Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:9992

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
22-10-2021
Datum publicatie
09-11-2021
Zaaknummer
21/2051
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder was naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter bevoegd om de bestreden maatwerkvoorschriften te verbinden aan de verleende revisievergunning en deze voorschriften dienen een redelijk doel. Het verzoek om schorsing van deze maatwerkvoorschriften heeft verweerder daarom afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2021-0219
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 21/2051


uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 oktober 2021 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

Eurotank Amsterdam B.V., te Amsterdam, verzoekster

(gemachtigde: mr. M.G.J. Maas-Cooymans),

en

gedeputeerde staten van Noord-Holland, verweerder

(gemachtigden: mr. A. Rood-Polman).

Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder verzoekster (Eurotank) ten behoeve van de inrichting gelegen op het adres [adres] een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen en het in werking hebben van de inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

Eurotank heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2021. Eurotank is verschenen, vertegenwoordigd door [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] , bijgestaan door voornoemde gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 4] , [naam 5] en zijn gemachtigde.

Het onderzoek is ter zitting geschorst, omdat de spoedeisende punten die partijen verdeeld houden mogelijk in onderling overleg kunnen worden opgelost. Er zijn daarom afspraken gemaakt en daarvan is een proces-verbaal opgemaakt.

Bij brieven van 2 en 18 augustus 2021 heeft verweerder de rechtbank bericht dat een aantal voorschriften als opgenomen in het bestreden besluit zijn aangepast.

Bij brief van 24 augustus 2021 heeft de voorzieningenrechter Eurotank gevraagd of zij hierin aanleiding ziet om het verzoek in te trekken.

Bij brief van 30 augustus 2021 heeft Eurotank aangegeven het verzoek voor zover gericht tegen de aan het bestreden besluit verbonden voorschriften in te trekken, maar te handhaven voor zover het verzoek ziet op de aan het bestreden besluit verbonden maatwerkvoorschriften 1, 4 en 5.

Bij brief van 8 september 2021 heeft de voorzieningenrechter verweerder gevraagd of hij bereid is tot uitstel van de inwerkingtreding van de hiervoor genoemde maatwerkvoorschriften tot op het beroep is beslist.

Bij brief van 15 september 2021 heeft verweerder gevraagd de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening voort te zetten.

De voorzieningenrechter heeft partijen bij brief van 30 september 2021 bericht uitspraak te willen doen zonder nadere zitting.

Met (stilzwijgende) toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gebleven. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eurotank drijft een inrichting op de locatie [adres] . Binnen de inrichting worden brandstoffen opgeslagen en (nieuwe) brandstoffen samengesteld uit tientallen brandbare stoffen. Eurotank stelt brandstoffen samen voor zowel Europa als daarbuiten. Dit gebeurt door het samenvoegen in opslagtanks of vermenging tijdens het verpompen.

2. Eurotank heeft voor de inrichting een nieuwe alles omvattende omgevingsvergunning voor de gehele inrichting (een revisievergunning) aangevraagd, waarbij ook wordt toegestaan om biobrandstoffen te verladen en op te slaan.

3. Verweerder heeft de revisievergunning verleend en daaraan een aantal voorschriften verbonden. Daarnaast heeft verweerder maatwerkvoorschriften voor de inrichting vastgesteld.

4. Eurotank is in beroep tegen meerdere tot de vergunning behorende voorschriften opgekomen en ook tegen meerdere maatwerkvoorschriften.

5. Het verzoek tot schorsing ziet inmiddels alleen nog op de maatwerkvoorschriften 1, 4 en 5. De omvang van het verzoek is daarmee beperkter dan de omvang van het beroep. De voorzieningenrechter zal (mede) daarom en vanwege de aard van de zaak geen gebruik maken van de mogelijkheid om ook op het beroep te beslissen.

6. Maatwerkvoorschrift 1 luidt als volgt:

Onderzoek Vos en ZZ5 maatregelen bij opslagtanks

1. Uiterlijk 6 maanden na de inwerkingtreding van dit maatwerkvoorschrift moet een

rapportage van de mogelijke reductiemaatregelen aan gedeputeerde staten, ter attentie

van de directeur van de ODNZKG, worden aangeboden. Het onderzoek heeft tot doel om

technisch haalbare VOS en ZZS emissiereductie maatregelen te identificeren met

bijbehorende termijn van mogelijke realisatie en de kosten hiervan.

2. De rapportage moet ten minste de volgende gegevens bevatten:

a. een beschrijving van de mogelijke reductie maatregelen voor VOS en ZZS emissie

aan opslagtanks met opslag van brandbare vloeistoffen. Er dient onderscheid

gemaakt te worden tussen vloeistoffen met <5w%ZZS en >5w%ZZS;

b. een bepaling van de kosten per jaar van alle nog niet genomen maatregelen

(technieken en voorzieningen) ter reductie van VOS en ZZS die in de branche als

beste beschikbare techniek kunnen worden beschouwd en mogelijk rendabel zijn.

Voor het bepalen van de kosten moet gebruik gemaakt worden van bijlage 2 van

het Abm met gebruik van het rente percentage 2,86°h;

c. een KE berekening voor het aanbrengen van geventileerde domes voor opslag van

laag ZZS (<5w%ZZS);

d. een KE berekening voor het ombouwen naar een gesloten systeem voor de opslag

van hoog ZZS (>5w%ZZS);

e. KE berekeningen voor het plaatsen van een rondpompsysteem in plaats van het

bestaande doorblazen van lucht of gas voor het homogeniseren van een

tankinhoud;

f. KE berekeningen voor het aanbrengen van toepassingsspecifieke systemen voor

het kunnen scheiden van de >5w%ZZS van de <Sw%ZZS stromen;

g. de mogelijkheden voor het herschikken van de functie van de tanks. Hierbij dienen

de ombouwkosten en de vermeden emissie van oude tanks en reeds

gemoderniseerde tanks beide bepaalt te worden;

h. een bepaling per maatregel van de hoeveelheid vermeden emissie naar lucht in

kilogram per jaar emissie per tank met gebruik van Milieumonitor 14 en 15

(Rapportagereeks MilieuMonitor nr. 14 en nr. 15, maart 2004);

i. een realisatietermijn per mogelijke maatregel.

7. Dit maatwerkvoorschrift heeft verweerder, blijkens het bestreden besluit, aan de vergunning verbonden om de kosten en effectiviteit van alle mogelijke maatregelen in kaart te brengen die (diffuse) emissies van VOS en ZZS kunnen voorkomen dan wel zoveel mogelijk beperken. Grondslag van het maatwerkvoorschrift is volgens verweerder artikel 2.4, achtste lid, en artikel 2.7, tweede lid, van het Activiteitenbesluit. Daarin is bepaald dat maatwerkvoorschriften kunnen worden vastgesteld voor diffuse en niet-diffuse bronnen en daarmee is volgens verweerder ook de bevoegdheid gegeven om andere eisen te stellen om luchtverontreiniging te voorkomen.

8. Volgens Eurotank bestaat geen juridische grondslag voor maatwerkvoorschrift 1, omdat de grondslag die verweerder noemt slechts ziet op beperking van emissies, terwijl oplegging van een onderzoekplicht de emissies van diffuse bronnen niet beperkt. Daarbij komt dat pas de bevoegdheid bestaat tot het treffen van maatwerkvoorschriften op dit punt als het Maximaal Toelaatbaar Risico (MTR) en Verwaarloosbaar Risico (VR) hiertoe aanleiding geven, maar daarvan is geen sprake. Bovendien roepen de onderwerpen die moeten worden onderzocht vragen op. Ook strookt het rentepercentage dat moet worden gebruikt niet met het Activiteitenbesluit. Bovendien geldt ingevolge artikel 2.4, derde lid, van het Activiteitenbesluit al een onderzoekverplichting inhoudende dat Eurotank de in maatwerkvoorschrift 1 bedoelde informatie elke 5 jaar al moet aanleveren aan verweerder. Het gestelde maatwerkvoorschrift is dus in feite een (onnodige) verzwaring van de onderzoekplicht.

