Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2022:2618

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-03-2022
Datum publicatie
28-03-2022
Zaaknummer
15.168666.21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen van poging tot ontploffing bij Poolse supermarkt in Beverwijk en voorhanden hebben antipersoneelsmijn. Eendaadse samenloop. Opzet op ontploffing aangenomen. Gemeen gevaar voor goederen. Partiële vrijspraak levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden. Toewijzen vorderingen tot tenuitvoerlegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/168666-21, 13/684503-18 (vord tul) en 15/010838-20 (vord tul) (P)

Uitspraakdatum: 28 maart 2022

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 14 maart 2022 in de zaak tegen:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] (Iran),

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] ,

thans gedetineerd in P.I. Alphen, locatie Eikenlaan.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. R. Funke Küpper en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. B.A.C. van Tuinen, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

Feit 1

hij op of omstreeks 28 juni 2021 te Beverwijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door hem en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing te weeg te brengen in en/of bij een Poolse supermarkt gelegen aan de Beverhof, met dat opzet met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen,

- met twee jerrycans met brandbare stof(fen) en/of één of meer elektriciteitsdra(a)d(en) en/of een accu en/of een moker en/of een antipersoneelsmijn naar (de omgeving van) voornoemde Poolse supermarkt is gegaan en/of

- die twee jerrycans met brandbare stof(fen) en/of die elektriciteitsdra(a)d(en) en/of die accu en/of die moker en/of die antipersoneelsmijn heeft geïnstalleerd en/of opgesteld en/of geplaatst tegen en/of hij (de gevel van) voornoemde Poolse supermarkt en/of

en daarvan gemeen gevaar voor voornoemde supermarkt en/of goederen in voornoemde supermarkt en/of andere goederen en/of panden in de omgeving van voornoemde supermarkt, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor één of meer omwonenden en/of passanten,

in elk geval voor een of meer personen, te duchten was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:

hij op of omstreeks 28 juni 2021 te Beverwijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten een misdrijf als bedoeld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht, zijnde het opzettelijk een ontploffing te weeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten is, opzettelijk voorwerpen en/of stoffen te weten twee jerrycans met brandbare stof(fen) en/of één of meer elektricjtejtsdra(a)d(en) en/of een accu en/of een moker en/of een antipersoneelsmijn bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;

Feit 2

hij op of omstreeks 28 juni 2021 te Beverwijk tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een antipersoneelsmijn, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden heeft gehad.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten. Er is sprake van levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel, nu zich in de omgeving van het winkelcentrum woningen bevinden en de politieagenten zijn komen aanrijden. Uit het NFI-rapport blijkt dat het elektriciteitsdraad deugdelijk is.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1 primair (en subsidiair), nu hij geen opzet heeft gehad op het tot ontploffing brengen van de antipersoneelsmijn. Gelet op de lengte van de elektriciteitsdraad en wat de NFI-deskundige zegt over een veilige afstand, zou de verdachte zijn overleden indien de mijn tot ontploffing zou zijn gekomen en naar analogie van jurisprudentie over doodslag in het verkeer/artikel 6 Wegenverkeerswet (WVW) is het niet aannemelijk dat de verdachte het verliezen van zijn eigen leven op de koop toe zou hebben genomen.

Subsidiair dient de verdachte te worden vrijgesproken van feit 1, omdat het elektriciteitsdraad niet is doorgemeten en het daarmee onvoldoende is komen vast te staan dat het elektriciteitsdraad deugdelijk was om een ontploffing teweeg te brengen. Meer subsidiair is geen sprake van levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel.

Feit 2 kan volgens de raadsman wettig en overtuigend worden bewezen.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

3.3.2

Nadere motivering over het bewijs en naar aanleiding van verweren

Opzet

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzet heeft gehad op het teweegbrengen van een ontploffing en overweegt daartoe als volgt.

Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt het volgende. De verdachte en zijn medeverdachte zijn op 28 juni 2021 naar de Poolse supermarkt aan de Beverhof in Beverwijk gegaan. Zij hadden een antipersoneelsmijn met elektriciteitsdraad, een accu, twee jerrycans gevuld met benzine en een moker bij zich en hebben deze neergezet bij een afvalcontainer bij de achtergevel van de supermarkt. Hierna zijn zij een rondje om het winkelcentrum – waarin de supermarkt gevestigd was – gelopen en zijn zij teruggekeerd naar hun spullen aan de achterzijde van de supermarkt. Vervolgens heeft de verdachte de afvalcontainer nog geprobeerd te verplaatsen, hebben zij de eerder neergezette spullen nog verzet en hebben zij zich minutenlang bezig gehouden met het elektriciteitssnoer, om dit te ontrafelen en uit te rollen. De verdachten zijn weggerend toen zij merkten dat de politie kwam.

