Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:8902

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
06-10-2021
Datum publicatie
29-10-2021
Zaaknummer
C/15/286578 / HA ZA 19-228
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Terugbetaling geldleningen. Vraag aan wie moet worden terugbetaald. Uitleg schriftelijke overeenkomsten. Volmacht advocaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/286578 / HA ZA 19-228

Vonnis van 6 oktober 2021

in de zaak van

1. de rechtspersoon naar buitenlands recht

FARADAY LIMITED,

gevestigd in Hong Kong,

2. de rechtspersoon naar buitenlands recht

HAMPTON TRADING FZE,

gevestigd in de Verenigde Arabische Emiraten,
3. de rechtspersoon naar buitenlands recht

GALAXY GLOBAL GENERAL TRADING LLC,

gevestigd in Dubai, Verenigde Arabische Emiraten,

eiseressen,

advocaat mr. C.I.M. Molenaar te Volendam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IT TRADER B.V.,

gevestigd in Loosdrecht,

gedaagde,

advocaat mr. S.E. de Vries-van der Veldt te Hoofddorp,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BKS RETAIL B.V.,

gevestigd in Wijdemeren,

gedaagde,

advocaat mr. J. Hagers te Amsterdam,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SHIBOJA TRADING B.V.,

gevestigd in IJmuiden,

gedaagde,

advocaat mr. J. Hagers te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Faraday, Hampton, Galaxy, ITT, BKS en Shiboja genoemd worden. Eiseressen zullen gezamenlijk worden aangeduid als Faraday c.s. en gedaagden als ITT c.s.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de akte houdende producties van Faraday c.s.

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de incidentele conclusie ex artikel 224 Rv van ITT c.s.

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord ex artikel 224 Rv

  • -

    het vonnis in incident van 31 juli 2019

  • -

    de brief van 9 augustus 2019 van mr. Molenaar met de mededeling dat zekerheid is gesteld

  • -

    de incidentele conclusie tot voeging tevens conclusie van eis van Springfield Trading FZE en [betrokkene 1]

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident tot voeging van Faraday c.s.

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident tot voeging van ITT

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident tot voeging van BKS en Shiboja.

  • -

    het vonnis in incident van 12 februari 2020

  • -

    de brief van mr. De Vries namens ITT van 10 december 2020

  • -

    de conclusie na getuigenverhoor tevens akte uitlating producties van Faraday c.s.

  • -

    de akte overlegging producties van ITT met de producties 16 en 17

  • -

    de akte overlegging producties van Faraday c.s. met productie 37

  • -

    de brief van mr. Hagers van 23 mei 2021 met als bijlage de producties 16 en 17

  • -

    het faxbericht van mr. Molenaar van 25 mei 2021 met als bijlage productie 38

  • -

    het B-formulier van mr. Molenaar waarin hij bezwaar maakt tegen het te laat indienen van de producties 16 en 17 door BKS c.s. en hij namens Faraday c.s. productie 39 overlegt

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 27 mei 2021, de voorgedragen pleitnotities en de ter zitting door mr. Hagers (nogmaals, maar nu beter leesbaar en met aanvullende stukken) overgelegde producties 16 en 17

  • -

    de antwoordakte tevens overlegging producties van ITT

  • -

    de antwoordakte en akte overlegging producties van BKS en Shiboja

  • -

    de akte uitlating producties van Faraday c.s.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ) is bestuurder en enig aandeelhouder van Faraday en Hampton. Van 8 maart 2018 tot zijn ontslag op 11 januari 2019 was [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3] ) bestuurder (general manager) van Hampton.

2.2.

[betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4] ) was tot 15 maart 2019 bestuurder en enig aandeelhouder van Galaxy. Nadien zijn de bestuurders en aandeelhouders van Galaxy meerdere keren gewijzigd.

2.3.

ITT, BKS en Shiboja zijn groothandelaren in computers, randapparatuur, software en elektronische- c.q. telecommunicatieapparatuur.

2.4.

[betrokkene 10] (hierna: [betrokkene 10] ) is bestuurder en enig aandeelhouder van ITT. Zijn echtgenote Sheila [betrokkene 10] was dat van BKS, maar vanaf april 2018 is [betrokkene 3] de bestuurder en enig aandeelhouder van BKS. [betrokkene 5] (hierna: [betrokkene 5] ) is (via Shiboja B.V.) bestuurder en enig aandeelhouder van Shiboja.

2.5.

Springfield Trading FZE (hierna: Springfield) is een in de Verenigde Arabische Emiraten gevestigde investeringsmaatschappij, waarvan [betrokkene 6] (hierna: [betrokkene 6] ) de bestuurder is.

Galaxy - Shiboja - Hampton

2.6.

Galaxy en Shiboja hebben met ingang van 14 februari 2017 een overeenkomst van geldlening gesloten. De schriftelijke overeenkomst houdt voor zover van belang het volgende in:

“INTERCOMPANY LOAN AGREEMENT

PARTIES

Lender: (…) Galaxy Global General Trading LLC

(…)

Borrower: (…) Shiboja Trading BV

(…)

AGREEMENT:

This Agreement sets out the terms on which the Lender has agreed to provide to the Borrower the loan as described below.

  1. AMOUNT: 418.614 euro

  2. EFFECTIVE DATE: 14-2-2017

  3. REPAYMENT DATE: on demand of lender but not before 13-2-2018

  4. DRAWDOWN: In full on the Effective date as lender demands

(…)

7. INTEREST RATE: 36% of the loan amount agreed for the year 2017 (3% a month). If we extend a new contract needs to be made and signed

8. INTEREST PERIODS: Once a year except when lender prefers more often (max 4 times a year)

(…)

10. INTEREST ON LATE PAYMENTS: 3% per annum above the Interest Rate.

(…)

13. SPECIAL TERMS: Galaxy global general Trading LLC wish to receive the interest on the account of Hampton Trading FZE

14. INCORPORATION OF STANDARD TERMS: This Agreement shall be deemed to incorporate the “Standard Terms for the Provision of Intercompany Loan Facilities” attached.

15. ENTIRE AGREEMENT: This Agreement, together with the Standard Terms referred to above, constitutes the whole agreement in respect of the loan facilities referred to above.

(…)”

2.7.

De schriftelijke overeenkomst is op 30 januari 2017 namens Galaxy ondertekend door [betrokkene 4] . Een handtekening namens Shiboja ontbreekt.

2.8.

In februari 2017 heeft Galaxy in meerdere tranches in totaal € 419.000,- overgemaakt naar Shiboja.

2.9.

Op 28 december 2017 heeft Shiboja € 150.701,40 overgemaakt naar Hampton.

