Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2022:3335

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
15-03-2022
Datum publicatie
15-04-2022
Zaaknummer
C/15/321964 / FA RK 21-5370
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2022:1989
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toewijzing verzoek vervangende toestemming verhuizing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd

locatie Haarlem

vervangende toestemming verhuizing

zaak-/rekestnr.: C/15/321964 / FA RK 21-5370

Beschikking van de meervoudige kamer voor familiezaken van 15 maart 2022

in de zaak van:

[de moeder] ,

wonende te [plaats] ,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M.L. van Leer, kantoorhoudende te Amsterdam,

tegen

[de vader] ,

wonende te [plaats] ,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. S. Maachi, kantoorhoudende te Amsterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoek, met bijlagen, van de moeder, ingekomen op 5 november 2021;

- het F-formulier van de advocaat van de vader van 17 december 2021, met als bijlage het verweerschrift van de vader, ingediend in de echtscheidingsprocedure;

- het verweerschrift van de vader, ingekomen op 9 februari 2022;

- het F-formulier, met bijlagen, van de advocaat van de moeder van 11 februari 2022 (producties 8-10);

- het F-formulier, met bijlagen, van de advocaat van de moeder van 14 februari 2022 (producties 11-13);

- het e-mailbericht, met bijlagen, van de advocaat van de moeder van 14 februari 2022 (productie 14).

1.2.

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 15 februari 2022 in aanwezigheid van partijen, de moeder bijgestaan door mr. M.L. van Leer en een tolk en de vader door mr. S. Maachi en een tolk. Tevens was als informant aanwezig [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

De advocaat van de moeder heeft ter zitting een pleitnota overgelegd.

2. De feiten

2.1.

De Basisregistratie Personen vermeldt ten aanzien van partijen dat zij op
[huwelijksdatum] zijn getrouwd.

2.2.

De man heeft op 1 september 2021 een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend (bekend onder nummer C/15/320221 / FA RK 22-4416).

2.3.

De minderjarige kinderen van partijen zijn:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] (Brazilië);

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] ; (hierna gezamenlijk: de kinderen).

Partijen gaan ervan uit dat zij beiden het gezag over hun kinderen uitoefenen.

2.4.

Zowel partijen als de kinderen hebben de Braziliaanse nationaliteit.

3 Het verzoek

De moeder heeft verzocht haar vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen in juli 2022 naar Brazilië te verhuizen.

Zij heeft aan dit verzoek ten grondslag gelegd, dat haar belang bij verhuizing met de kinderen naar Brazilië dient te prevaleren boven het belang van de vader om met de kinderen (en ook de moeder) in Nederland te blijven wonen. Het is voor haar niet goed mogelijk een eigen, zelfstandig leven in Nederland op te bouwen, althans niet met passend werk en een passende woning. In Nederland kan zij geen baan op haar niveau vinden, omdat ze de Nederlandse taal niet machtig is en de Engelse taal matig beheerst, maar ook omdat ze Braziliaans recht heeft gestudeerd en dit weinig toepasbaar is in Nederland. Ook is haar inkomen niet voldoende om passende zelfstandige woonruimte te vinden voor zichzelf en de kinderen in Nederland, zeker niet in de buurt van [geboortedatum] , terwijl de vader heeft aangegeven haar niet financieel te willen of kunnen onderhouden.

Hiernaast heeft de moeder aangevoerd dat zij altijd het idee heeft gehad dat het verblijf van partijen in Nederland tijdelijk was en dat ze zouden terugkeren naar Brazilië, naar hun huis en families in [plaats] . Om die reden heeft zij haar appartement daar aangehouden.
Ze heeft contact gehad met haar oude werkgever in Brazilië, die heeft geantwoord haar graag te zien terugkeren in haar oude baan als advocaat. Er is een goede (privé-)school voor de kinderen in de buurt van haar appartement, en haar zus (die daar werkt) kan er voor zorgen dat de kinderen daar worden geplaatst. De ouders van de moeder, maar ook overige familieleden, kunnen de kinderen opvangen als zij moet werken of om andere redenen opvang nodig heeft.

