Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2022:1016

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
09-02-2022
Datum publicatie
24-02-2022
Zaaknummer
C/15/316918 / FA RK 21-2682
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding geregistreerd partnerschap, vaststelling zorgregeling, afwijzing verzoek kinderalimentatie, afwikkeling partnerschapsvoorwaarden en verdeling eenvoudige gemeenschap. De woning wordt aan de vrouw toegedeeld tegen een niet marktconforme waarde. Om die reden wordt er een anti-speculatiebeding verbonden aan de levering van het aandeel van de man in de woning aan de vrouw met een looptijd van 5 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2022/66 met annotatie van Christoph, T.C.P., Uijterwaal, V.L.E.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd

locatie Alkmaar

zaaknummer / rekestnummer: C/15/316918 / FA RK 21-2682 en C/15/319829 / FA RK 21-4196

Beschikking d.d. 9 februari 2022 betreffende de ontbinding van het geregistreerd partnerschap

in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. F.J.J. Baars, gevestigd te Alkmaar,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. J.J.C. Engels, gevestigd te Heerhugowaard.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van de vrouw, met bijlagen, ingekomen op 4 juni 2021;

- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de man, met bijlagen, ingekomen op 30 augustus 2021;

- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek van de vrouw, met bijlagen, ingekomen op 27 september 2021;

- het bericht van de advocaat van de man, met bijlagen, ingekomen op 3 januari 2022;

- het bericht van de advocaat van de vrouw, met bijlagen, ingekomen op 7 januari 2022.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 januari 2022.

Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten.

2 De beoordeling

2.1.

Partijen zijn een geregistreerd partnerschap aangegaan op [datum] te [stad] .

2.2.

De minderjarige kinderen van partijen zijn:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag] 2014 te [geboorteplaats] , en;

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag] 2016 te [geboorteplaats] .

2.3.

Bij beschikking van 31 mei 2021 is door deze rechtbank kort gezegd, bij wijze van voorlopige voorzieningen (zaaknummer: C/15/313517 / FA RK 21-953), bepaald dat:

- de minderjarigen worden toevertrouwd aan de vrouw;

- de vrouw met ingang van 7 juni 2021, 12.00 uur, bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de gezamenlijke woning en de zich daarin bevindende inboedelgoederen aan met bevel dat de man die woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden;

- de volgende zorgregeling geldt:

*tot het moment dat de man zelfstandige woonruimte heeft geven partijen uitvoering aan een in onderling overleg te bepalen zorgregeling;

*vanaf het moment dat de man zelfstandige woonruimte heeft, verblijven de minderjarigen bij hem om de week van vrijdag uit school tot maandag naar school;

*de vakanties en bijzondere (feest)dagen worden bij helfte gedeeld, in onderling overleg nader te bepalen.

- de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen op € 92,-- per kind per maand bij vooruitbetaling te voldoen.

2.4.

Ontbinding

2.4.1.

Partijen hebben ontbinding van het geregistreerd partnerschap verzocht. Zij hebben gesteld dat het geregistreerd partnerschap duurzaam is ontwricht.

2.4.2.

Op grond van artikel 815, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid 6 Rv).

2.4.3.

Partijen hebben ter zitting het ouderschapsplan ondertekend dat eenzijdig door de vrouw is overgelegd als productie 4 bij het verweerschrift op zelfstandig verzoek, dat op 27 september 2021 is ingekomen. De afspraken met betrekking tot de zorgregeling en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna: kinderbijdrage) zijn in het ouderschapsplan doorgehaald omdat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over deze onderwerpen. De rechtbank begrijpt dat partijen verzoeken het ouderschapsplan aan te hechten aan de te wijzen beschikking.

Beide partijen zullen daarmee worden ontvangen in hun verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap. De rechtbank zal een beslissing nemen over de zorgregeling en de kinderbijdrage.

2.4.4.

Tussen partijen staat vast dat het geregistreerd partnerschap duurzaam is ontwricht. De verzoeken tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap zijn dan ook toewijsbaar.

2.5.

Verblijfplaats

2.5.1.

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij haar zal zijn.

2.5.2.

De man heeft daarmee ingestemd.

2.5.3.

De rechtbank zal conform het verzoek beslissen, nu de man met het verzoek heeft ingestemd en het verzoek op de wet is gegrond. Niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich hiertegen verzet.

2.6.

Verdeling zorg- en opvoedingstaken

2.6.1.

De man heeft verzocht een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) vast te stellen. Hij verzoekt een co-ouderschapsregeling vast te stellen waarbij de minderjarigen de ene week van vrijdag uit school tot woensdag naar school en de andere week van zondagmiddag 13.00 uur tot woensdagochtend 07.00 uur bij de man zullen verblijven, alsmede de helft van de vakanties.

2.6.2.

Ten tijde van de voorlopige voorzieningenprocedure heeft de man ingestemd met de regeling zoals deze nu is met idee dat dit slechts tijdelijk zou zijn. Volgens de man verloopt de huidige regeling goed, maar nu hij over eigen woonruimte in [woonplaats] beschikt - op om en nabij drie kilometer afstand van de vrouw - en tijdens het geregistreerd partnerschap veel zorgtaken op zich heeft genomen, zou hij graag zien dat de kinderen vaker bij hem verblijven. De man wenst een grotere en gelijkwaardige vaderrol in het leven van de kinderen te spelen dan hij op dit moment doet.

Dat heeft niets te maken met financiële aspecten zoals door de vrouw wordt gesuggereerd. Bovendien regelt de vrouw ook oppas op momenten dat de kinderen bij de man zouden kunnen verblijven.

2.6.3.

De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen voormeld verzoek van de man. Zij acht de volgende zorgregeling, die naar de rechtbank begrijpt ook thans zo wordt uitgevoerd, in het belang van de kinderen, waarbij de kinderen bij de man verblijven:

  • -

    om het weekend van vrijdagavond tot maandagochtend, tijdstippen in nader overleg vast te stellen;

  • -

    vakanties: in beginsel bij helfte in onderling overleg vast te stellen.

De vrouw heeft een voorstel gedaan voor de invulling van de vakantiedagen en de vrije dagen in 2022. Dit voorstel heeft zij als productie 16 in het geding gebracht.

2.6.4.