2.10.

Faraday c.s. hebben het volgende schriftelijke stuk overgelegd:

Letter of asignment between

Galaxy (…)

and

Hampton (…)

Letter of asignment for the recovery of 418.614 euro funds lent by Galaxy (…) to Shiboja (…)

Letter signed during the meeting held on 09.02.2018 in Dubai, UAE between Mr. [betrokkene 4] as manager of Galaxy (…) and mrs. [betrokkene 2] as sole shareholder of Hampton (…)

Provided that:

-following lack of recovery of the loan, Galaxy (…) recorded a debt being in a delicate situation

-considering the difficulty of recovering the loan by Mr [betrokkene 4]

-the interest of 3% granted, 150.700 eur, due by Shiboja for the loan of 418.614 euro was paid to Hampton (…) agreed by contract

Mr. [betrokkene 4] manager of Galaxy (…) authorizes Hampton (…) to recover the funds of 418.614 euro transferred to Shiboja (…) as loan starting with 14 february 2017 and not returned by the time of signature of the assignment letter

The parties agree and sign the present letter on 9th february 2018

(de rechtbank: handtekening)

[betrokkene 4]

(de rechtbank: handtekening)

[betrokkene 2] ”

2.11.

Zowel op 9 als op 12 februari 2018 heeft Macam Trading B.V. een bedrag van € 200.000,- overgemaakt naar Galaxy. Bij de overboeking op 9 februari 2018 staat als omschrijving: “return part of capital injection Preeminence FZE” en bij de overboeking op 12 februari 2018 “payment Preeminence FZE”.

2.12.

Shiboja heeft een schriftelijk stuk met de volgende inhoud overgelegd:

“Preemincence Free Zone Entity Galaxy Global General Trading LLC

[betrokkene 8] mr. [betrokkene 4]

(…) (…)

Nunspeet 28-02-2018

Topic: Decision of Shareholders meeting for Settlement of Shareholder of Macam Trading BV

(…)

In the Shareholders meeting of Macam Trading BV, we decided that after the actual situation between Macam Trading BV and Preeminence FZE, The Preeminence FZE will sell back the 80% of the shares of Macam Trading BV to Macam Beheer BV. As we agreed Preeminence FZE has no capital anymore in Macam Trading BV. On the 9th and the 12th of February 2018 Macam Trading BV paid to Galaxy Global General Trading LLC the payment (Return Part of Capital Injection Preeminence FZE) for Preeminence FZE to compensate the Euro 480K sent from Galaxy Global General Trading LLC to Shiboja BV.

This means, that there are no debts anymore between Galaxy Global General Trading LLC and Shiboja BV.

There are also no debts between Macam Trading BV and Preeminence FZE of between Preeminence FZE and Macam Trading BV.

I need the following from all of you: Your signature on this official document and a copy of your passport.

Also by signing this document you agree with the transaction of selling the 80% shares of Macam Trading BV back to Macam Beheer BV. (…)

Galaxy Global General Trading LLC will have to take the three copies of this letter along with signatures on all copies. They will sent this back including 3 copy of passport of [betrokkene 4] to the following address by UPS or DHL:

Macam Beheer BV

[betrokkene 7]

(…)

Macam Trading BV Preeminence Free Zone Entity

(de rechtbank: handtekening) (de rechtbank: handtekening)

[betrokkene 8]

Director/owner Director/owner

Date: 20-03-2018 Date:………………

Galaxy Global General Trading LLC

(de rechtbank: handtekening)

[betrokkene 4]

Director/owner

Date:………………”

2.13.

Op 18 november 2019 heeft [betrokkene 8] (hierna: [betrokkene 8] ), enig bestuurder en aandeelhouder van Macam Trading B.V. de volgende e-mail gestuurd aan [betrokkene 2] :

“I have the following answers about your questions:

Present at the sign of the share agreement (preemince sell 80% of the shares of Macam Trading BV to Macam Beheer BV) and the document you are talking about where:

[betrokkene 8] and [betrokkene 9] and my self.

There was no Mister [betrokkene 4]

I never paid a amount to Galaxy on behalf of Shiboja, I don’t even now are debts ot credits or payments between them. I don’t even have a business relationship with Shiboja in any form.

I was forced to add this phrase as a condition to settle and close Preeminence and get back my shares.

[betrokkene 9] forced me and threatened me on a very hard way to sign this document! This was the only option to get my shares back.”

Hampton - Shiboja

2.14.

Op 6 januari 2018 heeft Hampton € 150.000,- overgemaakt naar Shiboja.

2.15.

Op 15 januari 2018 heeft [betrokkene 5] een e-mail gestuurd aan Hampton met als onderwerp “Contract to be filled in and signed” en verder alleen de tekst “Kind regards, [betrokkene 5] ”. De e-mail bevat als bijlage een Worddocument met als titel “loan agreement shiboja hampton 150k.doc”.

2.16.

Bij e-mail van 15 januari 2018 heeft Hampton het volgende aan Shiboja geschreven:

“150.000 eur paid now

Attached payment order copy

please send the agreement signed by you, the bank might ask in order to process the payment”

2.17.

Door Faraday c.s. is het volgende schriftelijke stuk overgelegd:

“INTERCOMPANY LOAN AGREEMENT

PARTIES

Lender: (…) Hampton

(…)

Borrower: (…) Shiboja Trading BV

(…)

AGREEMENT:

This Agreement sets out the terms on which the Lender has agreed to provide to the Borrower the loan as described below.

  1. AMOUNT: 150.000 euro

  2. EFFECTIVE DATE: 16-1-2017

  3. REPAYMENT DATE: on demand of lender but not before 31-12-2018

  4. DRAWDOWN: In full on the Effective date as lender demands

(…)

7. INTEREST RATE: 3% per month of the loan amount agreed for the year 2018. If we extend a new contract needs to be made and signed

8. INTEREST PERIODS: Once a year except when lender prefers more often (max 4 times a year)

(…)

10. INTEREST ON LATE PAYMENTS: 3% per annum above the Interest Rate.

(…)

14. INCORPORATION OF STANDARD TERMS: This Agreement shall be deemed to incorporate the “Standard Terms for the Provision of Intercompany Loan Facilities” attached.

15. ENTIRE AGREEMENT: This Agreement, together with the Standard Terms referred to above, constitutes the whole agreement in respect of the loan facilities referred to above.

(…)”

2.18.

De schriftelijke overeenkomst is op 16 januari 2018 namens Hampton ondertekend door [betrokkene 2] . Een handtekening namens Shiboja ontbreekt.

2.19.

Bij e-mail van 10 januari 2019 aan Shiboja heeft [betrokkene 2] namens Hampton de overeenkomst van geldlening beëindigd en gesommeerd om de hoofdsom van € 150.000,- vermeerderd met € 54.000,- aan rente terug te betalen.

2.20.

Op 11 januari 2019 heeft [betrokkene 2] namens Hampton de volgende e-mail gestuurd aan Shiboja met cc aan [betrokkene 5] :

“I am the CEO of Hampton Trading FZE and you, as well as [betrokkene 10] en [betrokkene 3] know it very well

(…)

Attached find the license of Hampton Trading FZE which proof that I am the signatory authorised, the payment copy of the loan of 150.000 eur and agreement signed by me but never signed and sent back by you.

(…)

I inform you also that starting today, [betrokkene 3] has no authorisation to act in the name of Hampton Trading FZE.

(…)”

Faraday - ITT

2.21.

Op 31 januari 2018 hebben Faraday en ITT een overeenkomst van geldlening gesloten. De schriftelijke overeenkomst, ondertekend door [betrokkene 2] en [betrokkene 10] houdt voor zover van belang het volgende in:

“INTERCOMPANY LOAN AGREEMENT

PARTIES

Lender: (…) Faraday Limited

(…)

Borrower: (…) ITtrader B.V.

(…)

AGREEMENT:

This Agreement sets out the terms on which the Lender has agreed to provide to the Borrower the loan as described below.

  1. AMOUNT: 1.000.000 euro

  2. EFFECTIVE DATE: 1-2-2018

  3. REPAYMENT DATE: on demand of lender but not before 31-12-2018

  4. DRAWDOWN: In full on the Effective date as lender demands

(…)

7. INTEREST RATE: 3% per month of the loan amount agreed for the year 2018. If we extend a new contract needs to be made and signed

8. INTEREST PERIODS: Once a year except when lender prefers more often (max 4 times a year)

(…)

10. INTEREST ON LATE PAYMENTS: 3% per annum above the Interest Rate.

(…)

14. INCORPORATION OF STANDARD TERMS: This Agreement shall be deemed to incorporate the “Standard Terms for the Provision of Intercompany Loan Facilities” attached.

15. ENTIRE AGREEMENT: This Agreement, together with the Standard Terms referred to above, constitutes the whole agreement in respect of the loan facilities referred to above.

(…)”

2.22.

In het kader van de overeenkomst heeft Faraday in de maanden februari, maart en juli 2018 in verschillende tranches in totaal € 964.900,- overgemaakt naar ITT. Het gaat om de volgende bedragen op de volgende data:

  • -

    1 februari 2018 € 50.000,-

  • -

    1 februari 2018 € 100.000,-

  • -

    2 februari 2018 € 130.000,-

  • -

    5 februari 2018 € 50.000,-

  • -

    8 februari 2018 € 190.000,-

  • -

    26 maart 2018 € 50.000,-

  • -

    22 maart 2018 € 99.950,-

  • -

    22 maart 2018 € 100.950,-

  • -

    23 maart 2018 € 94.000,-

  • -

    16 juli 2018 € 100.000,-.

2.23.

Bij e-mail van 10 januari 2019 aan ITT heeft Faraday de overeenkomst van geldlening beëindigd en gesommeerd om uiterlijk 14 januari 2019 de hoofdsom van € 964.900,- vermeerderd met € 301.017,- aan rente terug te betalen.

Faraday - BKS

2.24.

Op 8 februari 2018 heeft [betrokkene 10] namens BKS de volgende e-mail gestuurd aan [betrokkene 2] :

“(…)

Hereby as agreed the draft of the loan contract, please check, adjust, sign and send back, thanks!

(…)”.

Als bijlage bij de e-mail was een Worddocument gevoegd met de titel “loan agreement bks faraday 500k.doc”.

2.25.

Door Faraday c.s. is het volgende schriftelijke stuk overgelegd:

“INTERCOMPANY LOAN AGREEMENT

PARTIES

Lender: (…) Faraday Limited

(…)

Borrower: (…) BKS retail B.V.

(…)

AGREEMENT:

This Agreement sets out the terms on which the Lender has agreed to provide to the Borrower the loan as described below.

  1. AMOUNT: 270.000 euro

  2. EFFECTIVE DATE: 8-2-2018

  3. REPAYMENT DATE: on demand of the lender but not before 31-12-2018

  4. DRAWDOWN: In full on the Effective date as lender demands

(…)

7. INTEREST RATE: 2% per month of the loan amount agreed for the year 2018. If we extend a new contract needs to be made and signed

8. INTEREST PERIODS: Once a year except when lender prefers more often (max 4 times a year)

(…)

10. INTEREST ON LATE PAYMENTS: 3% per annum above the Interest Rate.

(…)

14. INCORPORATION OF STANDARD TERMS: This Agreement shall be deemed to incorporate the “Standard Terms for the Provision of Intercompany Loan Facilities” attached.

15. ENTIRE AGREEMENT: This Agreement, together with the Standard Terms referred to above, constitutes the whole agreement in respect of the loan facilities referred to above.

(…)”

2.26.

De schriftelijke overeenkomst is volgens de tekst op 31 januari 2018 namens Faraday ondertekend door [betrokkene 2] . Een handtekening namens BKS ontbreekt.

2.27.

Bij e-mail van 12 februari 2018 heeft [betrokkene 2] het volgende aan [betrokkene 10] geschreven:

“hello [betrokkene 10] ,

please send me bank details to make the first transfer of our agreement”

2.28.

Ongeveer een kwartier later, dus eveneens op 12 februari 2018, heeft BKS de volgende e-mail aan [betrokkene 2] gestuurd:

“Hi [betrokkene 2] ,

Please find attached the bank details:

(…)

IBAN/Rekeningnummer

(…)

Tenaamstelling

BKS Retail B.V.

(…)”

2.29.

Op 13 februari 2018 heeft Faraday € 130.000,- overgemaakt naar BKS en op 20 februari 2018 € 140.000,-.

2.30.

Bij e-mail van 10 januari 2019 aan [betrokkene 10] en [betrokkene 3] heeft Faraday de overeenkomst van geldlening beëindigd en gesommeerd om uiterlijk 14 januari 2019 de hoofdsom van € 270.000,- vermeerderd met € 89.100,- aan rente terug te betalen.

2.31.

In alle schriftelijke overeenkomsten wordt verwezen naar de “Standard Terms and Conditions for the Provision of Intercompany Loan Facilities”. In artikel 11 van die voorwaarden is een exclusieve forumkeuze voor de Nederlandse rechter en een rechtskeuze voor Nederlands recht opgenomen.

3 Het geschil

3.1.

Faraday c.s. vorderen (na wijziging van eis) – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad veroordeling van:

I. ITT tot betaling aan Faraday van € 1.287.143,- te vermeerderen met de geconvenieerde rente van 3% per maand vanaf 1 februari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, en tot betaling van € 6.775,- aan buitengerechtelijke kosten plus wettelijke rente, de proceskosten plus wettelijke rente en nakosten;

II. BKS tot betaling aan Faraday van € 207.699,- te vermeerderen met de geconvenieerde rente van 2% per maand over het jaar 2018 en daarna 2% per maand vermeerderd met 3% per jaar tot aan de dag der algehele voldoening, en tot betaling van € 3.600,- aan buitengerechtelijke kosten plus wettelijke rente, de proceskosten plus wettelijke rente en nakosten;

III. Shiboja tot betaling aan Hampton van € 204.000,- te vermeerderen met de geconvenieerde rente van 3% per maand vanaf 1 februari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, en tot betaling van € 3.155,- aan buitengerechtelijke kosten plus wettelijke rente, de proceskosten plus wettelijke rente en nakosten;

IV. Shiboja tot betaling aan Galaxy van € 569.315,04,- te vermeerderen met de geconvenieerde rente van 3% per maand vanaf 1 februari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, en tot betaling van € 6.775,- aan buitengerechtelijke kosten plus wettelijke rente, de proceskosten plus wettelijke rente en nakosten.

3.2.

Faraday, Hampton en Galaxy stellen dat zij met ITT, BKS en Shiboja overeenkomsten van geldlening hebben gesloten en vorderen terugbetaling van de in het kader daarvan uitgeleende bedragen vermeerderd met de contractuele rente.

3.3.

ITT c.s. voeren verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

De vordering van Faraday op ITT

4.1.

Omdat Faraday in het buitenland gevestigd is en de vordering uit dien hoofde een internationaal karakter draagt, dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen en zo ja welk recht op de vordering van toepassing is.

4.2.

De rechtbank overweegt dat de Nederlandse rechter op grond van art. 25 van de in deze zaak toepasselijke Verordening (EU) nr. 1215/2012 (Vo Brussel I bis) bevoegd is van de vordering kennis te nemen, omdat partijen in artikel 11 van de overeengekomen Standard Terms and Conditions for the Provision of Intercompany Loan Facilities een forumkeuze voor de Nederlandse rechter hebben gedaan. De vordering tegen ITT moet worden beoordeeld naar Nederlands recht, nu partijen in genoemd artikel 11 van de Standard Terms uitdrukkelijk hebben gekozen voor de toepasselijkheid van Nederlands recht welke keuze partijen ter zitting overigens hebben bevestigd (artikel 3 Rome I Verordening).

4.3.

ITT erkent dat zij op 31 januari 2018 de onder 2.21 geciteerde overeenkomst van geldlening met Faraday heeft gesloten. ITT betwist ook niet dat Faraday ter uitvoering van die overeenkomst in totaal € 964.900,- naar haar heeft overgemaakt, maar stelt dat zij op grond van afspraken tussen [betrokkene 10] en [betrokkene 6] niet aan Faraday, maar aan Springfield moet terugbetalen. Volgens ITT zijn de afspraken over de lening tussen Faraday en ITT destijds gemaakt tussen [betrokkene 10] , namens ITT, en [betrokkene 6] , die nog geld had staan bij Faraday, en vervolgens via [betrokkene 3] , die optrad namens Faraday, tot stand gekomen en nader gespecificeerd. Op verzoek van ITT is het op 31 januari 2018 ondertekende contract opgesteld, waarin globaal de afspraken zijn neergelegd. Gelet op de intentie van partijen moet het geleende geld volgens ITT echter niet aan Faraday, maar aan Springfield worden terugbetaald, omdat haar (ITT) inmiddels is gebleken dat Springfield de uiteindelijke onderneming is die de gelden ter beschikking heeft gesteld en niet Faraday, aldus nog steeds ITT. Faraday betwist dat de door ITT gestelde afspraken zijn gemaakt en verwijst naar de tekst van de schriftelijke overeenkomst tussen ITT en haar van 31 januari 2018.

4.4.

De vraag hoe de overeenkomst van 31 januari 2018 tussen Faraday en ITT moet worden uitgelegd kan volgens vaste rechtspraak niet worden beantwoord op basis van alleen een taalkundige uitleg van de bewoordingen van de schriftelijke overeenkomst. Oók is van belang welke bedoeling partijen in de omstandigheden van het geval over en weer redelijkerwijs aan die bepalingen mochten toekennen. In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis van de bewoordingen bij de uitleg vaak echter wel van groot belang (de zogenaamde Haviltex-maatstaf), zeker als het gaat om twee commerciële/professionele partijen, zoals hier het geval is. In dat geval mag ervan uit worden gegaan dat partijen over de inhoud van de overeenkomst goed hebben nagedacht en dat daarin is vastgelegd wat partijen hebben willen overeen komen. Maar ook in dat geval blijft beslissend wat partijen over en weer van elkaar mochten verwachten. Wel zullen er in die situatie duidelijke aanwijzingen moeten zijn dat partijen toch iets anders overeen zijn gekomen dan is vastgelegd in hun schriftelijke overeenkomst. Nu ITT ondanks de tekst van de overeenkomst van 31 januari 2018, waaruit volgt dat ITT de lening aan Faraday als haar wederpartij zal moeten terugbetalen, zich beroept op een eerder gemaakte afspraak tussen [betrokkene 6] , ITT en ( [betrokkene 3] namens) Faraday, inhoudende dat ITT aan Springfield zal moeten terugbetalen in plaats van aan Faraday, is het aan ITT om voldoende feiten en omstandigheden te stellen die die gestelde (eerdere) afspraak onderbouwen.

4.5.

De rechtbank stelt vast dat de schriftelijke overeenkomst van 31 januari 2018 een eenvoudige overeenkomst van geldlening betreft, waarin is vastgelegd welk bedrag door Faraday aan ITT wordt geleend, tegen welk rentepercentage en wanneer het geleende bedrag moet worden terugbetaald. De tekst van de overeenkomst is duidelijk en de daarin opgenomen bepalingen behoeven op zichzelf geen nadere uitleg. Volgens artikel 15 omvat de schriftelijke overeenkomst bovendien samen met de Standard Terms alle afspraken die partijen met betrekking tot de geldlening hebben gemaakt. Hoewel ITT stelt dat reeds voorafgaand aan de schriftelijke overeenkomst afspraken zijn gemaakt tussen [betrokkene 6] , [betrokkene 3] en [betrokkene 10] over de lening en vervolgens op verzoek van ITT een schriftelijke overeenkomst is opgesteld waarin de afspraken globaal zijn vastgelegd, is Springfield (dan wel haar bestuurder [betrokkene 6] ) geen partij bij de schriftelijke overeenkomst van 31 januari 2018 en wordt in de overeenkomst ook met geen woord gerept over terugbetaling van de lening aan een andere partij dan Faraday. De schriftelijke overeenkomst is ook niet ondertekend door [betrokkene 3] , maar door [betrokkene 2] , de enig bestuurder van Faraday, die heeft verklaard niet bekend te zijn met een afspraak dat het geleende geld moet worden terugbetaald aan Springfield. ITT heeft bevestigd dat [betrokkene 2] daar niet van wist. Opvallend is ook dat ITT zich in de conclusie van antwoord op het standpunt stelde dat haar tot aan de incidentele vordering van Springfield tot tussenkomst niet bekend was dat Springfield de partij was die het geld aan Faraday ter beschikking had gesteld. Dat valt niet te rijmen met de gestelde bedoeling van partijen om de gelden niet aan Faraday terug te betalen maar aan Springfield.

4.6.

De conclusie is dan ook dat ITT onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld om niet uit te gaan van de tekst van de overeenkomst van 31 januari 2018. De rechtbank zal ITT daarom veroordelen tot terugbetaling van het geleende bedrag van € 964.900,- aan Faraday. Dit bedrag moet worden vermeerderd met de contractuele rente van 3% per maand over de hoofdsom en niet – zoals Faraday vordert – tevens over de reeds verschenen rente. Contractuele rente over verschenen contractuele rente is alleen verschuldigd indien partijen dit zijn overeengekomen en dat blijkt niet uit de overeenkomst. De rente over de hoofdsom zal worden toegewezen vanaf de respectievelijke betaaldata over de op die data uitbetaalde bedragen (zie rov. 2.22).

4.7.

Faraday maakt voorts aanspraak op de vergoeding van € 6.775,- aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis. Die vordering zal worden toegewezen, omdat Faraday door overlegging van een aantal e-mails waarin om betaling van rente wordt verzocht en de e-mail van 10 januari 2019 waarin wordt gesommeerd om de hoofdsom plus rente uiterlijk 14 februari 2019 terug te betalen voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht.

De vordering van Faraday op BKS

4.8.

Omdat Faraday in het buitenland gevestigd is en de vordering uit dien hoofde een internationaal karakter draagt, dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen en zo ja welk recht op de vordering van toepassing is.

4.9.

De rechtbank overweegt dat de Nederlandse rechter op grond van art. 25 van de in deze zaak toepasselijke Verordening (EU) nr. 1215/2012 (Vo Brussel I bis) bevoegd is van de vordering kennis te nemen, omdat partijen in artikel 11 van de overeengekomen Standard Terms and Conditions for the Provision of Intercompany Loan Facilities een forumkeuze voor de Nederlandse rechter hebben gedaan en BKS die forumkeuze niet heeft betwist. De vordering tegen BKS moet worden beoordeeld naar Nederlands recht, nu partijen ter zitting uitdrukkelijk hebben gekozen voor de toepasselijkheid van Nederlands recht (artikel 3 Rome I Verordening).

4.10.

Faraday vordert op grond van de schriftelijke overeenkomst van geldlening (hiervoor geciteerd onder 2.25) betaling van BKS van € 207.699,-, vermeerderd met contractuele rente. BKS betwist niet dat zij geld heeft geleend van Faraday, maar betwist wel de schriftelijke overeenkomst waar Faraday zich op beroept en voert daartoe aan dat die overeenkomst niet door haar is ondertekend.

4.11.

De rechtbank passeert het verweer van BKS. Op 8 februari 2018 heeft [betrokkene 10] namens BKS een e-mail (zie 2.24) gestuurd aan Faraday met het verzoek het als bijlage meegestuurde document getiteld “loan agreement bks faraday 500k” te ondertekenen en terug te sturen. Vier dagen daarna heeft [betrokkene 2] namens Faraday aan [betrokkene 10] , in antwoord op de e-mail van [betrokkene 10] van 8 februari 2018, verzocht om de bankgegevens, zodat het eerste deel kon worden overgemaakt (zie 2.27). [betrokkene 10] heeft dezelfde dag de bankgegevens van BKS verstrekt en de volgende dag is € 130.000,- door Faraday overgemaakt naar BKS, gevolgd door € 140.000,- op 20 februari 2018. Volgens Faraday betreft het document dat [betrokkene 10] op 8 februari 2018 naar Faraday heeft gemaild de schriftelijke overeenkomst van geldlening waar Faraday zich nu op beroept. BKS heeft dat niet weerlegd. De rechtbank gaat er in het licht van de voorgaande feiten en omstandigheden dan ook vanuit dat die schriftelijke overeenkomst, ondanks het ontbreken van een handtekening namens BKS, de tussen partijen gemaakte afspraken over de geldlening bevat.

4.12.

BKS betwist ook niet dat het geleende bedrag moet worden terugbetaald, maar wel dat zij aan Faraday moet terugbetalen. Volgens BKS is Faraday niet de rechthebbende, omdat de afspraken over de geldlening zijn gemaakt tussen [betrokkene 10] (namens BKS) en [betrokkene 3] (namens Faraday) en het op dat moment nog de bedoeling was dat [betrokkene 3] de aandelen in Faraday zou kopen van [betrokkene 2] .

4.13.

De rechtbank gaat ook aan dit verweer voorbij. Nog daargelaten dat niet valt in te zien dat een vennootschap geen aanspraak meer zou kunnen maken op terugbetaling van een geldlening als haar aandeelhouder wijzigt, staat vast dat overname van de aandelen in Faraday door [betrokkene 3] niet heeft plaatsgevonden. [betrokkene 2] is dus nog steeds enig aandeelhouder en ook bestuurder van Faraday en uit hoofde daarvan bevoegd om namens Faraday terugbetaling van de lening te vorderen. [betrokkene 3] heeft – voor zover BKS dat met haar verweer betoogt – geen enkele aanspraak op dat bedrag. De vordering van Faraday tot terugbetaling door BKS van € 207.699,- zal dan ook worden toegewezen, te vermeerderen met de contractuele rente van 2% per maand over het jaar 2018 te rekenen vanaf 13 februari 2018 over € 130.000,- en vanaf 20 februari 2018 over € 77.699,- en vanaf 1 januari 2019 2% rente per maand te vermeerderen met 3% rente per jaar vanaf 14 januari 2019.

