Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:9542

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-10-2021
Datum publicatie
03-11-2021
Zaaknummer
C/15/317099 / HA ZA 21-322
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Is een verzekering met een vaste som en aandeel winst een levensverzekering? De rechtbank oordeelt van wel. De Wwft is daarop van toepassing. Verzekeraar kan uitkering opschorten totdat zij heeft voldaan aan de identificatie- en verificatieverplichtingen van de Wwft. Verzekerde dient verzekeraar hiertoe in staat te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RF 2021/95
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/317099 / HA ZA 21-322

Vonnis van 27 oktober 2021

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. S.L. Haanschoten te Rotterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

SRLEV N.V.,

gevestigd te Alkmaar,

gedaagde,

advocaat mr. G.J.P. Molkenboer te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en Srlev genoemd worden.

De zaak in het kort

[eiser] heeft een verzekeringsovereenkomst gesloten met de rechtsvoorganger van Srlev. [eiser] meent dat aan de voorwaarden van de verzekering is voldaan en vordert uitbetaling. Volgens Srlev kwalificeert de verzekering als een levensverzekering waarop de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (hierna: Wwft) van toepassing is. Op grond van de Wwft moet Srlev voldoen aan identificatie- en verificatieverplichtingen van haar cliënten. Zolang zij hier niet aan voldoet omdat zij niet de benodigde gegevens heeft ontvangen van [eiser] , kan zij niet overgaan tot uitbetaling. De rechtbank wijst de vordering van [eiser] af.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 27 mei 2021;

  • -

    de akte bij aanbrengen houdende overlegging (nadere) producties met productie 1 tot en met 20;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    het tussenvonnis van 4 augustus 2021;

  • -

    de akte ter comparitie van [eiser] met productie 21;

  • -

    de mondelinge behandeling op 17 september 2021, de griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Mrs. Haanschoten en Molkenboer hebben gebruik gemaakt van pleitaantekeningen die zijn overgelegd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

In 1991 heeft [eiser] bij de Onderlinge ‘Zwitserse Maatschappij van Levensverzekering en Lijfrente’ (hierna: Zwitserleven) een verzekering afgesloten. Srlev is de rechtsopvolgster van Zwitserleven. De verzekering is vastgelegd in een polis die op 11 december 1991 is afgegeven (hierna: de polis). Op de polis zijn onder meer de algemene verzekeringsvoorwaarden s3 (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing.

2.2.

De polis vermeldt onder andere het volgende:

“Verzekerde prestaties

A. Hoofdverzekering

Verzekeringssom . . . F 70.000,--

Betaalbaar bij overlijden, doch uiterlijk bij in leven zijn van de verzekerde op 1 mei 2021

Suppletoire verzekering

[…]
Delen in de winst

Deze verzekering heeft aandeel in de winst van de maatschappij.

Verzekeringsduur

Aantal verzekeringsjaren: 30.

[…]

Premie

De hoofdvervaldag van de premie is 1 mei van elk jaar.

De op de ingangsdatum vervallende premie bedraagt . F 1.782,--

De vervolgens telkens op 1 mei vervallende premie bedraagt

Van 1 mei 1992 tot 1 mei 2019 . . . F 1.782,--

Van 1 mei 2019 tot 1 mei 2021 . . . F 1.617,--

Begunstiging

Deze verzekering luidt bij in het leven zijn van de verzekerde ten gunste van de verzekerde en ingeval van overlijden van de verzekerde ten gunste van zijn echtgenote of, deze overleden zijnde, ten gunste van zijn kinderen of, bij ontstentenis van deze, ten gunste van de erfgenamen van de verzekerde.”

2.3.

Op 26 april 2021 heeft [eiser] Srlev verzocht om op 1 mei 2021 over te gaan tot uitkering. Dit bedrag bestaat uit de hoofdsom van € 31.765,-- (fl. 70.000,--) en het aandeel in de winst.

2.4.

Op 29 april 2021 heeft Srlev [eiser] medegedeeld dat zijn levensverzekering eindigt op 1 mei 2021. Om over te kunnen gaan tot uitkering verzoekt Srlev [eiser] een kopie van een geldig legitimatiebewijs en een recent bankafschrift te verstrekken.

2.5.

Op 30 april 2021 heeft [eiser] zijn eerdere verzoek om uitkering herhaald en aangegeven dat er geen noodzaak is voor het versturen van de verzochte gegevens.

2.6.

Per brief van 17 mei 2021 sommeert [eiser] Srlev om uiterlijk 25 mei 2021 over te gaan tot betaling en inhoudelijk te reageren. Bij uitblijven hiervan zou een dagvaarding volgen.

2.7.

Op 21 mei 2021 heeft Srlev als volgt gereageerd:

“Beste heer [eiser] , Hartelijk dank voor uw e-mail. Zie hieronder de antwoorden op uw vragen.

  1. Bij het uitkeren van uw verzekering zijn wij verplicht u opnieuw te identificeren. Wij controleren het getekende verzoek met uw handtekening op uw legitimatie. Zodat wij zeker weten dat u het bent.

  2. Nadat wij uw verzekering hebben uitgekeerd, kunt u ons verzoeken om uw persoonlijke gegevens uit het dossier te laten verwijderen.

  3. Zie ook artikel 33 van de Wwft

  4. Zodra wij uw uitkeringsgegevens hebben ontvangen zoals gevraagd hebben wij 14 dagen de tijd om uw uitkering te verwerken. (…).”

2.8.

Per e-mail van 21 mei 2021 heeft [eiser] gereageerd dat de eis van een kopie van een bankafschrift is verdwenen, maar de eis van het identificeren niet. De onderbouwing van de grondslag hiervan ontbreekt. Daarom handhaaft [eiser] zijn eerdere sommatie.

2.9.

Srlev is niet overgegaan tot uitkering.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Srlev zal veroordelen tot betaling van € 37.160,00, te vermeerderderen met de wettelijke rente met ingang van 1 mei 2021 tot aan de dag van betaling, met vergoeding van Srlev in de proceskosten inclusief de nakosten.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering – samengevat – ten grondslag dat hij zijn verplichtingen op grond van de verzekeringsovereenkomst is nagekomen. Op grond daarvan kan er worden overgegaan tot uitkering. De Wwft is niet van toepassing op de verzekering. Daarom is Srlev niet verplicht om de identiteit van [eiser] te verifiëren, vast te stellen en deze gegevens op te slaan. Ook is zij niet bevoegd om pas over te gaan tot uitkering nadat zij hieraan heeft voldaan.

3.3.

Srlev voert verweer. [eiser] heeft haar rauwelijks gedagvaard. De verzekeringsovereenkomst is een levensverzekering in de zin van artikel 7:975 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en artikel 1:1 van de Wwft. Daarom kan Srlev niet tot uitkering overgaan voordat zij aan haar identificatie- en verificatieverplichtingen op grond van de Wwft heeft voldaan. Daarnaast is [eiser] op grond van de algemene voorwaarden gehouden om mee te werken aan identificatie en validatie om te kunnen voldoen aan de Wwft verplichtingen en aan uitkering. Ook op grond van de redelijkheid en billijkheid zijn de bepalingen van de Wwft van toepassing op de verzekeringsovereenkomst. Zolang [eiser] niet voldoet aan de identificatie- en verificatieverplichtingen is er sprake van schuldeisersverzuim van [eiser] en kan Srlev de uitkering opschorten.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Rauwelijks dagvaarden

4.1.

[eiser] betwist dat hij Srlev rauwelijks heeft gedagvaard. Van rauwelijks dagvaarden is sprake als [eiser] op geen wijze heeft getracht om eerst op een minnelijke wijze tot beëindiging van het geschil te komen. [eiser] heeft in zijn brief van 17 mei 2021 en zijn e-mails van 19 mei 2021 en van 21 mei 2021 aangekondigd dat hij zal overgaan tot dagvaarden als hij niet uiterlijk 25 mei 2021 een inhoudelijke reactie en of uitkering heeft ontvangen. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen sprake is van rauwelijks dagvaarden.

Een levensverzekering?

4.2.

De vraag die moet worden beantwoord luidt: is de verzekering een levensverzekering?

4.3.

[eiser] stelt dat de verzekering geen levensverzekering is. Volgens [eiser] gaat het om een polis waarbij het in leven zijn c.q. het overleden zijn van [eiser] alleen relevant is voor het moment van uitbetaling en het resultaat dat op dat tijdstip is behaald. Dit soort verzekeringen kwalificeert de Hoge Raad niet als een levensverzekering.1 Op grond van de rechtspraak moeten verzekeringen via de Haviltex-maatstaf worden uitgelegd.2 Daarnaast kunnen verzekeringen van kleur verschieten. Dit gebeurt op het moment dat het overlijdensrisico (en daarmee het verzekeringselement) is verdwenen uit de overeenkomst.3 In dit geval is het overlijdensrisico, na betaling van de laatste premie in juni 2020, verdwenen.