9.1

De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoekster naar voren heeft gebracht tegen maatwerkvoorschrift 1 onvoldoende grond om tot schorsing van dat voorschrift over te gaan. Redengevend hiervoor is het volgende.

9.2

De voorzieningenrechter ziet vooralsnog geen grond om te oordelen dat verweerder aan de artikelen 2.4, achtste lid, onder c, en artikel 2.7, tweede lid, van het Activiteitenbesluit niet de bevoegdheid kan ontlenen om een maatwerkvoorschrift te stellen, inhoudende een verplichting tot (extra) monitoring van en rapporteren over emissies van diffuse bronnen. Strekking van genoemde bepalingen is dat nadere eisen gesteld kunnen worden als dat nodig is, en deze bepaling zou zinledig zijn als verweerder Eurotank voorafgaand daaraan niet zou kunnen verplichten om de gegevens te verzamelen en te delen die nodig zijn om te kunnen beoordelen of (andere) nadere eisen moeten worden gesteld.

9.3

De voorzieningenrechter ziet voorshands in hetgeen Eurotank heeft aangevoerd ook geen grond om te oordelen dat verweerder toepassing van genoemde bevoegdheid in dit geval achterwege had moeten laten. Voor ZZS geldt immers een minimaliseringsverplichting, ook in de situatie dat MTR en VR niet worden overschreden.

9.4

Dat al een vijfjaarlijkse rapportageplicht geldt, en maatwerkvoorschrift 1 een verzwaring van die rapportageplicht is, maakt het (voorlopige) oordeel van de voorzieningenrechter niet anders. Integendeel, op grond van de vijfjaarlijkse rapportageplicht als bedoeld in artikel 2.4, derde lid, van het Activiteitenbesluit is verzoekster al gehouden om verweerder te informeren over de emissie van ZZS en in het kader daarvan zal verzoekster al het nodige moeten monitoren en rapporteren. Er valt mede gelet daarop niet in te zien dat maatwerkvoorschrift 1 een zodanig zware extra belasting met zich meebrengt dat dit niet (meer) van Eurotank te vergen valt. De stelling dat het niet mogelijk is om al hangende beroep extra te monitoren en te rapporteren heeft Eurotank onvoldoende onderbouwd.

9.5

Het algemeen belang bij directe uitvoering van maatwerkvoorschrift 1 laat de voorzieningenrechter daarom zwaarder wegen dan het belang van verzoekster bij schorsing van dat maatwerkvoorschrift. Dat verweerder bij oplegging van de rapportageplicht zou zijn uitgegaan van een onjuist rentepercentage, wat hier ook van zij, maakt dit niet anders. Dit rentepercentage is slechts een onderzoekvoorschrift, en kan, zoals verweerder onweersproken heeft gesteld, nog ter discussie worden gesteld als op grond van een berekening met dit rentepercentage nadere maatregelen worden voorgeschreven.

10. Maatwerkvoorschrift 4 luidt als volgt:

Per 2022 moet jaarlijks voor 1 april alle VOS en ZZS emissies van de inrichting van het

voorgaande kalenderjaar gerapporteerd worden aan gedeputeerde staten, ter attentie van

de directeur van de ODNZKG waarbij:

• de totale diffuse jaaremissie moet worden bepaald op basis van de metingen

conform het Meetprotocol voor lekverliezen (Rapportagereeks MilieuMonitor nr.

15, maart 2004) en het gestelde in het Handboek emissiefactoren -Diffuse

emissies en emissies bij op- en overslag (Rapportagereeks MilieuMonitor nr. 14,

maart 2004);

• emissies uit verladingen met en zonder dampverwerking afzonderlijk gerapporteerd

worden;

• emissies tijdens onderhoud afzonderlijk gerapporteerd worden;

• emissies van de volgende stoffen afzonderlijk gerapporteerd worden:

o 1,3-Butadiene;

o Anthracene;

o Benzene;

o Biphenyl;

o Carbon Disulfide;

o Chrysene;

o Methyl-t-Butyl Ether;

o Naphthalene;

o Phenanthrene;

o Xylenes (Total);

o Methyl-t-Butyl Ether;

• emissies ten gevolge van het toevoegen van stoffen ten behoeve van het verhogen

van de dampspanning (zoals het butaniseren van benzine) worden gerapporteerd.

