Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:9582

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
15-10-2021
Datum publicatie
01-11-2021
Zaaknummer
21-4190
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorzieningenrechter draagt verweerder op om binnen 10 dagen een laisser-passez te verstrekken voor de dochter van verzoekers. Er is een humanitaire noodzaak voor haar om naar Nederland te kunnen komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 21/4190

uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 oktober 2021 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker 1] en [verzoeker 2] ,

zowel voor zichzelf als voor [verzoeker 3]

allen woonplaats kiezende te [woonplaats] , verzoekers

(gemachtigde: mr. B. Wegelin),

en

de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder(gemachtigde: [naam 1] ).

Procesverloop

In het besluit van 28 september 2021 (primaire besluit) heeft verweerder verzoekers laten weten dat de aanvraag voor een Nederlandse laissez-passer ten behoeve van [verzoeker 3] niet in behandeling kan worden genomen.

Verzoekers hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 14 oktober 2021 op zitting behandeld. Daaraan hebben verzoekers deelgenomen via een beeldverbinding, bijgestaan door hun gemachtigde die fysiek aanwezig was. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.1

Verzoekers zijn sinds 24 januari 2020 met elkaar getrouwd. Zij wonen allebei in Nederland, staan ingeschreven in de Basis Registratie Personen (BRP) en hebben de Nederlandse nationaliteit.

2.2

Op 17 september 2021 hebben verzoekers bij de Nederlandse ambassade in Kiev (Oekraïne) een laissez-passer aangevraagd voor hun dochter [verzoeker 3] , geboren in de Oekraïne op [geboortedatum] . [verzoeker 3] is geboren door middel van hoogtechnologisch draagmoederschap uit een Oekraïense draagmoeder, [naam 2] . Verzoekers en de draagmoeder hebben daartoe op 7 oktober 2020 een draagmoederschapsovereenkomst gesloten. [verzoeker 1] heeft, met schriftelijke toestemming van de draagmoeder, op 9 juni 2021 in Nederland de baby waarvan de draagmoeder toen in verwachting was, prenataal erkend.

2.3

Zowel de aanvraag van een Nederlands paspoort als een laissez-passer is door verweerder buiten behandeling gesteld. Vanwege het gebrek aan een Nederlands reisdocument voor [verzoeker 3] , verblijven verzoekers op dit moment in Oekraïne. De visa van [verzoeker 2] en [verzoeker 1] waren geldig tot 1 respectievelijk 13 oktober 2021.

3. Op 8 september 2021 hebben verzoekers een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank Den Haag om -kort gezegd- de familierechtelijke betrekkingen tussen hen en [verzoeker 3] te erkennen. Een zitting moet nog plaatsvinden.

4. Verweerder heeft aan het primaire besluit ten grondslag gelegd dat de geboorteakte van [verzoeker 3] naar Nederlands recht inhoudelijk onjuist is en daarom de identiteit en de Nederlandse nationaliteit van [verzoeker 3] niet kan worden vastgesteld. Op de naar Oekraïens recht opgemaakte geboorteakte staan verzoekers als vader en moeder van [verzoeker 3] vermeld, terwijl naar Nederlands recht de draagmoeder wordt gezien als juridische moeder en op de geboorteakte staat. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder nader toegelicht dat verweerder daarom een opdracht van de voorzieningenrechter nodig heeft om [verzoeker 3] een laissez-passer te verlenen.

5.1

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

5.2

De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van spoedeisend belang gelet op de volgende omstandigheden:

- De aanwezigheid van [verzoeker 3] en verzoekers in Nederland is vereist in verband met de hiervoor genoemde procedure bij de rechtbank Den Haag. De voorzieningenrechter verwijst naar de verklaring van 29 september 2021, van mr. J. van der Tol, de gemachtigde die verzoekers bijstaat in die procedure. Daarnaast wijst de voorzieningenrechter in dit verband naar de beschikking van de rechtbank Den Haag van 5 oktober 2021 (zaaknummer C/09/602632).

- Het verloop van de visa van verzoekers op 1 respectievelijk 13 oktober 2021.

- Het herstel van het familie- en gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 EVRM.

- De omstandigheid dat verweerder zich ook in heroverweging niet bevoegd zal achten om een laissez-passer te verlenen.

6. Ingevolge artikel 15, tweede lid, van de Paspoortwet en de Beleidsregels verstrekking laissez-passers op grond van de Paspoortwet kan een laissez-passer worden verstrekt indien sprake is van een aantoonbare humanitaire noodzaak om te reizen en indien de aanvrager heeft aangetoond bij aankomst in Nederland rechtmatig te kunnen verblijven.

7. De voorzieningenrechter overweegt over de humanitaire noodzaak het volgende:

[verzoeker 3] wordt op dit moment in Oekraïne verzorgd door verzoekers, de wensouders, en de visa van verzoekers zijn verlopen. Het is niet in het belang van [verzoeker 3] als zij als staatloos burger (voor zover zij niet reeds de Nederlandse nationaliteit heeft), zonder de verzorging door de wensouders, in Oekraïne zou moeten achterblijven. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat sprake is van een aantoonbare humanitaire noodzaak voor [verzoeker 3] om te kunnen reizen.

Daarnaast is het aannemelijk dat [verzoeker 3] , eenmaal in Nederland, daadwerkelijk in juridische zin het kind van verzoekers zal blijken te zijn dan wel zal kunnen worden. Daarbij wijst de voorzieningenrechter er op dat niet in geschil is dat verzoekers de genetische ouders zijn van [verzoeker 3] . Verzoeker heeft [verzoeker 3] voor de geboorte, met toestemming van de draagmoeder, in Nederland erkend. Bij de rechtbank Den Haag loopt de benodigde procedure om de geboortegegevens van [verzoeker 3] en de familierechtelijke betrekkingen tussen verzoekers en [verzoeker 3] vast te stellen. In voornoemde uitspraak van 5 oktober 2021 heeft de rechtbank Den Haag geoordeeld dat de in die zaak ook naar Oekraïens recht opgemaakte geboorteakte moest worden erkend en gelast deze in te schrijven in de daarvoor bestemde registers van de burgerlijke stand. De voorzieningenrechter acht het in het belang van [verzoeker 3] dat zij de uitkomst van deze procedure in Nederland mag afwachten.

8. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat er aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen als hierna bepaald.

9.1

Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

9.2

Omdat het verzoek wordt toegewezen, krijgen verzoekers een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2.0 punten op (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting). Die punten hebben een waarde van € 748,- bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.496,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst het besluit van 28 september 2021;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe, in die zin dat de verweerder wordt opgedragen om binnen tien dagen na verzending van deze uitspraak ten behoeve van [verzoeker 3] een nooddocument (laissez-passer) te verstrekken op grond waarvan zij Nederland kan inreizen;

- draagt de minister op het betaalde griffierecht van €181,- aan verzoekers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 1.496,-.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2021 door
mr. S.A. Steinhauser, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.F. Vermeij, griffier.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.