Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2022:102

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-01-2022
Datum publicatie
11-01-2022
Zaaknummer
15.109123.21 en 15.236840 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van één geval van afpersing. Veroordeling van 20-jarige verdachte wegens diefstal door middel van valse sleutel, afpersing, oplichting, identiteitsfraude en computervredebreuk. Verdachte heeft zich gedurende enkele maanden bezig gehouden met het op slinkse en intimiderende wijze afhandig maken van bankpassen met bijbehorende pincodes en andere privacygevoelige persoonsgegevens. Daarvoor heeft verdachte contact gezocht met hem bekende, veelal kwetsbare personen, die hij vervolgens onder valse voorwendselen en/of met gebruikmaking van intimidatie en geweld heeft gebracht tot het ter beschikking stellen van passen en/of gegevens. Voorts heeft verdachte onder valse voorwendselen identiteitsgegevens verkregen door via websites voor thuiswerk gegevens te vragen van diverse personen en deze gegevens vervolgens te misbruiken om bankrekeningen te openen en geld over te (laten) maken.

De rechtbank legt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van 42 maanden met aftrek van het voorarrest en wijst toe de tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur 3 maanden.

(Deels) toewijzing vorderingen benadeelde partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15.109123.21 en 15.236840 (TUL)

Uitspraakdatum: 11 januari 2022

Tegenspraak

verkort strafvonnis (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 28 december 2021 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] ,

thans gedetineerd in [detentieadres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A.M.H.G. Peters en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. M.J. Bouwman, advocaat te Zaandam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 25 september 2020 te Hoorn, in ieder geval in Nederland, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van haar pinpas en/of (bijbehorende) pincode, in elk geval enig(e) goed(eren), dat geheel of ten dele aan die [slachtoffer 1] toebehoorde, welk geweld en/of bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte
- de pinpas van voornoemde [slachtoffer 1] heeft gepakt en/of
- (vervolgens) een mes op/tegen het (boven)been van die [slachtoffer 1] heeft gehouden, althans een mes heeft getoond en/of
- (daarbij) heeft gezegd “geef je pincode”, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking;

2.
hij (op een of meerdere tijdstip(pen)) in of omstreeks de periode van 9 augustus 2020 tot en met 23 december 2020 te Hoorn en/of Purmerend, in ieder geval (telkens) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten
- een (kopie) van een paspoort/identiteitsbewijs en/of
- burgerservicenummer en/of
- bankrekeninggegevens en/of
- de (inlog)gegevens (gebruikersnaam en/of wachtwoord) van/voor het (internet)bankieren bij de Bunqbank en/of ASN-Bank en/of Rabobank,
door aan voornoemde perso(o)nen een (chat)bericht te sturen, waarin verdachte en/of zijn
mededader(s) zich voordeed/voordeden als zijnde een uitzendbureau, waarbij in dat (chat)bericht werd verzocht bovengenoemde gegevens te verstrekken zodat de sollicitatie in behandeling kon worden genomen, althans een bericht van soortgelijke aard en/of strekking;

3.
hij (op een of meerdere tijdstip(pen)) in of omstreeks de periode 26 augustus 2020 tot en met 23 december 2020 te Hoorn, in ieder geval (telkens) in Nederland opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander te weten een afbeelding van een legitimatiebewijs en/of bankpas op naam van
- [slachtoffer 1] en/of
- [slachtoffer 2] en/of
- [slachtoffer 3] en/of
- [slachtoffer 4] en/of
- [slachtoffer 6] en/of
- [slachtoffer 7]
heeft gebruikt door die identificerende gegevens (telkens) te gebruiken om bankrekeningen te openen en/of (telefoon)abonnementen af te sluiten met het oogmerk om zijn/haar identiteit te verhelen en/of de identiteit van de ander te verhelen en/of te misbruiken, waardoor enig nadeel kon ontstaan;
4.
hij (op een of meerdere tijdstip(pen)) in of omstreeks de periode van 24 augustus 2020 tot en met 28 december 2020 te Hoorn en/of te Purmerend en/of Amsterdam, in ieder geval (telkens) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (een) geldbedrag(en), in elk geval enig(e) goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 7] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door (zonder toestemming) met de pinpas en/of de (inlog)gegevens van/voor het (internet)bankieren van voornoemde perso(o)n(en) geld op te nemen en/of over te schrijven;
5.
hij in of omstreeks de periode van 26 september 2020 tot en met 29 september 2020 te Purmerend, in ieder geval in Nederland, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 9] heeft gedwongen tot de afgifte van haar pinpas en/of (bijbehorende) pincode en/of een geldbedrag, in elk geval enig(e) goed(eren), dat geheel of ten dele aan die [slachtoffer 9] toebehoorde, welk geweld en/of bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte
- meermalen tegen [slachtoffer 9] heeft gezegd haar pinpas te willen en/of
- tegen voornoemde [slachtoffer 9] heeft gezegd met een oudere jongen langs te komen die een
vuurwapen voorhanden heeft en/of
- [slachtoffer 9] op/bij haar werk en/of haar woning heeft opgewacht en/of foto’s van haar werk
en/of woning naar [slachtoffer 9] heeft gestuurd en/of
- een betaalverzoek naar die [slachtoffer 9] heeft gestuurd en/of (daarbij) heeft gezegd dat zij dit
moet betalen, althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking;