Terzijde merkt de rechtbank op dat zij het gevorderde bedrag van € 207.699,- niet goed kan plaatsen aangezien het gaat om een lening van € 270.000,-, maar het de rechtbank niet vrij staat meer toe te wijzen dan is gevorderd.

4.14.

Faraday maakt aanspraak op de vergoeding van € 3.600,- aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis. Die vordering zal worden toegewezen, omdat Faraday door overlegging van de e-mail van 10 januari 2019 waarin wordt gesommeerd om de hoofdsom plus rente uiterlijk 14 februari 2019 terug te betalen voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht.

De vordering van Hampton op Shiboja

4.15.

Omdat Hampton in het buitenland gevestigd is en de vordering uit dien hoofde een internationaal karakter draagt, dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen en zo ja welk recht op de vordering van toepassing is.

4.16.

De rechtbank overweegt dat de Nederlandse rechter op grond van art. 25 van de in deze zaak toepasselijke Verordening (EU) nr. 1215/2012 (Vo Brussel I bis) bevoegd is van de vordering kennis te nemen, omdat partijen in artikel 11 van de overeengekomen Standard Terms and Conditions for the Provision of Intercompany Loan Facilities een forumkeuze voor de Nederlandse rechter hebben gedaan en Shiboja die forumkeuze niet heeft betwist. De vordering tegen Shiboja moet worden beoordeeld naar Nederlands recht, nu partijen ter zitting uitdrukkelijk hebben gekozen voor de toepasselijkheid van Nederlands recht (artikel 3 Rome I Verordening).

4.17.

Hampton vordert op grond van de schriftelijke overeenkomst van geldlening (hiervoor geciteerd onder 2.17) betaling van Shiboja van € 150.000,-, vermeerderd met contractuele rente. Shiboja betwist dat sprake is van een geldlening en voert aan dat de schriftelijke overeenkomst waar Hampton zich op beroept niet door haar is ondertekend.

Dat Hampton op 6 januari 2018 € 150.000,- naar haar heeft overgemaakt, wordt door Shiboja niet ontkend, maar volgens Shiboja betrof die overboeking de terugbetaling van een op 28 december 2017 door Shiboja naar Hampton overgemaakt bedrag van € 150.701,40. Die betaling vond plaats om fiscale redenen, zo stelt Shiboja, en was bedoeld om de hoge omzet die Shiboja had behaald voor het jaar 2017 te drukken. Het bedrag zou in 2018 weer worden teruggestort. Hampton betwist dat en stelt dat de overboeking door Shiboja van
€ 150.701,40 naar Hampton in december 2017 zag op de betaling van rente die Shiboja aan Galaxy verschuldigd was.

4.18.

De rechtbank volgt het verweer van Shiboja over de betaling in december 2017 niet. De niet met enig bewijsstuk onderbouwde stelling dat om de omzet te drukken geld is overgemaakt naar Hampton is op zichzelf al ongeloofwaardig, maar klopt boekhoudkundig ook niet. Overmaking van het bedrag naar Hampton met de afspraak dat het bedrag later zou worden terugbetaald betekent dat sprake zou zijn van een geldlening aan Hampton. De rechtbank ziet niet hoe een lening de omzet van Shiboja zou kunnen drukken. Hampton heeft bovendien gemotiveerd gesteld dat de betaling in december 2017 rente betrof van de (hieronder nog te bespreken) lening van € 418.614,- van Galaxy aan Shiboja. Niet alleen klopt de berekening (12 x 3% x € 418.614,- = € 150.701,04), maar de stelling wordt ook ondersteund door de onder 2.10 weergegeven “Letter of asignment” tussen Galaxy en Hampton en de tekst van de overeenkomst van geldlening tussen Galaxy en Shiboja. In artikel 13 van die overeenkomst staat dat Galaxy de rente wenst te ontvangen op de bankrekening van Hampton.

4.19.

De rechtbank passeert ook het verweer van Shiboja met betrekking tot de schriftelijke overeenkomst. Het contract is weliswaar niet door Shiboja ondertekend, maar dat wil niet zeggen dat het contract niet de tussen partijen overeengekomen afspraken bevat. Op 15 januari 2018 heeft [betrokkene 5] namens Shiboja een e-mail (zie 2.15) gestuurd aan Hampton met als onderwerp “Contract to be filled and signed” en met als bijlage een document met de naam “loan agreement shiboja hampton 150k”. Door Hampton is onweersproken gesteld dat de bijlage bij de e-mail de onder 2.16 opgenomen schriftelijke overeenkomst betreft. Hampton heeft ook € 150.000,- naar Shiboja overgemaakt. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de schriftelijke overeenkomst ondanks het ontbreken van een handtekening van Shiboja de tussen partijen gemaakte afspraken over de geldlening bevat. Dat die overeenkomst pas ná overboeking van het geld door Hampton is ondertekend, is – anders dan Shiboja stelt – niet een dermate ongebruikelijke en onaannemelijke gang van zaken dat dit het bovenstaande anders maakt.

De vordering van Hampton tot terugbetaling door Shiboja van € 150.000,- zal dan ook worden toegewezen. Dit bedrag moet worden vermeerderend met de contractuele rente van 3% per maand over de hoofdsom en niet – zoals Hampton vordert – tevens over de reeds verschenen rente. Contractuele rente over verschenen contractuele rente is alleen verschuldigd indien partijen dit zijn overeengekomen en dat blijkt niet uit de overeenkomst. De rente over de hoofdsom zal worden toegewezen vanaf 16 januari 2018, nu deze datum in het contract is genoemd.

4.20.

Hampton maakt voorts aanspraak op de vergoeding van € 3.155,- aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis. Die vordering zal worden toegewezen, omdat Faraday door overlegging van de e-mail van 10 januari 2019 waarin wordt gesommeerd om de hoofdsom plus rente terug te betalen voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht.

De vordering van Galaxy op Shiboja

4.21.

Omdat Galaxy in het buitenland gevestigd is en de vordering uit dien hoofde een internationaal karakter draagt, dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen en zo ja welk recht op de vordering van toepassing is.

4.22.

De rechtbank overweegt dat de Nederlandse rechter op grond van art. 25 van de in deze zaak toepasselijke Verordening (EU) nr. 1215/2012 (Vo Brussel I bis) bevoegd is van de vordering kennis te nemen, omdat partijen in artikel 11 van de overeengekomen Standard Terms and Conditions for the Provision of Intercompany Loan Facilities een forumkeuze voor de Nederlandse rechter hebben gedaan. De vordering tegen Shiboja moet worden beoordeeld naar Nederlands recht, nu partijen in genoemd artikel 11 van de Standard Terms uitdrukkelijk hebben gekozen voor de toepasselijkheid van Nederlands recht welke keuze partijen ter zitting overigens hebben bevestigd (artikel 3 Rome I Verordening).

