Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:9029

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
14-10-2021
Datum publicatie
19-10-2021
Zaaknummer
20/5973
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ongegrond. Project voldoet niet aan het minimale brandveiligheidsniveau Bouwbesluit. Brandcompartiment is veranderd, geen strijd artikel 4 Woningwet. Gelijkwaardigheidsvoorstel terecht afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/5973


uitspraak van de meervoudige kamer van 14 oktober 2021 in de zaak tussen

Deen Vastgoed Ontwikkeling B.V., te Hoorn, eiseres

(gemachtigde: mr. W.J.M. Loomans),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn, verweerder

(gemachtigde: Mr. A. Brandenburg).

Procesverloop

Bij besluit van 7 mei 2020 (primair besluit) heeft verweerder geweigerd een vergunning te verlenen voor de uitbreiding van een distributiehal aan de Neutronweg 7 in Hoorn.

Bij besluit van 22 september 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 28 april 2021 heeft een regiezitting plaatsgevonden.

De rechtbank heeft het beroep op 6 juli 2021 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde en vergezeld door [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en werd vergezeld door [naam 2] . Het beroep is gelijktijdig behandeld met HAA 20/4297.

Overwegingen

Achtergrond

1.1.

Deen Vastgoed Ontwikkeling B.V. is eigenaar van het complex aan de Neutronweg 7 te Hoorn. Het complex bestaat uit een vóór 2001 gebouwde hal met een grootte van 5.780 m2 (hal 1), een aan hal 1 in 2001 aangebouwde hal met een grootte van 4.681 m2 (hal 2) en een in 2016 gerealiseerde uitbreiding van 500 m2 aan hal 1 (hal 3).

1.2.

Voor hal 3 is op 1 maart 2016 aan eiser een omgevingsvergunning verleend. De hal is in afwijking van de verleende vergunning gerealiseerd. Onder meer is geen brandwerende scheidingswand aangebracht tussen hal 1 en hal 3 waardoor hal 1 en 3 één ruimte vormen.

1.3.

Voor hetgeen in afwijking van de op 1 maart 2016 verleende vergunning is uitgevoerd is op 16 maart 2020 een legalisatieaanvraag gedaan. De Veiligheidsregio heeft in een rapportage van 8 april 2020 geadviseerd de aanvraag af te keuren. Geadviseerd is om alsnog conform de op 1 maart 2016 verleende vergunning een brandwerende scheidingswand aan te laten brengen, waardoor het feitelijk gerealiseerde brandcompartiment wordt verkleind en de totale vuurlast wordt verlaagd.

Bij besluit van 7 mei 2020 heeft verweerder geweigerd de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen wegens strijd met het Bouwbesluit 2012 (Bouwbesluit).

1.4.

Bij het bestreden besluit van 22 september 2020 heeft verweerder het besluit om de vergunning te weigeren in stand gelaten. Aan het bestreden besluit is ten grondslag gelegd dat het project niet voldoet aan het minimale brandveiligheidsniveau als voorgeschreven in het Bouwbesluit. Omdat de scheidingswand ontbreekt tussen hal 1 en hal 3 maakt hal 3 feitelijk onderdeel uit van hal 1 en vormen zij samen één brandcompartiment dat groter is dan is toegestaan. Van een gelijkwaardige voorziening is niet gebleken. Ook wordt niet voldaan aan de eisen met betrekking tot brandoverslag.

Wettelijk kader

2.1.

Artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

2.2.

Artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo bepaalt, voor zover hier van belang, dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning wordt geweigerd indien:

a. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit;

2.3.

Artikel 4 van de Woningwet bepaalt dat indien een bouwwerk gedeeltelijk wordt vernieuwd, veranderd of vergroot, de voorschriften van het Bouwbesluit, voor zover zij betrekking hebben op dat bouwen, slechts van toepassing zijn op die vernieuwing, verandering of vergroting.

2.4.

Op grond van artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit, wordt voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften verstaan onder rechtens verkregen niveau: het niveau dat het gevolg is van de toepassing op enig moment van de relevante op dat moment van toepassing zijnde technische voorschriften en dat niet lager ligt dan het niveau van de desbetreffende voorschriften voor een bestaand bouwwerk en niet hoger dan het niveau van de desbetreffende voorschriften voor een te bouwen bouwwerk.

2.5.

Op grond van artikel 1.3, eerste lid, van het Bouwbesluit behoeft aan een in hoofdstuk 2 tot en met 7 gesteld voorschrift niet te worden voldaan indien het bouwwerk of het gebruik daarvan anders dan door toepassing van het desbetreffende voorschrift ten minste dezelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt als is beoogd met de in die hoofdstukken gestelde voorschriften.

Geen strijd met artikel 4 van de Woningwet

3.1.

Eiseres voert aan dat de brandoverslagproblematiek geen grond kan zijn voor weigering van de vergunning omdat de bestaande bebouwing (hal 1 en 2) niet betrokken had mogen worden bij de beoordeling van de aanvraag. Het bestreden besluit is aldus genomen in strijd met artikel 4 van de Woningwet. Dit artikel staat in de weg aan het toetsen aan het Bouwbesluit voor het deel van het gebouw dat niet veranderd of vernieuwd werd. Verweerder had zich bij de beoordeling moeten beperken tot hetgeen werd aangevraagd, aldus eiseres. Eiseres verwijst daarbij naar ECLI:NL:RBOVE:2019:889.