De vrouw stelt dat er op dit moment tussen partijen nagenoeg geen discussies meer zijn en er een traject is gestart via Jeugd en Gezin, genaamd “samen in spel”. De vrouw heeft een gezinsplan van 21 juli 2021 overgelegd. In dit plan is een overzicht van de recente gezinsgeschiedenis gegeven en de visie van beide ouders en er is geconcludeerd dat er rust moet komen, aldus de advocaat van de vrouw. De kinderen zijn uit een thuissituatie gekomen waarbij partijen grote conflicten uitvochten waar de kinderen veel van meekregen; zij zijn dat nog niet vergeten. De kinderen zijn inmiddels in een rustige en regelmatige periode gekomen en dat doet hen goed. Waar [de minderjarige 2] eerder driftbuien had en [de minderjarige 1] veel wakker lag, gaat dat nu een stuk beter. [de minderjarige 2] heeft geen driftbuien meer en [de minderjarige 1] slaapt goed. Het zijn blije kinderen. De vrouw wil dat niet verstoren en wenst de huidige vaste structuur te laten bestaan. Een zorgregeling zoals de man die wenst acht de vrouw dan ook niet in het belang van de kinderen. De vrouw heeft aangegeven dat zij in de toekomst mogelijk wel open staat voor een uitbreiding van de zorgregeling.

Voorts stelt de vrouw dat de man de kinderen met zijn eigen wensen belast en dat het standpunt dat de man inneemt ten aanzien van de gezamenlijke woning, namelijk dat deze verkocht dient te worden aan een derde, onrust met zich brengt.

2.6.5.

Ook stelt de vrouw dat zij alle zorg had tijdens de kinderen gedurende de samenwoning van partijen. Voorts heeft de man vanwege zijn werk of nog te vinden werk de gelegenheid niet om voor 50% voor de kinderen te zorgen. Voorts draagt hij vele avonden de (mantel)zorg voor een tante. De vrouw daarentegen heeft een werkkring in de zorg en kan haar werkschema aanpassen aan de organisatie thuis. Zij heeft op eigen kosten voorschoolse opvang op de maandag en dinsdag geregeld omdat zij die dagen tot 15.00 uur werkt om daarna de kinderen uit school te halen. In de weekenden dat de kinderen bij de man zijn werkt zij ook en verder is zij beschikbaar voor de kinderen.

Desgevraagd heeft de vrouw aangegeven dat, in het geval er een uitbreiding van de zorgregeling zou moeten plaatsvinden, zij de voorkeur geeft aan een uitbreiding aan het einde van de week, zijnde aan de voorkant van het weekend.

2.6.6.

De man heeft ter zitting gesteld dat hij gedurende het partnerschap een grote vaderrol heeft gehad, onder andere omdat hij vanwege een revalidatietraject, na een ongeluk op zijn voormalige werk, lang veel thuis is geweest. Hij heeft in die periode dagelijks voor [de minderjarige 1] gezorgd waardoor de vrouw elke dag kon werken en volledig inzetbaar was.

Hij wenst een grotere rol in het leven van de kinderen te spelen dan sinds het feitelijk uiteengaan van partijen het geval is. Hij heeft aangegeven niet alleen in de weekenden met de kinderen te willen zijn, maar ook door de week. Hij wil betrokken zijn bij hun schoolgang, ook omdat hij voorzitter is van de ouderraad van de school. In de weekenden zijn de kinderen dermate druk met onder andere sport dat er nog maar weinig tijd overblijft om zijn vaderrol in te vullen. De essentiële dingen zoals helpen met school kan de man voor zijn gevoel niet doen in het korte tijdsbestek dat hij de kinderen nu ziet.

De man stelt dat hij op dit moment volledig werkzaam is maar veel thuis werkt en dat ook hij zijn werkzaamheden kan afstemmen op de kinderen. De man stelt dat hij per 1 april 2022 geen baan meer heeft en dat via [uitzendbureau] een opleiding voor hem is aangevraagd. Als deze is afgerond, verwacht hij werk te kunnen zoeken dat (ook) goed te combineren is met een uitgebreide zorg voor de kinderen. De man heeft een voorkeur voor een uitbreiding van de zorgregeling naar de maandag en dinsdag.

2.6.7.

Ten aanzien van het voorstel van de vrouw met betrekking tot de vakanties en vrije dagen heeft de man aangegeven zich daarin grotendeels te kunnen vinden. Hij zou graag een andere indeling van de zomervakantie zien, in die zin dat hij de kinderen graag drie in plaats van twee weken achtereen bij zich zou hebben. Ook zou hij in het voorstel de voorjaarsvakantie en de meivakantie graag omgedraaid zien, omdat zijn werk in het voorjaar erg druk is. Ter zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over de verdeling van de vakanties en vrije dagen. De rechtbank zal deze als hierna gemeld vaststellen.

2.6.8.

Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting verhandeld neemt de rechtbank aan dat beide ouders een substantiële zorgrol voor de minderjarigen - van jongs af aan - hebben vervuld. De man wenst een grotere vaderrol te vervullen dan hij tot nu toe sinds het uiteengaan van partijen heeft verkregen. Ter zitting is gebleken dat zowel de man als de vrouw zo min mogelijk overdrachtsmomenten wensen in het belang van de minderjarigen omdat zij moeite hebben met de overgang van de ene naar de andere ouder. Voor het overige verloopt de huidige regeling al geruime tijd goed.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de huidige zorgregeling voor de man te beperkt is en dat deze ruimer dient te worden vastgesteld. Een volledig co-ouderschap zoals de man wenst, levert naar het oordeel een te grote breuk op met de huidige zorgregeling. De rechtbank zal de regeling uitbreiden op een wijze die bij de huidige regeling aansluit maar waarbij een grotere rol voor de man is weggelegd, omdat hij heeft aangegeven dit met zijn huidige en toekomstige werk te kunnen organiseren. De rechtbank begrijpt dat de ouders het erover eens zijn dat een los moment tussendoor waarop de minderjarigen bij de man verblijven niet wenselijk is. Een uitbreiding aan het einde van de schoolweek ziet de rechtbank als het meest passend, omdat de moeder op maandag en dinsdag vanaf 15.00 uur beschikbaar is. De rechtbank zal de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen zoals hierna gemeld, omdat zij deze in het belang van de kinderen acht.

2.7.

Onderhoudsbijdrage

2.7.1.

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man een bedrag van € 150,-- per kind per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna: kinderbijdrage) aan haar dient te voldoen, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie zal kunnen vaststellen.

2.7.2.

De man heeft verweer gevoerd. Hij verzoekt de rechtbank het verzoek van de vrouw af te wijzen.

2.7.3.

De rechtbank rondt in haar beoordeling bedragen telkens op hele euro’s af.

Behoefte

2.7.4.

De rechtbank stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de naar 1 januari 2021 geïndexeerde behoefte van de kinderen € 489,-- per kind per maand bedraagt. Deze behoefte neemt de rechtbank dan ook als uitgangspunt.

Draagkracht van partijen

2.7.5.

De rechtbank moet vervolgens beoordelen of partijen over voldoende draagkracht beschikken om elk hun aandeel in deze behoefte te kunnen betalen.

2.7.6.

Het bedrag aan draagkracht wordt volgens de richtlijn, zoals vermeld in het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen (hierna: Tremarapport) van 2021, vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 1.000]. Deze benadering houdt in dat op het NBI 30% in mindering wordt gebracht in verband met forfaitaire woonlasten, dat rekening wordt gehouden met een bedrag van € 1.000,-- aan overige lasten en dat wordt uitgegaan van een draagkrachtpercentage van 70. Voor inkomens beneden een NBI van € 1.700,-- zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.

2.7.7.

Het netto besteedbaar inkomen (NBI) bestaat uit het bruto inkomen uit arbeid, uitkering en/of vermogen, verminderd met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn, waarbij tevens de relevante heffingskortingen in aanmerking worden genomen. Ook worden hierbij de netto uitgaven voor inkomensvoorzieningen, zoals de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering, in aanmerking genomen. Geen rekening wordt gehouden met de fiscale gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning en de bijtelling vanwege een auto van de zaak. Het NBI wordt vermeerderd met het kindgebonden budget waarop recht bestaat.

2.7.8.

De rechtbank ziet aanleiding om de berekening zoals door de vrouw overgelegd als productie 25, uitgezonderd de zorgkorting, te volgen nu de man zich daartegen niet, althans onvoldoende, heeft verweerd en door de man geen berekening is ingebracht.

De cijfers zoals opgenomen in de berekening van de vrouw komen overeen met de cumulatieven zoals opgenomen in de stukken die in de procedure zijn overgelegd en ter zitting zijn besproken.

2.7.9.

Bij de man wordt rekening gehouden met een bruto jaarinkomen van € 29.358,-‑. Uitgaande van deze inkomsten en rekening houdend met de aanspraak van de man op de algemene heffingskorting en arbeidskorting bedraagt zijn NBI € 2.071,-- per maand. Op grond van de draagkrachtformule bedraagt zijn draagkracht dan € 315,-- per maand.

2.7.10.

De vrouw is in loondienst werkzaam bij [organisatie] . Uitgaande van haar cumulatieve jaarloon, zoals ook bij de man als uitgangspunt is genomen, bedraagt haar bruto jaarinkomen € 34.777,--. Verder ontvangt de vrouw kindgebonden budget. Uitgaande van deze inkomsten en rekening houdend met de aanspraak van de vrouw op de algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting bedraagt haar NBI € 2.969,-- per maand. Op grond van de draagkrachtformule bedraagt haar draagkracht dan € 755,-- per maand.

2.7.11.

De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt (315 + 755) = € 1.070,-- te weten € 535,-- per kind per maand. Dit bedrag overschrijdt de behoefte van de kinderen van
€ 489,-- per kind per maand en daarom is er aanleiding om een draagkrachtvergelijking te maken. De verdeling van de kosten van de kinderen over partijen wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:

Het eigen aandeel van de man bedraagt: 315 : 1.070 x 489 = € 144,-- per kind per maand.

Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 755 : 1.070 x 489 = € 345,-- per kind per maand.

Zorgkorting

2.7.12.

Op het berekende aandeel dient de zorgkorting in mindering te worden gebracht. De man heeft aangevoerd dat uit dient te worden gegaan van een zorgkorting van 50%. De vrouw is in haar berekening uitgegaan van een zorgkorting van 15%.

De rechtbank volgt ook in dit opzicht het Tremarapport, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid omgang of zorg. Nu de man op grond van de door de rechtbank vast te stellen zorgregeling gemiddeld drie dag(en) per week de zorg heeft voor de kinderen, geldt een percentage van 35%.

2.7.13.

Omdat de behoefte € 489,-- per kind per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 171,-- per kind per maand. De man wordt geacht dit bedrag minimaal te besteden aan de kinderen bij de uitoefening van zijn zorgtaken.

Nu de berekende zorgkorting uitstijgt boven het berekende aandeel en tevens boven de berekende draagkracht van de man, komt de rechtbank tot de conclusie dat de man na aftrek van de zorgkorting geen ruimte over heeft om een kinderbijdrage aan de vrouw te betalen.

Conclusie

2.7.14.

Alleen al om deze reden wijst de rechtbank het verzoek van de vrouw om een kinderbijdrage ten laste van de man vast te stellen af. De rechtbank behoeft zich daarom niet uit te laten over de stelling van de man dat er schulden zijn die op zijn draagkracht drukken en het beroep van de man op de in paragraaf 7.3 van het Trema-rapport opgenomen aanvaardbaarheidstoets.

2.8.

Afwikkeling partnerschapsvoorwaarden

2.8.1.

Beide partijen hebben verzocht een voorziening te treffen ter afwikkeling van de partnerschapsvoorwaarden van partijen.

2.8.2.

Partijen zijn op [datum] te [stad] een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan onder het maken van partnerschapsvoorwaarden.

Deze partnerschapsvoorwaarden houden - kort gezegd en voor zover thans van belang - in:

  • -

    uitsluiting van elke gemeenschap;

  • -

    vergoedingsrechten bij onttrekking vermogen van partner ten behoeve van vermogen van andere partner:

  • -

    verdeling kosten huishouding naar evenredigheid van inkomen (en zo nodig vermogen) en recht tot terugvordering wegens overbetaling.

Eenvoudige gemeenschap

2.8.3.

Vaststaat dat de volgende goederen gemeenschappelijk eigendom van partijen zijn:

a. de gezamenlijke woning aan het adres [het adres] , alsmede de bijbehorende hypothecaire lening bij [naam bank] onder nummer [leningnummer] ;

b. de inboedel.

Deze eenvoudige gemeenschap dient te worden verdeeld.

Peildatum

2.8.4.

Als peildatum voor het bepalen van de omvang van de ontbonden gemeenschap heeft te gelden de datum van indiening van het verzoekschrift tot ontbinding van het partnerschap, te weten 4 juni 2021. De omvang van de gemeenschap is hiervoor onder 2.8.3. weergegeven.

