Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2022:2662

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
09-03-2022
Datum publicatie
05-04-2022
Zaaknummer
9465171
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geldlening. Overeengekomen is dat alle kosten die eiseres moet maken om de geldlening te innen voor rekening van gedaagde komen. Gevorderde advocaatkosten toewijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 9465171 \ CV EXPL 21-4796 (AM/WT)

Uitspraakdatum: 9 maart 2022

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiseres]

wonende te [woonplaats 1]

eiseres

verder te noemen: [eiseres]

gemachtigde: mr. M. Verhoog, advocaat

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats 2]

gedaagde

verder te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. M. Bosma, advocaat

De zaak in het kort

De zaak gaat over de vraag of [gedaagde] de advocaatkosten die [eiseres] heeft moeten maken om haar vordering op [gedaagde] te innen, moet betalen. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] dat inderdaad moet doen. Op grond van artikel 7 van de tussen partijen gesloten overeenkomst van geldlening komen alle kosten die [eiseres] moet maken om de geldlening van [gedaagde] op te eisen voor rekening van [gedaagde] .

1 Het procesverloop

1.1.

[eiseres] heeft bij dagvaarding van 17 september 2021 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

Op 11 februari 2022 heeft een zitting plaatsgevonden. [eiseres] is verschenen bijgestaan door haar gemachtigde en vergezeld van mevrouw [uuu] als tolk Italiaans. Ook [gedaagde] is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. De gemachtigde van [gedaagde] heeft gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd. Voorafgaand aan de zitting heeft [eiseres] bij brief van 31 januari 2022 nog stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben gedurende negen jaren een affectieve LAT-relatie gehad. Deze relatie is in 2020 geëindigd.

2.2.

Op 10 september 2014 heeft [eiseres] aan [gedaagde] een bedrag van € 282.000,00 geleend voor de aankoop van een woning door [gedaagde] .

2.3.

Partijen hebben deze lening op 10 januari 2017 door een notaris vast laten leggen in een overeenkomst van geldlening.

2.4.

In artikel 7 van deze overeenkomst is het volgende bepaald, voor zover van belang:

(…) Alle kosten welke de schuldeiser moet maken ter uitoefening of ter handhaving van zijn rechten uit deze hoofde, komen voor rekening van de schuldenaar, en maken met het bedrag der geldlening één ondeelbare schuld.(…)

2.5.

[eiseres] heeft de lening in 2018 opgeëist. Omdat [gedaagde] het geleende bedrag niet terug betaalde heeft [eiseres] zich gewend tot advocaat mr. P. van Lingen die [gedaagde] in rechte heeft betrokken.

2.6.

Bij verstekvonnis van 14 oktober 2020 van de rechtbank Noord-Holland is [gedaagde] veroordeeld tot terugbetaling van een bedrag van € 273.000,00 met rente en kosten.

2.7.

Na het verstekvonnis is executoriaal beslag gelegd op de woning van [gedaagde] .

2.8.

Om een veiling van de woning te voorkomen heeft [gedaagde] het bedrag (inclusief proceskosten) waartoe hij bij verstekvonnis is veroordeeld aan [eiseres] betaald.

2.9.

Mr. van Lingen heeft [eiseres] na afloop van zijn werkzaamheden zijn honorarium over de periode 9 juli 2020 tot en met 23 maart 2021 in rekening gebracht.

2.10.

Met de proceskostenveroordeling in het verstekvonnis is voor een deel in deze kosten voorzien maar resteert een bedrag van € 6.036,38 inclusief BTW dat voor rekening van [eiseres] komt.

3 De vordering

3.1.

[eiseres] vordert dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 6.764,14. Dit bedrag is opgebouwd uit een hoofdsom van € 6.036,38, een bedrag aan wettelijke rente tot aan dagvaarding van € 50,94 en een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten van € 676,82. Ook vordert [eiseres] wettelijke rente over de hoofdsom vanaf de dag der dagvaarding en veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten waaronder de nakosten.

3.2.