4.23.

Shiboja voert aan dat mr. Molenaar niet beschikt over een rechtsgeldige opdracht tot procesvertegenwoordiging, omdat uit het handelsregister van Dubai blijkt dat [betrokkene 4] vanaf 15 maart 2019, de dag waarop de dagvaarding is betekend, niet langer bestuurder en aandeelhouder van Galaxy is. Ter zitting heeft mr. Molenaar verklaard dat hij beschikt over een notarieel vastgelegde volmacht van de nieuwe bestuurder en aandeelhouder van Galaxy, maar dat hij die niet in het geding wil brengen, omdat het vertrouwelijke informatie tussen een advocaat en zijn cliënt betreft. Mr. Molenaar heeft aangeboden de volmacht ter zitting aan de rechtbank te tonen.

4.24.

De rechtbank overweegt dat bij de vraag of een advocaat beschikt over een geldige volmacht van diens cliënt uitgangspunt is dat in beginsel van een advocaat overlegging van een volmacht niet kan worden verlangd en dat een advocaat die voor een rechtspersoon optreedt in het algemeen op zijn woord wordt geloofd voor wat betreft de instructie van zijn zegsman of -vrouw en ook voor wat betreft de bevoegdheid van die zegsman of -vrouw om de advocaat namens de rechtspersoon te instrueren. Dat uitgangspunt leidt evenwel uitzondering indien door de wederpartij voldoende gemotiveerd wordt aangevoerd dat een volmacht ontbreekt, bijvoorbeeld omdat omtrent het bestaan van de onderneming zelf gerede twijfel bestaat (HR 26 september 2008, NJ 2008, 523).

4.25.

Het bestaan van Galaxy zelf wordt door Shiboja niet betwist en blijkt ook uit de door Shiboja zelf overgelegde uittreksels uit het handelsregister van Dubai. Het enige wat Shiboja aanvoert ter betwisting van de procesvolmacht van mr. Molenaar is dat [betrokkene 4] niet (langer) bevoegd was om mr. Molenaar rechtsgeldig opdracht te verstrekken tot het voeren van de onderhavige procedure. Hoewel in deze procedure aanvankelijk inderdaad werd gesteld dat [betrokkene 4] bestuurder en aandeelhouder van Galaxy was, heeft mr. Molenaar ter zitting en ook daarna in de akte van 23 juni 2021 gesteld dat hij een notariële volmacht heeft van de nieuwe bestuurder van Galaxy. Die volmacht is door Shiboja niet gemotiveerd betwist. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om af te wijken van het hiervoor genoemde uitgangspunt en het bestaan van de volmacht nader te onderzoeken. Dat betekent dat het verweer van Shiboja op dit punt niet slaagt en er vanuit moet worden gegaan dat mr. Molenaar over een procesvolmacht van Galaxy beschikt.

4.26.

Galaxy vordert op grond van de schriftelijke overeenkomst van geldlening (hiervoor geciteerd onder 2.6) betaling van Shiboja van € 418.614,-, vermeerderd met de contractuele rente. Waar Shiboja in deze procedure aanvankelijk betwistte dat sprake was van een overeenkomst van geldlening tussen partijen, heeft zij ter zitting het verweer opgeworpen dat de geldlening reeds is terugbetaald via Macam Trading B.V. (hierna: Macam). De rechtbank begrijpt hieruit dat de door Galaxy aan de vordering ten grondslag gelegde overeenkomst van geldlening en ook de overboeking van € 418.614,- door Galaxy naar Shiboja niet langer wordt betwist.

4.27.

Het bevrijdende verweer van Shiboja inhoudende dat de geldlening reeds is terugbetaald via Macam, wordt door Galaxy betwist. Ter onderbouwing van de door haar gestelde terugbetaling verwijst Shiboja naar de onder 2.12 geciteerde overeenkomst waarin staat dat Macam op 9 en 12 februari 2018 voor Preeminence een bedrag aan Galaxy heeft betaald ter compensatie voor het bedrag van € 480.000,- dat Galaxy aan Shiboja heeft overgemaakt. Galaxy betwist die overeenkomst tussen Macam, Preeminence en Galaxy en stelt dat die vals is. Ter onderbouwing van die stelling heeft Galaxy de e-mail van [betrokkene 8] , bestuurder van Macam, van 18 november 2019 (zie 2.13) overgelegd waarin hij aan [betrokkene 2] schrijft dat alleen hijzelf, [betrokkene 8] en [betrokkene 9] (hierna: Dima) aanwezig waren bij het ondertekenen van de overeenkomst en dat [betrokkene 4] daar niet bij was. Ook schrijft hij dat hij nooit een bedrag aan Galaxy heeft betaald ten behoeve van Shiboja en dat hij zwaar door Dima onder druk is gezet om de overeenkomst te ondertekenen en daarin de zin op te nemen dat er geen schulden meer zijn tussen Galaxy en Shiboja.

Hoewel deze verklaring van [betrokkene 8] al langer bij Shiboja bekend was, heeft zij geen nadere onderbouwing van de door haar gestelde terugbetaling gegeven. De rechtbank gaat niet mee in het betoog van Shiboja dat de verklaring van [betrokkene 8] niet geloofwaardig is, omdat de overeenkomst niet is vernietigd. Macam heeft immers zelf geen belang bij die vernietiging. Uit de omschrijvingen (zie 2.11) bij de overmaking kan ook niet worden afgeleid dat de betalingen van Macam aan Galaxy op 9 en 12 februari 2018 zijn gedaan ten behoeve van Shiboja. Die naam wordt nergens vermeld, terwijl dat gelet op de constructie met betalingen via Preeminence en Macam wel voor de hand had gelegen. Anders dan Shiboja stelt, heeft Macam op de genoemde data bovendien niet € 480.000,-, maar ‘slechts’ € 400.000,- overgemaakt.

4.28.

Nu Shiboja ondanks de gemotiveerde betwisting door Galaxy de terugbetaling van de lening niet nader heeft gemotiveerd, heeft zij niet voldaan aan haar stelplicht. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat Shiboja de lening aan Galaxy niet heeft terugbetaald. De vordering van Galaxy tot betaling van € 418.614,- zal dan ook worden toegewezen. Dit bedrag moet worden vermeerderd met de contractuele rente van 3% per maand over de hoofdsom en niet – zoals Galaxy vordert – tevens over de reeds verschenen rente. Contractuele rente over verschenen contractuele rente is alleen verschuldigd indien partijen dit zijn overeengekomen en dat blijkt niet uit de overeenkomst. De rente over de hoofdsom zal worden toegewezen vanaf 1 januari 2018, want de rente over 2017 is door Shiboja wel voldaan (zie 4.18).

