Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:8905

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
06-10-2021
Datum publicatie
29-10-2021
Zaaknummer
C/15/289964 / HA ZA 19-405
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Vordering tot terugbetaling geldbedrag. Niet gebleken dat een overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen. Wel sprake van onverschuldigde betaling. Van gestelde investering is niet gebleken. Onvoldoende gesteld om vereenzelviging aan te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/289964 / HA ZA 19-405

Vonnis van 6 oktober 2021

in de zaak van

1. de vennootschap naar buitenlands recht

SPRINGFIELD TRADING FZE,

gevestigd in de Verenigde Arabische Emiraten,

2. de vennootschap naar buitenlands recht

MATSSON SP. MATSSON SP.Z.O.O.SK,

gevestigd in Warschau, Polen,

3. [eiser],

wonende in Warschau, Polen,

eisers in conventie,

verweerders in voorwaardelijke reconventie,

verweerders in het incident,

advocaat mr. H.J. Smit te Rotterdam,

tegen

1. de vennootschap naar buitenlands recht

FARADAY LIMITED,

gevestigd in Hong Kong,

2. de vennootschap naar buitenlands recht

HAMPTON TRADING FZE,

gevestigd in de Verenigde Arabische Emiraten,

3. [gedaagde],

wonende in Milaan, Italië,

gedaagden in conventie,

eiseressen in voorwaardelijke reconventie,

eiseressen in het incident,

advocaat mr. C.I.M. Molenaar te Volendam.

Eisers in conventie zullen hierna afzonderlijk Springfield, Matsson en [eiser] worden genoemd en gezamenlijk Springfield c.s. Gedaagden in conventie zullen hierna afzonderlijk Faraday, Hampton en [gedaagde] genoemd worden en gezamenlijk Faraday c.s.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord tevens voorwaardelijke eis in reconventie tevens provisionele vordering ex artikel 223 Rv

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident

  • -

    de akte uitlaten producties van Faraday c.s. tevens verzoek om pleidooi in het incident

  • -

    het bezwaar van Springfield c.s. tegen het houden van een pleidooi

  • -

    de beslissing van de rolrechter om pleidooi in het incident toe te staan

  • -

    de brief van mr. Smit van 10 februari 2020 met als bijlage de conclusie tot voeging tevens conclusie van eis zoals ingediend in de zaak met rolnummer 286578 / HA ZA 19-228

  • -

    de brief van mr. J. Hagers namens BKS Retail B.V. en Shiboja Trading B.V. van
    9 december 2020

  • -

    de brief van mr. S.E. de Vries namens IT Trader B.V. van 10 december 2020

  • -

    de conclusie na getuigenverhoor van Springfield c.s. tevens akte houdende aanvulling met subsidiaire eis

  • -

    de conclusie na getuigenverhoor van Faraday c.s.

  • -

    het tussenvonnis van 17 februari 2021

  • -

    de akte houdende overlegging aanvullende producties 34 t/m 51 van Springfield c.s.

  • -

    de akte overlegging productie 42 van Faraday c.s.

  • -

    de brief van mr. Smit van 18 mei 2021 met als bijlage de producties 52 t/m 55

  • -

    de brief van mr. Molenaar van 25 mei 2021 met als bijlage productie 43

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie tevens pleidooi in het incident gehouden op 27 mei 2021, bij welke gelegenheid zowel mr. Smit als mr. Molenaar zich hebben bediend van pleitnotities.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is bestuurder en enig aandeelhouder van Matsson, voorheen Topas Trade Sp.Z.o.o.SK (hierna: Matsson). Hij is tevens bestuurder van Springfield. Matsson en Springfield zijn investeringsmaatschappijen.

2.2.

[gedaagde] is bestuurder en enig aandeelhouder van Faraday en Hampton. Van 8 maart 2018 tot zijn ontslag op 11 januari 2019 was [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) bestuurder van Hampton.

2.3.

IT Trader B.V. (hierna: IT Trader), BKS Retail B.V. (hierna: BKS) en Shiboja Trading B.V. (hierna: Shiboja) zijn groothandelaren in computers, randapparatuur, software en elektronische- c.q. telecommunicatieapparatuur.

2.4.

Door Springfield c.s. is het volgende schriftelijke stuk overgelegd:


“INVESTMENT AGREEMENT

BETWEEN

1.

SPRINGFIELD TRADING FZE

(…)

Represented by its sole director

Hereafter called “the investor”

2.

HAMPTON Trading FZE

(…)

Represented by [betrokkene 1] (cf. 3)

Hereafter called “the company”

3.

[betrokkene 1]

(…)

Passport nr. [Nummer]

Hereafter called “the agent”

(…)

AGREEMENT

This agreement sets out the terms on which the investor has agreed to invest the funds as described below.

  1. AMOUNT: 950.000,00 euro (…)

  2. EFFECTIVE DATE: date of reception of the full amount (…)

  3. DURATION: 3 calendar years

  4. GUARANTOR: The agent guarantees (translated from “maakt zich sterk” according to Belgian law) that he is acting on behalf of HAMPTON Trading FZE, (…) and that his signature legally binds HAMPTON Trading FZE (…).

  5. PAYMENT: The investor will transfer the funds to the account (…) of HAMPTON Trading FZE (…)

  6. REPAYMENT DATE: 31.12.2018 (…)

(…)

8. ROI: 2,5% per month of the invested amount.

9. INTEREST PERIODS: Monthly

(…)

12. APPLICABLE LAW/COMPETENT JUDGE: On the current agreement the Belgian law is applicable. Only the judges of the courts of Belgium are competent to hear a case related to the current agreement.