[eiseres] legt aan de vordering – kort weergegeven – het volgende ten grondslag. Door mr. P. van Lingen zijn in de periode 9 juli 2020 tot en met 23 maart 2021 werkzaamheden verricht voor [eiseres] . Inclusief BTW en een klein bedrag aan verschotten is aan [eiseres] in totaal € 12.663,04 in rekening gebracht. Dit bedrag is door [eiseres] aan mr. van Lingen betaald. Met de proceskosten in het verstekvonnis is voor een deel voorzien in deze kosten maar uiteindelijk is een bedrag van € 7.545,47, inclusief BTW, voor rekening van [eiseres] gekomen. Mr van Lingen heeft begroot dat 80% van zijn werkzaamheden zoals opgenomen in zijn declaratie betrekking hebben op kosten die [eiseres] heeft moeten maken om betaling van de door haar verstrekte lening te verkrijgen. Dit brengt met zich mee dat [eiseres] op grond van artikel 7 van de overeenkomst van geldlening recht heeft op betaling van een bedrag van € 6.036,38 (80% van € 7.545,47) door [gedaagde] .

3.3.

Ondanks herhaalde aanmaning weigert [gedaagde] tot betaling over te gaan. [eiseres] heeft haar gemachtigde moeten inschakelen om betaling van [gedaagde] te krijgen. Daarom is [gedaagde] ook buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd.

4 Het verweer

4.1.

[gedaagde] betwist de vordering (gedeeltelijk). Hij voert – kort samengevat – het volgende aan. [gedaagde] betwist de hoogte van de vordering van [eiseres] . De declaratie van mr. van Lingen vindt hij voor een reguliere incassoprocedure excessief hoog. Verder wordt de vordering van [eiseres] onvoldoende onderbouwd nu hieruit niet blijkt welke werkzaamheden mr. van Lingen heeft verricht ten behoeve van de inning van de geldlening en welke in het kader van (het einde van) de affectieve relatie tussen partijen. Uit de urenregistratie van mr. van Lingen van 22 februari 2021 volgt dat hij met [eiseres] veel tijd heeft besteed aan onderling overleg en correspondentie. [gedaagde] vindt het onredelijk dat deze extra tijd en correspondentie voor zijn rekening moeten komen. [gedaagde] betwist verder buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente verschuldigd te zijn omdat hij niet in gebreke is gesteld en dus niet in verzuim is.

4.2.

Voor zover van belang zal op de standpunten van [gedaagde] hierna bij de beoordeling nog nader worden ingegaan.

5 De beoordeling

5.1.

Vast staat dat tussen partijen op 10 januari 2017 een overeenkomst van geldlening is gesloten. In deze overeenkomst is in artikel 7 het volgende opgenomen: (…) Alle kosten welke de schuldeiser moet maken ter uitoefening of ter handhaving van zijn rechten uit deze hoofde, komen voor rekening van de schuldenaar, en maken met het bedrag der geldlening één ondeelbare schuld.(…)

5.2.

Vast staat ook dat [eiseres] aanzienlijke kosten heeft moeten maken om [gedaagde] te bewegen om aan het verstekvonnis van 14 oktober 2020 te voldoen. Als [gedaagde] vrijwillig zou hebben voldaan aan het verstekvonnis dan zou [eiseres] geen kosten hebben gemaakt. [eiseres] heeft onbetwist gesteld dat er beslag is gelegd op de woning en dat er namens [gedaagde] diverse betalingstoezeggingen zijn gedaan die steeds niet werden nagekomen. Tot tweemaal toe is een traject tot veiling van de woning van [gedaagde] ingezet. Vanzelfsprekend heeft dit de nodige werkzaamheden voor mr. van Lingen met zich mee gebracht. Daarmee staat vast dat [gedaagde] ten onrechte stelt dat dit een regulier incassotraject is geweest.

5.3.

[gedaagde] stelt dat de werkzaamheden van mr. van Lingen tot en met 13 oktober 2020 zijn verdisconteerd in de proceskostenveroordeling van het verstekvonnis. Dit zouden werkzaamheden betreffen die vóórafgaand aan het verstekvonnis zijn verricht. [gedaagde] voert aan dat deze geliquideerde proceskosten over deze periode reeds aan [eiseres] zijn betaald, en dus nu niet meer bij hem in rekening kunnen worden gebracht. De kantonrechter volgt [gedaagde] hierin niet. [eiseres] heeft op grond van artikel 7 van de overeenkomst van geldlening het recht om de werkelijk door haar gemaakte proceskosten te vorderen. Dit betekent dat alle uren die gemaakt zijn door mr. van Lingen vanaf 9 juli 2020 voor rekening van [gedaagde] komen. Wel moet hierop het bedrag dat [gedaagde] heeft betaald op grond van het verstekvonnis in mindering worden gebracht.