4.4.

Srlev stelt dat de verzekering valt onder de definitie van een levensverzekering van artikel 7:795 BW. De verzekering is ook een spaarverzekering. Het risico op overlijden is gedekt. De premie is gebaseerd op sterftekansen en er is een kapitaal opgebouwd.

4.5.

In artikel 7:795 BW wordt een levensverzekering als volgt gedefinieerd:

“Levensverzekering is de in verband met het leven of dood gesloten sommenverzekering met dien verstande dat ongevallenverzekering niet als levensverzekering wordt beschouwd.”

Onder sommenverzekering wordt in artikel 7:964 BW verstaan:

“Sommenverzekering is de verzekering waarbij het onverschillig is of en in hoeverre met de uitkering schade wordt vergoed. Zij is slechts toegelaten bij pensioenverzekering en bij verzekeringen die daartoe bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen.”

4.6.

De rechtbank oordeelt dat de verzekering een levensverzekering is in de zin van artikel 7:975 BW. De verzekerde som is betaalbaar bij overlijden van [eiser] op moment van overlijden en bij in leven zijn van [eiser] op 1 mei 2021.

De verzekerde som bestaat uit een vast bedrag van € 31.765,-- (fl. 70.000,--) en een aandeel in de winst van Srlev. Hiermee is het niet van belang of en in hoeverre met de uitkering schade wordt vergoed.

De door [eiser] genoemde uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 1999 maakt dit niet anders. In deze uitspraak gaat het om overeenkomsten waarbij de omvang van het uit te keren bedrag uitsluitend afhankelijk is van het resultaat dat de verzekeraar heeft behaald bij de belegging van de ingelegde koopsom of premies. Dat zou bijvoorbeeld ook nul kunnen zijn. In dit geval is het uit te keren bedrag opgesplitst in een vast deel en daarnaast een uitkering van een winstaandeel. Dat dit bedrag gedeeltelijk bestaat uit de uitkering van het winstaandeel doet er niet aan af dat de verzekering in ieder geval een bepaalde som zal uitkeren en dus onder de definitie van de levensverzekering valt.

Ook de door [eiser] genoemde uitspraak van het hof Den Haag van 20 april 2020 heeft geen invloed op de kwalificatie van de levensverzekering. Het element van overlijdensrisico is niet relevant voor de definitie van een levensverzekering.

De voorschriften uit de Wwft

4.7.

De Wwft is van toepassing op levensverzekeraars (artikel 1a lid 3 sub g Wwft). Srlev is een levensverzekeraar in de zin van artikel 1:1 Wwft.

Als een instelling een zakelijke relatie aangaat, dan verricht zij een cliëntenonderzoek (artikel 3 lid 5 sub a Wwft). Dat onderzoek moet zij ook verrichten bij een incidentele transactie ten behoeve van een cliënt van ten minste € 15.000,-.

Daarnaast bepaalt artikel 3a lid 1 Wwft dat het cliëntenonderzoek Srlev in staat stelt om de naam van de persoon vast te leggen en voldoende informatie in te winnen om de identiteit van de begunstigde vast te stellen en diens identiteit te verifiëren.

De verificatie van de identiteit van de begunstigde vindt uiterlijk plaats op het moment dat de levensverzekering wordt uitbetaald (artikel 3a lid 2 Wwft). Artikel 38 lid 3 Wwft eist dit ook.

4.8.

Artikel 4 lid 1 Wwft bepaalt dat het cliëntenonderzoek moet worden verricht, voordat de transactie (in dit geval: uitbetaling van de verzekerde som) wordt uitgevoerd.

4.9.

De Wwft schrijft niet voor hoe instellingen de identiteit van cliënten verifiëren en vaststellen. Het staat instellingen vrij om hiervoor innovatieve oplossingen te bedenken.4 Instellingen dienen de gegevens en documenten die in het kader van het cliëntenonderzoek zijn gebruikt op opvraagbare wijze vast te leggen (artikel 33 lid 1 Wwft). Een instelling bewaart deze gegevens op een toegankelijke wijze gedurende 5 jaar na het uitvoeren van de desbetreffende transactie (artikel 33 lid 3 Wwft).

4.10.