Uit het onderzoek van het NFI blijkt dat de aangetroffen en onderzochte materialen in deugdelijke staat verkeerden. Tevens bleken de materialen als volgt op de plaats delict aangetroffen te zijn. De slagpinnen waren reeds in de antipersoneelsmijn gedraaid en de mijn was verbonden met de elektriciteitsdraad. Het elektriciteitssnoer was verbonden met in elk geval één slagpin en aan het andere uiteinde van het elektriciteitssnoer bevonden zich lange ontblote kernen van de binnendraden. De aangetroffen accu was in goede conditie, over de polen werd spanning gemeten. De verdachten zijn slechts met hun handelingen gestopt doordat, terwijl zij nog bezig waren met de elektriciteitsdraad, de politie ter plaatse arriveerde. Voor het teweegbrengen van de ontploffing was na uitrollen van het snoer nog één handeling vereist, te weten het aansluiten van het elektriciteitsdraad op de accu. Uit het vorenstaande leidt de rechtbank af dat de verdachten opzet hebben gehad op het teweegbrengen van een ontploffing.

De verdachte heeft verklaard dat hij met zijn handelingen slechts tot doel had om een bedreiging uit te voeren. Het zou er volgens de verdachte zo echt mogelijk moeten uitzien, maar de mijn zou niet werken. Volgens de verdachte zou het geheel niet in deugdelijke staat zijn aangeleverd.

De rechtbank acht deze verklaring niet aannemelijk of geloofwaardig. In het bijzonder ligt bij die verklaring niet in de rede dat de spullen eerst op de juiste plek worden neergezet, en de verdachten vervolgens een rondje lopen om het winkelcentrum. Evenmin ligt bij die verklaring in de rede dat er nog handelingen met de container en de spullen worden verricht en minutenlang getracht wordt het snoer te ontrafelen en uit rollen. Tot slot past daarbij niet dat ook nog jerrycans gevuld met benzine zijn neergezet en een moker is meegenomen. De verdere verklaring van de verdachte dat de opdracht inhield met de moker de deur te vernielen en benzine naar binnen te gieten, lijkt eerder te passen bij het gericht zijn op vergroten van de impact van de ontploffing, dan bij het uitsluitend plaatsen van een zo echt mogelijk lijkende bom. Feitelijk bleek het geheel in deugdelijke staat te verkeren en waren zij nog slechts één handeling verwijderd van een ontploffing. Aan de geloofwaardigheid van de verdachte draagt verder niet bij dat de verdachte, die zichzelf met zijn verklaring van een veel zwaarder strafbaar feit wil vrijpleiten, eerst ter zitting hiermee komt nadat hij zich maanden op zijn zwijgrecht heeft beroepen.

Verweer ontbreken opzet

De rechtbank volgt het verweer van de raadsman dat opzet ontbreekt geënt op analogie met de jurisprudentie over doodslag in het verkeer/artikel 6 WVW niet. Dit reeds omdat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat sprake was van een aanmerkelijke kans dat de verdachte als gevolg van het tot ontploffing laten brengen van de mijn het leven zou laten.

Verweer deugdelijkheid elektriciteitsdraad

De rechtbank verwerpt tevens het verweer dat het elektriciteitsdraad niet is doorgemeten en daarom niet vast te stellen is dat de draad deugdelijk zou zijn. Uit de rapportage explosievenonderzoek van het NFI blijkt afdoende dat het geheel van aangetroffen materialen deugdelijk was en dat de mijn tot ontploffing zou zijn gekomen, indien de koperen uiteinden van de elektriciteitsdraad tegen de polen van de accu aangehouden zouden worden. Zo is ook door heer [naam deskundige] ter zitting herhaald.

De rechtbank acht het onder feit 1 primair ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

3.3.3

Partiële vrijspraak feit 1

Met de raadsman en anders dan de officier van justitie, acht de rechtbank niet bewezen dat bij de poging tot ontploffing levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten was. Op basis van het dossier kan bij gebreke van voldoende concrete onderzoeksbevindingen ter zake niet wettig en overtuigend worden vastgesteld dat dergelijk gevaar ten tijde van de ontploffing naar algemene ervaringsregels voorzienbaar zou zijn geweest.