4.29.

Galaxy maakt aanspraak op de vergoeding van € 6.775,- aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis. Die vordering zal worden afgewezen, omdat niet gesteld is dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De e-mail van 28 januari 2019 waar Galaxy in de dagvaarding naar verwijst is daarvoor onvoldoende. In de e-mail staat slechts dat tot dan toe € 150.619 euro aan rente is ontvangen, dat het bedrag van € 418.000 wordt opgeteld bij de schuld en dat de lening onderdeel zal zijn van de rechtszaak. Hierin kan geen sommatie worden gelezen.

Proceskosten

4.30.

ITT c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten worden veroordeeld. Faraday c.s. hebben ieder afzonderlijk een proceskostenveroordeling gevorderd. De rechtbank zal een veroordeling uitspreken in de gezamenlijk proceskosten van Faraday c.s. Faraday c.s. hebben immers dezelfde advocaat en zij hebben per proceshandeling ook steeds maar één gecombineerd processtuk ingediend waarin de vorderingen op ITT c.s. tegelijk zijn besproken. Aan de kant van gedaagden zal de proceskostenveroordeling wel worden uitgesplitst. De rechtbank zal ITT, BKS en Shiboja ieder veroordelen tot betaling van 1/3e van het griffierecht en het advocaatsalaris.

De kosten aan de zijde van Faraday c.s. worden in totaal begroot op:

- dagvaarding € 297,03 (€ 99,01 per gedaagde)

- griffierecht 4.030,00

- salaris advocaat 13.996,50 (3,5 punten × tarief € 3.999,00)

totaal € 18.323,53

waarvan dus € 6.107,84 voor rekening komt van ITT, € 6.107,84 voor rekening komt van BKS en € 6.107,84 voor rekening komt van Shiboja.

4.31.

De nakosten zullen als gevorderd worden toegewezen voor elke gedaagde afzonderlijk.

Uitvoerbaar bij voorraad

4.32.

ITT c.s. verzetten zich tegen de door Faraday c.s. gevorderde uitvoerbaarheid van het vonnis bij voorraad vanwege het restitutierisico aan de zijde van Faraday c.s. Zij wijzen erop dat Faraday c.s. postbusentiteiten zijn die zijn gevestigd in landen waarin executie van vonnissen onmogelijk is en dat Faraday c.s. bovendien eerder uitgesproken proceskostenveroordelingen niet hebben voldaan.

4.33.

Bij de beoordeling of het vonnis uitvoerbaar bij voorraad moet worden verklaard moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij geldt dat degene die een veroordeling tot betaling van een geldsom verkrijgt wordt vermoed het vereiste belang bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad te hebben (HR 27 februari 1998, NJ 1998/512). Een daartegenover gesteld restitutierisico moet geconcretiseerd worden (HR 17 juni 1994, NJ 1994/591). Mogelijk ingrijpende gevolgen van de executie, die moeilijk ongedaan gemaakt kunnen worden, staan op zichzelf niet in de weg aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad, maar moeten meegewogen worden (HR 28 mei 1993, NJ 1993/468).

4.34.

Nu met dit vonnis de vorderingen tot betaling van geldsommen worden toegewezen, is het belang van Faraday c.s. bij uitvoerbaar bij voorraad verklaring in beginsel gegeven. De rechtbank volgt ITT c.s. niet wat betreft het gestelde restitutierisico. ITT c.s. hebben onvoldoende onderbouwd waarom Faraday c.s., indien de veroordelingen uiteindelijk niet in stand blijven, niet in staat zal zijn tot terugbetaling van de betaalde bedragen. Dat Faraday c.s. in het buitenland zijn gevestigd is daarvoor op zichzelf onvoldoende, gelet op de betwisting door Faraday c.s. dat een Nederlands vonnis in Hong Kong en de Verenigde Arabische Emiraten niet kan worden geëxecuteerd. Het belang van Faraday c.s. bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad weegt dan ook zwaarder dan het belang van ITT c.s. bij het achterwege blijven daarvan. De rechtbank zal het vonnis daarom als gevorderd uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt ITT om aan Faraday te betalen een bedrag van € 964.900,00 (negenhonderdvierenzestig duizend negenhonderd euro), vermeerderd met de contractuele rente van 3% per maand vanaf de respectievelijke betaaldata over de op die data betaalde bedragen zoals opgesomd in rov. 2.22 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt ITT om aan Faraday te betalen een bedrag van € 6.775,00 aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt BKS om aan Faraday te betalen een bedrag van € 207.699,00 (tweehonderdzeven duizend zeshonderdnegenennegentig euro), vermeerderd met de contractuele rente van 2% per maand over het jaar 2018 te rekenen vanaf 13 februari 2018 over € 130.000,00 en vanaf 20 februari 2018 over € 77.699,00 en vanaf 1 januari 2019 2% rente per maand te vermeerderen met 3% rente per jaar vanaf 14 januari 2019, tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt BKS om aan Faraday te betalen een bedrag van € 3.600,00 aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.5.

veroordeelt Shiboja om aan Hampton te betalen een bedrag van € 150.000,00 (honderdvijftig duizend euro), vermeerderd met de contractuele rente van 3% per maand met ingang van 16 januari 2018 tot de dag van volledige betaling,

5.6.

veroordeelt Shiboja om aan Hampton te betalen een bedrag van € 3.155,00 aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.7.

veroordeelt Shiboja om aan Galaxy te betalen een bedrag van € 418.614,00 (vierhonderdachttien duizend zeshonderdveertien euro), vermeerderd met de contractuele rente van 3% per maand met ingang van 1 januari 2018 tot de dag van volledige betaling,

5.8.

veroordeelt ITT in de proceskosten, aan de zijde van Faraday c.s. tot op heden begroot op € 6.107,84, te voldoen binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.9.

veroordeelt BKS in de proceskosten, aan de zijde van Faraday c.s. tot op heden begroot op € 6.107,84, te voldoen binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.10.

veroordeelt Shiboja in de proceskosten, aan de zijde van Faraday c.s. tot op heden begroot op € 6.107,84, te voldoen binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.11.

veroordeelt ITT in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat ITT niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.12.

veroordeelt BKS in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat BKS niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.13.

veroordeelt Shiboja in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Shiboja niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.14.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.15.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Pott Hofstede, mr. E.J. Bellaart en mr. J. van der Kluit en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2021.1

1type: 977coll: