 zijn nog steeds aanwezig. De ouders zijn weliswaar niet onwillig, maar onmachtig om aan te sluiten bij de behoeftes van [de minderjarige] . Hij laat traumagedrag zien waarvoor intensieve hulpverlening nodig is, zodat [de minderjarige] leert om zich voldoende veilig te voelen en de ruimte krijgt om zich goed te ontwikkelen.

Terugkeren naar huis bij de ouders dan wel alleen bij de vader is geen optie voor [de minderjarige] . Hij maakt het goed in het pleeggezin waar hij veel leert, letterlijk en figuurlijk groeit en een inhaalslag heeft gemaakt qua hechting.

Ter zitting is besproken dat het perspectiefbesluit van de GI aan de orde is en wat de consequenties daarvan zijn. De rechtbank begrijpt dat de GI het opvoedbesluit neemt dat het opvoedperspectief van [de minderjarige] niet meer bij de ouders is en dat daarin niet binnen de aanvaardbare termijn verandering zal komen. Uit het vooronderzoek van Parlan van 14 juni 2021 in het kader van een THNO is gebleken dat een terugkeer van [de minderjarige] niet mogelijk en niet in zijn belang is, zodat een THNO geen kans van slagen heeft. [de minderjarige] heeft in het pleeggezin een grote en positieve ontwikkeling doorgemaakt. Er is overduidelijk sprake van opgedaan trauma, dat zich uit in zijn gedrag. Dat maakt zijn situatie nog steeds zorgelijk en kwetsbaar. De ingezette hulpverlening dient onverminderd te kunnen worden voortgezet, zodat [de minderjarige] voldoende stabiliteit en veiligheid ervaart en de trauma’s kan verwerken. Van daaruit kan worden gewerkt aan de familiaire band tussen [de minderjarige] en zijn ouders en zijn broer, nu deze band, zoals de GI ook ter zitting heeft benadrukt, belangrijk is voor zowel [de minderjarige] als zijn ouders en zijn broer.

5.4.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengen voor de duur van een jaar (artikel 1:260, eerste lid, BW) en tevens de machtiging uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verlengen voor de duur van een jaar (artikel 1:265c, tweede lid, BW).

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , tot 28 februari 2023;

6.2.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van genoemde minderjarige in een voorziening voor pleegzorg tot 28 februari 2023;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. T.M. van Wassenaer-Westgeest, voorzitter, mr. M.A.J. Berkers, mr. A.R.A.R. Sitaldin, rechters, allen tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van H.M. Zonneveld, als griffier en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2022.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld en ondertekend op 21 februari 2022.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.