2.8.5.

Nu niet gebleken is dat partijen anders zijn overeengekomen, geldt de datum van feitelijke verdeling voor de waardering van de eenvoudige gemeenschap voor zover partijen daar geen andere afspraken over maken.

2.8.6.

De rechtbank zal hierna de diverse posten behandelen. Uitsluitend de activa komen voor verdeling in aanmerking. Daarbij wordt opgemerkt dat voor zover partijen op onderdelen overeenstemming over de (wijze van) verdeling hebben bereikt, er geen wettelijke grondslag is voor een rechterlijke beslissing over de verdeling.

ad a. de echtelijke woning aan [het adres] , alsmede de bijbehorende hypothecaire lening bij [naam bank] onder nummer [leningnummer]

2.8.7.

De vrouw wenst de gezamenlijke woning over te nemen. Zij stelt dat de hypothecaire geldlening op 1 januari 2021 € 160.609,-- bedroeg. Voor partijen is de taxatiewaarde van de woning - op grond van een niet overgelegd taxatierapport van [naam makelaars] - per opnamedatum van 25 mei 2021 van € 312.000,-- als vastgestelde marktwaarde bij vrije oplevering een gegeven. Nu voormeld rapport inmiddels ruim een half jaar oud is en de prijzen op de woningmarkt sindsdien enorm zijn gestegen, is de man van mening dat met enige verhoging van de waarde van de woning rekening dient te worden gehouden. Hij stemt derhalve niet in met toedeling van de woning aan de vrouw voor een bedrag van € 312.000,-‑. De man acht het voorts van belang dat de vrouw gebruik maakt van de Nationale Hypotheek Garantie.

2.8.8.

De vrouw ziet in de overname van de woning door haar een groot belang voor de kinderen. De man heeft ter zitting te kennen gegeven deze mening ook te zijn toegedaan en daaraan - tot bepaalde hoogte - mee te willen werken.

De rechtbank verwerpt de primaire stelling van de vrouw dat de man in het verweerschrift onvoorwaardelijk heeft ingestemd met toedeling van de woning aan de vrouw tegen een waarde van € 312.000,--. In het verweerschrift heeft de man er weliswaar mee ingestemd dat de woning een taxatiewaarde heeft conform het taxatierapport, maar ook gesteld dat de woning moet worden verkocht aan een derde. Daarmee heeft de man naar het oordeel van de rechtbank tot uitdrukking gebracht dat de woning tegen marktwaarde zou moeten worden verkocht.

Om die reden zal de rechtbank uitgaan van hetgeen partijen ter zitting subsidiair zijn overeengekomen, te weten dat de vrouw de woning mag overnemen tegen een waarde van € 325.000,-- en dat de man recht heeft op de helft van de overwaarde na aftrek van de hypothecaire geldlening en kosten van de levering aan de vrouw per datum overdracht. De rechtbank begrijpt dat de man slechts met het voorgaande instemt onder de voorwaarde dat een anti-speculatiebeding van toepassing zal zijn, inhoudende dat in het geval de vrouw binnen vijf jaren na levering van deze woning voor voormelde prijs, de woning verkoopt tegen een hogere prijs de man voor een bepaald percentage zal meedelen in de meerwaarde. De vrouw heeft zich hiertegen verzet omdat zij meent dat daarvoor geen wettelijke grondslag bestaat, maar gesteld ermee te kunnen instemmen als de rechtbank meent dat die grondslag er wel is.

2.8.9.

Ten aanzien van het door de man gewenste anti-speculatiebeding overweegt de rechtbank, mede onder verwijzing naar het arrest van het gerechtshof Den Haag van 14 februari 2017 (ECLI:NL:GHDHA:2017:736), als volgt.

Als de rechter conform artikel 3:185 BW de verdeling moet vaststellen, kan de rechter de gemeenschap verdelen naar de omvang en samenstelling per datum ontbinding van de gemeenschap (in dit geval 4 juni 2021) en dient de rechter in beginsel de gemeenschap in zijn geheel te verdelen. Uitgangspunt is dat bij de bepaling van de waarde van de bestanddelen van de gemeenschap wordt uitgegaan van de waarde ten tijde van de feitelijke verdeling (te weten de datum van de zitting dan wel beschikking). De rechtsrelatie tussen expartners wordt mede beheerst door de redelijkheid en billijkheid. Wat redelijk en billijk is, is afhankelijk van alle feiten en omstandigheden van het betreffende geval.

Uit voornoemd arrest leidt de rechtbank af dat het opnemen van een anti-speculatiebeding in het kader van de verdeling redelijk en billijk wordt geacht, indien één van de deelgenoten een bestanddeel krijgt toegedeeld tegen een waarde die lager is dan de waarde in het vrije economische verkeer.

Uit het arrest van het gerechtshof Den Haag van 21 maart 2018 (ECLI:NL:GHDHA:2018:3403) leidt de rechtbank af dat er geen plaats is voor het opnemen van een anti-speculatiebeding in het kader van de verdeling, indien voor de waardering van de woning wordt aangeknoopt bij de actuele waarde in het economische verkeer.

Met de man is de rechtbank van oordeel dat er een gerede kans is dat de woning van partijen bij verkoop aan een derde thans aanzienlijk meer zal opbrengen dan de taxatiewaarde van € 312.000,-- per 25 mei 2021. De toedeling van de woning aan de vrouw tegen een waarde van € 325.000,-- geschiedt naar het oordeel van de rechtbank tegen een waarde die lager is

dan de actuele waarde in het vrije economische verkeer, waarin overbieden tegenwoordig eerder regel dan uitzondering is. De man stemt in met deze relatief lage waarde omdat hij het de vrouw en de kinderen gunt om in de woning te kunnen blijven wonen, maar hij wil er zelf niet teveel bij inschieten. Als de vrouw de woning binnen een bepaalde periode aan derden zou verkopen, wil de man alsnog meedelen in de alsdan te realiseren winst.

Gezien deze situatie is de rechtbank van oordeel dat het redelijk en billijk is om het door de man verzochte anti-speculatiebeding met een looptijd van 5 jaar te verbinden aan de toedeling van de woning aan de vrouw. De wettelijke grondslag hiervoor wordt volgens de rechtbank gevormd door de redelijkheid en billijkheid die rechtsrelatie tussen expartners mede beheerst.

2.8.10.

