Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2022:2064

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
10-03-2022
Datum publicatie
22-03-2022
Zaaknummer
C/15/324008 / HA RK 22-4
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Heropening vereffening na turboliquidatie via art. 2:23c lid 1 BW niet mogelijk, omdat rechtspersoon ten tijde van turboliquidatie nog over een bate beschikte. Rechtspersoon is op grond van art. 2:19 lid 5 BW blijven voortbestaan. Volgt afwijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rekestnummer: C/15/324008 / HA RK 22-4

Beschikking van 10 maart 2022

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [plaats 1] ,

verzoekster,

advocaat mr. M.V. Vermeij te Alkmaar.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift, met vier bijlagen, ontvangen op de rechtbank (locatie Alkmaar) op 5 januari 2022, welk verzoekschrift vervolgens intern is doorgestuurd naar de locatie Haarlem (aldaar ontvangen op 7 januari 2022),

  • -

    het e-mailbericht van de griffier aan mr. Vermeij van 10 januari 2022,

  • -

    de brief van mr. Vermeij aan de rechtbank van 27 januari 2022,

  • -

    de oproeping bij brief van 2 februari 2022 voor een mondelinge behandeling op
    22 maart 2022,

  • -

    de e-mail van mr. Vermeij van [adres] februari 2022, waarin hij meedeelt dat het de voorkeur heeft van verzoekster dat de rechtbank afziet van een mondelinge behandeling en op basis van de toegestuurde informatie tot een oordeel komt.

1.2.

De rechtbank heeft daarop afgezien van het houden van een mondelinge behandeling en de beschikking bepaald op heden.

2 Het verzoek

2.1.

Het verzoek strekt tot heropening van de vereffening van het vermogen van [betrokkene 1] Holding B.V. te gemeente Zaanstad (hierna: [betrokkene 1] Holding) en benoeming van verzoekster als vereffenaar als bedoeld in artikel 2:23c van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Verzoekster legt hieraan ten grondslag dat:

  • -

    verzoekster de weduwe is van de heer [betrokkene 1], die enig aandeelhouder en enig bestuurder was van [betrokkene 1] Holding en is overleden te [plaats 2] op [datum];

  • -

    verzoekster na het overlijden van [betrokkene 1] enig aandeelhouder en enig bestuurder is geworden van [betrokkene 1] Holding;

  • -

    op 21 februari 2017 in het handelsregister van de Kamer van Koophandel is geregistreerd dat [betrokkene 1] Holding is opgehouden te bestaan omdat er geen bekende baten meer aanwezig waren met ingang van 17 februari 2017;

  • -

    het ontbindingsbesluit is genomen zonder daarbij acht te slaan op een persoonlijke lening van [betrokkene 1] Holding aan de heer [betrokkene 2] (de vader van [betrokkene 1]);

  • -

    het bestaan van deze bate blijkt uit een e-mailbericht van [betrokkene 2] aan verzoekster van 2 juni 2015 met de volgende inhoud:

“Lieve [verzoekster],

Wij spraken af dat ik 20.000 euro van [betrokkene 1] Holding leen. Zodra het probleem met de Rabobank is opgelost, zal ik mijn bungalow nummer [adres] verkopen aan [betrokkene 3]. Met het dan vrijgekomen geld zal ik de schuld aan [betrokkene 1] Holding in één keer aflossen.

Fijn gevoel voor mij, dat je mij tijdelijk financieel wilt helpen.”

  • -

    uit een e-mailbericht van [betrokkene 2] van 8 augustus 2017 blijkt dat bedoelde bungalow is verkocht en dat de levering begin oktober 2017 zou plaatsvinden, zodat de persoonlijke lening opeisbaar is geworden;

  • -

    [betrokkene 2] de persoonlijke lening nog niet heeft afgelost en dat [betrokkene 1] Holding daarom nog een vordering heeft op [betrokkene 2];

  • -

    de vereffening daarom moet worden heropend om de bate alsnog te gelde te maken.

3 De beoordeling

3.1.

De griffier heeft verzoekster bij e-mail van 10 januari 2022 gewezen op de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 3 november 2020 (ECLI:NL:GHAMS:2020:3004) en ingelicht over het voornemen van de rechtbank om afwijzend op het verzoek te beslissen, aangezien voor heropening van de vereffening op grond van artikel 2:23c BW geen plaats is omdat de vennootschap na ontbinding, gezien het bepaalde in artikel 2:19 lid 5 BW, is blijven voortbestaan. De griffier heeft verzoekster gevraagd hierop te reageren.