In het bijzonder kan niet worden vastgesteld dat voorzienbaar was dat zich personen in de nabijheid zouden hebben bevonden van de plaats delict indien dit voltooid zou zijn. Het bewezenverklaarde feit vond plaats in de nachtelijke uren, waarbij uit de camerabeelden blijkt dat zich buiten de verdachten niemand op straat bevond. Verder staat in het proces verbaal bevindingen van 11 maart 2022 onder meer dat het Beverhof waar de supermarkt is gevestigd, een winkelcentrum betreft waar winkels, bedrijven en horeca is gevestigd. Hier zijn geen woningen. Tegenover de plaats delict is een groen gedeelte te zien, daar is een kerk gesitueerd, met daaromheen een groenstrook. Verder wordt wel beschreven waar zich in de buurt woningen bevinden, maar niet is gerelateerd op welke afstand de meest nabijgelegen woningen zich bevinden en of levensgevaar voorzienbaar zou zijn geweest voor die bewoners.

De rechtbank spreekt de verdachte aldus vrij van het deel van de tenlastelegging dat ziet op het levensgevaar en het gevaar voor zwaar lichamelijk letsel.

3.4

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1

hij op 28 juni 2021 te Beverwijk tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door hem en zijn mededader voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen bij een Poolse supermarkt gelegen aan de Beverhof, met dat opzet met zijn mededader,

- met twee jerrycans met brandbare stof en één elektriciteitsdraad en een accu en een moker en een antipersoneelsmijn naar voornoemde Poolse supermarkt is gegaan en

- die twee jerrycans met brandbare stof en die elektriciteitsdraad en die accu en die antipersoneelsmijn heeft opgesteld en/of geplaatst bij de gevel van voornoemde Poolse supermarkt,

en daarvan gemeen gevaar voor voornoemde supermarkt en goederen in voornoemde supermarkt en andere goederen en panden in de omgeving van voornoemde supermarkt te duchten was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2

hij op 28 juni 2021 te Beverwijk tezamen en in vereniging met een ander een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een antipersoneelsmijn, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, voorhanden heeft gehad.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1: medeplegen van poging tot opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

en

feit 2: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

6.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van feit 2 bepleit dat, overeenkomstig de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud, een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden passend is.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig feit, te weten het medeplegen van een poging tot het opzettelijk tot ontploffing brengen van een antipersoneelsmijn. De verdachte is, samen met de medeverdachte, in de nacht van 28 juni 2021 naar een Poolse supermarkt in Beverwijk gegaan. Zij hadden – onder meer – de antipersoneelsmijn met een accu en twee met benzine gevulde jerrycans bij zich en hebben deze bij de supermarkt geplaatst. Dat het feit niet is voltooid en dat de mijn niet tot ontploffing is gebracht, is uitsluitend het gevolg van de omstandigheid dat via door de Poolse supermarkt geplaatste beveiligingscamera’s de handelingen van de verdachte en zijn mededader ‘live’ werden gezien en de politie werd ingeschakeld en snel ter plaatse was. Terwijl de verdachte en zijn medeverdachte nog bezig waren met het elektriciteitsdraad is de politie ter plaatse gearriveerd, waardoor de verdachte en de medeverdachte zijn gestopt en vervolgens zijn weggerend.

Zonder scrupules heeft de verdachte tegen betaling een zeer gewelddadige opdracht aangenomen en de mijn en jerrycans benzine onder zijn hoede genomen. De rechtbank neemt het de verdachte zeer kwalijk dat hij zich enkel heeft laten leiden door eigen winstbejag. Hierbij heeft de verdachte zich niets gelegen laten liggen aan de mogelijke gevolgen die zijn handelen had kunnen hebben. Uit het procesdossier en de verklaring van deskundige [naam deskundige] ter terechtzitting blijkt dat dit type antipersoneelsmijn niet eerder in NFI-onderzoeken is onderzocht en tevens nooit eerder door de Explosieven Opruimingsdienst Defensie is aangetroffen op Nederlands grondgebied. Dit type explosief is geproduceerd voor militaire doeleinden, van oorsprong Joegoslavische makelij en over de werking van de mijn rapporteert het NFI onder meer: “Bij MRUD-antipersoneelsmijnen is de springstof aan de bolle zijde voorzien van een laag van circa 650 in hars gegoten metalen kogeltjes met een doorsnede van circa 6 millimeter. De metalen kogeltjes zijn bedoeld om aan de bolle zijde voor scherfwerking te zorgen wanneer de mijn tot ontploffing komt. Bij een ontploffing van een MRUD treden hitte, brisantie (de alles vernietigende uitwerking van springstof op zijn directe omgeving) en een schokgolf op. Door de gebogen vorm van het mijnlichaam treedt scherfwerking van de metalen kogeltjes op, in een boog van circa 60 graden.” Het NFI heeft de aangetroffen mijn en de twee jerrycans benzine gecontroleerd tot ontploffing gebracht en uit de foto’s bij het rapport explosievenonderzoek is af te leiden dat de combinatie een zeer grote vuurbal veroorzaakt. De schade zou bij ontploffing enorm zijn geweest.

De verdachte heeft niet alleen angst veroorzaakt bij de eigenaren van de supermarkt, maar ook zeer grote maatschappelijke onrust door een dergelijk explosief bij de supermarkt te plaatsen. Het door de verdachte gepleegde feit is temeer kwalijk nu er een aantal maanden eerder een reeks aan ontploffingen had plaatsgevonden bij Poolse supermarkten, waaronder bij deze Poolse supermarkt die net weer open zou gaan na de herstelwerkzaamheden aan de supermarkt na de vorige ontploffing.

De persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 9 maart 2022, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder terzake van een soortgelijk feit is veroordeeld. De rechtbank heeft ten nadele van de verdachte in aanmerking genomen dat hij in meerdere proeftijden liep. Dit heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw een delict te begaan.

De rechtbank slaat verder acht op de e-mail van de reclassering, gedateerd 30 juni 2021, ten behoeve van verdachtes voorgeleiding en de e-mail van mevrouw [getuige 2], regisseur van de Top-600, met daarin informatie omtrent de verdachte.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf zoals gevorderd door de officier van justitie moet worden opgelegd. Weliswaar spreekt de rechtbank vrij van levensgevaar, maar deze straf doet recht aan de ernst van het bewezenverklaarde feit, waaronder de impact die een ontploffing van dergelijk zwaar oorlogstuig zou hebben gehad. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

7 Vorderingen tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 26 juli 2019 in de zaak met parketnummer 13/684503-18 heeft de meervoudige strafkamer te Amsterdam de verdachte ter zake van poging tot diefstal in vereniging met braak en handelen in strijd met de Opiumwet veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 28 dagen. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a Sv is op 22 augustus 2019 aan de verdachte toegezonden. De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 10 augustus 2019 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

Bij vonnis van 26 juni 2020 in de zaak met parketnummer 15/010838-20 heeft de politierechter te Noord-Holland de verdachte ter zake van poging tot diefstal in vereniging met braak veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 32 dagen. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a Sv is op 13 juli 2020 aan de verdachte toegezonden. De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 10 juli 2020 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank zal gelasten dat die beide voorwaardelijke straffen alsnog ten uitvoer zullen worden gelegd. De raadsman heeft geen opmerkingen ten aanzien van de twee vorderingen tot tenuitvoerlegging.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vorderingen te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen tot tenuitvoerlegging dienen te worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat de verdachte niet heeft nageleefd de telkens geldende voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Nu de veroordeelde de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt en deze naar het oordeel van de rechtbank niet meer voor jeugddetentie in aanmerking komt, zal de rechtbank overeenkomstig artikel 6:6:29 Sv bepalen dat de opgelegde jeugddetentie, opgelegd in de zaak met parketnummer 13/684503-18, geheel wordt vervangen door een gevangenisstraf.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

  • -

    45, 47, 55 en 157 Sr;

  • -

    26 en 55 WWM.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 [dertig] maanden.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevanfgenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vorderingen tot tenuitvoerlegging

Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/684503-18 en gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde jeugddetentie voor de duur van 28 dagen, opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer te Amsterdam d.d. 26 juli 2019. Bepaalt dat de jeugddetentie wordt omgezet in een gevangenisstraf voor de duur van 28 dagen.

Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15/010838-20 en gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf voor de duur van 32 dagen, opgelegd bij vonnis van de politierechter te Noord-Holland d.d. 26 juni 2020.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.D. Overbeek, voorzitter,

mr. P.E. van der Veen, rechter, en mr. M.C.A. Onderwater, rechter en kinderrechter,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.S. Jansen,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 maart 2022.

mr. P.E. van der Veen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.