Gezien hetgeen over en weer door partijen gesteld is, zal de rechtbank bepalen dat de gezamenlijke woning aan de vrouw wordt toebedeeld tegen een waarde van € 325.000,--, onder de voorwaarde dat zij uiterlijk 9 mei 2022 ervoor dient zorg te dragen dat de man wordt ontslagen uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening, met de bepaling dat aan hem de helft van de overwaarde van de woning wordt uitgekeerd, met dien verstande dat een anti-speculatiebeding moet worden opgenomen in de leveringsakte inhoudende dat indien de vrouw:

  • -

    de woning binnen een jaar na de overdracht aan de vrouw aan een derde verkoopt en dit meer opbrengt dan € 325.000,--, zij de helft van het positieve verschil tussen de verkoopprijs en het bedrag van € 325.000,-- aan de man dient te vergoeden;

  • -

    de woning binnen het tweede jaar na de overdracht aan de vrouw aan een derde verkoopt en dit meer opbrengt dan € 325.000,--, zij 40% van het positieve verschil tussen de verkoopprijs en het bedrag van € 325.000,‑- aan de man dient te vergoeden;

  • -

    de woning binnen het derde jaar na de overdracht aan de vrouw aan een derde verkoopt en dit meer opbrengt dan € 325.000,--, zij 30% van het positieve verschil tussen de verkoopprijs en het bedrag van € 325.000,-- aan de man dient te vergoeden;

  • -

    de woning binnen het vierde jaar na de overdracht aan de vrouw aan een derde verkoopt en dit meer opbrengt dan € 325.000,--, zij 20% van het positieve verschil tussen de verkoopprijs en het bedrag van € 325.000,‑- aan de man dient te vergoeden;

  • -

    de woning binnen het vijfde jaar na de overdracht aan de vrouw aan een derde verkoopt en dit meer opbrengt dan € 325.000,--, zij 10% van het positieve verschil tussen de verkoopprijs en het bedrag van € 325.000,-- aan de man dient te vergoeden.

2.8.11.

Indien de vrouw er niet in slaagt om het aandeel van de man in de woning over te nemen en hem te laten ontslaan uit zijn aansprakelijkheid voor de aan de woning verbonden hypothecaire lening, zal de woning dienen te worden verkocht en geleverd aan een derde.

2.8.12.

In geval van verkoop van de woning aan een derde, dienen partijen binnen vier weken na 9 mei 2022, derhalve uiterlijk 6 juni 2022, een gezamenlijke opdracht te geven tot verkoop aan een makelaar in onroerend goed. Indien partijen niet uiterlijk op 6 juni 2022 gezamenlijk opdracht hebben gegeven tot verkoop, is ieder van partijen afzonderlijk bevoegd makelaar Hoekstra en Van Eck Makelaars te [plaats] , dan wel een in onderling overleg aan te wijzen andere makelaar, opdracht tot verkoop te geven.

2.8.13.

Partijen zullen in onderling overleg met de makelaar de vraagprijs bepalen. Indien partijen er niet binnen twee weken na de opdrachtverlening in slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, zal de makelaar de woning te koop aanbieden tegen een marktconforme vraagprijs.

2.8.14.

Voorts zullen partijen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt, indien en voor zover die prijs volgens beide partijen de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, dan zal de makelaar dit naar beste weten kunnen bepalen.

2.8.15.

Beide partijen zijn gehouden - indien en voor zover de vrouw de woning niet binnen de daarvoor gestelde termijn kan overnemen - aan deze verkoop en de daaropvolgende overdracht mee te werken. Ieder der partijen is gehouden de helft van de kosten van taxatie, de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen. Daarbij verwerpt de rechtbank het betoog van de man dat de kosten voor rekening van de vrouw zouden moeten komen omdat hij zich in financieel opzicht inschikkelijk heeft opgesteld. Het overdragen van (het aandeel van de man in) de woning aan de vrouw of een derde en het ontslaan van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening, zijn immers ook in het belang van de man. Bovendien wordt ten bate van de man een antispeculatieding verbonden aan de levering van de woning aan de vrouw.

2.8.16.

Na verkoop en overdracht van de woning wordt de verkoopopbrengst, na aflossing van de aan de woning verbonden hypothecaire lening en voldoening van de aan de verkoop verbonden kosten, gelijkelijk tussen partijen verdeeld, dan wel zal ieder van partijen de helft van de restschuld als eigen schuld dragen en voldoen.

Ad b. de inboedel

2.8.17.

De man heeft een lijst met een opsomming van inboedelgoederen overgelegd. Hij stelt primair dat hij deze toegedeeld zou willen krijgen en subsidiair dat de vrouw dient over te gaan tot betaling van de helft van de waarde van deze goederen van de man, naar schatting van de man een bedrag van € 4.000,--. De man heeft vervolgens ook een voorstel voor verdeling van de inboedel overgelegd.

2.8.18.

De vrouw voert gemotiveerd verweer. Zij stelt dat deze vordering van de man dient te worden afgewezen. De vrouw stelt dat er geen rechtsgrond is voor toewijzing van een vergoeding wegens vermeende ongelijke verdeling van onroerende zaken. Zij stelt dat partijen de inboedel al hebben verdeeld en legt een geaccordeerde lijst over. Zij stelt dat de op de lijst gearceerde zaken door de man zijn meegenomen en partijen het verder zo hebben gelaten.

2.8.19.

Aangezien partijen het niet volledig eens zijn geworden over de verdeling van de inboedel en vordering in geld wegens overbedeling bij de verdeling van de inboedel wettelijke grondslag mist, ziet de rechtbank zich genoodzaakt de wijze van verdeling van de inboedelgoederen te bepalen en wel op de volgende wijze. Partijen dienen een lijst op te stellen van alle inboedelgoederen die moeten worden verdeeld. Door middel van het gooien met een dobbelsteen wordt bepaald wie begint met kiezen (wie het hoogste gooit, mag als eerste kiezen) en vervolgens kiezen partijen om en om een inboedelgoed, een en ander zonder nadere verrekening.

Uiteraard staat het partijen vrij om in gezamenlijk overleg de inboedel volgens een andere methode te verdelen.

Ter zitting is besproken dat de fiets en de laptop van [naam] door de man bij de vrouw zullen worden opgehaald.

Vergoedingsvorderingen

2.8.20.

De vrouw verzoekt de rechtbank om als vergoeding voor de vrouw ten laste van de gemeenschap vast te stellen het bedrag van € 56.763,19, welk bedrag zij ter zitting heeft verhoogd.

Zij verzoekt voorts om als vergoeding voor de vrouw ten laste van de man vast te stellen het bedrag van € 4.070,30.

Voorts verzoekt de vrouw om het aan haar toekomende bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 juni 2021, te weten de datum dat de man conform de beslissing voorlopige voorzieningen de woning van partijen diende te verlaten, althans een in goede justitie te bepalen datum, althans een vergoeding te bepalen die de rechtbank in goede justitie voorkomt.

2.8.21.

De vrouw stelt een vergoedingsvordering te hebben die samenhangt met:

  1. haar investering in de kosten van de woning, aflossingen, aankoopsom en tuinaanleg;

  2. haar vordering wegens teveel betaalde kosten van de gemeenschappelijke huishouding.

Investering kosten woning:

Aflossingen

2.8.22.

De vrouw heeft ten aanzien van de hypothecaire aflossingen gesteld dat zij jaarlijks voor eigen rekening aflossingen heeft voldaan. Zij stelt over 2016 – 2021 in totaal € 16.177,07 te hebben afgelost en zij verwijst daartoe naar de door haar overgelegde productie 9. Zij heeft de beleggingsleer op deze aflossingen toegepast. Ter zitting heeft de vrouw deze vordering aangevuld met een bedrag van € 5.332,40, bestaande uit de hypothecaire aflossingen (8 x € 666,55) die zij vanaf het moment van indiening van het verzoekschrift nog heeft gedaan.

De man heeft betwist dat de aflossingen in zijn geheel door de vrouw zijn gedaan. Hij heeft aangevoerd dat hij geld stortte op de rekening van de vrouw, dat zij daarvan de aflossingen heeft voldaan en dat hij op deze wijze heeft meebetaald.

De rechtbank overweegt als volgt. In de partnerschapsvoorwaarden is elke gemeenschap uitgesloten en is voorts opgenomen dat de aflossingen niet tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding behoren. Ten aanzien van de aflossingen acht de rechtbank het aannemelijk dat de vrouw alle gestelde aflossingen heeft gedaan. De vrouw heeft haar vordering deugdelijk onderbouwd met bewijsstukken. Zij heeft onweersproken gesteld en met bewijsstukken aangetoond dat de aflossingen van haar bankrekening werden betaald en voorts was de vrouw de meest verdienende partner.

De man heeft geen producties overgelegd waaruit blijkt dat hij heeft meebetaald aan de aflossingen. De man heeft nagelaten zijn stellingen met bewijsstukken te onderbouwen, zodat de rechtbank die stellingen als onvoldoende onderbouwd verwerpt.

De rechtbank zal de vordering van de vrouw dan ook toewijzen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw dan ook recht op vergoeding van het door haar berekende bedrag van € 16.777,07 + € 5.332,40 = € 22.109,47. De man heeft zich niet verweerd tegen toepassing van de beleggingsleer, die naar het oordeel van de rechtbank op grond van artikel 4, vierde lid, van de partnerschapsvoorwaarden ook op dit bedrag moet worden toegepast.

Aankoopsom

2.8.23.

De vrouw heeft onbetwist gesteld dat partijen hun woning op 22 juni 2016 hebben aangekocht voor een prijs van € 195.000,-- en dat aan de notaris uit eigen middelen een aanbetaling van € 23.076,72 diende te worden betaald.

De vrouw stelt dat zij dit bedrag beschikbaar heeft gesteld. Zij heeft daarvoor van haar stiefmoeder mw. J. Tot een bedrag van € 17.000,-- geleend. De vrouw stelt dat zij deze lening nog steeds terugbetaalt en dat het restantbedrag nu nog circa € 4.500,-- is. Het bedrag van € 17.000,-- heeft zij in cash aan de man overhandigd en vervolgens is het door de man aangewend voor de aanbetaling aan de notaris, hetgeen per bank is gegaan. Daarnaast heeft de vrouw via een overschrijving van een bedrag van € 6.800,-- van haar bankrekening naar de bankrekening van de man voor een ander deel van het te betalen bedrag gezorgd. Zij heeft een bedrag van € 453,90 teruggekregen van de notaris.

De vrouw vordert gemakshalve het bedrag van € 17.000,-- terug als vergoedingsrecht en past daarop de beleggingsleer toe.

2.8.24.

De man heeft de stellingen van de vrouw betwist en gesteld dat hij het bedrag van € 23.076,72 uit eigen middelen heeft geïnvesteerd in de woning door overboeking van dit bedrag vanaf zijn bankrekening naar de notaris als aanbetaling voor de aankoop van de woning. Hij overlegt een bankafschrift ter onderbouwing van deze stelling. Hij stelt dat hij een deel van de op enig moment door hem ontvangen letselschade-uitkering hiervoor heeft aangewend. Hij is van mening dat de vrouw het bedrag aan hem schuldig is en dat de beleggingsleer op zijn vordering dient te worden toegepast.

2.8.25.

De vrouw verweert zich tegen deze stelling van de man. Volgens de vrouw was de letselschade-uitkering al verbruikt toen de woning door partijen werd gekocht. Ter onderbouwing van haar stelling dat zij uit eigen middelen bij aankoop een bedrag van € 17.000,-- heeft ingebracht legt de vrouw meerdere producties over, waaronder een afschrift van de lening van mevrouw J. Tot waarop met pen is geschreven “nog 6.500 uit het spaarpotje”, alsmede een overzicht van bankafschrijvingen betreffende afbetalingen op voormelde lening waaruit blijkt dat zij nog steeds op deze lening aflost. Ook legt zij een bankafschrift over waaruit blijkt dat zij een bedrag van € 6.800,-- op de bankrekening van de man heeft gestort.

2.8.26.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw een plausibel verhaal heeft geponeerd over de herkomst van het geld. Haar verhaal is onderbouwd met onder andere een verklaring van de stiefzus en bewijsstukken van afbetaling van de geldlening. Haar verhaal over het beschikbaar stellen van een groot bedrag in cash wordt ondersteund door een storting van € 10.000,-- op de rekening van de man op 15 april 2016 (productie 7 van de man) en maandelijkse afbetalingen van de vrouw aan J. Tot per 1 mei 2016. Ook heeft zij aangetoond dat zij op 21 maart 2016 een bedrag van € 6.800,-- aan de man heeft overgemaakt ten behoeve van de aanbetaling voor de notaris.

De man heeft enkel een bankafschrift in de procedure gebracht dat ziet op het overmaken van het bedrag van € 23.076,72 aan de notaris op 16 juni 2016. De man heeft nagelaten om bankafschriften in het geding te brengen die blijk geven van de geldstromen die voor die tijd hebben plaatsgevonden, waaruit een andere herkomst van het bedrag van € 23.076,72 zou kunnen blijken dan de vrouw heeft gesteld.

De man heeft zijn stellingen daarmee onvoldoende onderbouwd. De vrouw daarentegen heeft haar stellingen voor zover mogelijk wel deugdelijk onderbouwd en de man heeft deze naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende weersproken, laat staan weerlegd. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de man niet heeft aangetoond dat het anders is gegaan dan door de vrouw gesteld.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat de vrouw voldoende heeft aangetoond dat zij € 17.000,-- in de woning heeft geïnvesteerd en zal – conform de partnerschapsvoorwaarden – de beleggingsleer toepassen bij het vaststellen van haar vordering.

Tuinaanleg

2.8.27.

De vrouw stelt verder dat zij kosten voor het opknappen van de tuin heeft gemaakt. Zij heeft aangevoerd dat het gaat om een bedrag van € 2.300,--, waarvan een bedrag van € 1.100,-- contant is betaald. De man heeft zich hiertegen verweerd.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat bovenvermelde bedragen dienen te worden vergoed met inachtneming van een vergoeding op basis van de beleggingsleer. Nu de vrouw de betaling van het bedrag € 1.211,51 met bewijsstukken heeft aangetoond, onder onvoldoende betwisting door de man, zal de rechtbank deze vordering toewijzen ter hoogte van een bedrag van € 1.211,51. Voor het overige (de contante betaling) heeft de vrouw haar vordering niet met bewijsstukken onderbouwd en de vordering wordt dan ook, gezien de weerspreking door de man, voor dit deel afgewezen.

De rechtbank zal de beleggingsleer ook op deze vordering van de vrouw – conform de partnerschapsvoorwaarden – toepassen, nu dit volgt uit de partnerschapsvoorwaarden en de man zich daartegen niet heeft verweerd.

2.8.28.

De vrouw heeft ter zitting onbetwist gesteld dat nu de waarde van de woning door partijen op € 325.000,-- wordt gesteld, haar berekening op dat punt dient te worden aangepast nu de vrouw ook in de afgelopen periode de hypothecaire aflossingen voor de woning heeft voldaan. De man heeft hiertegen geen verweer gevoerd.

Vaststelling vergoedingsrecht en wettelijke rente

2.8.29.

De rechtbank zal - conform het bovenstaande - met aangepaste bedragen een berekening maken op dezelfde wijze als de vrouw heeft gedaan, nu de man zich niet tegen de wijze van berekenen heeft verweerd.

De rechtbank berekent het vergoedingsrecht van de vrouw als volgt:

€ 22.109,47 + € 17.000,-- + € 1.211,51 = € 40.320,98 / € 195.000,-- x € 325.000,-- = € 67.201,62.

De rechtbank zal bepalen dat dit bedrag uiterlijk dient te worden voldaan op de datum van levering van (het aandeel van de man in) de woning aan de vrouw dan wel een derde, omdat van de man niet verwacht kan worden dat hij dit aanzienlijke bedrag eerder kan voldoen. Nu het vergoedingsrecht pas dan opeisbaar wordt en aannemelijk is dat het bedrag ook dan zal worden voldaan, wijst de rechtbank het verzoek van de vrouw om het bedrag te vermeerderen de wettelijke rente af.

Teveel betaalde kosten van de gemeenschappelijke huishouding

Vergoedingen overig door de man te betalen

2.8.30.

De vrouw baseert deze vordering op artikel 7 lid 4 van de partnerschapsvoorwaarden. De vrouw berekent de verhouding van de inkomens van partijen als 37% man - 63% vrouw op basis van de inkomen in 2019 (man: € 21.830, vrouw € 35.953,--), welke verhouding in 2020 en 2021 volgens de vrouw niet veranderd is.

De vrouw stelt dat de hypotheekrente die betaald is in 2020 € 3.182,-- bedraagt en over 2021 een bedrag van € 1.500,-- bedraagt. Aldus is volgens de vrouw door haar een bedrag van € 4.682,-- betaald, welk bedrag behoort tot kosten van de huishouding. Zij diende 63% van dit bedrag voor haar rekening te nemen, zodat de man haar dient te vergoeden 37% van dit bedrag, zijnde € 1.545,--.

Voorts wil de vrouw een bedrag van € 2.525,30 gerestitueerd zien dat zij in 2019 aan de man heeft overgemaakt om een roodstand weg te werken, welke stelling zij onderbouwt met de door haar overgelegde productie 14.

In totaal betreft deze vordering van de vrouw een bedrag van (1.545 + 2.525,30=) € 4.070,30 dat de man aan de vrouw dient te vergoeden.

2.8.31.

De man heeft de onderhavige vordering van de vrouw niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist.

Ten aanzien van de roodstand heeft de man gesteld dat de stelling van de vrouw onjuist is. Deze roodstand kwam volgens de man voort uit een betaling voor een vakantie van partijen. Nu de rechtbank het op basis van de zitting aannemelijk acht dat van de rekening van de vrouw nagenoeg alle kosten van partijen werden betaald en nu zij met haar productie 14 heeft aangetoond dat zij voormeld bedrag van € 2.525,30 op 5 januari 2019 eerst op haar bankrekening heeft gestort en op dezelfde dag heeft doorgestort naar de bankrekening van de man, acht de rechtbank het, gezien de minimale betwisting door de man die ook niets anders heeft aangetoond, door de vrouw gestelde op dit punt aannemelijk.

De rechtbank zal deze vordering van de vrouw gezien het bovenstaande toewijzen en stelt vast dat het – gezien de partnerschapsvoorwaarden – een nominaal vergoedingsrecht betreft. De man dient het bedrag van € 4.070,30 in zijn geheel aan de vrouw terug te betalen.

Het verzoek om het bedrag te verhogen met de wettelijke rente met ingang van 7 juni 2021 zal worden afgewezen, omdat pas vanaf dit moment duidelijk is dat de man dit bedrag aan de vrouw dient te betalen en hij derhalve niet in verzuim is geweest. Wel zal de rechtbank een betalingstermijn van twee weken vaststellen en een wettelijke rente verbinden aan het overschrijden van die betalingstermijn.