6.
hij (op een of meerdere tijdstip(pen)) in of omstreeks de periode van 24 augustus 2020 tot en met 23 december 2020 te Amsterdam en/of Purmerend, in ieder geval in Nederland, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 7] heeft gedwongen tot de afgifte van zijn pinpas en/of (bijbehorende) pincode, in elk geval enig(e) goed(eren), dat geheel of ten dele aan die [slachtoffer 7] toebehoorde, welk geweld en/of bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte
(op of omstreeks 24 augustus 2020)
- [slachtoffer 7] heeft opgezocht en/of (meermalen) tegen [slachtoffer 7] heeft gezegd zijn pinpas te willen en/of
- (daarbij) zijn hand in zijn jaszak heeft gehouden en/of (daarmee) de indruk heeft gewekt een wapen vast te hebben
(op of omstreeks 23 december 2020)
- [slachtoffer 7] (telefonisch) heeft gezegd dat hij zijn pinpas moest afgeven en/of (daarbij) heeft gezegd dat hij wist waar [slachtoffer 7] woonde en/of geen kleine jongen was en/of hij zou zien wat er zou gebeuren als hij niet zou meewerken, althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking en/of
- (vervolgens) (via snapchat) heeft gezegd dat hij zijn pincode moest afgeven;
7.
hij (op een of meerdere tijdstip(pen)) in of omstreeks de periode van 27 augustus 2020 tot en met 8 december 2020 te Purmerend, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk en wederrechtelijk in een (gedeelte van een) geautomatiseerd(e) werk(en), te weten server(s) en/of netwerk(en) van de Triodosbank, althans een deel daarvan, is binnengedrongen
a. door het doorbreken van een beveiliging en/of
b. door een technische ingreep en/of
c. met behulp van valse signalen of een valse sleutel en/of
d. door het aannemen van een valse hoedanigheid
te weten door het (telkens) inloggen met onrechtmatig verkregen inlognamen en/of
wachtwoorden en/of andere (inlog)gegevens van accounthouders van de Triodosbank, te weten van:
- [slachtoffer 1] en/of
- [slachtoffer 2] en/of
- [slachtoffer 10] en/of
- [slachtoffer 11] en/of
- [slachtoffer 5] ;
8.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 augustus 2020 tot en met 8
december 2020 te Purmerend, in elk geval (telkens) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (een) technisch(e)
hulpmiddel(en) die/dat hoofdzakelijk geschikt gemaakt en ontworpen was/waren tot het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 138ab Wetboek van Strafrecht, heeft vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad en/of een computerwachtwoord, toegangscode
of daarmee vergelijkbaar gegeven waardoor toegang kan worden verkregen tot een
geautomatiseerd werk of een deel daarvan, heeft verworven en/of ter beschikking heeft gesteld en/of voorhanden heeft gehad, met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 138ab van het Wetboek van Strafrecht werd gepleegd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (een) phishingsite(s) en/of software bestemd voor het versturen van valse betalingsverzoeken, voorhanden gehad en/of gebruikt, met de bedoeling om (een) inlogcode ('s) en/of inloggegevens en/of klantgegevens af te vangen die toegang geven tot het/de geautomatiseerde (betaal)syste(e)m(en) van een of meerdere bank(en) en/of
(vervolgens) die inloggegevens verworven en/of ter beschikking gesteld en/of voorhanden gehad met de bedoeling om daarmee zichzelf of een ander toegang te verschaffen tot het
telecommunicatieverkeer en/of het betalingsverkeer zijnde geautomatiseerde werken van de
Bunqbank en/of zijn/haar/hun klanten.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Standpunten van partijen

