Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2022:1960

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-02-2022
Datum publicatie
18-03-2022
Zaaknummer
C/15/308865 / HA ZA 20-672
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Geen wilsgebrek/misbruik van omstandigheden of ongerechtvaardigde verrijking bij rechtshandelingen van erflaatster met één van haar erfgenamen. Rechtshandelingen blijven in stand en vorderingen in conventie worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2022-0076
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats [plaats 4]

zaaknummer / rolnummer: C/15/308865 / HA ZA 20-672

Vonnis van 23 februari 2022 (bij vervroeging)

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonende te [plaats 1] ,

2. [eiser 2],

wonende te [plaats 2] ,

eisers in conventie, verweerders in voorwaardelijke reconventie,

advocaat: mr. J.F.M. Kappé te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaats 3] ,

gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie,

advocaat: mr. K. van der Leij te Spaarndam, gemeente [plaats 4] .

Partijen zullen hierna [eiser 1] , [eiser 2] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis in incident van 10 februari 2021 en de daarin genoemde stukken;

  • -

    het tussenvonnis van 25 augustus 2021, waarbij een mondelinge behandeling is gelast, en de daarin genoemde stukken;

  • -

    de akte verbetering c.q. aanvulling eis van de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] ;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte overleggen producties met producties 34 tot en met 36 van de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] ;

  • -

    de akte overlegging producties met producties 58 en 59 van de zijde van [gedaagde] ;

  • -

    de akte overlegging producties en wijziging van eis met producties 60 en 61 van de zijde van [gedaagde] ;

  • -

    de mondelinge behandeling van 25 januari 2022, waarvan door de griffier aantekeningen zijn bijgehouden en waarbij door beide partijen pleitaantekeningen zijn overgelegd;

  • -

    de ter mondelinge behandeling door [eiser 1] en [eiser 2] in het geding gebrachte akte wijziging van eis.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De zaak in het kort

Partijen zijn de erfgenamen van hun moeder (erflaatster). Erflaatster was eigenaar van een werkplaats. [gedaagde] heeft die werkplaats verbouwd tot benedenwoning en vervolgens van erflaatster gekocht voor de WOZ-waarde, onder aftrek van een tussen hem en erflaatster gesloten geldleningsovereenkomst voor de verbouwingskosten. [eiser 1] en [eiser 2] vinden dat de geldleningsovereenkomst niet geldig is of moet worden vernietigd, omdat erflaatster dement was en leed aan cognitieve stoornissen. Ook verkeerde zij in een afhankelijk positie van [gedaagde] . Daarnaast heeft [gedaagde] volgens [eiser 1] en [eiser 2] onrechtmatig gehandeld door de benedenwoning voor een te lage waarde te kopen van erflaatster.

[gedaagde] vindt op zijn beurt dat als het vonnis in incident niet in stand blijft, hij in dat geval nog een vordering heeft op de nalatenschap. Daarnaast stelt [gedaagde] dat als de geldleningsovereenkomst vernietigd wordt, hij in dat geval de verbouwingskosten in rekening mag brengen bij de nalatenschap.

3 De feiten

3.1.

Partijen zijn de kinderen van mevrouw [erflaatster] (hierna: erflaatster) en de heer [erflater] (hierna: erflater).

3.2.

Erflater is overleden op [datum 1] 2001. Hij heeft in zijn testament van [datum 2] 1980 erflaatster en partijen benoemd tot erfgenamen, ieder voor gelijke delen, met toedeling van alle baten en schulden aan erflaatster, onder de verplichting om uit te keren aan ieder der mede-erfgenamen het bedrag van diens erfdeel, welke uitkeringen opeisbaar zijn bij (onder meer) overlijden van erflaatster (ouderlijke boedelverdeling).

3.3.

Tot de nalatenschap van erflater behoorde de onroerende zaken te [plaats 4] aan de [adres 1] (hierna: de bovenwoning) en [adres 2] (hierna: de werkplaats). Erflaatster heeft tot medio 2006 in de bovenwoning gewoond. Daarna is zij in een seniorenwoning gaan wonen. De bovenwoning werd aanvankelijk verhuurd aan derden, vervolgens aan een dochter van [gedaagde] en daarna aan een zoon van [gedaagde] . De werkplaats werd na het overlijden van erflater gehuurd door [gedaagde] .

3.4.

Op 15 maart 2012 is de werkplaats in opdracht van [gedaagde] getaxeerd op een marktwaarde van € 100.000. Het doel van de taxatie was blijkens het rapport het verkrijgen van financiering. Onder meer in 2012 en 2016 heeft [gedaagde] geprobeerd een hypothecaire geldlening te verkrijgen voor de aankoop van de werkplaats, maar hij heeft die financiering niet gekregen (tot 2017).