Verrekenvordering: belasting(teruggave) 2020.

2.8.32.

De vrouw stelt dat partijen inmiddels de belastingaangifte over 2020 hebben gedaan. Hetgeen betaald dan wel terugontvangen wordt over dit belastingjaar, dient bij helfte tussen partijen te worden verdeeld dan wel te worden gedragen. De vrouw heeft gesteld dat de man haar uit hoofde hiervan een bedrag van € 1.228,-- dient te betalen.

De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd inhoudende dat deze betreffende aangifte nog niet is afgehandeld.

De rechtbank stelt vast dat er nog geen aanslag 2020 beschikbaar is, zodat de teruggave dan wel nabetaling nog niet vaststaat. Gezien dit laatste zal de rechtbank zal deze vordering van de vrouw afwijzen. Zij claimt immers een vergoedingsrecht waarvan zij het bestaan moet aantonen en daarin is zij niet geslaagd.

2.8.33.

De vrouw heeft verzocht om, als de rechtbank de vordering van de vrouw niet kan toewijzen, aanvullend te bepalen dat de betaling van € 1.228,-- in de berekening wordt opgenomen en dat partijen gehouden zijn om bij afwijkende aanslagen IB2020 tot verrekening over te gaan. Het is onduidelijk wat de vrouw hiermee precies bedoelt.

De rechtbank overweegt dat voor zover partijen voor het belastingjaar 2020 moeten worden aangemerkt als fiscale partners, het in de rede ligt dat belastingteruggaven dan wel naheffingsaanslagen bij helfte moeten worden gedeeld dan wel gedragen.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

spreekt uit de ontbinding van het geregistreerd partnerschap van partijen, aangegaan te [stad] op [datum] ;

3.2.

bepaalt dat het aangehechte en door partijen op 12 januari 2022 ondertekende ouderschapsplan deel uitmaakt van deze beschikking;

3.3.

bepaalt dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;

3.4.

stelt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt vast:

voornoemde minderjarigen verblijven bij de man:

  • -

    om de week van woensdagmiddag uit school tot maandag naar school;

  • -

    de vakanties en bijzondere dagen worden in onderling overleg bij helfte door partijen gedeeld waarbij de door de vrouw overgelegde productie 16 als leidraad kan dienen. Partijen zullen ieder jaar uiterlijk op 31 december een verdeling vaststellen voor het komende kalenderjaar;

3.5.

gelast in het kader van de verdeling van de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschappen en de afwikkeling van de partnerschapsvoorwaarden dat de gezamenlijke woning aan de vrouw wordt toebedeeld tegen een waarde van € 325.000,--, onder de voorwaarde dat zij uiterlijk 9 mei 2022 ervoor dient zorg te dragen dat de man wordt ontslagen uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening, met de bepaling dat aan hem de helft van de overwaarde van de woning - na aftrek van alle kosten van overdracht en levering - wordt uitgekeerd, met dien verstande dat een antispeculatiebeding moet worden opgenomen in de leveringsakte inhoudende dat indien de vrouw:

  • -

    de woning binnen een jaar na de overdracht aan de vrouw aan een derde verkoopt en dit meer opbrengt dan € 325.000,--, zij de helft van het positieve verschil tussen de verkoopprijs en het bedrag van € 325.000,-- aan de man dient te vergoeden;

  • -

    de woning binnen het tweede jaar na de overdracht aan de vrouw aan een derde verkoopt en dit meer opbrengt dan € 325.000,--, zij 40% van het positieve verschil tussen de verkoopprijs en het bedrag van € 325.000,‑- aan de man dient te vergoeden;

  • -

    de woning binnen het derde jaar na de overdracht aan de vrouw aan een derde verkoopt en dit meer opbrengt dan € 325.000,--, zij 30% van het positieve verschil tussen de verkoopprijs en het bedrag van € 325.000,-- aan de man dient te vergoeden;

  • -

    de woning binnen het vierde jaar na de overdracht aan de vrouw aan een derde verkoopt en dit meer opbrengt dan € 325.000,--, zij 20% van het positieve verschil tussen de verkoopprijs en het bedrag van € 325.000,‑- aan de man dient te vergoeden;

  • -

    de woning binnen het vijfde jaar na de overdracht aan de vrouw aan een derde verkoopt en dit meer opbrengt dan € 325.000,--, zij 10% van het positieve verschil tussen de verkoopprijs en het bedrag van € 325.000,-- aan de man dient te vergoeden;

3.6.

bepaalt dat indien de vrouw er niet uiterlijk 9 mei 2022 in slaagt om het aandeel van de man in de woning over te nemen en hem te laten ontslaan uit zijn aansprakelijkheid voor de aan de woning verbonden hypothecaire lening, de woning dient te worden verkocht en geleverd aan een derde op de wijze zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.8.12 tot met 2.8.16;

3.7.

bepaalt in het kader van de afwikkeling van de partnerschapsvoorwaarden dat de man, uiterlijk op de dag van de notariële levering van het aandeel van de man in de woning aan de vrouw dan wel op dag van levering van de woning aan een derde, in het kader van de afwikkeling van de partnerschapsvoorwaarden aan de vrouw een vergoeding dient te betalen van € 67.201,62;

3.8.

gelast in het kader van de verdeling van de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschappen en de afwikkeling van de partnerschapsvoorwaarden de volgende wijze van verdeling voor het verdelen van de inboedelgoederen: partijen dienen een lijst op te stellen van alle inboedelgoederen die moeten worden verdeeld. Door middel van het gooien met een dobbelsteen wordt bepaald wie begint met kiezen (wie het hoogste gooit, mag als eerste kiezen) en vervolgens kiezen partijen om en om een inboedelgoed, een en ander zonder nadere verrekening;

3.9.

bepaalt in het kader van de afwikkeling van de partnerschapsvoorwaarden dat man binnen twee weken na de datum van deze beschikking aan de vrouw een bedrag dient te betalen van € 4.070,30. Indien deze betalingstermijn wordt overschreden, wordt het bedrag met ingang van de dag van verzuim tot aan de datum van voldoening verhoogd met de wettelijke rente;

3.10.

verklaart de beslissing met betrekking tot de hoofdverblijfplaats, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, de kinderbijdrage en de verdeling en afwikkeling van de partnerschapsvoorwaarden uitvoerbaar bij voorraad;

3.11.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.P. van der Haak, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. J. Spanjaard op 9 februari 2022.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.