5.4.

[gedaagde] stelt verder dat de door [eiseres] gevorderde advocaatkosten buitensporig hoog zijn. Hij voert aan dat uit de onderliggende urenspecificatie volgt dat mr. van Lingen veel tijd heeft besteed aan onderling overleg en correspondentie. [eiseres] had, (mogelijk ook gelet op de taalbarrière) veel uitleg nodig en ging vaak met diverse kwesties niet akkoord. De met deze communicatie gemaakte kosten kunnen dan ook niet (geheel) aan [gedaagde] worden tegengeworpen, aldus [gedaagde] . Ook hierin volgt de kantonrechter [gedaagde] niet. [eiseres] heeft ter onderbouwing van haar vordering een verklaring van mr. van Lingen overgelegd (productie 4 bij dagvaarding). Mr. van Lingen geeft hierin een uitgebreide toelichting op de werkzaamheden die hij heeft verricht en de bewerkelijkheid van het incassotraject. Hij weerlegt hierin ook het verweer van [gedaagde] dat er teveel tijd is besteed aan het onderling overleg. Hij verklaart dat het in hoofdzaak ging om kwesties die de vordering rechtstreeks raakten en dat de werkzaamheden met betrekking tot de verbroken relatie en extra tijd voor uitleg aan [eiseres] beslist minder dan 20% van zijn totale tijd in beslag hebben genomen. Dit betekent dat [eiseres] al meer in aftrek heeft gebracht dan nodig was. Tegen deze verklaring van Van Lingen is door [gedaagde] te weinig concreets ingebracht. Dat Van Lingen, zoals [gedaagde] opmerkt, in maart 2021 36 regels aan urenverantwoording schrijft betekent niet dat onnodige werkzaamheden zijn verricht en duidt er eerder op dat de urenverantwoording secuur en gedetailleerd is. Dat geldt ook voor de registratie van de werkzaamheden op 25 en 26 januari en 22 februari 2021. Dat daar op meerdere momenten wordt geregistreerd dat is gewerkt aan een brief aan cliënte, betekent niet dat het om meerdere brieven moet gaan. Dat niet alle correspondentie door [eiseres] is overgelegd wil niet zeggen dat de werkzaamheden niet verricht zijn. Bovendien heeft [gedaagde] zelf ter zitting aangevoerd dat de advocaat die voor hem bij dit traject betrokken was geen tijd heeft besteed aan werkzaamheden in verband met de verbroken relatie, hetgeen de stelling van [eiseres] dat het slechts om een klein deel van de werkzaamheden ging ondersteunt. De dubbele redelijkheidstoets is niet van toepassing aangezien de vordering is gebaseerd op de overeenkomst tussen partijen. Evenmin is er sprake van strijd met de redelijkheid en billijkheid, daarvoor had [gedaagde] met argumenten moeten komen die de onderhavige vordering tot nakoming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar doen zijn. Dergelijke argumenten zijn niet aangevoerd. Voor matiging is daarom ook geen plaats, zeker niet nu het een renteloze geldlening betrof en [eiseres] aanzienlijke inspanningen heeft moeten (laten) verrichten om [gedaagde] tot betaling te bewegen.

5.5.

De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van [eiseres] zal toewijzen.

5.6.

De vordering tot betaling van de buitengerechtelijke kosten om de onderhavige vordering te innen heeft [eiseres] niet gebaseerd op de overeenkomst maar op de – aldus [eiseres] - toepasselijke staffel. [gedaagde] heeft terecht aangevoerd deze niet verschuldigd te zijn, aangezien hij niet is aangemaand. Dit gedeelte van de vordering zal daarom worden afgewezen en de wettelijke rente zal daarom worden toegewezen vanaf de datum van dagvaarding.

5.7.

De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt. Daarbij wordt [gedaagde] ook veroordeeld tot betaling van € 124,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door [eiseres] worden gemaakt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 6.036,38 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 september 2021 tot aan de dag van de gehele betaling;

6.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [eiseres] tot en met vandaag vaststelt op:

dagvaarding € 123,52

griffierecht € 85,00

salaris gemachtigde € 622,00 ;

6.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 124,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door [eiseres] worden gemaakt;

6.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.5.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. Merkus en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter