Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:9940

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20-10-2021
Datum publicatie
05-11-2021
Zaaknummer
21/2984
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft op beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn verzoek om handhaving. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat het verzoek van eiser om op te treden tegen het gebruik van het fietspad door gemotoriseerd verkeer in wezen een verzoek is om feitelijk handelen, namelijk het uitvoeren van (verkeers)controles. De reactie daarop is daarom geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:671, waarin een vergelijkbare situatie aan de orde was. Op grond van artikel 8:1 van de Awb kan alleen beroep worden ingesteld tegen een besluit of het niet tijdig nemen van een besluit. Omdat in dit geval geen sprake is van een besluit, staat daartegen geen rechtsmiddel open. De rechtbank is daarom onbevoegd om kennis te nemen van het ingestelde beroep. Rechtbank onbevoegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 21/2984


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 oktober 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerhugowaard, verweerder (gemachtigde: M.A. Brasser).

Procesverloop

Eiser heeft op 9 juli 2021 beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn verzoek om handhaving van 22 januari 2021.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 13 oktober 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, vergezeld van zijn echtgenote [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam 2] .

Overwegingen

1. Eiser woont in de nabijheid van het Rivierenpad in Heerhugowaard (hierna: het fietspad). Aan beide kanten van dit fietspad is met een verkeersbord aangegeven dat dit een onverplicht fietspad is. Op dit fietspad is gemotoriseerd verkeer niet toegestaan. Eiser heeft meermalen met verweerder gecorrespondeerd over de in zijn ogen onveilige situatie op dit fietspad, die wordt veroorzaakt doordat regelmatig ook scooters en brommers van dit fietspad gebruik maken.

2.1

Bij brief van 22 januari 2021 heeft eiser (nogmaals) aan verweerder gevraagd om tot handhaving over te gaan en/of een passende oplossing voor deze situatie te vinden. In de kop van deze brief staat 'Bezwaarschrift'.

2.2

Bij brief van 18 februari 2021 heeft verweerder aan eiser bericht dat hij geen besluit heeft genomen waartegen eiser bezwaar kon maken en dat zijn bezwaarschrift daarom formeel gezien niet-ontvankelijk is. Verweerder heeft de brief van 22 januari 2021 vervolgens aangemerkt en beoordeeld als een nieuw handhavingsverzoek. Verweerder heeft eiser bericht dat zijn verzoek ziet op het verrichten van feitelijke handelingen, namelijk het uitvoeren van (verkeers)controles, en dat eiser ten opzichte van anderen geen bijzonder individueel belang heeft bij handhavend optreden tegen gemotoriseerd verkeer ter plaatse. Verweerder is daarom van mening dat de brief van 22 januari 2021 geen aanvraag is in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), en dat de reactie daarop geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Tegen deze reactie staat daarom geen bezwaar en beroep open. Ten slotte heeft verweerder eiser bericht dat hij de melding opnieuw onder de aandacht heeft gebracht bij de BOA's. Zodra de BOA's daarvoor ruimte hebben, zullen meerdere controlemomenten naar het gebruik van het fietspad worden ingepland.

3. Zoals ter zitting ook besproken, stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat het verzoek van eiser om op te treden tegen het gebruik van het fietspad door gemotoriseerd verkeer in wezen een verzoek is om feitelijk handelen, namelijk het uitvoeren van (verkeers)controles. De reactie daarop is daarom geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:671, waarin een vergelijkbare situatie aan de orde was.

4. Op grond van artikel 8:1 van de Awb kan alleen beroep worden ingesteld tegen een besluit of het niet tijdig nemen van een besluit. Omdat in dit geval geen sprake is van een besluit, staat daartegen geen rechtsmiddel open. De rechtbank is daarom onbevoegd om kennis te nemen van het ingestelde beroep.

5. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij graag wil dat de gemeente naast het fietspad een voetpad aanlegt, zoals dat elders in de wijk ook is gebeurd. Deze wens heeft hij eerder (meermaals) bij verweerder onder de aandacht gebracht. Verweerder wil niet aan deze wens tegemoetkomen. Verweerder heeft in antwoord op vragen die hem door de fractievoorzitter [naam 3] zijn gesteld onder meer aangegeven dat het aanleggen van een voetpad naast het fietspad weliswaar zorgt voor meer bescherming voor voetgangers, maar ook nadelige gevolgen heeft voor het groen en voor een aantal bomen. Verweerder ziet het aanleggen van een voetpad als een zeer ingrijpende maatregel voor een ongewenste verkeerssituatie die slechts incidenteel voorkomt en is niet voornemens een voetpad aan te leggen. De fractievoorzitter heeft dit standpunt van verweerder aan eiser doorgegeven bij e-mail van 19 januari 2021.

6. Zoals ter zitting is besproken geldt ook voor de reactie op een verzoek van eiser aan verweerder om naast het fietspad een voetpad aan te leggen dat dit een reactie is op een verzoek om feitelijk handelen. Ook tegen deze reactie staat geen rechtsmiddel open.

7. Omdat de rechtbank onbevoegd is om kennis te nemen van het ingestelde beroep zal het door eiser betaalde griffierecht worden teruggestort. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Jochem, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Hesselink, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2021.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hoger beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.