11. Maatwerkvoorschrift 5 luidt als volgt:

De diffuse emissie van de inrichting moet worden bepaald met het Meetprotocol voor

lekverliezen (Rapportagereeks MilieuMonitor nr. 15, maart 2004). Deze emissiebepaling

moet zijn opgenomen in het inspectie en onderhoudsplan van de inrichting.

12. Volgens verweerder is hij op grond van het bepaalde in artikel 5.50, eerste lid, van het Activiteitenbesluit en ook op grond van het bepaalde in artikel 5.51, derde lid, van het Activiteitenbesluit bevoegd om de maatwerkvoorschriften 4 en 5 aan de verleende vergunning te verbinden. Genoemde maatwerkvoorschriften leiden tot een hoger beschermingsniveau doordat kennis over de omvang van emissies bijdraagt aan het kunnen beperken daarvan. De gestelde maatwerkvoorschriften zijn in dat opzicht een eerste stap in een proces waarin mogelijk nadere eisen gesteld gaan worden. Verweerder heeft een minimaliseringsverplichting en geeft daaraan invulling door het stellen van deze maatwerkvoorschriften. Daarbij heeft verweerder er op gewezen dat een groot deel van wat van Eurotank wordt gevraagd al door Eurotank is uitgevoerd. Eurotank heeft al een milieuverslag ingediend en er is ook al een ZZS-inventarisatie ingediend met slechts kleine tekortkomingen. Eurotank kan dus aan de maatwerkvoorschriften voldoen en voldoet ook grotendeels al aan de in maatwerkvoorschriften 4 en 5 opgenomen verplichtingen, aldus verweerder.

13. Eurotank heeft er op gewezen dat op grond van deze maatwerkvoorschriften alle VOS- en ZZS-emissies moeten worden gerapporteerd over het voorafgaande jaar, terwijl voor oplegging van deze verplichting geen duidelijke wettelijke grondslag bestaat. Bovendien dienen de maatwerkvoorschriften geen redelijk doel. Alles is in orde. Daarbij komt dat er in het kader van een landelijk ZZS-project al een grote uitvraag van gegevens aan de gang is. De maatwerkvoorschriften 4 en 5 zijn ook daarom overbodig. Als het voorschrift in werking treedt moet eiseres nu al onderzoekers gaan selecteren en contracteren om de metingen voor te bereiden en uit te voeren.

14.1

De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoekster naar voren heeft gebracht tegen maatwerkvoorschriften 4 en 5 onvoldoende grond om tot schorsing van die voorschriften over te gaan. Redengevend hiervoor is het volgende.

14.2

De voorzieningenrechter ziet vooralsnog geen grond om te oordelen dat verweerder niet bevoegd is om genoemde maatwerkvoorschriften te stellen. Artikel 5,50, eerste lid, van het Activiteitenbesluit staat het stellen van andere eisen immers zonder meer toe, tenzij het belang van het milieu zich daartegen verzet en ook artikel 5.51, derde lid, lijkt deze mogelijkheid te bieden, uitgaande van dezelfde redenering als opgenomen in overweging 9.2 van deze uitspraak.

14.3

De voorzieningenrechter ziet in hetgeen Eurotank heeft gesteld vooralsnog ook geen grond om te oordelen dat verweerder de maatwerkvoorschriften 4 en 5 in dit geval niet aan de vergunning heeft mogen verbinden. Verweerder heeft voldoende toegelicht dat de maatwerkvoorschriften aan de vergunning zijn verbonden om, waar mogelijk, een hoger beschermingsniveau te bereiken. De stelling van Eurotank dat genoemde maatwerkvoorschriften geen redelijk doel dienen volgt de rechtbank daarom niet.