3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van de onder 1, 5 en 6 ten laste gelegde feiten en tot bewezenverklaring van de onder 2, 3, 4 en 7 ten laste gelegde feiten, met uitzondering van de in feit 7 genoemde gedachtestreepjes [slachtoffer 6] en [slachtoffer 5] . Ten aanzien van feit 8 heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring, tezamen en in vereniging gepleegd.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van feit 1 primair op het standpunt gesteld dat vrijspraak dient te volgen en subsidiair dat verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van de dwang tot afgifte van de pinpas en van geweld en/of bedreiging van geweld. Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor zover de diefstal ziet op het slachtoffer [slachtoffer 8] . Voor de overige slachtoffers in dit feit dient wegens onvoldoende bewijs vrijspraak te volgen. Voor de feiten 2, 3, 5, 6, 7 en 8 heeft de raadsman eveneens vrijspraak bepleit.

4 Vrijspraak feit 6

Met de officier van justitie en de raadsman van verdachte is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden hetgeen verdachte onder 6 ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

5.1

Bewijs

De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten aanvulling worden opgenomen.

5.2

Bewijsmotivering ten aanzien van de feiten 1 tot en met 5, 7 en 8

Betrokkenheid van verdachte

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat de verdachte gedurende enkele maanden op grote schaal en op slinkse en soms dreigende of gewelddadige wijze meerdere slachtoffers hun bankpas, pincode en identificerende gegevens afhandig heeft gemaakt om daarmee een keur aan frauduleuze handelingen te verrichten. Zo heeft de verdachte twee slachtoffers op intimiderende wijze afgeperst en een viertal andere slachtoffers via fictieve websites opgelicht, alles om in bezit te komen van hun bankpassen, pincodes, persoons- en bankgegevens. Met die gegevens heeft de verdachte zich vervolgens toegang verschaft tot de geautomatiseerde systemen van meerdere banken om geldbedragen te parkeren of door te sluizen. Ook heeft de verdachte met die wederrechtelijk verkregen gegevens telefoonabonnementen afgesloten en geldbedragen gepind. De chatsessies die door enkele opgelichte slachtoffers bij hun aangifte zijn gevoegd, waarin zij veronderstelden contact te hebben met een vertegenwoordiger van een uitzendbureau, geven een beeld van de uitgekookte handelwijze. Tevens leidt de rechtbank hieruit af dat de verdachte de beschikking had over de benodigde software om die (virtuele) valse hoedanigheid te creëren en zijn slachtoffers om de tuin te leiden en hen zo ver te krijgen dat zij privacygevoelige informatie aan hem ter beschikking stelden.

De verdachte heeft pas ter terechtzitting een inhoudelijke verklaring afgelegd, die erop neerkomt dat niet hij maar derden (“die jongens”) verantwoordelijk zijn voor de fraude. Deze derden, wier namen hij zegt wel te kunnen maar niet te willen noemen, zouden bij zijn moeder thuis gebruik hebben gemaakt van zijn mobiele telefoon en van de wifi-verbinding van zijn moeder. Zijn rol zou er slechts in hebben bestaan dat hij pasjes en bijbehorende pincodes verzamelde, die hij dan tegen betaling aan “die jongens” zou hebben doorgegeven.

Verder heeft de verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij alle bankpassen en andere gegevens geheel vrijwillig overhandigd heeft gekregen en dat er van dwang of (bedreiging) met geweld geen sprake is geweest. Hij zou via Snapchat en Instagram personen hebben benaderd met de vraag of zij snel geld wilden verdienen en de meesten gingen daar op in. Dat zij nu aangifte tegen hem hebben gedaan, heeft er volgens de verdachte mee te maken dat zij hun eigen kwalijke rol willen verdoezelen.

De rechtbank acht deze verklaring van de verdachte volstrekt ongeloofwaardig.