3.5.

In de periode van september 2012 tot en met april 2015 heeft [gedaagde] de werkplaats verbouwd tot een benedenwoning (hierna: de benedenwoning). [gedaagde] heeft de daartoe benodigde omgevingsvergunning aangevraagd en in 2013 verkregen.

3.6.

Erflaatster en [gedaagde] hebben op 12 mei 2015 een document ondertekend, waarin
- onder meer - het volgende is vermeld (hierna: de geldleningsovereenkomst):

“Partijen overwegen en bevestigen als volgt:

1. Dat de lener erflaatster, toevoeging rechtbank] toestemming geeft haar eigendom zijnde het pand aan de [adres 3] te [plaats 4] door de uitlener te verbouwen.

2. Dat de uitlener [gedaagde] , toevoeging rechtbank] dit pand huurt van de lener.

3. Dat enkel en alleen de uitlener het vruchtgebruik heeft van dit pand.

4. Dat de uitlener de financiering voor het realiseren van de verbouwing geheel met eigen middelen zal uitvoeren

5. Dat voor het verantwoorden van de gemaakte kosten voor het realiseren van de verbouwing een registratie wordt bijgehouden.

6. Dat het totaalbedrag van deze kostenregistratie door de uitlener als lening aan de lener verstrekt wordt met als doel een waarde vermeerdering van het pand te realiseren.

7. Dat de uitlener bereid is deze lening te verstrekken op de voorwaarde deze lening te gebruiken als aanbetaling bij de aankoop van het pand van de lener.

8. Dat de lener bereidt is de lening af te lossen middels verrekening bij de verkoop van het pand aan de uitlener

Komen het volgende overeen:

1. Hoofdsom: De uitlener stelt aan de lener ter beschikking een bedrag van € 80.000,00 (zegge: tachtigduizend euro), hierna te noemen de hoofdsom.

2. Doel van de lening: de lening is bedoeld voor de verbetering van het pand aan de [adres 3] te [plaats 4] door deze te verbouwen tot woonhuis met als einddoel dat deze lening verrekend wordt bij de aankoop van dit pand door de uitlener.

3. Ter verantwoording van de hoofdsom wordt een registratie van de kosten die gepaard gaan met de verbouwing inclusief bewijsstukken als bijlage aan deze overeenkomst gehecht. (…)”

3.7.

[gedaagde] heeft een document opgesteld met de titel “Overzicht verbouwingskosten [adres 4]” (hierna: het kostenoverzicht). De daarop weergegeven kosten dateren van 10 september 2012 tot en met 25 april 2015. In totaal is op het kostenoverzicht een bedrag van € 75.626,80 gespecificeerd.

3.8.

Erflaatster is in juli 2015 opgenomen in een GGZ-instelling. In de ontslagbrief van de GGZ-instelling van 30 september 2015 is onder meer het volgende vermeld:

Reden van opname

Diagnostiek na suïcidaliteit. Wegens toenemende tinnitus klachten en gevoel dat dit niet voorbij zal gaan heeft patiënt een suïcidepoging ondernomen. Er zijn aanwijzingen voor een cognitieve stoornis.(…)

Beschrijvende diagnose

Tentamen suïcide middels 7 tabletten zolpidem, suïcidaliteit, wanhoop, impulsiviteit in het kader van een mogelijke stemmingsstoornis bij tinnitus bij een 77-jairge alleenstaande vrouw met een blanco psychiatrische voorgeschiedenis, somatisch bekend met hypertensie en tinnitus.

Beloop van de behandeling

(…)

Na herstel van het slaappatroon welke voor opname erg verstoord was verbeterd patiënt. Gedurende de opname zijn er geen duidelijke tekenen van een depressie, er is geen sprake meer van suïcidaliteit. Wel lijkt er sprake van een verminderde coping door een cognitieve stoornis. Een NPO dat wordt uitgevoerd bevestigd dit. Aandacht en geheugen zijn licht aangedaan en er is sprake van een lichte inprentingsstoornis. Zij heeft moeite met het ophalen van informatie en er zijn woordvindproblemen. Ook heeft zij moeite met het plannen en organiseren en is er sprake van een algehele mentale traagheid. Het geheel is passend bij een Mild Cognitieve Impairment op vasculaire basis. Het beeld op de MRI past hierbij, er is geringe globale atrofie (GCA 1), geen hippocampus atrofie (MTA 0) en wel sprake van wittestof afwijkingen (fazekas 2).

Wat opvalt is dat patiënt goed lijkt te gedijen bij de structuur van de afdeling en de contacten met medepatiënten. (…)

Advies en beleid

De verwachting is dat het gebrek aan coping door de cognitieve stoornis voldoende wordt opgevangen wanneer er een goede dagbesteding is. (…) ”

3.9.