14.4

De stelling van Eurotank dat het ondoenlijk is om nu al aan de maatwerkvoorschriften te voldoen acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd, mede gelet op de door verweerder onweersproken stelling dat voor een groot deel al aan de uit de maatwerkvoorschriften voortvloeiende verplichtingen wordt voldaan.

14.5

Het algemeen belang bij directe uitvoering van maatwerkvoorschrift 4 en 5 laat de voorzieningenrechter daarom zwaarder wegen dan het belang van verzoekster bij schorsing van dat maatwerkvoorschrift.

15. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Degen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2021.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Bijlage: Wettelijke bepalingen

Het activiteitenbesluit luidt voor zover van belang als volgt:

Artikel 2.1

1. Degene die een inrichting drijft en weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat door het in werking zijn dan wel het al dan niet tijdelijk buiten werking stellen van de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, die niet of onvoldoende worden voorkomen of beperkt door naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, voorkomt die gevolgen of beperkt die voor zover voorkomen niet mogelijk is en voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevergd.

2 Onder het voorkomen of beperken van het ontstaan van nadelige gevolgen voor het milieu als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan:

a. een doelmatig gebruik van energie;

b. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van bodemverontreiniging;

c. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van verontreiniging van het grondwater;

d. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam;

e. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van luchtverontreiniging;

f .het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geluidhinder;

g. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder;

h. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van lichthinder;

i. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van stofhinder;

j. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van trillinghinder;

k. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het beperken van de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de inrichting;

l. het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan;

m. het zorgen voor een goede staat van onderhoud van de inrichting;

n. de bescherming van de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater;

o. het doelmatig beheer van afvalwater;

p. het doelmatig beheer van afvalstoffen;

q. het beschermen van de duisternis en het donkere landschap in door het bevoegd gezag aangewezen gebieden.

3 Het eerste en tweede lid, onderdelen b, c, d, n, o en p, zijn van overeenkomstige toepassing op degene die, anders dan vanuit een inrichting, loost ten gevolge van agrarische activiteiten dan wel activiteiten die daarmee verband houden.

4 Het bevoegd gezag kan met betrekking tot de verplichting, bedoeld in het eerste en derde lid, maatwerkvoorschriften stellen voor zover het betreffende aspect bij of krachtens dit besluit niet uitputtend is geregeld. Deze maatwerkvoorschriften kunnen mede inhouden dat de door degene die de inrichting drijft dan wel degene die loost, te verrichten activiteiten worden beschreven alsmede dat metingen, berekeningen of tellingen moeten worden verricht ter bepaling van de mate waarin de inrichting dan wel het lozen, bedoeld in het derde lid, nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt.

Artikel 2.4

1 (…)

2 Emissies van zeer zorgwekkende stoffen naar de lucht worden zoveel mogelijk voorkomen dan wel, indien dat niet mogelijk is, tot een minimum beperkt.

3 Degene die een inrichting drijft van waaruit emissies van zeer zorgwekkende stoffen naar de lucht plaatsvinden, overlegt elke vijf jaar informatie aan het bevoegd gezag over:

a. de mate waarin emissies van zeer zorgwekkende stoffen naar de lucht plaatsvinden;

b. de mogelijkheden om emissies van die stoffen te voorkomen dan wel, indien dat niet mogelijk is, te beperken.

4 In afwijking van het derde lid, kan het bevoegd gezag, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift toestaan dat:

a. aan de informatieverplichting niet hoeft te worden voldaan indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de bijdrage van emissies uit de inrichting aan het maximaal toelaatbaar risico, bedoeld in het vijfde lid, verwaarloosbaar is, of

b. de informatieverplichting, rekening houdend met de meest relevante zeer zorgwekkende stoffen, gefaseerd wordt uitgevoerd. Hierbij stelt het bevoegd gezag per stof een redelijke termijn vast waarbinnen die informatie wordt aangeleverd.

5 Indien bij activiteiten emissies van zeer zorgwekkende stoffen naar de lucht plaatsvinden, leiden de emissiewaarden van die stoffen, genoemd in artikel 2.5, niet tot overschrijding van het maximaal toelaatbaar risiconiveau van de immissieconcentratie van die stof.