In het hiervoor geschetste kader concludeert de rechtbank dat Srlev op grond van de Wwft verplicht is om voordat zij overgaat tot uitkering de identiteit van [eiser] te verifiëren en de juiste gegevens vast te leggen.

Op welke wijze verifiëren

4.11.

Op grond van artikel 11 Wwft wordt de identiteit van een cliënt die natuurlijk persoon is, geverifieerd aan de hand van – onder meer – documenten. Bij de Uitvoeringsregeling Wwft heeft de minister in artikel 4 bepaald dat een geldig paspoort zo een document is.

4.12.

Artikel 33 Wwft schrijft voor welke gegevens Srlev moet opslaan. Van natuurlijke personen zijn dat de geslachtsnaam, de voornamen, de geboortedatum en het adres en de woonplaats van de persoon. Die gegevens waren allemaal bekend bij Srlev.

4.12.1.

[eiser] heeft zich echter verzet tegen de toezending van een kopie van zijn paspoort, zoals door Srlev verlangd. Hij heeft gelijk dat die verplichting niet volgt uit de Wwft. Het is wel een van de mogelijkheden die wordt genoemd, art. 33 lid 2, sub a, onder 1o, maar onder 2o wordt vermeld dat dat ook kan door vastlegging van “de aard, het nummer en de datum en plaats van uitgifte van het document met behulp waarvan de identiteit is geverifieerd”.

4.12.2.

In zijn e-mailbericht van 24 mei 2021 heeft [eiser] aan Srlev meegedeeld dat hij bereid was om (thuis) aan Srlev zijn paspoort te tonen om de verificatie mogelijk te maken. Uit een aanvullend e-mailbericht van 26 mei 2021 volgt dat [eiser] ook heeft aangeboden via een beeldtelefoon zijn rijbewijs te laten zien. Srlev heeft geen van beide suggesties gevolgd.

4.12.3.

Na betekening van de dagvaarding heeft Srlev op 7 juni 2021 nog wel aangeboden via Facetime alsnog de aard, het nummer en de datum en plaats van uitgifte van het identiteitsbewijs van [eiser] te noteren. Van dat aanbod heeft [eiser] geen gebruik willen maken, omdat hij van mening is dat de gegevens niet mogen worden opgeslagen, zo blijkt uit zijn reactie in een e-mailbericht van 7 juni 2021. Dat laatste standpunt is onjuist. Zoals hiervoor overwogen (zie 4.9), heeft Srlev de wettelijke verplichting om de verlangde gegevens op te slaan.

4.13.

Het voorgaande betekent dat Srlev bevoegd is om de uitkering op te schorten totdat zij heeft kunnen voldoen aan de identificatie- en verificatieverplichtingen op grond van de Wwft. Hiertoe dient [eiser] Srlev in staat te stellen. Dit heeft hij nog niet gedaan. De rechtbank zal de vordering van [eiser] daarom afwijzen.

4.14.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan behandeling van de overige door Srlev gevoerde verweren. De rechtbank merkt nog wel het volgende op. In de tussen partijen geldende polisvoorwaarden is niets opgenomen over de wijze van verificatie. Partijen dienen zich jegens elkaar te gedragen naar de eisen van redelijkheid en billijkheid. In dit geval lijkt dat ertoe te leiden dat [eiser] aan de eis van verificatie voldoet, maar dat Srlev ermee genoegen moet nemen dat [eiser] dat doet op de door hem voorgestelde wijze (slechts tonen identiteitsbewijs). Mogelijk kan dat per telefoon, maar ook denkbaar is dat [eiser] dat aan de/een balie van Srlev doet.

Proceskosten

4.15.

Het standpunt dat Srlev ten tijde van de betekening van de dagvaarding heeft ingenomen (afgeven kopie identiteitsbewijs) is in deze beslissing als onjuist beoordeeld. Ook het standpunt van [eiser] dat zijn gegevens niet mogen worden opgeslagen, is onjuist. Partijen moeten in die zin als over en weer in het ongelijk gesteld worden beschouwd. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst het gevorderde af,

5.2.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2021.5

1 HR 30 juni 1999, ECLI:NL:HR:AA2815.

2 HR 4 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1369.

3 Hof Den Haag 20 april 2021, NTFR 2021/1789, ECLI:NL:GHDHA:767 (r.o. 6.4-6.5).

4 AFM, Leidraad Wwft en Sanctiewet, oktober 2020, p. 27.

5 type: IK coll: LJS