Op 9 september 2015 heeft het CIZ aan erflaatster een indicatie toegekend voor zorgprofiel VV04 “beschut wonen met intensieve begeleiding en uitgebreide verzorging” (hierna: het indicatiebesluit).

3.10.

Met ingang van oktober 2015 heeft erflaatster in een woon-zorginstelling gewoond. Zij betaalde daarvoor een eigen bijdrage aan het Centraal Administratiekantoor (CAK).

3.11.

Erflaatster als verkoper en [gedaagde] als koper hebben op 16 mei 2017 een schriftelijke koopovereenkomst ondertekend ten aanzien van de benedenwoning voor een koopsom van € 189.000. Erflaatster heeft de benedenwoning op 7 augustus 2017 geleverd aan [gedaagde] . De levering vond plaats bij notaris mr. [notaris 1] . Blijkens de nota van afrekening is op de koopsom een bedrag van € 80.000 in mindering gebracht in verband met “aflossing geldlening”.

3.12.

Per 1 januari 2016 bedroeg de WOZ-waarde van de benedenwoning € 189.000. Per 1 januari 2017 was de WOZ-waarde € 218.000. De marktwaarde van de benedenwoning is op 26 april 2017 getaxeerd op € 230.000.

3.13.

Vanaf februari 2018 is [eiser 1] nauwer betrokken geraakt bij de financiën van erflaatster, die tot dat moment voornamelijk werden verzorgd door [gedaagde] . Op 5 februari 2018 heeft [eiser 1] aan [eiser 2] en [gedaagde] een aangetekende brief gestuurd, waarin zij onder meer het volgende heeft vermeld:

““Niet wilsbekwaam” zou ik mama niet willen noemen, maar dat zij niet meer voor de volle 100% haar financiële situatie kan overzien en daarop kan anticiperen, is een feit. Daar heeft ze hulp bij nodig van haar kinderen.”

3.14.

Op basis van een door [eiser 1] opgevraagd advies van een fiscalist heeft erflaatster (na vertrek van de huurder, een zoon van [gedaagde] ) de bovenwoning verkocht aan een derde. De levering aan de koper vond plaats op 3 september 2018 bij een notaris van het kantoor Schölvinck & Jager. Bij de levering is [eiser 1] opgetreden als gevolmachtigde van erflaatster.

3.15.

Erflaatster heeft de verkoopopbrengst van de bovenwoning gebruikt om verschillende schenkingen te doen aan partijen (ieder € 40.000) en aan haar kleinkinderen. Die schenkingen zijn in het najaar van 2018 uitgekeerd. In een brief van 15 oktober 2018 heeft [eiser 1] (mede namens [eiser 2] ) onder meer het volgende geschreven aan [gedaagde] :

“(…) De schenkingen en de daarbij behorende overeenkomsten zullen in samenspraak met mama verder afgehandeld en uitgekeerd worden vóór 1 november 2018.”

3.16.

Op 16 oktober 2018 heeft erflaatster twee schenkingsovereenkomsten ondertekend, waarin zij aanvullende schenkingen toezegt aan [eiser 1] en [eiser 2] ter hoogte van € 30.000 ieder (te voldoen in 2019). Op 21 januari 2019 heeft [gedaagde] aan [eiser 1] en [eiser 2] en de betrokken notaris (mr. [notaris 2] ) gemeld dat erflaatster niet wilde dat er nog meer van haar spaargeld zou worden weggegeven. [eiser 1] heeft op 31 januari 2019 aan mr. [notaris 2] gevraagd wanneer de aanvullende schenkingen zullen worden uitgekeerd. De aanvullende schenkingen zijn niet voldaan aan [eiser 1] en [eiser 2] .

3.17.

Op 16 februari 2019 is erflaatster ten val gekomen, waarna zij opgenomen is geweest in het ziekenhuis. In een brief van het ziekenhuis aan de woon-zorginstelling is onder meer het volgende vermeld:

Relevante voorgeschiedenis:

Hypertensie

Tinnitus

Tentamen suïcide waarna opname in GGZ

Cognitieve stoornissen (volgens zoon ooit in ontslagbrief GGZ) (…)”

3.18.

Erflaatster is overleden op [datum 3] 2019. Zij heeft voor het laatst over haar nalatenschap beschikt bij testament van [datum 2] 1980, waarin zij partijen tot enig erfgenaam heeft benoemd, ieder voor één derde. Partijen hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard.

3.19.