(…)

SIGNED IN Amsterdam on October 13th 2015.

SIGNATURES

1. THE INVESTOR

SIGNATURE: (de rechtbank: handtekening namens Springfield)

2. THE COMPANY

SIGNATURE: (de rechtbank: handtekening [betrokkene 1])

3. THE AGENT

SIGNATURE: (de rechtbank: handtekening [betrokkene 1])

2.5.

Matsson heeft in juli en augustus 2015 in totaal € 1.389.578,65 overgemaakt naar de bankrekening van Springfield.

2.6.

Springfield heeft in 5 tranches € 950.000,- overgemaakt naar de bankrekening van Hampton:

€ 200.000,- op 31 oktober 2015

€ 200.000,- op 2 november 2015

€ 200.000,- op 10 december 2015

€ 200.000,- op 17 december 2015

€ 150.000,- op 18 januari 2016.

2.7.

Door Springfield c.s. is het volgende schriftelijke stuk overgelegd:

“AMENDMENT OF INVESTMENT AGREEMENT dd. October 11th 2015

BETWEEN

1.

SPRINGFIELD TRADING FZE

(…)

Represented by its sole director

Hereafter called “the investor”

2.

HAMPTON Trading FZE

(…)

Represented by [betrokkene 1] (cf. 3)

Hereafter called “the company”

3.

[betrokkene 1]

(…)

Passport nr. [Nummer]

Hereafter called “the agent”

(…)

Whereas the parties have engaged in a previous investment agreement, that was signed on October 11th 2015 and that is still in full effect.

Whereas the agent is on the process of taking over all share of the company and becoming its sole director.

(…)

Whereas the investors maintains his investment of a capital of 950.000,00 euro (…).

Whereas the company guarantees a ROI of 2,5 % per month.

Whereas the parties have examined a specific investment demand and have agreed that the invested capital will be invested in the company in the company IT Trader BV (…) in the form of loan.

(…)

AGREEMENT

This agreement sets out the terms on which the investor has agreed to invest the funds as described below.

  1. The terms of the first investment agreement, signed on October 11th 2015, are considered making full part of the current agreement (…).

  2. AMOUNT: 950.000,00

  3. EFFECTIVE DATE: 01.02.2018

  4. DURATION: Until January 18th 2019

  5. INVESTMENT: The capital invested by the investor will be invested solely and exclusively in the company IT Trader BV mentioned above.

  6. APPLICABLE LAW/COMPETENT JUDGE: On the current agreement the Dutch law is applicable. Only the judges of the courts of The Netherlands are competent to hear a case related to the current agreement.

  7. (…)

SIGNED IN Amsterdam on December 21st 2017.

SIGNATURES

1. THE INVESTOR

SIGNATURE: (de rechtbank: handtekening namens Springfield)

2. THE COMPANY

SIGNATURE: (de rechtbank: handtekening [betrokkene 1])

3. THE AGENT

SIGNATURE: (de rechtbank: handtekening [betrokkene 1])

2.8.

Op 29 december 2016 heeft Hampton € 128.863,78 betaald aan Springfield. Het bankafschrift vermeldt als omschrijving “RETURN LOAN AGREEMENT 2015”.

2.9.

Op 16 januari 2018 hebben Hampton en Shiboja een overeenkomst van geldlening gesloten voor een bedrag van € 150.000,- tegen een rente van 3% per maand. Op basis van die overeenkomst heeft Hampton op 15 januari 2018 € 150.000,- overgeboekt naar Shiboja.

2.10.

Op 31 januari 2018 hebben Faraday en IT Trader een overeenkomst van geldlening gesloten voor een bedrag van € 1.000.000,- tegen een rente van 3% per maand. Op basis van die overeenkomst heeft Faraday op 1 februari 2018 € 964.900,- overgeboekt naar IT Trader.

2.11.

Eveneens op 31 januari 2018 hebben Faraday en BKS een overeenkomst van geldlening gesloten voor een bedrag van € 270.000,- tegen een rente van 2% per maand. Op basis van die overeenkomst heeft Faraday in februari 2018 € 270.000,- overgeboekt naar BKS.

2.12.

Bij e-mails van 10 januari 2019 hebben Hampton en Faraday de geleende bedragen plus rente opgeëist van Shiboja, IT Trader en BKS. Betaling is niet gevolgd.

2.13.

Bij e-mail van 21 januari 2019 heeft Springfield aan Hampton geschreven dat de overeenkomst van geldlening op 18 januari 2019 is verlopen en aanspraak gemaakt op terugbetaling van het aan Hampton geleende bedrag van € 950.000,- vermeerderd met rente.

2.14.

Springfield c.s. hebben na verkregen verlof op 8 februari 2019 ten laste van Hampton conservatoir derdenbeslag gelegd onder IT Trader.

2.15.

Springfield c.s. hebben na verkregen verlof op 4 maart 2019 ten laste van Faraday conservatoir derdenbeslag gelegd onder BKS en op 23 mei 2019 onder Shiboja.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

Springfield c.s. vorderen – na wijziging van eis – bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Faraday c.s. hoofdelijk te veroordelen om aan Springfield c.s. te voldoen:

I. € 1.696.136,22 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 18 januari 2019 tot de dag van algehele voldoening;

II. alle kosten van rechtsbijstand in het geschil met Faraday en Hampton ad € 55.000,00 ex btw;

III. de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 6.775,00;

IV. de kosten van het beslagexploot d.d. 8 februari 2019 ad € 207,53;

V. de kosten van het betekeningsexploot d.d. 12 februari 2019 aan IT Trader ad € 83,93;

VI. de kosten van het betekeningsexploot d.d. 13 februari 2019 aan Hampton ad
€ 83,93 + € 18,95 aan portokosten;

VII. de kosten van het beslagexploot d.d. 5 maart 2019 ad € 207,53;

VIII. de kosten van het betekeningsexploot d.d. 12 maart 2019 aan Faraday ad € 100,78;

IX. te verklaren voor recht dat bij gebreke van betaling door Faraday c.s. van enig bedrag, IT Trader en BKS gerechtigd zijn om bevrijdend jegens Faraday en Hampton aan Springfield c.s. te betalen hetgeen IT Trader en BKS aan Faraday en/of Hampton verschuldigd zijn, in die zin dat zij na betaling aan Springfield c.s. jegens Faraday c.s. gevrijwaard zijn voor welke vordering uit welke hoofde dan ook;

althans, subsidiair, te verklaren voor recht dat bij gebreke van betaling door Faraday c.s. van enig bedrag, IT Trader en BKS gerechtigd zijn om bevrijdend jegens Faraday en Hampton € 950.000,- aan Springfield c.s. te betalen hetgeen IT Trader en BKS aan Faraday en/of Hampton verschuldigd zijn, in die zin dat zij na betaling aan Springfield c.s. jegens Faraday c.s. gevrijwaard zijn voor elke vordering;

X. Faraday c.s. te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

Faraday c.s. voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in het incident ex artikel 223 Rv

3.4.

Faraday c.s. vorderen dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de door Springfield c.s. gelegde beslagen opheft en Springfield c.s. veroordeelt in de (na)kosten van het incident.

3.5.

Springfield c.s. voeren verweer.

in voorwaardelijke reconventie

3.6.

Voor zover de rechtbank zich bevoegd acht vorderen Faraday c.s. dat:

  1. de door Springfield c.s. gelegde conservatoire beslagen onder IT Trader en BKS met onmiddellijke ingang worden opgeheven;

  2. Springfield c.s. worden veroordeeld in de proceskosten en de nakosten.

3.7.

Springfield c.s. voeren verweer.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

Rechtsmacht van de Nederlandse rechter

4.1.

Nu alle partijen in het buitenland woonachtig/gevestigd zijn heeft deze zaak een internationaal karakter en moet eerst de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vorderingen kennis te nemen en, zo ja, naar welk recht de vorderingen moeten worden beoordeeld.

4.2.

Faraday en Hampton zijn gevestigd in Hong Kong respectievelijk de Verenigde Arabische Emiraten. Springfield c.s. stellen dat de Nederlandse rechter desondanks rechtsmacht heeft vanwege de in de overeenkomst van 21 december 2017 tussen Springfield en Hampton opgenomen forumkeuze voor de Nederlandse rechtbank. Faraday c.s. betwisten die overeenkomst en daarmee ook de forumkeuze.

4.3.

De rechtbank overweegt dat voor zover zij niet reeds rechtsmacht heeft op grond van de gestelde forumkeuze (artikel 25 van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 (Vo Brussel I bis)) haar rechtsmacht toekomt op grond van artikel 10 jo. 767 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Springfield c.s. hebben in Nederland conservatoir derdenbeslag gelegd ten laste van Hampton onder IT Trader en ten laste van Faraday onder BKS en Shiboja. De Nederlandse rechter is daarom bevoegd kennis te nemen van de vorderingen jegens Faraday en Hampton.

4.4.

[gedaagde] is woonachtig in Italië. De vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is ook kennis te nemen van de vorderingen jegens haar, moet daarom worden beantwoord aan de hand van de Vo Brussel I bis. Volgens de hoofdregel van artikel 4 van de Verordening is de Italiaanse rechter bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen tegen [gedaagde]. Op grond van die bepaling kan iemand alleen worden opgeroepen voor het gerecht van de lidstaat waar hij of zij woont. Artikel 5 lid 1 Vo Brussel I bis bepaalt dat degene die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft, slechts voor het gerecht van een andere lidstaat kan worden opgeroepen krachtens de bevoegdheidsbepalingen die zijn opgenomen in de afdelingen 2-7 van hoofdstuk II van de Verordening. Deze afdelingen leveren echter geen grondslag voor rechtsmacht voor de Nederlandse rechter op.
Springfield c.s. baseren hun vorderingen jegens [gedaagde] op onrechtmatige daad dan wel niet-nakoming door Hampton van de overeenkomst tussen Springfield en Hampton in combinatie met vereenzelviging van [gedaagde] met Hampton (en Faraday). De grondslag bij vereenzelviging is misbruik van identiteitsverschil en dat valt (naar Nederlands recht) ook onder onrechtmatige daad (HR 13 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7480). Artikel 7 lid 2 Vo Brussel I bis bepaalt dat in geval van onrechtmatige daad bevoegd is het gerecht van de plaats waar het schadetoebrengende feit zich heeft voorgedaan. Onduidelijk is waar dat feit zich hier heeft voorgedaan, maar het is in ieder geval niet in Nederland. Artikel 7 Vo Brussel I bis schept dus geen alternatieve bevoegdheid. Datzelfde geldt voor artikel 8 van de Verordening. Hoewel hiervoor is overwogen dat de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen jegens Faraday en Hampton is artikel 8 (pluraliteit verweerders) niet van toepassing, omdat dat artikel alleen alternatieve bevoegdheid schept als sprake is van meerdere verweerders die hun woonplaats hebben in verschillende lidstaten en de zaak aanhangig is voor het gerecht van de woonplaats van een van hen (HvJ EG 27 oktober 1998, C-51/97, NJ 2000/156). Die situatie doet zich hier niet voor. Faraday en Hampton hebben immers geen vestigingsplaats in een lidstaat. Van exclusieve bevoegdheid als bedoeld in artikel 24 Vo Brussel I bis is geen sprake. Voor zover al sprake zou zijn van een geldige forumkeuze tussen Springfield en Hampton is oproeping van [gedaagde] voor de Nederlandse rechter ook niet mogelijk, omdat een forumkeuze in beginsel niet aan een derde kan worden tegengeworpen. Artikel 25 van de Verordening vormt dus evenmin een grondslag voor rechtsmacht. Tot slot is ook geen sprake van een stilzwijgende forumkeuze als bedoeld in artikel 26 Vo Brussel I bis, omdat [gedaagde] weliswaar in de procedure is verschenen, maar zij in de conclusie van antwoord primair heeft geconcludeerd tot onbevoegdheid van de Nederlandse rechter.

De slotsom van het vorenstaande is dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om van de vorderingen jegens [gedaagde] kennis te nemen. De rechtbank zal zich wat die vorderingen betreft dan ook onbevoegd verklaren.

Toepasselijk recht

4.5.

De vorderingen tegen Faraday en Hampton moeten worden beoordeeld naar Nederlands recht, nu partijen ter zitting uitdrukkelijk hebben gekozen voor de toepasselijkheid van Nederlands recht (artikel 3 Rome I Verordening en artikel 14 Rome II Verordening).

De inhoudelijke beoordeling

4.6.

Aan de vordering onder I tot betaling van € 1.696.136,22 leggen Springfield c.s. primair de door hen overgelegde schriftelijke overeenkomsten van geldlening tussen Springfield, Hampton en [betrokkene 1], ondertekend op 13 oktober 2015 en 21 december 2017, ten grondslag. Faraday moet met Hampton vereenzelvigd worden en is daarom hoofdelijk verbonden voor de terugbetaling van de geldlening en de overeengekomen rente, aldus Springfield c.s.

4.7.

Hampton betwist niet dat zij een bedrag van € 950.000,- heeft ontvangen van Springfield. Zij betwist wel dat sprake is van een geldlening. De titel van de betalingen was volgens Hampton een gezamenlijke investering van [eiser] en [gedaagde] in een onroerendgoedproject dat liep via Hampton. De door Springfield c.s. overgelegde schriftelijke overeenkomsten van geldlening van 13 oktober 2015 en 21 december 2017 waarop de vordering wordt gebaseerd zijn Hampton niet bekend. Zij betwist het bestaan van die overeenkomsten dan ook en stelt dat de beide akten valselijk achteraf zijn opgemaakt. Dat blijkt onder meer uit het feit dat [betrokkene 1] beide akten namens Hampton heeft ondertekend, terwijl hij daartoe op 13 oktober 2015 en 21 december 2017 niet bevoegd was, omdat hij pas op 11 februari 2018 general manager werd van Hampton.

4.8.

De rechtbank overweegt het volgende. Zowel in de dagvaarding als in de eerder gevoerde kort gedingprocedures hebben Springfield c.s. de betalingsvordering jegens Hampton steeds specifiek gebaseerd op de schriftelijke overeenkomst van 13 oktober 2015 en het amendement daarop van 21 december 2017. Tijdens de mondelinge behandeling op 28 januari 2020 van het verzoekschrift van Faraday en Hampton tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor heeft [betrokkene 1] op een vraag van de rechtbank uitdrukkelijk verklaard dat hij de schriftelijke overeenkomsten van geldlening heeft ondertekend op
13 oktober 2015 respectievelijk 21 december 2017 en bevestigd dat hij dat onder ede ook zal verklaren.

In de loop van deze bodemzaak is echter vast komen te staan dat de akte van geldlening waarvan de ondertekening is gedateerd op 13 oktober 2015 niet op die datum kan zijn ondertekend. Het in de akte vermelde paspoortnummer van [betrokkene 1] blijkt te horen bij een paspoort dat pas op 25 april 2016 is afgegeven. Pas nadat in de procedure duidelijk was geworden dat de akte niet op 13 oktober 2015 kan zijn ondertekend, hebben de door Springfield c.s. in het voorlopig getuigenverhoor opgeroepen getuigen hun verklaring aangepast en verklaard dat zij zich eerder hadden vergist. De getuigen en in navolging daarvan Springfield c.s. stelden nu dat in de akte sprake was van “postdatering” van de ondertekening. Voor het eerst stelden Springfield c.s. dat de afspraken over de geldlening mondeling op 13 oktober 2015 zouden zijn gemaakt en dat de akte waarin de op die datum gemaakte mondelinge afspraken zijn vastgelegd op een later moment (in 2016) door partijen zou zijn ondertekend. [betrokkene 1] en [eiser] hebben beiden verklaard dat [betrokkene 1] voorafgaand aan de bespreking met [eiser] in Amsterdam op 13 oktober 2015 de afspraken op papier heeft gezet, de overeenkomst heeft meegenomen naar de bespreking en die daar heeft overhandigd aan [eiser]. [eiser] zou de overeenkomst vervolgens hebben meegenomen naar Polen om die juridisch te laten controleren. Na akkoordbevinding zou [eiser] de akte in het voorjaar of de zomer van 2016 hebben ondertekend.