De moeder is zich ervan bewust dat een terugkeer naar Brazilië van haar met de kinderen
zal betekenen dat de kinderen de vader minder zullen zien. Zij merkt op dat zij echter tot partijen feitelijk uit elkaar gingen, altijd de primaire zorg voor de kinderen heeft gehad: zij was fulltime thuis, terwijl de man fulltime werkte. Bovendien hebben de kinderen, met name [minderjarige 1] , meermaals gedurende langere tijd zonder de vader in Brazilië verbleven.

Tot slot heeft de moeder aangevoerd dat zij in Nederland niet echt gelukkig is. Ze voelt zich eenzaam, mist haar familie en vrienden in Brazilië enorm en kan hier niet aarden. Ze heeft last van angstaanvallen en slaapt slecht. Ze voelt zich gevangen, terwijl het nooit haar intentie - noch die van de vader - is geweest zich permanent in Nederland te vestigen.

De moeder begrijpt dat het voor de kinderen en de vader van belang is dat zij niet direct, midden in het schooljaar, naar Brazilië zullen verhuizen. Zij is van plan om, wanneer de toestemming wordt verleend, in de zomer van 2022 te verhuizen, zodat [minderjarige 1] haar schooljaar in Nederland kan afmaken en partijen samen nog tijd hebben om tot een gedegen ouderschapsplan te komen. Uitgangspunt zal zijn dat de kinderen in ieder geval
twee keer per jaar, gedurende meerdere weken bij de man verblijven.

Namens moeder is ter zitting opgemerkt dat zij, in het geval een raadsonderzoek noodzakelijk wordt geoordeeld, bereid is daaraan mee te werken.

4 Verweer

De vader heeft daartegen gemotiveerd verweer gevoerd.

De vader stelt niet de mogelijkheid te hebben naar Brazilië terug te verhuizen. Partijen hebben destijds besloten zich in Nederland te vestigen en hier te blijven. Hij heeft daarnaar geleefd, sinds 2017 zijn sociale leven in Nederland opgebouwd en sinds kort een relatie met een Nederlandse vrouw, met wie hij een kind verwacht. Hij heeft dus zwaarwegende belangen om in Nederland te blijven.

Partijen hebben er destijds bewust voor gekozen zich in Nederland te vestigen en hier te blijven. [minderjarige 2] woont al haar hele leven in Nederland en [minderjarige 1] op een paar maanden na.
Zij spreken Nederlands, gaan in Nederland naar school/de opvang en hebben Nederlandse vriendjes en vriendinnetjes. De kinderen zijn hier geworteld. Daarnaast ligt vanwege de
co-ouderschapsregeling het zwaartepunt van de verzorging en opvoeding niet bij de moeder.
De kinderen zijn eraan gewend dat hij hen voor de helft van de tijd verzorgt en opvoedt.

Verhuizing zou extreme gevolgen hebben, voor de kinderen en voor hem. De kinderen worden dan uit hun vertrouwde omgeving gehaald en moeten naar een andere school/ opvang, in een ander land, met een andere taal en een andere cultuur, terwijl de co-ouder-schapsregeling praktisch onuitvoerbaar wordt en zij hem nagenoeg niet meer zullen zien.

Het is dan ook in het belang van de kinderen dat de huidige situatie in stand blijft, waarin ze voor een substantieel deel worden opgevoed door hun vader.

Gelet op bovenstaande meent de vader dat het belang van de minderjarigen, en zijn belang om in Nederland te blijven wonen, dient te prevaleren boven dat van de moeder om te verhuizen naar Brazilië, zodat haar verzoek moet worden afgewezen.

In de echtscheidingsprocedure heeft de vader verzocht de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem te bepalen; hij en de kinderen blijven dan in Nederland wonen. Subsidiair (indien in die procedure wordt bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder zal zijn) verzoekt de vader geen vervangende toestemming te verlenen voor de verhuizing naar Brazilië. Meer subsidiair verzoekt de vader een raadsonderzoek te gelasten alvorens een inhoudelijke (eind)beslissing te nemen.