3.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat door het achterwege laten van de scheidingswand tussen hal 1 en 3 beide hallen gezamenlijk één nieuw brandcompartiment vormen. Van dat nieuwe brandcompartiment is beoordeeld of voldaan wordt aan de eisen van brandveiligheid. Verweerder stelt zich op het standpunt dat voor wat betreft dit nieuwe compartiment terecht getoetst is aan artikel 2.83 en 2.84 en 2.85 van het Bouwbesluit. Hal 2 is niet bij de beoordeling betrokken omdat dit een afzonderlijk brandcompartiment betreft en de aanvraag daarop niet ziet.

3.3.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat door het laten vervallen van de scheidingswand tussen hal 1 en hal 3 één nieuw brandcompartiment ontstaat. Het brandcompartiment wordt daarmee in zijn geheel veranderd zodat ten aanzien van het hele brandcompartiment sprake is van veranderen als bedoeld in artikel 4 van de Woningwet en niet slechts ten aanzien van het deel dat in hal 3 is gelegen zoals eiseres stelt. Verweerder was dan ook gehouden te beoordelen of het gehele nieuw te realiseren brandcompartiment (hal 1 en hal 3 gezamenlijk) aan de regels met betrekking tot brandveiligheid in het Bouwbesluit voldeed. Van strijd met artikel 4 van de Woningwet is dan ook geen sprake. Gevolg daarvan is dat verweerder terecht getoetst heeft aan de eisen van artikel 2.85 van het Bouwbesluit (en aan de daarin genoemde artikelen 2.82 tot en met 2.84). De beroepsgrond slaagt niet.

Gelijkwaardigheidsvoorstel terecht afgewezen

4.1.

Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte geen gelijkwaardigheid in de zin van artikel 1.3, eerste lid, van het Bouwbesluit heeft aangenomen. Verweerder is ten onrechte voorbij gegaan aan de door eiseres ingebrachte risicoanalyse van [naam 3] van 24 november 2016. Uit dit rapport volgt dat het effect van de scheidingswand op het veiligheidsniveau qua branduitbreiding vrijwel nihil is als alle maatregelen die in het rapport zijn voorgesteld worden uitgevoerd. Voorts wordt ten onrechte in het bestreden besluit verwezen naar het rapport van 8 april 2020 van de Veiligheidsregio. Het rapport van [naam 3] gaat uit van de NEN 6079, terwijl in het rapport van de Veiligheidsregio is uitgegaan van de NEN 6068. De NEN 6079 gaat uit van een mate van brandveiligheid op basis van een risicobeoordeling waarbij met de werkelijke aanwezige ontstekingsbronnen en vuurlast rekening wordt gehouden. Door de risico’s op brand te verminderen kan bij een grotere vuurlast toch een voldoende mate van brandveiligheid worden verkregen. Ter onderbouwing heeft eiseres de notitie ‘Effect kansreducerende maatregelen op brandoverslagkans’ van 15 april 2021 ingebracht. Daarin wordt geconcludeerd dat de uitbreiding met 500 m2 in samenhang met alle getroffen maatregelen leidt tot verlaging van de kans op brandoverslag naar andere percelen.

4.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres met het rapport van [naam 3] van 24 november 2016 niet heeft aangetoond dat sprake is van gelijkwaardige oplossingen. De in dat rapport gekozen oplossing om met een privaatrechtelijke afspraak het brandoverslagrisico civielrechtelijk op te lossen, wordt niet als een passende oplossing gezien om aan de functionele eis in artikel 1.3 van het Bouwbesluit te voldoen.

4.3.

De rechtbank stelt het volgende voorop. De gelijkwaardigheidsbepaling uit artikel 1.3 van het Bouwbesluit is bedoeld om gebruikers of eigenaren van bouwwerken de mogelijkheid te bieden om op een andere wijze dan genoemd in het Bouwbesluit te voldoen aan de in dit besluit opgenomen functionele eisen. Het is het bevoegd gezag dat bepaalt of er wel of geen sprake is van gelijkwaardigheid. Daarbij heeft het bevoegd gezag enige beoordelingsvrijheid, aangezien het Bouwbesluit niet exact bepaalt wanneer er sprake is van gelijkwaardigheid.

4.4.

De rechtbank stelt vast dat de conclusie in het rapport van [naam 3] van 24 november 2016 is dat met de bepalingsmethode volgens de NEN 6079 geen gelijkwaardige oplossing kan worden aangetoond. In het rapport wordt daarom voorgesteld om dit risico civielrechtelijk op te lossen door middel van een overeenkomst met de eigenaren van de buurpercelen waar het risico op brandoverslag groter is dan volgens de publiekrechtelijke normen is toegestaan. Wat betreft de in het rapport voorgestelde maatregelen concludeert [naam 3] in de notitie ‘Effect kansreducerende maatregelen op brandoverslagkans’ van 15 april 2021 dat de maatregelen bijdragen aan het verlagen van de kans op een compartimentbrand en daarmee op de kans op brandoverslag.

4.5.

De rechtbank ziet hierin geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zijn besluitvorming niet mocht baseren op de adviezen van de brandweer, waarin is gesteld dat de maatregelen zoals opgenomen in het rapport van [naam 3] van 24 november 2016 geen gelijkwaardige brandveiligheid bieden. De rechtbank is van oordeel dat de brandweer als ter zake deskundig kan worden aangemerkt en dat de adviezen inzichtelijk en concludent zijn. De beroepsgrond slaagt niet.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P.E. Oomens, voorzitter, en mr. J.J. Maarleveld en mr. D.M. de Feijter, leden, in aanwezigheid van mr. L. van Broekhoven, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2021.

Griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.