Deze verklaring van [betrokkene 1] en [eiser] overtuigt echter niet. Ook in deze lezing zou de akte zelf immers al op 13 oktober 2015 zijn opgesteld, inclusief de (voorgedrukte) vermelding van het nummer van het paspoort van [betrokkene 1], dat echter pas op 25 april 2016 is afgegeven. De hele akte moet dus wel op een later moment zijn opgesteld. De verklaringen van [betrokkene 1] en [eiser] zijn daarmee ongeloofwaardig.
Daarnaast is de verklaring van [eiser] dat hij de overeenkomst in Polen nog juridisch wilde laten controleren en dat hij vervolgens na akkoordbevinding in het voorjaar of de zomer van 2016 de akte heeft ondertekend, niet te rijmen met het feit dat Springfield al op 31 oktober 2015, dus kort na de gestelde bespreking van de overeenkomst op 13 oktober 2015 in Amsterdam, de eerste termijn van € 200.000,- aan Hampton heeft overgemaakt en op 18 januari 2016 al het volledige bedrag van € 950.000,- aan Hampton had voldaan.
De op de verklaringen van [betrokkene 1] en [eiser] gebaseerde stelling van Springfield c.s. dat sprake is geweest van postdatering van de akte (nog daargelaten dat volgens de verklaringen van [betrokkene 1] en [eiser] kennelijk sprake zou zijn geweest van antedatering), maar dat op 13 oktober 2015 wel degelijk mondelinge afspraken zijn gemaakt zoals vastgelegd in de later ondertekende akte, is daarmee eveneens ongeloofwaardig.

4.9.

De conclusie van hetgeen hiervoor is overwogen, is dat de akte van 13 oktober 2015 waar Springfield c.s. hun betalingsvordering op hebben gebaseerd valselijk is opgemaakt. De schriftelijke overeenkomst kan dan ook niet de grondslag vormen voor de vordering tot terugbetaling van het bedrag van € 950.000,- met contractuele rente door Hampton. Dit geldt dus ook voor het op deze schriftelijke overeenkomst gebaseerde amendement van 21 december 2017.

4.10.

Voor zover Springfield c.s. betogen dat op 13 oktober 2015 een mondelinge overeenkomst van geldlening met gelijke inhoud als de afspraken in de schriftelijke overeenkomst tot stand is gekomen gaat de rechtbank daaraan voorbij, omdat die (door Hampton betwiste) stelling evenmin geloofwaardig is.
In de eerste plaats is die stelling in strijd met de verklaring van [betrokkene 1] en [eiser] dat [eiser] de overeenkomst na 13 oktober 2015 nog juridisch wilde laten controleren, zodat van een definitieve overeenkomst nog geen sprake was.
Daarnaast is van belang dat volgens de stellingen van Springfield c.s. het uitgeleende geld na overboeking ruim twee jaar ongebruikt op de bankrekening van Hampton zou hebben gestaan, waarna Springfield in december 2017 als geldverstrekker zou hebben kunnen bepalen dat het geld door Hampton (al dan niet via Faraday) geïnvesteerd moest worden in IT Trader, BKS en Shiboja. Dat is niet geloofwaardig, mede in aanmerking genomen dat partijen volgens de op 13 oktober 2015 gedateerde akte (al vanaf het begin) een rentevergoeding van 2,5% per maand zouden zijn overeengekomen.
Met de stelling dat sprake is van een (mondelinge) overeenkomst van geldlening verhoudt zich ook niet dat tot aan deze procedure door Springfield nooit aanspraak is gemaakt op betaling van enige rente door Hampton. [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]), volgens Springfield c.s. de ultimate beneficial owner (UBO) van Faraday en Hampton en degene die de afspraken met [eiser] zou hebben gemaakt, heeft bovendien verklaard dat helemaal geen rente verschuldigd was en ook niet is betaald. Dat Hampton aan de betaling van € 128.863,78 aan Springfield op 29 december 2016 de omschrijving “Return Loan Agreement 2015” heeft meegegeven maakt dat niet anders, want daaruit volgt niet zonder meer dat deze betaling rente betreft zoals Springfield c.s. betogen. Het betaalde bedrag komt bovendien niet overeen met hetgeen aan rente verschuldigd zou zijn, uitgaande van het rentepercentage van 2,5% per maand zoals vermeld in de schriftelijke overeenkomst van
13 oktober 2015. Dat geen rente is betaald en daar door Springfield ook geen aanspraak op is gemaakt, maakt het des te aannemelijker dat van een (mondelinge) overeenkomst van geldlening tussen Springfield en Hampton geen sprake is geweest.

4.11.

