Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:9527

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-10-2021
Datum publicatie
31-10-2021
Zaaknummer
15-027454-21 (A) en 15-114544-21 (B)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzende beslissing op verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis. De verdachte wordt verdacht van doodslag, gepleegd tijdens een “bad trip” na LSD-gebruik.

De rechtbank wijdt beschouwingen aan inhoud en betekenis van het begrip geschokte rechtsorde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15-027454-21 (A) en 15-114544-21 (B)

Tegenspraak

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden zitting op 18 oktober 2021.

Aanwezig zijn:

mr. R.M. Steinhaus, voorzitter,

mrs. A. Warmerdam en M.M.J. de Jager-Koedooder, rechters,

B.H.E. Zuidam, griffier,

mr. J.M. Lengers, officier van justitie.

De voorzitter doet de zaken tegen de verdachte uitroepen.

De verdachte is aanwezig en antwoordt op de vragen van de voorzitter te zijn:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] ,

op dit moment gedetineerd in [detentieadres] .

Als raadsman van de verdachte is op de zitting aanwezig mr. A.S. van der Biezen, advocaat te ‘s-Hertogenbosch.

( …)

De voorzitter deelt als beslissingen en overwegingen van de rechtbank het volgende mee.

- Het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Namens de verdachte is verzocht om schorsing van de voorlopige hechtenis. In de kern heeft de raadsman betoogd dat het gewicht van de zogeheten twaalf-jaarsgrond is afgenomen, zodanig dat ruimte voor die schorsing, onder voorwaarden, is ontstaan. Daarbij speelt een rol het feit dat de verdachte bijna negen maanden in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast is de verdachte jong, heeft hij geen relevant strafblad en heeft hij nooit gewild dat hij een vriend onder invloed van LSD zou doden.

Het verzoek en de onderbouwing ervan lenen zich voor een voorafgaande beschouwing.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de zogeheten twaalf-jaarsgrond als volgt. Bij de beoordeling van de vraag of de invrijheidstelling van de verdachte naar verwachting zal leiden tot een schok in de rechtsorde, publiek onbehagen of enige vorm van sociale onrust spelen verschillende factoren van uiteenlopende aard en gewicht een rol.

Het gaat daarbij allereerst over de aard van het delict. Dit legt aanzienlijk gewicht in de schaal. Volgens vaste rechtspraak van het EHRM is dit als zodanig niet voldoende maar dat betekent niet dat het delict waarvan de verdachte wordt verdacht een statisch gegeven is. Naar mate het strafbare feit ernstiger is zal sneller aangenomen mogen worden dat publiek onbehagen het resultaat zal zijn in geval de verdachte op vrije voeten is gekomen. Dat ligt ook in de aard van de beoordeling besloten. De rechter zal immers altijd dienen te anticiperen op het mogelijke ontstaan van de publieke onrust. Daarbij gaat het om taxaties. Niemand kan in staat worden geacht hierover met zekerheid voorspellingen te doen. Dat geldt ook voor de rechter.

Daar komt bij dat ten aanzien van de sociale onrust en het publieke onbehagen verschillende aspecten kunnen worden onderscheiden. De raadsman heeft, in navolging van het EHRM in de zaak-Maassen, gewezen op de, volgens hem, beperkte media-aandacht voor de zaak. De rechtbank overweegt dat voor de weging van de mate van media-aandacht, voor zover deze überhaupt min of meer volledig kan worden geïnventariseerd, geen eenduidige maatstaven bestaan. Bovendien wordt bij een eenzijdige oriëntatie op de mate van bespreking van een zaak in de media de beoordeling van de mogelijk geschokte rechtsorde te zeer afhankelijk gemaakt van toevalligheden, verband houdend met de selectie van het nieuws. Daarbij gaat het om selectie zowel door de verspreider als door de ontvanger van het nieuws. Daar komt bij dat informatie over beslissingen van de rechter over voortduring van de voorlopige hechtenis niet alleen wordt ontvangen via nieuwsmedia. Personen die op enigerlei wijze de zaak volgen of daarbij betrokken zijn delen hun kennis over de gang van zaken in het strafgeding binnen kleinere sociale verbanden. Daarbij spelen sociale media een grote rol.

Dat brengt de rechtbank er ook toe om in dit verband te wijzen op te onderscheiden niveaus. Op macro-niveau gaat het om perspubliciteit en publiek debat. Maar op andere, lagere, niveaus gaat het om gedeelde informatie binnen groepen van personen en betrokkenen, al dan niet in lokale gemeenschappen. Ook dit dient te worden beschouwd als een wezenlijk en relevant onderdeel van de rechtsorde. De rechter zal zich bij de door hem te verrichten toetsing van de mogelijke gevolgen van zijn beslissing over de voorlopige hechtenis vooral moeten oriënteren op de te verwachten wijze waarop de informatie hierover in die uiteenlopende geledingen van de samenleving zal worden gedeeld en ontvangen. Ook dat relativeert het belang van een te eenzijdige gerichtheid op media-aandacht in enge zin. Een te rigide toepassing hiervan zou leiden tot tal van ongerijmdheden.