Partijen hebben aan De Die Financieel Beheer en Bewindvoering B.V. (hierna: De Die) een boedelvolmacht afgegeven. De Die heeft een voorlopige boedelbeschrijving opgesteld. Na aftrek van de vorderingen uit hoofde van de vaderlijke erfdelen en alle overige schulden (waaronder de uitvaartkosten vermeld op pagina 2 van de voorlopige boedelbeschrijving) bedraagt het saldo van de nalatenschap € 38.171,69, zijnde € 12.723,90 per erfgenaam. Partijen hebben met deze boedelbeschrijving ingestemd, met dien verstande dat zij een voorbehoud maken ten aanzien van de vorderingen in de onderhavige procedure.

4 Het geschil

in conventie

4.1.

[eiser 1] en [eiser 2] vorderen na wijziging van eis - dat de rechtbank:

Primair

I. voor recht verklaart dat er geen overeenkomst van geldlening bestond tussen erflaatster en [gedaagde] dan wel die overeenkomst vernietigt;

II. vast stelt dat [gedaagde] aan de nalatenschap verschuldigd is een bedrag van € 121.000 dan wel een zodanig bedrag als de rechtbank juist voorkomt en [gedaagde] veroordeelt aan ieder der eisers een bedrag van € 40.333 te voldoende dan wel een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht.

4.2.

[gedaagde] voert verweer.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in voorwaardelijke reconventie

4.4.

[gedaagde] vordert in voorwaardelijke reconventie samengevat en na wijziging van eis - dat de rechtbank bij vonnis:

1. onder de voorwaarde dat het vonnis in incident van 10 februari 2021 niet in stand blijft:

voor recht verklaart dat [gedaagde] op de nalatenschap van erflaatster een geldvordering heeft van € 7.952 en [eiser 1] en [eiser 2] veroordeelt te gehengen en gedogen dat [gedaagde] deze bij de boedelgevolmachtigde De Die in zal dienen;

2. ingeval de rechtbank in conventie concludeert tot ontvankelijkheid van [eiser 1] en [eiser 2] en overgaat tot vernietiging van de koopovereenkomst tussen erflaatster en [gedaagde] ter zake de benedenwoning alsmede de rechtbank de verkoop van de benedenwoning ten behoeve van de boedel toewijst:

bepaalt dat de verbouwingskosten die door [gedaagde] zijn gemaakt om de werkplaats te verbouwen tot de benedenwoning dienen te worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet, in die zin dat die kosten, eenmaal vastgesteld, ten laste worden gebracht van de nalatenschap van erflaatster;

een en ander met veroordeling van [eiser 1] en [eiser 2] in de kosten van de procedure.

4.5.

[eiser 1] en [eiser 2] voeren verweer.

4.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling

in conventie

5.1.

[eiser 1] en [eiser 2] leggen aan hun vorderingen - zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag:

  1. Erflaatster beschikte niet over haar volledige geestvermogens, was in sterke mate beïnvloedbaar en verkeerde in een (psychisch) afhankelijke positie ten opzichte van [gedaagde] in de tijd waarin zij de rechtshandelingen verrichtte, waardoor sprake is van een wilsgebrek dan wel misbruik van omstandigheden;

  2. [gedaagde] is door de rechtshandelingen ongerechtvaardigd verrijkt, althans heeft onrechtmatig gehandeld, omdat [gedaagde] de benedenwoning willens en wetens voor een te lage waarde en op onoorbare wijze naar zich toe heeft getrokken, waarmee hij het vermogen van erflaatster en dus het erfdeel van [eiser 1] en [eiser 2] doelbewust heeft uitgehold.

Ad a.: wilsgebrek / misbruik van omstandigheden

5.2.

De rechtbank begrijpt het betoog van [eiser 1] en [eiser 2] aldus, dat zij stellen dat op het moment van het sluiten van de geldleningsovereenkomst (12 mei 2015) en de verkoop en levering van de benedenwoning aan [gedaagde] (16 mei respectievelijk 7 augustus 2017) de geestvermogens van erflaatster waren gestoord in de zin van artikel 3:34 BW, waardoor een met de verklaring overeenstemmende wil van erflaatster ontbrak.

5.3.

Ook hebben [eiser 1] en [eiser 2] aangevoerd dat sprake is van misbruik van omstandigheden, omdat [gedaagde] wist of moest begrijpen dat erflaatster door bijzondere omstandigheden bestaande uit abnormale geestestoestand en/of afhankelijkheid, bewogen werd tot het sluiten van de geldleningsovereenkomst en de koopovereenkomst van de benedenwoning, en [gedaagde] het tot stand komen van die overeenkomsten heeft bevorderd, ofschoon hetgeen hij wist of moest begrijpen hem daarvan had behoren te weerhouden (artikel 3:44 lid 4 BW).

5.4.