Bij het voorgaande komt nog dat niet is gebleken dat [betrokkene 1] op 13 oktober 2015 bevoegd was om Hampton te vertegenwoordigen en namens haar afspraken over een geldlening te maken. [betrokkene 1] is pas op 11 februari 2018 benoemd tot general manager van Hampton, welke benoeming is ingeschreven in het plaatselijke handelsregister op 8 maart 2018. Tot dat moment was [gedaagde] de bestuurder en in die hoedanigheid dus bevoegd om Hampton te vertegenwoordigen. Er is niet (onderbouwd) gesteld of gebleken dat er een (rechtsgeldige) overeenkomst bestond tussen [betrokkene 1] en Hampton, op grond waarvan hij bevoegd was (volgens de overeenkomst van 13 oktober 2015 als ‘agent’) Hampton te vertegenwoordigen. De stelling van Springfield c.s. dat [betrokkene 2] de UBO van Hampton (en overigens ook Faraday) is en als zodanig namens Hampton de afspraken met Springfield c.s. heeft gemaakt, wordt niet door enig formeel stuk ondersteund en is bovendien in tegenspraak met de eveneens door Springfield c.s. ingenomen stelling dat [gedaagde] de bestuurder en enig aandeelhouder van Hampton (en Faraday) is. Laatstgenoemde stelling vindt overigens wel steun in de door Hampton c.s. overgelegde afschriften van het eerdergenoemde plaatselijke handelsregister, waaruit blijkt dat [gedaagde] als manager van Hampton staat geregistreerd (periode 3 juni 2015 tot 8 maart 2018 en vanaf 5 maart 2019). [betrokkene 2] komt ook niet voor in de akte van 13 oktober 2015. Ook als Springfield c.s. zouden kunnen worden gevolgd in hun (niet onderbouwde) stelling dat [betrokkene 2] degene is die feitelijk de beslissingen voor Hampton (en Faraday) nam, laat dat onverlet dat [gedaagde] juridisch de UBO en de enig bestuurder van Hampton was en is en daarmee de bevoegde persoon was om bindende afspraken namens Hampton te maken.

4.12.

De conclusie van het vorenstaande is dat in deze procedure niet van een schriftelijke en ook niet van een mondelinge overeenkomst van geldlening tussen Springfield en Hampton is gebleken. De primaire grondslag kan dus niet leiden tot toewijzing van de vordering tot (terug)betaling van € 950.000,- en betaling van contractueel verschuldigde rente door Hampton, laat staan door Faraday.

4.13.

Als subsidiaire grondslag voor de terugbetaling van het bedrag van € 950.000,- voeren Springfield c.s. aan dat sprake is van onverschuldigde betaling. Faraday c.s. betwisten niet dat Hampton € 950.000,- van Springfield heeft ontvangen, maar zij stellen dat die betaling niet onverschuldigd is. Volgens Faraday c.s. houdt de betaling verband met een investering in een onroerendgoedproject op Sicilië (Italië), hetgeen Springfield c.s. gemotiveerd betwisten. Naar het oordeel van de rechtbank hebben Faraday c.s. hun stellingen op dit punt onvoldoende onderbouwd. Zij hebben alleen enkele bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat Hampton vanaf eind 2015 tot en met september 2016 betalingen heeft gedaan aan Dextra Partners PTE Ltd, Maud Holdings Ltd en [betrokkene 3]. Volgens Faraday c.s. zijn deze bedragen weer doorgestort naar Real Estate SRL, een onroerendgoedproject in Cefalù (Sicilië). Dat de door Hampton overgemaakte bedragen afkomstig zijn van Springfield en dat het de bedoeling van partijen was het geld van Springfield te investeren in onroerend goed op Sicilië blijkt echter nergens uit. Schriftelijke stukken van de investering zijn niet overgelegd en Faraday c.s. hebben niet gesteld welke afspraken partijen hebben gemaakt over terugbetaling van de investering of over verdeling van het rendement van de investering. De enkele e-mail van [betrokkene 3] van 18 maart 2019 aan [gedaagde] waarin hij schrijft dat hij het onroerendgoedproject in de zomer van 2017 met [eiser] heeft bezocht, is onvoldoende om de gestelde investering te onderbouwen. [eiser] heeft tijdens zijn getuigenverhoor op 13 oktober 2020 bovendien verklaard dat hij [betrokkene 3] nooit heeft ontmoet en hem niet kent. Nu enige andere onderbouwing van de gestelde investering op Sicilië ontbreekt, kan de rechtbank niet vaststellen dat de niet betwiste betaling van € 950.000,- van Springfield aan Hampton verband houdt met de door Faraday c.s. gestelde investering. Bij deze stand van zaken volgt de rechtbank Springfield c.s. in hun subsidiaire standpunt dat sprake is van een betaling zonder titel, nu Faraday c.s. dat standpunt niet deugdelijk onderbouwd hebben weersproken. Daarom moet worden geconcludeerd dat de betaling onverschuldigd is verricht.

4.14.

Het voorgaande betekent dat Springfield het door haar aan Hampton betaalde bedrag kan terugvorderen. Op de ontvangen € 950.000,- moet het reeds door Hampton aan Springfield terugbetaalde bedrag van € 128.863,78 in mindering worden gebracht, zodat Hampton nog € 821.136,22 moet terugbetalen. De vordering onder I van Springfield tegen Hampton zal daarom in hoofdsom tot het bedrag van € 821.136,22 worden toegewezen, en voor het meerdere worden afgewezen. De wettelijke rente zal zoals gevorderd worden toegewezen vanaf 18 januari 2019.

4.15.

Voor zover de vordering tot terugbetaling mede is ingesteld door Matsson en [eiser] zal de vordering bij gebrek aan grondslag worden afgewezen. Vaststaat dat het geldbedrag door Springfield is overgemaakt naar Hampton. Springfield is dan ook de enige die aanspraak kan maken op terugbetaling door Hampton. Dat het geld dat Springfield heeft overgemaakt afkomstig is van Matsson en/of [eiser] is iets dat uitsluitend speelt in de relatie tussen Springfield en Matsson en [eiser]. Hampton staat daar buiten.

4.16.

De vordering van Springfield tegen Faraday zal worden afgewezen. Vaststaat dat Springfield uitsluitend (onverschuldigd) aan Hampton heeft betaald en niet aan Faraday. Niet valt in te zien waarom ook Faraday gehouden zou zijn om het door Hampton ontvangen bedrag aan Springfield terug te betalen. Voor de door Springfield gestelde vereenzelviging van Faraday met Hampton is onvoldoende gesteld. Vereenzelviging wordt alleen (in uitzonderlijke gevallen) aangenomen als door degene die volledige zeggenschap heeft over twee rechtspersonen misbruik wordt gemaakt van het identiteitsverschil tussen deze rechtspersonen en een derde daardoor wordt benadeeld. Dat [gedaagde] als bestuurder van zowel Faraday als Hampton bij de betaling door Springfield aan Hampton of de terugbetaling door Hampton, misbruik heeft gemaakt van het identiteitsverschil tussen Faraday en Hampton is niet gesteld of gebleken. Het enkele feit dat [gedaagde] bestuurder en aandeelhouder is van zowel Faraday als Hampton en tussen beide vennootschappen geldstromen bestonden, is voor het aannemen van misbruik onvoldoende. Daar komt nog bij dat niet is gebleken dat Springfield is benadeeld. Voor aansprakelijkheid van Faraday voor de betaling van het door Hampton aan Springfield verschuldigde bedrag bestaat dus geen rechtsgrond.

4.17.

De onder IX (zowel primair als subsidiair) gevorderde verklaring voor recht dat IT Trader en BKS gerechtigd zijn om bevrijdend jegens Faraday en Hampton aan Springfield c.s. te betalen hetgeen IT Trader en BKS aan Faraday en/of Hampton verschuldigd zijn, zal worden afgewezen. Naar Nederlands recht bestaat er geen grondslag voor die vordering. Bovendien kan er geen verklaring voor recht worden gegeven met betrekking tot een derde die zelf geen partij is in de procedure.

4.18.

Springfield c.s. vorderen onder IV tot en met VIII Faraday en Hampton te veroordelen tot betaling van de beslagkosten en de kosten van de overbetekeningsexploten van de ten laste van Hampton en Faraday gelegde conservatoire derdenbeslagen. Gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv zijn de vorderingen onder IV, V en VI – die betrekking hebben op het beslag onder IT Trader ten laste van Hampton – voor zover ingesteld door Springfield tegen Hampton toewijsbaar. Aangezien de in het petitum genoemde bedragen niet (volledig) corresponderen met de bedragen in de overgelegde exploten, stelt de rechtbank het bedrag dat zal worden toegewezen vast op (€ 207,53 + € 83,83 + € 83,83 + € 16,95 =) € 392,14. Voor zover deze vorderingen zijn ingesteld door Matsson en [eiser] tegen Hampton en door Springfield c.s. tegen Faraday worden zij, gelet op hetgeen hiervoor is geoordeeld, afgewezen.

De vorderingen onder VII en VIII – die betrekking hebben op het beslag onder BKS ten laste van Faraday – zullen, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en gelet op de beslissing in (voorwaardelijke) reconventie tot opheffing van dat beslag, worden afgewezen.

4.19.

De vordering van Springfield c.s. onder III tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen. Niet gesteld of gebleken is dat Springfield c.s. dergelijke kosten hebben gemaakt. Springfield c.s. hebben hun vordering tegen Faraday c.s. rauwelijks ingesteld in het kort geding tussen Faraday en Hampton enerzijds en IT Trader, BKS en Shiboja anderzijds, waarin zij op het laatste moment zijn tussengekomen.

4.20.

De rechtbank zal de vorderingen onder II tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand afwijzen omdat in deze procedure geen vergoeding kan worden gevorderd van proceskosten in een andere zaak. Ook de vordering onder X tot betaling van de proceskosten in deze zaak zal worden afgewezen, omdat de rechtbank aanleiding ziet de proceskosten tussen partijen te compenseren. Weliswaar wordt de vordering van Springfield jegens Hampton toegewezen, maar dat gebeurt op een andere grondslag (onverschuldigde betaling) dan de grondslag (geldlening) waarover partijen in deze procedure tot aan de conclusie na getuigenverhoor van Springfield c.s. hebben gedebatteerd en waarover de getuigen in het voorlopig getuigenverhoor zijn gehoord. Ook in de genoemde conclusie en het daarna gevoerde debat is vrijwel geen aandacht besteed aan de grondslag onverschuldigde betaling.

4.21.

Hampton heeft verzocht een veroordelend vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren zoals Springfield heeft gevorderd. In dat geval moeten bij de beoordeling de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Nu de beslissing de veroordeling tot betaling van een geldsom betreft, is het belang van Springfield bij uitvoerbaarheid van die veroordeling bij voorraad in beginsel gegeven (vgl. HR 27 februari 1998, NJ 1998/512 en HR 17 maart 2000, NJ 2000/353). Hampton heeft haar belang bij het niet uitvoerbaar verklaren verder niet toegelicht. De belangenafweging valt daarom uit in het voordeel van Springfield, zodat de betalingsveroordeling als gevorderd uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard.

in (voorwaardelijke) reconventie

4.22.