5 Het standpunt van de Raad

De Raad heeft aangeboden een onderzoek in te stellen. Daarbij zal de relatie tussen de ouders en de consequenties hiervan voor de kinderen worden betrokken, en gekeken worden naar de zorgregeling en de worteling van de kinderen in Nederland. Een kanttekening hierbij is wel, dat het voor de Raad ingewikkeld zal zijn een goed beeld te krijgen van het perspectief van de kinderen in Brazilië.

6 De beoordeling

6.1.

Door de omstandigheid dat beide partijen en de kinderen de Braziliaanse nationaliteit bezitten, draagt deze zaak een internationaal karakter, zodat eerst de vraag moet worden beantwoord of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt.

Nu de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek van de moeder.
Nu partijen ervan uitgaan dat zij beiden het gezag over de kinderen uitoefenen, zal dit geschil getoetst worden aan de hand van artikel 1:253a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW).

6.2.

Ingevolge artikel 1:253a, eerste lid, BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd.
De gezamenlijke gezagsuitoefening brengt mee dat een ouder voor verhuizing van de kinderen, toestemming van de andere ouder nodig heeft.
Indien de ouders het hierover niet eens worden, zal de rechter hierover desverzocht een beslissing nemen. Conform vaste rechtspraak dient de rechter bij de beslissing over een geschil als het onderhavige niet alleen het belang van de kinderen, maar alle omstandigheden van het geval in ogenschouw te nemen en alle belangen af te wegen.

6.3.

De rechtbank acht zich op grond van de stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen, zodat geen noodzaak bestaat tot een onderzoek door de Raad.
Bij afweging van alle belangen is de rechtbank van oordeel dat aan de moeder vervangende toestemming kan worden verleend om met de kinderen in juli 2022 naar Brazilië te verhuizen, waartoe als volgt wordt overwogen.

6.4.

Vast is komen te staan dat partijen (nadat zij zich in eerste instantie op Portugal hadden gericht) in 2018 naar Nederland zijn verhuisd, omdat de vader hier de mogelijkheid kreeg een positieve stap in zijn carrière te zetten en omdat het gezin de verhuizing zag als een kans internationale ervaring op te doen.
Niet aannemelijk is geworden dat partijen een duidelijke gezamenlijke intentie hadden om zich blijvend in Nederland te vestigen. De rechtbank merkt hen aan als expats, hetgeen van invloed is bij de afweging van de diverse belangen. In dit kader is van belang dat de moeder haar appartement in Brazilië heeft aangehouden. Ook is van belang dat niet is gebleken dat partijen in Nederland een sociaal netwerk - met Nederlanders - hebben opgebouwd. Integendeel, de familie van de moeder (uit Brazilië) is meermaals naar Nederland gevlogen om partijen te helpen bij de zorg voor de kinderen. Ter zitting is gebleken dat partijen zich niet in het Nederlands kunnen uitdrukken, terwijl de vader daar heeft aangegeven dat hij voor vertrek uit Brazilië misschien wel niet tegen de moeder heeft gezegd dat zij zich als gezin voor langere tijd in Nederland zouden gaan vestigen.

6.5.

Hiernaast is aannemelijk geworden dat de moeder in Nederland niet kan aarden,
zich ongelukkig en eenzaam voelt, en dat de vader hiervan op de hoogte is (geweest).
Ook is duidelijk dat het voor de moeder niet goed mogelijk is in Nederland een eigen, zelfstandig leven met passend werk en een passende woning op te bouwen, terwijl niet gebleken is dat de vader haar actief heeft geholpen bij het vinden van passende woonruimte. De vader heeft niet aangevoerd dat hij zijn baan niet in Brazilië (online) kan voortzetten.

6.6.

De stelling van de moeder dat totdat partijen feitelijk uit elkaar gingen, zij de primaire zorg voor de kinderen heeft gehad, staat als onweersproken vast.
In een geval als het onderhavige, waarin sprake is van expats die hun gezamenlijke woonadres hebben gehad in Nederland, een land waar beiden niet vandaan komen, maar dat is gekozen met het oog op de werksituatie van de vader, kan de moeder niet gehouden worden na beëindiging van het huwelijk/de relatie in Nederland te blijven wonen.
De moeder heeft het recht en een gerechtvaardigd belang haar leven opnieuw in te richten en terug te keren naar haar familie en vaderland.
De omstandigheid dat de vader - overigens niet onderbouwd en eerst ter zitting - heeft gezegd dat hij sinds kort een relatie met een Nederlandse vrouw heeft en dat zij in verwachting zijn van een kind, maakt dit niet anders.