Een geslaagd beroep op een wilsgebrek maakt een rechtshandeling vernietigbaar en een eenzijdige niet-gerichte rechtshandeling nietig. Indien sprake is van misbruik van omstandigheden is een rechtshandeling vernietigbaar. [eiser 1] en [eiser 2] hebben hun eis ter zitting gewijzigd en vorderen (onder andere) niet langer vernietiging van de koopovereenkomst van de benedenwoning (maar uitsluitend van de geldleningsovereenkomst). Omdat zij hun stellingen – waarin zij telkens spreken over ‘de rechtshandelingen’, te weten de geldleningsovereenkomst en de koopovereenkomst van de benedenwoning – niet hebben aangepast aan de gewijzigde eis, sluiten de stellingen dus niet langer volledig aan op de hieraan gekoppelde vorderingen. De rechtbank zal (desalniettemin) de stellingen van partijen bespreken, ook als die stellingen niet (langer) ten grondslag liggen aan een concrete vordering.

5.5.

De rechtbank zal eerst het beroep op de gestoorde geestvermogens (wilsgebrek), dan wel abnormale geestestoestand (misbruik van omstandigheden) bespreken. Het is in beginsel aan [eiser 1] en [eiser 2] om voldoende feiten en omstandigheden naar voren te brengen waaruit blijkt dat daarvan sprake was. De rechtbank is van oordeel dat [eiser 1] en [eiser 2] niet aan hun stelplicht hebben voldaan. Daartoe is het volgende redengevend.

5.6.

Volgens [eiser 1] en [eiser 2] is in het kader van de opname van erflaatster in de GGZinstelling in juli 2015 geconstateerd dat erflaatster (zwaar) depressief was, leed aan tinnitus en dementerend was. Ook leed zij volgens [eiser 1] en [eiser 2] aan cognitieve stoornissen en is - in het algemeen - vastgesteld dat erflaatster niet meer in staat was om de dagelijkse zaken te regelen en/of uit te voeren. Ter onderbouwing van deze standpunten hebben [eiser 1] en [eiser 2] in de dagvaarding verwezen naar het indicatiebesluit van 9 september 2015 en de brief van het ziekenhuis aan de woon-zorginstelling (aangehaald in 3.9 en 3.17 van dit vonnis).

5.7.

[gedaagde] heeft gemotiveerd weersproken dat de geestvermogens van erflaatster waren gestoord. Hij heeft in dat verband het volgende aangevoerd:

  • -

    De opname in de GGZ-instelling hield verband met een zelfmoordpoging en tinnitus, maar niet met dementieklachten. In de ontslagbrief van de GGZ-instelling van 30 september 2015 (aangehaald in 3.8 van dit vonnis) wordt niet gesproken over dementie of andere oordeelstoornissen. Er is slechts een milde cognitieve stoornis op vasculaire basis geconstateerd, die middels medicatie werd behandeld, waardoor achteruitgang niet is aan te nemen.

  • -

    Uit het indicatiebesluit van september 2015 (VV04) volgt juist dat geen sprake is van dementie van erflaatster, omdat in dat geval een VV05 indicatie (“Beschermd wonen met intensieve dementiezorg”) zou zijn toegekend.

  • -

    [eiser 1] schrijft in haar brief van 5 februari 2018 (aangehaald in 3.13 van dit vonnis) ook zelf dat erflaatster niet wilsonbekwaam was.

  • -

    Er is om die reden ook geen curatele of bewind aangevraagd.

  • -

    Op 7 augustus 2017 heeft erflaatster de benedenwoning geleverd aan [gedaagde] , waarbij notaris mr. [notaris 1] betrokken is geweest. Mr. [notaris 1] heeft in een e-mail van 24 december 2020 verklaard dat hij de transactie met erflaatster heeft besproken en uitvoerig de akte en de nota van afrekening met haar heeft doorgenomen, en dat hij daarbij niet het minste spoor van twijfel had dat zij wilsbekwaam was. Ook heeft de notaris verklaard dat erflaatster helder formuleerde, wist wat er gebeurde en wist wat er speelde.

  • -

    In juli 2018 heeft erflaatster (op advies van [eiser 1] en de door haar ingeschakelde fiscalist) de bovenwoning verkocht en geleverd aan een derde, waarbij eveneens een notaris betrokken is geweest, namelijk een notaris van het kantoor Schölvinck & Jager. Blijkens de e-mail van [eiser 1] van 10 juli 2018 heeft die notaris een bezoek gebracht aan erflaatster om haar instemming met de verkoop en de volmacht aan [eiser 1] te verifiëren.