Dat zijn telefoon door anderen is gebruikt zonder dat verdachte wist wat er met zijn telefoon werd gedaan wordt weersproken door de bewijsmiddelen, waaronder een getapt gesprek op 15 april 2021 tussen de verdachte en een onbekend persoon, waarin de verdachte spreekt over ‘die F game’ en ‘dit is gewoon op een luie manier geld maken man, maar wel veel geld’. Verder is het telefoonnummer van de verdachte eindigend op 8199 doorgegeven door de persoon die de rekening van [slachtoffer 3] bij de Triodosbank heeft geopend. Uit de aangifte van [slachtoffer 8] blijkt dat de verdachte dit telefoonnummer gebruikt. Voorts blijkt uit de rekeningen bij de Triodosbank op naam van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 2] , dat is ingelogd vanaf het IP-adres van de moeder van de verdachte. De verdachte woonde toen bij zijn moeder.

De betrokkenheid van de verdachte bij de strafbare feiten blijkt voorts uit de omstandigheid dat bij de doorzoeking in de woning aan de [adres] een Triodosbankpas en een hoesje van een Triodos identifier zijn aangetroffen op naam van [slachtoffer 5] en uit de verklaring van zijn moeder dat de verdachte er voor zorgde dat dat hij van iemand de bankpas kreeg, waarna hij de rekening leeg haalde.

Overweging met betrekking tot medeplegen

Nu de verdachte geen gegevens over “die jongens” heeft willen verschaffen en de rechtbank in het dossier geen concrete aanknopingspunten kan ontwaren voor een of meer andere daders, is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van de feiten 2, 4, 7 en 8 geen sprake is van medeplegen in de zin van een nauwe en bewuste samenwerking. Naar het oordeel van de rechtbank is voor het handelen van de feiten 2, 4, 7 en 8 alleen de verdachte verantwoordelijk.

Overweging met betrekking tot feiten 1 en 5 (afpersing)

Anders dan de officier van justitie en de raadsman, acht de rechtbank bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder bedreiging met geweld dwingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 9] tot afgifte van pinpas en/of pincode.

Voor feit 1 betrekt de rechtbank daarbij de aangifte van [slachtoffer 1] , waarin zij verklaart in haar auto onder bedreiging met een mes haar pincode aan verdachte te hebben gegeven, nadat hij onverhoeds haar pinpas uit de middenconsole van de auto, waarin zij zaten had gepakt. De verdachte is daarna overgestapt in een zwartkleurige BMW met achter het stuur een vrouw met zwart haar en veel make-up en nog twee andere personen. Aangeefster ziet dezelfde BMW korte tijd later de parkeerplaats bij Albert Heijn oprijden en weer later heeft zij (eerst via Snapchat en later rechtstreeks) contact met de verdachte, die haar opdraagt naar de ING te komen en de ANB Amro bank te bellen om te vragen of haar pas is geblokkeerd.

Uit de bij de aangifte gevoegde bankafschriften blijkt voorts dat diezelfde middag grote bedragen zijn overgeboekt van de spaarrekening van aangeefster naar haar betaalrekening en vervolgens zijn opgenomen bij verschillende geldautomaten, waaronder “Geldmaat Van Dedemstra” (de rechtbank begrijpt: Van Dedemstraat locatie Albert Heijn te Hoorn) en Gildeplein. Ook zijn er later die middag forse geldbedragen (€ 450 en € 850) overgeboekt van de betaalrekening van aangeefster naar de rekening van “ [slachtoffer 2] ” (rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] , die op 28 oktober 2020 aangifte heeft gedaan van internetfraude).

Voorts baseert de rechtbank haar overtuiging op de verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij inderdaad op die dag de pas en pincode van aangeefster [slachtoffer 1] in bezit had gekregen en ook dat hij die dag in een blauwe BMW was gestapt waarin een meisje reed, met veel make-up.

Voor feit 5 wijst de rechtbank kortheidshalve op, naast de aangifte van [slachtoffer 9] en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting, de verklaring van getuige [getuige] , waaruit naar voren komt dat deze getuige is geweest van de middels Snapchat verstuurde dreigementen aan het adres van [slachtoffer 9] .

Voor beide feiten geldt derhalve dat het bewijs niet enkel gestoeld wordt op de verklaring van de respectievelijke aangeefsters, zodat van strijd met het zgn. unus testis beginsel van art. 342, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, geen sprake is. De verklaring van de verdachte dat aangeefsters hun pinpassen en -codes vrijwillig aan hem hebben afgegeven acht de rechtbank in het licht van het bovenstaande ongeloofwaardig.

5.3

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 tot en met 5 en 7 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

1.
hij op 25 september 2020 te Hoorn, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van haar pincode, die aan die [slachtoffer 1] toebehoorde, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte
- een mes tegen het bovenbeen van die [slachtoffer 1] heeft gehouden, en
- daarbij heeft gezegd “geef je pincode”, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking;

2.
hij in de periode van 9 augustus 2020 tot en met 23 december 2020 te Hoorn en/of Purmerend, in ieder geval telkens in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] heeft bewogen tot het ter beschikking stellen van gegevens, te weten
- een (kopie) van een paspoort/identiteitsbewijs en/of
- burgerservicenummer en/of
- bankrekeninggegevens en/of
- de (inlog)gegevens (gebruikersnaam en/of wachtwoord) van/voor het (internet)bankieren bij de Bunqbank en/of ASN-Bank en/of Rabobank,
door aan voornoemde personen een chatbericht te sturen, waarin verdachte zich voordeed als zijnde een uitzendbureau, waarbij in dat chatbericht werd verzocht bovengenoemde gegevens te verstrekken zodat de sollicitatie in behandeling kon worden genomen;

3
hij in de periode 26 augustus 2020 tot en met 23 december 2020 in Nederland opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander te weten een afbeelding van een legitimatiebewijs en/of bankpas op naam van
- [slachtoffer 1] en/of
- [slachtoffer 2] en/of
- [slachtoffer 3] en/of
- [slachtoffer 4] en/of
- [slachtoffer 6] en/of
- [slachtoffer 7]
heeft gebruikt door die identificerende gegevens telkens te gebruiken om bankrekeningen te openen en/of (telefoon)abonnementen af te sluiten met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen en/of de identiteit van de ander te misbruiken, waardoor enig nadeel kon ontstaan;
4.
hij in de periode van 24 augustus 2020 tot en met 28 december 2020 te Hoorn en/of te Purmerend en/of Amsterdam, geldbedragen, die aan een ander dan aan verdachte toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 7] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door zonder toestemming met de pinpas en/of de (inlog)gegevens van/voor het (internet)bankieren van voornoemde personen geld op te nemen en/of over te schrijven;
5.
hij in de periode van 26 september 2020 tot en met 29 september 2020 te Purmerend, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 9] heeft gedwongen tot de afgifte van haar pinpas en bijbehorende pincode en een geldbedrag, toebehorende aan die [slachtoffer 9] , welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte
- meermalen tegen [slachtoffer 9] heeft gezegd haar pinpas te willen en
- tegen voornoemde [slachtoffer 9] heeft gezegd met een oudere jongen langs te komen die een
vuurwapen voorhanden heeft en
- [slachtoffer 9] bij haar werk heeft opgewacht en foto’s van haar werk en woning naar [slachtoffer 9] heeft gestuurd en
- een betaalverzoek naar die [slachtoffer 9] heeft gestuurd en daarbij heeft gezegd dat zij dit
moet betalen;

7.
hij in de periode van 27 augustus 2020 tot en met 8 december 2020 te Purmerend, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk in een (gedeelte van een) geautomatiseerd(e) werk(en), te weten server(s) en/of netwerk(en) van de Triodosbank, althans een deel daarvan, is binnengedrongen
c. met behulp van een valse sleutel en
d. door het aannemen van een valse hoedanigheid
te weten door het telkens inloggen met onrechtmatig verkregen inlognamen en/of
wachtwoorden en/of andere (inlog)gegevens van accounthouders van de Triodosbank, te weten van:
- [slachtoffer 1] en/of
- [slachtoffer 2] en/of
- [slachtoffer 10] en/of
- [slachtoffer 5] .

8.

hij in de periode van 27 augustus 2020 tot en met 8 december 2020 te Purmerend, in elk geval telkens in Nederland, meermalen, een technisch hulpmiddel dat hoofdzakelijk geschikt gemaakt en ontworpen was tot het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 138ab Wetboek van Strafrecht, voorhanden heeft gehad en een computerwachtwoord, toegangscode
of daarmee vergelijkbaar gegeven waardoor toegang kan worden verkregen tot een
geautomatiseerd werk of een deel daarvan, heeft verworven, met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 138ab van het Wetboek van Strafrecht werd gepleegd, immers heeft verdachte een phishingsite voorhanden gehad en gebruikt, met de bedoeling omeen inlogcode en inloggegevens en klantgegevens af te vangen die toegang geven tot geautomatiseerde (betaal)syste(e)m(en) van banken en die inloggegevens voorhanden gehad met de bedoeling om daarmee zichzelf toegang te verschaffen tot het betalingsverkeer zijnde geautomatiseerde werken van de Bunqbank en zijn klanten.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

6 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

1.

Afpersing.

2. en 8.

Eendaadse samenloop van

Oplichting, meermalen gepleegd en

Het met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 138 ab, eerste lid, 138b of 139c van het Wetboek van Strafrecht wordt gepleegd een technisch hulpmiddel, dat hoofdzakelijk geschikt gemaakt of ontworpen is tot het plegen van een zodanig misdrijf voorhanden hebben

en

het, met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 138 ab, eerste lid, 138b of 139c van het Wetboek van Strafrecht wordt gepleegd een computerwachtwoord, toegangscode of daarmee vergelijkbaar gegeven waardoor toegang kan worden verkregen tot een geautomatiseerd werk of een deel daarvan, verwerven of anderszins voorhanden hebben.

3.

Opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander gebruiken met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen/de identiteit van een ander te verhelen/de identiteit van een ander te misbruiken, waardoor uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan, meermalen gepleegd.

4.

Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

5.

Afpersing.

7.

Computervredebreuk, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

8 Motivering van de hoofdstraf

Bij de beslissing over de hoofdstraf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich gedurende enkele maanden bezig gehouden met het op slinkse en intimiderende wijze afhandig maken van bankpassen met bijbehorende pincodes en andere privacygevoelige persoonsgegevens, oplichting, identiteitsfraude en computervredebreuk. Voor de verkrijging van de bankpassen zocht de verdachte contact met hem bekende, veelal kwetsbare, personen, die hij vervolgens onder valse voorwendselen en/of met gebruikmaking van intimidatie en geweld heeft gebracht tot het ter beschikking stellen van genoemde goederen en/of gegevens. Voorts heeft de verdachte onder valse voorwendsels identiteitsgegevens verkregen door via websites voor thuiswerk gegevens te vragen van diverse personen en deze gegevens vervolgens te misbruiken om bankrekeningen te openen en geld over te (laten) maken. Met zijn handelen heeft de verdachte zijn slachtoffers veel pijn en ellende bezorgd. Daarnaast heeft verdachte het vertrouwen in het betalingsverkeer ondermijnd en zowel particulieren als (bancaire) instanties veel schade berokkend. De rechtbank rekent het de verdachte ook aan dat hij geen rekenschap heeft gegeven van zijn handelen, zijn eigen rol heeft gebagatelliseerd en slechts oog heeft gehad voor zijn eigen geldelijk gewin.

Gelet op de ernst van de feiten acht de rechtbank alleen oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gerechtvaardigd.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, van 22 november 2021, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder wegens vermogensdelicten tot vrijheidsbenemende straffen is veroordeeld en bovendien nog in een proeftijd liep. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting.

- de over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapporten gedateerd respectievelijk 13 januari 2020 en 30 september 2021 van respectievelijk [reclasseringswerker] en [reclasseringswerker] als reclasseringswerkers verbonden aan Reclassering Nederland.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

9. Bijkomende straf

De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten een mobiele telefoon, merk iPhone, kleur zwart, dient te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de onder 2 tot en met 5 en 7 bewezen verklaarde feiten met behulp van dat voorwerp, dat aan de verdachte toebehoort, is begaan of voorbereid.

10 Vorderingen benadeelde partijen

10.1.

[slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 4.291,- ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

Materiële schade

De gestelde materiële schade bestaat uit € 2.650,- (van haar bankrekening opgenomen geldbedragen), € 615,- (EMDR-sessies) en € 26,- (reiskosten vanwege EMDR-sessies).

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 2.650,- rechtstreeks voortvloeit uit de onder 1, 3 en 4 bewezen verklaarde feiten. De rechtbank is van oordeel dat niet is onderbouwd dat de kosten van EMDR-therapie en daarbij behorende reiskosten rechtstreeks voortkomen uit genoemde feiten nu uit het dossier blijkt dat voornoemde [slachtoffer 1] al EMDR-therapie onderging voordat de feiten plaatsvonden. In zoverre zal de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Immateriële schade

Blijkens de onderbouwing stelt de benadeelde partij dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 106 aanhef en onder b van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank stelt voorop dat de benadeelde partij geen concrete gegevens heeft aangevoerd waaruit kan volgen dat psychische schade is ontstaan als gevolg van het handelen van de verdachte. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending in dit geval meebrengen dat de nadelige gevolgen van het handelen van de verdachte zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De verdachte heeft immers in de besloten omgeving van de auto van de benadeelde partij, haar onder dreiging van een mes gedwongen tot het verstrekken van haar pincode. Zoals uit de onderbouwing van de vordering blijkt is dit een angstige situatie geweest voor de benadeelde partij, waarvan zij ook na het incident nog emotionele gevolgen heeft ondervonden. De rechtbank stelt op dit moment de schade op basis van de gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid vast op € 500,-.

Conclusie

De vordering wordt toegewezen tot een bedrag van € 3.150,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 september 2020. De benadeelde partij wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.

Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1, 3 en 4 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: afpersing, identiteitsfraude en diefstal met valse sleutel] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

10 2. [slachtoffer 7]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.716,97 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van de onder 3, 4, 6 en 7 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

Materiële schade

De gestelde materiële schade bestaat uit € 640,- (van zijn bankrekening opgenomen geldbedragen), € 858,71 (advocaatkosten) en € 18,26 (reiskosten naar politiebureau).

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 1.516,97 rechtstreeks voortvloeit uit de onder 3, 4 en 7 bewezen verklaarde feiten.

Immateriële schade

De rechtbank is van oordeel dat nu niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte ten aanzien van [slachtoffer 7] onder feit 6 is tenlastegelegd, de benadeelde partij voor wat de immateriële schade ad € 1.200,- niet in de vordering kan worden ontvangen.

In zoverre zal de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Conclusie

De vordering wordt toegewezen tot een bedrag van € 1.516,97, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 augustus 2020. De benadeelde partij wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.

Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 3, 4 en 7 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: identiteitsfraude, diefstal met valse sleutel en computervredebreuk] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

10.3.

[slachtoffer 6]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 900,- ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder 3 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit de afkoop van afgesloten telefoonabonnementen.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 900,- rechtstreeks voortvloeit uit het onder 3 bewezen verklaarde feit.

Conclusie

De vordering wordt toegewezen tot een bedrag van € 900,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 september 2020.

Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 3 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: identiteitsfraude] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

10.4.

[slachtoffer 8]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 700,- ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder 4 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit van haar bankrekening opgenomen geldbedragen.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 700,- rechtstreeks voortvloeit uit het onder 4 bewezen verklaarde feit.

Conclusie

De vordering wordt toegewezen tot een bedrag van € 700,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 augustus 2020.

Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 4 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: diefstal met valse sleutel] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

10.5.

[slachtoffer 9]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 654,50 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder 5 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

Materiële schade

De gestelde materiële schade bestaat uit € 50,- (van haar bankrekening opgenomen geldbedrag) en € 4,50 (aanschaf nieuw bankpasje).

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 54,50 rechtstreeks voortvloeit uit het onder 5 bewezen verklaarde feit.

Immateriële schade

Blijkens de onderbouwing stelt de benadeelde partij dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 106 aanhef en onder b van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank stelt voorop dat de benadeelde partij geen concrete gegevens heeft aangevoerd waaruit kan volgen dat psychische schade is ontstaan als gevolg van het handelen van de verdachte. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending in dit geval meebrengen dat de nadelige gevolgen van het handelen van de verdachte zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De verdachte heeft immers de benadeelde partij een aantal dagen achtereen op verschillende manieren bedreigd omdat hij haar pinpas en pincode wilde hebben. Hij heeft haar foto’s van de woning van haar moeder en haar werk gestuurd en heeft haar ook bij haar werk opgewacht, hetgeen in de context van wat de verdachte wilde niet anders kan worden gezien dan als ernstig bedreigend. Zoals uit de onderbouwing van de vordering blijkt heeft dit bij de benadeelde partij voor gevoelens van onveiligheid gezorgd, ook nadat de bedreigingen hebben plaatsgevonden. De rechtbank stelt op dit moment de schade op basis van de gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid vast op € 400,-.

Conclusie

De vordering wordt toegewezen tot een bedrag van € 454,50 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 september 2020. De benadeelde partij wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.

Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 5 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: afpersing] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

10.6.

Triodosbank N.V.

De benadeelde partij Triodosbank N.V. heeft een vordering tot schadevergoeding van € 750,- ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder 7 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit onderzoekskosten voor het vervaardigen van de aangifte en administratieve werkzaamheden met betrekking tot openen en sluiten van klantrelaties. De rechtbank is van oordeel – nog daargelaten of de benadeelde partij ontvankelijk is nu zich bij de stukken geen schriftelijke volmacht bevindt – dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Aangezien uit het procesdossier blijkt dat het onderzoek dat Triodosbank N.V. heeft verricht zich verder uitstrekte dan alleen de in deze zaak bewezenverklaarde feiten en het gevorderde niet is voorzien van een nadere onderbouwing, kan de rechtbank niet vaststellen of en in hoeverre de gestelde schade in rechtstreeks verband staat met de bewezenverklaarde feiten.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat Triodosbank N.V. niet ontvankelijk is in de vordering.

11 Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 30 januari 2020 in de zaak met parketnummer 15.236840.19 heeft de meervoudige strafkamer van deze rechtbank de verdachte ter zake van woninginbraak, oudermishandeling, diefstal met geweld door twee of meer verenigde personen en beschadiging van een goed veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie (3) maanden. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 19 februari 2020 aan de verdachte toegezonden.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 14 februari 2020 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering dient te worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

12 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 33, 33a, 36f, 55, 57, 138ab, 231b, 311, 317 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

13 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 6 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 tot en met 5, 7 en 8 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 5.3 weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat de onder 5.3 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 6. vermelde strafbare feiten opleveren;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van tweeënveertig (42) maanden.

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

verklaart verbeurd:

- een zwarte iPhone;

wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] geleden schade tot een bedrag van € 3.150,-, bestaande uit € 2.650,- als vergoeding voor de materiële en € 500,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 september 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.150,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 september 2020 tot aan de dag van voldoening.

Bepaalt dat gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 41 dagen bij gebreke van betaling en verhaal. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij;

wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 7] geleden schade tot een bedrag van € 1.516,97, als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 augustus 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 7] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 7] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.516,97, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 augustus 2020 tot aan de dag van voldoening.

Bepaalt dat gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 25 dagen bij gebreke van betaling en verhaal. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij;

wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 6] geleden schade tot een bedrag van € 900,-, als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 september 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 6] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 6] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 900,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 september 2020 tot aan de dag van voldoening.

Bepaalt dat gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 18 dagen bij gebreke van betaling en verhaal. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij;

wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 8] geleden schade tot een bedrag van € 700,-, als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 augustus 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 8] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 8] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 700,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2020 tot aan de dag van voldoening.

Bepaalt dat gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 14 dagen bij gebreke van betaling en verhaal. Toeppassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij;

wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 9] geleden schade tot een bedrag van € 454,50, bestaande uit € 54,50 als vergoeding voor de materiële en € 400,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 september 2020 tot aan de dag der algehele voldoening., en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, aan [slachtoffer 9] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 9] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 454,50, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 september 2020 tot aan de dag van voldoening.

Bepaalt dat gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 9 dagen bij gebreke van betaling en verhaal. Toepassing van die gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij;

verklaart de vordering van de benadeelde partij Triodosbank N.V. niet-ontvankelijk;

wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15.236840.19 en gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf voor de duur van drie (3) maanden, opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer d.d. 30 januari 2020.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.C. Smits, voorzitter,

mr. C.W.M. Giesen en mr. H. Bakker, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier D.L. Meyer,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 januari 2022.

Mr. Bakker is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.