6.7.

De moeder heeft de verhuizing goed doordacht en voorbereid.
Zij kan in Brazilië in het door haar aangehouden appartement haar intrek nemen en haar werk als advocaat weer oppakken. De kinderen kunnen op een school in de buurt van het appartement worden geplaatst en de moeder heeft een netwerk van familieleden die, zo nodig, voor opvang van de kinderen kunnen zorgen. Ook kan haar familie haar - mocht dit nodig zijn - financieel ondersteunen. De moeder kan aldus in Brazilië het leven leiden dat ze, gelet op haar achtergrond en opleiding, zou willen leiden en is daardoor in staat voor de kinderen meer de moeder te zijn die zij zou willen zijn.

6.8.

De vader heeft gezegd niet te weten wat hij gaat doen als het verzoek wordt toegewezen. Indien de vader ervoor kiest ook naar Brazilië te verhuizen, zouden partijen de huidige zorgregeling (of een vergelijkbare) kunnen voortzetten. Indien de vader niet terug naar Brazilië gaat, zal dit onvermijdelijk gevolgen hebben voor het contact tussen hem en de kinderen. Het belang van de moeder brengt evenwel met zich, dat zekere gevolgen voor wat betreft dat contact aanvaardbaar zijn. De moeder heeft gemotiveerd aangegeven dat haar uitgangspunt zal zijn dat de kinderen in ieder geval twee keer per jaar, gedurende in ieder geval meerdere weken achter elkaar, bij de vader zullen verblijven. Verder kunnen de kinderen met hem videobellen. Niet gesteld is dat de moeder deze toezegging niet gestand zal doen. Hiernaast is in aanmerking genomen dat de vader ervoor heeft gekozen zijn leven als expat in te richten, waaraan verbonden is dat hij moet reizen of videobellen voor het onderhouden van familierelaties. De vader is dit al gewend met zijn oudere, in Brazilië wonende zoon.

6.9.

Tot slot is in de beoordeling betrokken dat de kinderen op een zodanige leeftijd zijn, dat ze flexibel zijn en gemakkelijk zullen kunnen integreren in een nieuwe omgeving.
Daar komt bij dat zij meermalen gedurende langere periodes - ook zonder de vader - in Brazilië hebben verbleven, zodat de gevolgen van een internationale verhuizing voor hen naar verwachting minder ingrijpend zullen zijn en aangenomen wordt dat zij hun leven daar zonder veel moeite zullen kunnen voortzetten. [minderjarige 1] zal met toewijzing van het verzoek met ingang van juli 2022, ook voldoende tijd hebben om te acclimatiseren voordat zij aan een nieuw schooljaar begint.

6.10.

De rechtbank spreekt de hoop uit dat partijen, nu een beslissing over de verhuizing is genomen, daarover geen strijd meer hoeven te leveren en dat zij in de nog lopende echtscheidingsprocedure afspraken kunnen maken over de zorgregeling vanaf het moment dat de moeder met de kinderen in Brazilië verblijft. Er wordt van uitgegaan dat partijen tot juli 2022, of totdat anders wordt beslist in de echtscheidingsprocedure, de huidige 50/50 zorgregeling blijven uitvoeren.

proceskosten

6.11.

Gelet op de aard van de procedure zal bepaald worden dat elk van partijen de eigen kosten draagt.

7 De beslissing

De rechtbank:

7.1.

Verleent de moeder vervangende toestemming om met de minderjarigen

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] te [plaats] (Brazilië),

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2019 te [plaats] ,

in juli 2022 te verhuizen naar Brazilië;

7.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

7.3.

wijst het meer of anders verzochte af;

7.4.

bepaalt dat elke partij de eigen kosten van deze procedure draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.L. Diender, voorzitter, mr. E.L. Grosheide en
mr. P.W.M. de Wolf MSM, leden van deze kamer, allen tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. T.E.J. Bruinen als griffier en in het openbaar uitgesproken op
15 maart 2022.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.