  • -

    In het najaar van 2018 hebben schenkingen plaatsgevonden van erflaatster aan partijen en aan de kleinkinderen van erflaatster. [eiser 1] heeft hierover geschreven dat dit gebeurde “in samenspraak” met erflaatster (zie 3.15 van dit vonnis).

  • -

    Erflaatster heeft op 16 oktober 2018 twee additionele schenkingsovereenkomsten ondertekend en [eiser 1] heeft in haar e-mail van 31 januari 2019 aan notaris mr. [notaris 2] gevraagd wanneer deze schenkingen zullen worden uitgekeerd.

Volgens [gedaagde] blijkt uit deze feiten en omstandigheden dat erflaatster wilsbekwaam was en dat alle partijen (ook [eiser 1] en [eiser 2] ) daarvan steeds zijn uitgegaan.

5.8.

[eiser 1] en [eiser 2] hebben in reactie op deze gemotiveerde en (met stukken) onderbouwde betwisting door [gedaagde] , geen nadere feiten of onderbouwing aangevoerd voor hun stelling dat erflaatster wilsonbekwaam (of - in de woorden van [eiser 1] en [eiser 2] - verminderd wilsbekwaam) was. Bijvoorbeeld hebben zij geen toereikende toelichting gegeven op hun (op het eerste gezicht) tegenstrijdige betoog dat erflaatster op 12 mei 2015 (de geldleningsovereenkomst) en daarna (in 2017) ten tijde van de verkoop en levering van de benedenwoning verminderd wilsbekwaam was, terwijl zij kennelijk volgens [eiser 1] en [eiser 2] wel volledig wilsbekwaam was ten tijde van de verkoop en levering van de bovenwoning in juli 2018 en de schenkingen in het najaar van 2018. Ook hebben [eiser 1] en [eiser 2] geen nadere stellingen ingenomen over de gevolgen van de “Mild Cognitieve Impairment op vasculaire basis” voor de oordeelsvorming van erflaatster. Gelet op het verweer van [gedaagde] had dat wel op hun weg gelegen. [eiser 1] en [eiser 2] hebben ter mondelinge behandeling slechts herhaald dat is vastgesteld dat sprake was van cognitieve stoornissen en dementie (pleitaantekeningen, nr. 14), zonder daarbij enige onderbouwing te geven of te reageren op de standpunten daarover van [gedaagde] .

5.9.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat niet is gebleken van een verstoring van de geestvermogens of abnormale geestestoestand van erflaatster. Omdat [eiser 1] en [eiser 2] niet aan hun stelplicht hebben voldaan, wordt aan bewijslevering niet toegekomen.

5.10.

[eiser 1] en [eiser 2] hebben verder aangevoerd dat erflaatster zich nooit heeft bezig gehouden met haar financiën/administratie en dat zij daarvoor – na het overlijden van haar echtgenoot in 2001 – volledig afhankelijk was van [gedaagde] , met wie zij de nauwste (vertrouwens)band had. Ook stellen zij dat erflaatster zich grote zorgen maakte over haar financiën, dat zij geen weerstand kon bieden aan [gedaagde] en daarom heeft meegewerkt aan de twee meergenoemde rechtshandelingen.

5.11.

De rechtbank begrijpt dat [eiser 1] en [eiser 2] deze stellingen hebben aangevoerd ter (verdere) onderbouwing van hun beroep op misbruik van omstandigheden. De rechtbank is van oordeel dat (ook) deze stellingen dat beroep niet kunnen dragen. Het enkele feit dat [gedaagde] (volgens [eiser 1] en [eiser 2] ) de financiën voor erflaatster verzorgde, rechtvaardigt nog niet de conclusie dat erflaatster afhankelijk was van [gedaagde] en dat zij daarom heeft ingestemd met de geldleningsovereenkomst en de verkoop/levering van de benedenwoning aan [gedaagde] , terwijl dit voor een geslaagd beroep op misbruik van omstandigheden wel vereist is. [eiser 1] en [eiser 2] hebben dit verder ook niet toegelicht. Dat [gedaagde] misbruik heeft gemaakt van de zorgen die erflaatster had over haar financiën, is door [eiser 1] en [eiser 2] evenmin voldoende concreet gesteld. Bovendien is dit betoog niet te rijmen met het feit dat de notaris (mr. [notaris 1] ) heeft verklaard dat hij de transactie met betrekking tot de benedenwoning, waarvan de geldleningsovereenkomst onderdeel uitmaakte, uitvoerig met erflaatster heeft doorgesproken en heeft gecontroleerd dat erflaatster daarmee instemde.

5.12.