Onder de voorwaarde dat de rechtbank zich in conventie bevoegd verklaart kennis te nemen van de vorderingen van Springfield c.s., vorderen Faraday c.s. (de rechtbank begrijpt: Faraday en Hampton, omdat ten laste van [gedaagde] geen beslag is gelegd) opheffing van de door Springfield c.s. gelegde conservatoire beslagen. Nu aan de gestelde voorwaarde is voldaan voor wat betreft de vorderingen jegens Faraday en Hampton, komt de rechtbank toe aan de reconventionele vordering.

4.23.

In de beschikking van 7 februari 2019 heeft de voorzieningenrechter aan Springfield c.s. verlof verleend tot het leggen van conservatoir derdenbeslag ten laste van Hampton onder IT Trader. De termijn voor het instellen van de hoofdzaak is bepaald op veertien dagen na het leggen van het beslag. Uit het exploot van de deurwaarder blijkt dat het beslag is gelegd op 8 februari 2019. Anders dan Faraday en Hampton betogen, hebben Springfield c.s. de hoofdzaak aanhangig gemaakt binnen de gestelde termijn van veertien dagen na het leggen van het beslag door hun tussenkomst op 11 februari 2019 in het kort geding tussen Faraday en Hampton enerzijds en IT Trader, BKS en Shiboja anderzijds. Gelet op de beslissing in conventie zal de vordering tot opheffing van het ten laste van Hampton gelegde beslag worden afgewezen.

4.24.

Springfield c.s. hebben na verkregen verlof op 4 maart 2019 ten laste van Faraday conservatoir derdenbeslag gelegd onder BKS en op 23 mei 2019 onder Shiboja. Hiervoor is in conventie geoordeeld dat de betalingsvordering van Springfield c.s. jegens Faraday zal worden afgewezen. Artikel 704 Rv doet een conservatoir beslag van rechtswege vervallen indien een afwijzend bodemvonnis in de hoofdzaak in kracht van gewijsde is gegaan. Daarvan is echter nog geen sprake. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 juni 2006, NJ 2007/483, overwogen dat een vonnis van een bodemrechter waarbij de vordering waarvoor beslag is gelegd is afgewezen niet zonder meer met zich brengt dat het beslag dient te worden opgeheven. In zo’n geval dienen de wederzijdse belangen van partijen bij het al dan niet opheffen te worden afgewogen. De omstandigheid dat de bodemrechter in de hoofdzaak reeds uitspraak heeft gedaan, dient in die belangenafweging wel te worden meegewogen.

4.25.

De omstandigheid dat de vordering van Springfield c.s. jegens Faraday in dit vonnis wordt afgewezen, weegt de rechtbank in het voordeel van Faraday mee bij de belangenafweging waarin de deugdelijkheid van de vorderingen moet worden betrokken. Springfield c.s. hebben in reactie op de reconventionele vordering tot opheffing niets gesteld over hun belang bij handhaving van de beslagen. Dat hebben zij evenmin gedaan in het incidentele verweer tegen de provisionele vordering tot opheffing. De belangenafweging valt dan ook uit in het voordeel van Faraday, zodat alle ten laste van haar gelegde conservatoire beslagen zullen worden opgeheven.

4.26.

In de omstandigheid dat partijen deels in het gelijk en in het ongelijk worden gesteld, ziet de rechtbank aanleiding om de kosten in reconventie te compenseren.

in het incident ex artikel 223 Rv

4.27.

Nu een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv alleen kan worden getroffen voor de duur van het geding en zowel in conventie als in reconventie eindvonnis wordt gewezen waarmee het geding in eerste aanleg eindigt, hebben Faraday c.s. geen belang meer bij hun incidentele vordering (naar de rechtbank begrijpt: ingesteld door Faraday en Hampton, omdat ten laste van [gedaagde] geen beslag is gelegd) tot opheffing van de door Springfield c.s. ten laste van Faraday en Hampton gelegde beslagen zodat zij daarin niet-ontvankelijk zullen worden verklaard.

4.28.

Dat Faraday c.s. inmiddels geen belang meer hebben bij hun incidentele vordering is het gevolg van het feit dat de behandeling van de incidentele vordering op enig moment in overleg met beide partijen is aangehouden. Dat Faraday c.s. niet-ontvankelijk worden verklaard, is dan ook geen reden om hen in de proceskosten te veroordelen. De rechtbank ziet aanleiding de proceskosten in het incident tussen partijen te compenseren.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

verklaart zich onbevoegd om van de vorderingen jegens [gedaagde] kennis te nemen,

5.2.

veroordeelt Hampton om aan Springfield te betalen een bedrag van € 821.136,22 (achthonderdéénentwintig duizend honderdzesendertig euro en tweeëntwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 18 januari 2019 tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt Hampton om aan Springfield de beslagkosten te betalen van € 392,14 (driehonderdtweeënnegentig euro en veertien eurocent),

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen onder 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.7.

heft op de door Springfield c.s. ten laste van Faraday gelegde conservatoire beslagen onder BKS en Shiboja,

5.8.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.9.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in het incident ex artikel 223 Rv

5.10.

verklaart Faraday en Hampton niet-ontvankelijk in hun vorderingen,

5.11.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Pott Hofstede, mr. E.J. Bellaart en mr. J. van der Kluit en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2021.1

1 Conc.: 977