Dit brengt met zich dat de door de rechtbank te verrichten toetsing weliswaar zoveel mogelijk op de concrete zaak zal moeten worden toegesneden maar dat een zekere mate van abstractie inherent is aan de beoordeling. Daarbij spelen de aard van het delict en anticipatie op de wijze van ontvangst van informatie over de rechterlijke beslissing een belangrijke rol.

Op dezelfde wijze kunnen rol en positie van slachtoffers en nabestaanden nader worden ingekaderd. In het geheel van de beoordeling komt daaraan betekenis toe. Maar dat gaat niet zo ver dat de inhoudelijke en processuele opstelling van een slachtoffer of nabestaande doorslaggevend is voor beantwoording van de vraag of door het misdrijf de rechtsorde is geschokt.

De factor tijd is tot slot eveneens van belang. Naar mate de tijd verstrijkt zal er bij wijze van vuistregel van uit mogen worden gegaan dat de deuk in de rechtsorde minder groot zal zijn bij invrijheidstelling van de voorlopig gehechte verdachte. Maar dit is geen exacte rekenkundige exercitie. En ook hier speelt de aard van het delict een rol van betekenis op, zo men wil, enigszins abstracte wijze. Dat wil zeggen los van de publiciteit en de sociale interactie die er in de loop der tijd door zijn opgeroepen en uitgelokt.

Daarnaast mag als algemeen bekend worden verondersteld dat in een strafzaak betreffende een ernstig delict doorgaans (niet altijd) het onderzoek langer duurt. Het hangt af van de concrete omstandigheden van de zaak of deze lange duur doorwerkt in de demping van de schok in de rechtsorde bij vrijlating van de verdachte.

Het voorgaande impliceert eveneens dat de motivering van de rechter van belang is maar ook dat de beslissing, als betrokkenen of andere burgers ervan kennis nemen, uit te leggen, althans te begrijpen, is. Dit laatste is ook van belang omdat niet alle concrete omstandigheden van de zaak altijd onmiddellijk kenbaar zijn voor de ontvanger van de informatie over de beslissing van de rechter terwijl deze wel degelijk kunnen bijdragen aan de perceptie en waardering van de vrijlating van de verdachte door de gemiddelde burger. Het hoort tot de taak van de rechter om ook te anticiperen op de manier waarop zijn beslissing wordt ontvangen en begrepen als van die volledige motivering kennis wordt genomen. Zulke omstandigheden doen zich ook in deze zaak voor.

Bij toepassing van het voorgaande op de zaak spelen de volgende feiten en omstandigheden een rol.

Allereerst gaat het in deze zaak om een levensdelict. Dat hoort tot de ernstigste feiten die in de strafwet strafbaar zijn gesteld. Dit legt als zodanig aanzienlijk gewicht in de schaal. De verdenking is dat de verdachte het feit heeft gepleegd onder invloed van LSD. Uit zijn uitlatingen en verklaringen, respectievelijk gedaan en afgelegd in de eerste dagen na de gepleegde doodslag, kan worden afgeleid dat de verdachte er herinnering aan had dat hij het feit heeft gepleegd. In een later stadium is onderzoek in de vorm van bloedspoorpatroonanalyse gestart naar aanleiding van de verzoeken van de verdediging, uitgaand van andere scenario’s dan dat waarin, zo begrijpt de rechtbank, de verdachte het feit heeft gepleegd. Dit onderzoek is nog niet afgerond.

Voorts heeft persoonlijkheidsonderzoek plaatsgevonden, uitgevoerd door een psycholoog en een psychiater. De psycholoog is tot de slotsom gekomen dat de verdachte volledig toerekeningsvatbaar is. Volgens de psychiater is in elk geval ruimte om de verdachte het feit gedeeltelijk toe te rekenen. Daarbij is te zijner tijd discussie mogelijk over de vraag of deze deskundigen in enige mate het rechterlijk domein hebben betreden bij het waarderen van de zelfintoxicatie in juridische zin maar van betekenis in dit stadium is dat zij geen van beiden tot volledige ontoerekeningsvatbaarheid hebben geconcludeerd.

Deze factoren tezamen genomen leiden de rechtbank tot het oordeel dat de te verwachten schok in de rechtsorde in geval van schorsing van de voorlopige hechtenis anders moet worden gewogen dan door de raadsman is voorgesteld. Het tijdsverloop is niet een volledig neutraal gegeven maar moet worden bezien tegen de achtergrond van initiatieven van de verdediging met het oog op de waarheidsvinding. Daarnaast werpt het inzicht van de deskundigen over de wilsvorming en keuzevrijheid van de verdachte ten tijde van het delict, waarvan hij wordt verdacht, een ander licht op diens mogelijke strafrechtelijke aansprakelijkheid (in termen van zowel opzet bij beantwoording van de bewijsvraag als van toerekenbaarheid bij beantwoording van de vraag naar diens strafbaarheid) dan door de raadsman is betoogd.

Deze concrete, met de zaak verbonden, feiten en omstandigheden, in hun onderling verband en samenhang beschouwd, leiden tot de conclusie dat de grondslag voor de voorlopige hechtenis niet zodanig is versmald dat van een geschokte rechtsorde in sterk verminderde mate sprake is. Bij die stand van zaken bestaat dan ook geen ruimte voor de verzochte schorsing van de voorlopige hechtenis. Het verzoek wordt afgewezen.

(…)

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.