Omdat [eiser 1] en [eiser 2] geen andere feiten en omstandigheden ten grondslag hebben gelegd aan hun stelling dat sprake is van een wilsgebrek of misbruik van omstandigheden, komt de rechtbank tot de tussenconclusie dat het beroep van [eiser 1] en [eiser 2] op nietigheid dan wel vernietigbaarheid van de geldleningsovereenkomst faalt. Dit geldt ook indien de beide rechtshandelingen moeten worden aangemerkt als (materiële) schenkingen, zoals [eiser 1] en [eiser 2] (op dezelfde gronden) subsidiair betogen. Aan de toepassing van de (afwijkende) bewijslastverdeling op grond van artikel 7:176 BW wordt niet toegekomen, omdat [eiser 1] en [eiser 2] niet hebben voldaan aan hun stelplicht. De geldleningsovereenkomst blijft dus in stand. Vordering I zal daarom worden afgewezen.

Ad b.: ongerechtvaardigde verrijking / onrechtmatige daad

5.13.

De rechtbank is van oordeel dat ook van onrechtmatig handelen door [gedaagde] niet is gebleken. De enkele omstandigheid dat [gedaagde] volgens [eiser 1] en [eiser 2] de benedenwoning ‘voor een veel te lage waarde en op onoorbare wijze’ heeft verkregen is daarvoor onvoldoende. Ter toelichting daarop geldt het volgende.

5.14.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat hij al in 2011 op grond van een mondelinge koopovereenkomst de (toen nog) werkplaats heeft gekocht van erflaatster voor € 100.000, maar dat aan de levering pas in 2017 uitvoering is gegeven, omdat hij niet eerder financiering kon krijgen. In de tussenliggende jaren heeft [gedaagde] , met toestemming van erflaatster, de werkplaats op zijn kosten (in overleg met erflaatster begroot op € 80.000) verbouwd en laten verbouwen tot woonhuis. Door de verbouwing steeg de WOZ-waarde van het pand aanzienlijk. In 2017 is er daarom voor gekozen om een nieuwe, schriftelijke koopovereenkomst op te stellen en daarin aan te sluiten bij de WOZ-waarde uit 2016
(€ 189.000) onder aftrek van de geldlening voor de verbouwingskosten (€ 80.000), om te voorkomen dat de koop (uit 2011) door de fiscus zou worden aangemerkt als schenking. Dit betoog van [gedaagde] vindt onder meer steun in het feit dat [gedaagde] in 2012 de woning heeft laten taxeren (marktwaarde: € 100.000) en heeft geprobeerd financiering te verkrijgen. [eiser 1] en [eiser 2] hebben het bestaan van een mondelinge koopovereenkomst in 2011 betwist, maar deze betwisting verder niet gemotiveerd, hetgeen wel op hun weg had gelegen, ook gelet op het feit dat [eiser 1] (mede namens [eiser 2] ) in haar email aan [gedaagde] van 26 maart 2018 heeft erkend dat in 2012 al is gesproken over de koop van de werkplaats door [gedaagde] voor
€ 100.000. Dat de verkoop van de benedenwoning aan [gedaagde] nadelig was voor erflaatster, staat dus niet vast, omdat de koop van de (toen nog) werkplaats al in 2011 lijkt te zijn gesloten tegen de toenmalige taxatiewaarde.

5.15.

Ten overvloede overweegt de rechtbank nog het volgende. Zelfs als de geldleningovereenkomst en de verkoop van de benedenwoning aan [gedaagde] voor erflaatster nadelig waren bestaat er geen grond voor het door [eiser 1] en [eiser 2] aan [gedaagde] gemaakte verwijt dat hij deze hulp van erflaatster had moeten weigeren. Als door [eiser 1] en [eiser 2] erkend staat namelijk vast, dat erflaatster [gedaagde] heeft willen helpen. Het stond erflaatster vrij om over haar vermogen te beschikken zoals zij wilde, nu van een verstoring van haar geestvermogens niet is gebleken. Aan het betoog van [eiser 1] en [eiser 2] over de getaxeerde waarde van de woning in 2017 (€ 230.000) en de WOZ-waarde in 2017 (€ 218.000) wordt daarom voorbij gegaan.

5.16.

[eiser 1] en [eiser 2] hebben verder aangevoerd dat [gedaagde] geen transparantie met hen heeft betracht over de aankoop van de benedenwoning. Daartoe was [gedaagde] (net als erflaatster) echter niet verplicht, zodat ook dit verwijt geen doel treft.

5.17.

[eiser 1] en [eiser 2] vinden daarnaast dat [gedaagde] bij de koop van de benedenwoning onoorbaar heeft gehandeld. Kennelijk doelen zij daarmee op de gang van zaken rondom de geldleningsovereenkomst. [eiser 1] en [eiser 2] hebben er op gewezen dat geen sprake is van een echte geldleningsovereenkomst, omdat [gedaagde] nooit een geldbedrag van € 80.000 aan erflaatster ter beschikking heeft gesteld. Bovendien stemt de inhoud van de geldleningsovereenkomst niet overeen met de werkelijkheid, omdat daarin wordt gesproken over toekomstige verbouwingskosten, terwijl die kosten in werkelijkheid al waren gemaakt toen de geldleningsovereenkomst werd ondertekend. Blijkens het kostenoverzicht zijn volgens [eiser 1] en [eiser 2] slechts kosten gemaakt tot een bedrag van € 75.626,80 (in plaats van € 80.000) en is een deel van de kosten gemaakt voor inrichting en niet voor verbouwing. Daarbij komt nog dat het kostenoverzicht niet is onderbouwd met bewijsstukken, terwijl dat wel verplicht was op grond van de geldleningsovereenkomst. Gelet op deze ongerijmdheden is er geen grondslag voor het verminderen van de koopprijs voor de benedenwoning met het bedrag van € 80.000, aldus het betoog van [eiser 1] en [eiser 2] .

5.18.

Ook hierin geeft de rechtbank [eiser 1] en [eiser 2] geen gelijk. De rechtbank is namelijk van oordeel dat uit het feit dat erflaatster in augustus 2017 medewerking heeft verleend aan de levering van de benedenwoning aan [gedaagde] , onder aftrek van de geldlening van € 80.000 van de koopprijs, blijkt dat erflaatster uitvoering heeft gegeven aan de geldleningsovereenkomst. Hieruit leidt de rechtbank af dat zij heeft ingestemd met de door [gedaagde] aangevoerde verbouwingskosten en heeft aanvaard dat het bedrag van de geldlening in mindering strekte op de door haar ontvangen koopprijs, zoals was afgesproken in de geldleningsovereenkomst. [eiser 1] en [eiser 2] kunnen daar niet (achteraf) op terugkomen, omdat zij - anders dan erflaatster - alsnog vraagtekens plaatsen bij de precieze omvang, onderbouwing en/of datum van de verbouwingskosten.

5.19.

Overigens volgt de rechtbank [eiser 1] en [eiser 2] ook niet in hun betoog dat voor de aftrek van de geldlening van € 80.000 geen enkele grondslag bestaat. Vast staat namelijk tussen partijen dat [gedaagde] de kosten van de verbouwing van de werkplaats tot woning heeft voldaan, terwijl de levering van de werkplaats/benedenwoning aan [gedaagde] nog niet had plaatsgevonden. Vervolgens is in de schriftelijke koopovereenkomst de koopprijs bepaald op de (gestegen) WOZ-waarde ná de verbouwing van de werkplaats tot benedenwoning. Daarom ligt het voor de hand dat de investeringen van [gedaagde] in mindering strekken op die koopprijs. Het is immers - zo hebben [eiser 1] en [eiser 2] ook erkend - nooit de bedoeling geweest dat die investeringen van [gedaagde] in het vermogen van erflaatster zouden vloeien. Bij deze stand van zaken resteert nog slechts het debat over de omvang van die investeringen. Daaraan wordt (zoals al is overwogen) niet toegekomen, omdat erflaatster en [gedaagde] daarvoor de geldleningsovereenkomst hebben gesloten en beiden daaraan uitvoering hebben gegeven.

5.20.

Het beroep van [eiser 1] en [eiser 2] op ongerechtvaardigde verrijking slaagt tot slot evenmin, omdat de gestelde verrijking van [gedaagde] en de gestelde verarming van erflaatster hun rechtvaardiging vinden in de geldleningsovereenkomst en de koopovereenkomst voor de benedenwoning.

Slotsom en proceskosten

5.21.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de beide vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] zullen worden afgewezen.

5.22.

Gelet op de relatie tussen partijen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Anders dan door [gedaagde] aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding van dit uitgangspunt af te wijken. Het enkele feit dat [eiser 1] en [eiser 2] hebben volhard in hun vorderingen ondanks het daartegen door [gedaagde] in incident gevoerde verweer, is daarvoor in ieder geval onvoldoende.

in voorwaardelijke reconventie

5.23.

De reconventionele vorderingen zijn ingesteld onder de voorwaarde dat het vonnis in incident niet in stand blijft, respectievelijk de vorderingen in conventie worden toegewezen. Nu die voorwaarden niet zijn vervuld, beschouwt de rechtbank de vorderingen als niet ingesteld. Aan de beoordeling daarvan wordt daarom niet toekomen.

6 De beslissing

De rechtbank

in conventie

6.1.

wijst de vorderingen af;

6.2.

compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in voorwaardelijke reconventie

6.3.

verstaat dat de vorderingen niet zijn ingesteld.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J. Bellaart en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2022.1

1 type: 1538