3.2.

Verzoekster heeft de rechtbank daarop bericht dat:

- een afwijzende beslissing van de rechtbank leidt tot rechtsonzekerheid, omdat in het handelsregister is ingeschreven dat [betrokkene 1] Holding is opgehouden te bestaan;

- zij een procedure wenst te starten tegen [betrokkene 2] en dat het verzoek tot heropening van de vereffening mede tot doel heeft een ontvankelijkheidsdiscussie in die procedure te voorkomen;

- anders dan in de beschikking van het gerechtshof Amsterdam, in dit geval de bate niet is af te leiden uit de openbare registers;

- zij geen kennis had van het vermogen van [betrokkene 1] Holding en evenmin van de administratie;

- het feitelijk [betrokkene 2] was die tot vereffening en ontbinding is overgegaan, waarbij verzoekster erop heeft vertrouwd dat er geen baten meer waren;

- de Hoge Raad zich nog niet heeft uitgelaten over het spanningsveld tussen gelijktijdige toepassing van artikel 2:19 lid 4 en lid 5 BW, zodat niet kan worden uitgesloten dat het gerechtshof Amsterdam is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.

3.3.

De rechtbank overweegt als volgt. Wanneer een rechtspersoon wordt ontbonden via een zogenaamde turboliquidatie houdt deze ingevolge artikel 2:19 lid 4 BW direct op te bestaan. Een rechtspersoon die wordt ontbonden zonder turboliquidatie komt na het ontbindingsbesluit in een vereffeningsfase terecht en blijft ingevolge artikel 2:19 lid 5 BW voortbestaan, voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is. De rechtbank leidt uit de stellingen van verzoekster af dat sprake is geweest van een turboliquidatie. Wanneer na afronding van de ontbinding – al dan niet met toepassing van turboliquidatie – alsnog van een bate blijkt, bestaat de mogelijkheid de rechtspersoon te laten herleven via artikel 2:23c lid 1 BW. Tussen artikel 2:19 lid 4 BW en artikel 2:23c lid 1 BW enerzijds en artikel 2:19 lid 5 BW anderzijds bestaat een zekere mate van spanning wanneer sprake is van een onterecht toegepaste turboliquidatie. Die situatie doet zich in deze zaak voor, omdat tot een turboliquidatie is besloten terwijl [betrokkene 1] Holding nog over een bate beschikte. De vraag die ter beantwoording voorligt is (dus) of met toepassing van artikel 2:23c lid 1 BW heropening van de vereffening moet plaatsvinden teneinde de op grond van artikel 2:19 lid 4 BW verdwenen rechtspersoon te laten herleven, of dat dat niet mogelijk is, omdat de rechtspersoon op grond van artikel 2:19 lid 5 BW is blijven voortbestaan.

3.4.

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval voor heropening van de vereffening op grond van artikel 2:23c lid 1 BW geen plaats is. Verzoekster stelt immers dat [betrokkene 1] Holding nog over een bate beschikte ten tijde van het besluit tot liquidatie. Anders dan verzoekster stelt, wist zij dit (redelijkerwijs) ook, gelet op de hiervoor onder 2.1 geciteerde e-mail aan haar van [betrokkene 2] van 2 juni 2015. [betrokkene 1] Holding is dus niet opgehouden te bestaan. De weg van artikel 2:23c lid 1 BW kan dan niet worden gevolgd (vgl. HR 27 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1631, NJ 1995/579; HR 26 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO2779; gerechtshof Amsterdam 3 november 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:3004).

3.5.

Dat verzoekster een procedure wenst te starten tegen [betrokkene 2] en in dat kader ontvankelijkheidsdiscussies wil voorkomen leidt er – onder verwijzing naar het hiervoor geschetste wettelijk kader – niet toe dat het verzoek tot heropening van de vereffening toch zou moeten worden toegewezen. De rechtbank wijst er op dat verzoekster deze beschikking in een eventuele procedure tegen [betrokkene 2] zal kunnen inbrengen. Het argument ten slotte dat een afwijzende beslissing zou leiden tot rechtsonzekerheid, geeft evenmin aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Verzoekster zal immers de inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel kunnen aanpassen.

3.6.

De slotsom is dat het verzoek moet worden afgewezen.

4 De beslissing

De rechtbank

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.J. Bellaart en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2022.1

1 Conc.: 1289