6 Bij ministeriële regeling worden ten behoeve van de bescherming van het milieu regels gesteld over:

a. het opstellen van de programma’s voor het voorkomen dan wel, indien dat niet mogelijk is, beperken van emissies van zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in het derde lid;

b. het maximaal toelaatbaar risiconiveau en de vaststelling daarvan;

c. de bepaling van de immissieconcentratie, bedoeld in het vijfde lid.

7 Indien voor een van de zeer zorgwekkende stoffen nog geen maximaal toelaatbaar risiconiveau is vastgesteld, is het vijfde lid niet van toepassing op die stof tot het moment waarop de vaststelling plaatsvindt.

8 Indien de geografische ligging, de plaatselijke milieuomstandigheden of de technische kenmerken van de betrokken installatie daartoe aanleiding geven, kan het bevoegd gezag, als het belang van de bescherming van het milieu en het belang van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van luchtverontreiniging zich daartegen niet verzetten, bij maatwerkvoorschrift voor de stofcategorie ZZS voor zover het betreft:

a. een inrichting type C, emissiegrenswaarden vaststellen die afwijken van de emissiewaarden, bedoeld in het vijfde lid, dan wel afwijken van de emissiewaarden in de tabellen 2.5 en 2.6 of de tijdelijk bij ministeriële regeling vastgestelde waarden als bedoeld in artikel 2.5, zesde lid, dan wel andere eisen stellen;

b. een inrichting type B, eisen stellen aan de situering en uitvoering van het afvoerpunt van emissies;

c. eisen stellen aan de emissies van diffuse bronnen.

9 Ten aanzien van de technische kenmerken, bedoeld in het achtste lid, wordt onder meer rekening gehouden met een afwijkend emissiepatroon, de kosten en baten en een integrale afweging van de mogelijkheden voor emissiebeperking.

10 Dit artikel is, met uitzondering van het tweede lid, het achtste lid en het negende lid, niet van toepassing op de stoffen genoemd in bijlage 2 bij de Wet milieubeheer.

11 De termijn van vijf jaar, genoemd in het derde lid, vangt aan:

a. op het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 2.4. op de inrichting, of

b. in afwijking van onderdeel a, voor een inrichting waarvoor tot het toepassing worden van artikel 2.4 voor die inrichting in een vergunning een afwijkend tijdstip was vastgelegd, op dat afwijkende tijdstip.

Artikel 2.7

1. Indien de geografische ligging, de plaatselijke milieuomstandigheden of de technische kenmerken van de betrokken installatie daartoe aanleiding geven, kan het bevoegd gezag de emissiegrenswaarden voor de stofcategorieën S, sO, sA, gA en gO, bedoeld in de artikelen 2.5 en 2.6, met uitzondering van de emissiegrenswaarden voor stoffen waarvoor in de hoofdstukken 3, 4 en 5 eisen aan emissies naar de lucht zijn gesteld, bij maatwerkvoorschrift niet van toepassing verklaren en andere emissiegrenswaarden vaststellen, dan wel andere eisen stellen om luchtverontreiniging te voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is zoveel mogelijk te beperken.

2 Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift voor de stofcategorieën S, sO, sA, gA en gO, bedoeld in de artikelen 2.5 en 2.6, eisen stellen aan emissies van diffuse bronnen.

3 Bij maatwerkvoorschriften op grond van het eerste en tweede lid worden in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken toegepast.

4 Ten aanzien van de technische kenmerken wordt onder meer rekening gehouden met een afwijkend emissiepatroon, kosteneffectiviteit en integrale afweging van de mogelijkheden voor emissiebeperking.

5 Het bevoegd gezag stelt de kosteneffectiviteit van maatregelen vast volgens de rekenmethode in bijlage 2 en de waarden, bedoeld in het zesde tot en met achtste lid.

6 Een maatregel met betrekking tot emissies van stikstofoxiden (NOx), zwaveldioxide (SO2), vluchtige organische stoffen (VOS) of totaal stof is in ieder geval kosteneffectief indien de berekende waarde lager is dan de laagste waarde van het afwegingsgebied in tabel 2.7.

Tabel 2.7

Afwegingsgebied (€/kg)

NOx

5 – 20

SO2

5 – 10

VOS

8 – 15

Stof

8 – 15

7 Een maatregel met betrekking tot de emissie van de stoffen, bedoeld in het zesde lid, is niet kosteneffectief indien de berekende waarde hoger is dan de hoogste waarde van het afwegingsgebied in tabel 2.7.

8 Indien de berekende kosteneffectiviteit van een maatregel, met betrekking tot de emissie van de stoffen, bedoeld in het zesde lid, binnen het afwegingsgebied van tabel 2.7 ligt, bepaalt het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift of die maatregel in een individueel geval kosteneffectief is.

9 Indien een maatwerkvoorschrift, als bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld kan het bevoegd gezag besluiten dat door degene die de inrichting drijft een rapport van een onderzoek naar de beschikbaarheid van maatregelen wordt overgelegd om te kunnen voldoen aan de artikelen 2.5 en 2.6.

10 Het bevoegd gezag kan tevens, in het belang van de bescherming van het milieu, maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot het controleren van emissies naar de lucht, bedoeld in de artikelen 2.5 en 2.6, en alle activiteiten waarvoor bij of krachtens de hoofdstukken 3 en 4 eisen aan emissies naar de lucht zijn gesteld indien:

a. de inrichting een andere maatregel heeft gekozen dan de maatregel die is erkend op grond van de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 1.7;

b. de toegepaste emissiebeperkende techniek in combinatie met de geëmitteerde stoffen leidt tot hoge storinggevoeligheid, er veel onderhoud nodig is dan wel er veel fluctuaties zijn in de aard en grootte van de emissies;

c. de grootte en aard van de emissies daartoe aanleiding geven, of

d. de grootte van de emissies die kunnen optreden bij storing aan de emissiebeperkende techniek, daartoe aanleiding geven.

11 Het bevoegd gezag kan tevens, in het belang van de bescherming van het milieu, maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot het onderhoud en de controle van een emissiebeperkende techniek die door degene die de inrichting drijft, wordt ingezet om aan de artikelen 2.5, 2.6, 3.26b, 3.38, 3.141, 3.143, 4.21, 4.23, 4.27a, 4.29, 4.31b, 4.33 tot en met 4.35, 4.40 tot en met 4.42, 4.44 tot en met 4.46, 4.50, 4.54, 4.54a, 4.58, 4.60, 4.62, 4.65, 4.68, 4.74b, 4.74f, 4.74j, 4.74s, 4.94, 4.94g, 4.103aa, 4.103d, 4.119 en 4.125 te voldoen indien geen of naar de mening van het bevoegd gezag onvoldoende onderhoud is verricht aan de emissiebeperkende techniek.

Artikel 5.50

1. Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift andere eisen stellen dan bij of krachtens deze paragraaf gestelde eisen, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.

2 Ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies van vluchtige organische stoffen wordt voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

3 Het tweede lid is niet van toepassing op vloeistoffen met een dampspanning van ten hoogste 1 kPa.

Afdeling 5.2. Op- en overslag van benzine

Artikel 5.51

1. Het begrip «vloeibare brandstof» is niet van toepassing op installaties waarop deze afdeling van toepassing is.

2 Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

benzine: benzine als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van richtlijn 94/63/EG;

benzinedebiet: de in de drie voorgaande jaren gemeten grootste totale jaarlijkse hoeveelheid benzine die van een opslaginstallatie van een terminal is overgeslagen in een mobiele tank;

damp: damp als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van richtlijn 94/63/EG;

mobiele tank: mobiele tank als bedoeld in artikel 2, onderdeel e, van richtlijn 94/63/EG;

terminal: inrichting of een gedeelte van een inrichting voor de opslag of overslag van benzine in mobiele tanks;

3 Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift eisen stellen die strekken tot een hoger beschermingsniveau dan de voorschriften die bij of krachtens deze afdeling zijn gesteld.