Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:8864

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-10-2021
Datum publicatie
20-10-2021
Zaaknummer
9349983 AO VERZ 21-76
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Ontslag op staande voet niet rechtsgeldig, omdat dringende reden niet vast is komen te staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-1304
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 9349983 \ AO VERZ 21-76

Uitspraakdatum: 11 oktober 2021

Beschikking in de zaak van:

[werkneemster] ,

wonende te [woonplaats]

verzoekende partij

verder te noemen: [werkneemster]

gemachtigde: mr. J.F.R. Eisenberger

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[werkgever] ,

gevestigd te [plaats]

verwerende partij

verder te noemen: [werkgever]

gemachtigde: mr. J. de Haan

De zaak in het kort

In deze procedure verzoekt [werkneemster] de kantonrechter voor recht te verklaren dat [werkgever] haar ten onrechte op staande voet heeft ontslagen en maakt zij aanspraak op diverse vergoedingen en op nabetaling van loon, vakantiegeld en niet genoten verlofuren. De kantonrechter oordeelt dat het gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, omdat de dringende reden onvoldoende vast is komen te staan. De billijke vergoeding wordt gematigd tot nihil; het verzoek tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, de transitievergoeding, het achterstallige salaris, vakantiegeld en een vergoeding voor 106 niet genoten verlofuren worden toegewezen.

Het tegenverzoek van [werkgever] - betreffende een verklaring voor recht dat [werkneemster] onrechtmatig heeft gehandeld, de gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:677 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en door [werkgever] gemaakte opleidings- en onderzoekskosten - wordt afgewezen.

1 Het procesverloop

1.1.

[werkneemster] heeft op 18 juli 2021 een verzoekschrift ingediend. [werkgever] heeft op 31 augustus 2021 een verweerschrift ingediend en een tegenverzoek gedaan.

1.2.

Op 13 september 2021 heeft een zitting plaatsgevonden. Vóór de zitting heeft [werkneemster] bij brieven van 7 en 11 september 2021 nog stukken in het geding gebracht. [werkgever] heeft bij brieven van 6 en 10 september 2021 nog stukken toegezonden. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Partijen hebben ook pleitaantekeningen overgelegd.

2 De feiten

2.1.

[werkneemster] , geboren [in 1999] , is op 15 oktober 2018 bij [werkgever] in dienst getreden in de functie van verkoopmedewerkster. [werkneemster] was werkzaam in het filiaal van [werkgever] in [plaats] , laatstelijk voor 31 uur per week. Het salaris van [werkgever] bedroeg laatstelijk € 1.684,80 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag.

2.2.

In artikel 3 van de arbeidsovereenkomst is bepaald dat werknemer zich als goed werknemer moet gedragen en in artikel 8 is een studiekostenbeding opgenomen.

2.3.

De cao voor de Drogisterijbranche is op de arbeidsovereenkomst van toepassing. In artikel 3.2. van die cao is het volgende bepaald:

‘De werknemer is verplicht:

A. zich te houden aan reglementen en voorschriften en redelijke orders en instructies van leidinggevenden stipt op te volgen;

B. niet eigenmachtig geld of zaken van de werkgever als voorschot of ten eigen bate op te nemen of in te houden;

C. zich geen zaken van de werkgever buiten de geldende verkoopvoorwaarden toe te eigenen;

(…)’.

2.4.

Op de arbeidsverhouding is verder het huishoudelijk reglement van [werkgever] van toepassing, voor ontvangst waarvan [werkneemster] heeft getekend. In dit reglement is onder meer het volgende bepaald:

Artikel 25: Kassa-instructie’s

Alle retourboekingen, kortingen en foutbonnen dienen d.m.v. een kopie-kassabon verantwoord te worden. (…) Bij twijfel dient altijd de filiaalleiding geraadpleegd te worden. Bij kasverschillen boven de € 10,- dient direct de eindverantwoordelijke in kennis gesteld te worden.’

Artikel 39: Diefstal

(…) Bij diefstal door personeel wordt in principe aangifte gedaan bij de Politie en volgt na schorsing ontslag op staande voet. (…) Tevens heeft de werkgever het recht om bij vermoedens van diefstal c.q. fraude door personeel, een onderzoek te laten instellen, al dan niet d.m.v. verborgen camera’s, door een extern onderzoeksbureau.’

Artikel 41: Testers

Het is niet toegestaan om testers mee te nemen zonder uitdrukkelijke en schriftelijke toestemming van de filiaalleid(st)er. Op uw verzoek en bij toestemming van de filiaalleid(st)er zal deze een datum en paraaf op de desbetreffende tester zetten. Overtreding van deze regel kan ontslag tot gevolg hebben.’

2.5.

Half maart 2021 is bij [werkgever] het vermoeden gerezen dat er in haar filiaal in [plaats] gelden en/of producten werden ontvreemd en dat [filiaalleidster] , filiaalleidster (hierna: [filiaalleidster] ) daar iets mee te maken had. Vervolgens heeft [werkgever] zelf een verborgen camera geïnstalleerd. Op beelden van die camera van 29 maart 2021 was te zien dat [werkneemster] twee geurentesters meenam. [werkgever] heeft daarop recherchebureau [naam recherchebureau] (hierna: [recherchebureau] ) ingeschakeld om nader onderzoek te doen. [recherchebureau] heeft daartoe diverse camera’s geplaatst, waarmee van 6 april 2021 tot en met 17 mei 2021 opnamen zijn gemaakt.

2.6.

Naar aanleiding van deze gemaakte beelden zijn [filiaalleidster] en [werkneemster] op 26 mei 2021 door [recherchebureau] gehoord. [filiaalleidster] heeft tijdens dat verhoor erkend dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van producten. Zij is aanvankelijk op staande voet ontslagen, maar uiteindelijk is met haar een regeling getroffen.

2.7.

Van het verhoor van [werkneemster] zijn schriftelijke verslagen opgemaakt. [werkneemster] heeft geweigerd deze verslagen te ondertekenen. Direct na het verhoor is [werkneemster] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief van 26 mei 2021 is het volgende vermeld:

‘Op woensdag 26 mei 2021, heeft u als werkneemster van Drogisterij-Parfumerie [werkgever] , naar aanleiding van een intern Rechercheonderzoek een gesprek gevoerd met de heer [naam] , directeur van [recherchebureau] .

Dit gesprek vond plaats omdat u verdacht wordt van diefstal van producten en/of geld.

Tijdens dit gesprek werd u geconfronteerd en gehoord over de producten die u zonder toestemming heeft ontvreemd uit Drogisterij-Parfumerie [werkgever] . In dit gesprek heeft u schriftelijk verklaard dat u zich schuldig hebt gemaakt aan diverse diefstallen van producten.

Op basis van de door u afgelegde verklaring kan Drogisterij-Parfumerie [werkgever] uw dienstverband niet langer continueren en zeg ik, [werkgever] , in deze rechtsgeldige vertegenwoordiger van Drogisterij-Parfumerie [werkgever] , u bij deze en met onmiddellijke ingang van woensdag 26 mei 2021, ontslag op staande voet aan. (….)’.

2.8.

[werkgever] heeft op 3 juni 2021 bij de politie aangifte tegen [werkneemster] gedaan wegens verduistering. Op 15 juli 2021 is [werkneemster] door de politie verhoord. Op 16 juli 2021 heeft [filiaalleidster] bij de politie verklaard dat [werkneemster] nooit iets heeft weggenomen zonder haar toestemming. Bij brief van 6 augustus 2021 heeft de officier van justitie aan [werkneemster] meegedeeld dat [werkneemster] niet verder zal worden vervolgd omdat er onvoldoende bewijs is.

2.9.

Als productie 8 bij het verzoekschrift is een schriftelijk verklaring van [filiaalleidster] overgelegd, inhoudende: ‘Ik, [filiaalleidster] verklaar dat [werkneemster] niets te verwijten valt. Zij nam geen producten waarvoor geen toestemming aan mij werd gevraagd. Ook retouren worden in bijzijn van filiaalmanager geretourneerd.’

3 Het verzoek

3.1.

[werkneemster] verzoekt de kantonrechter:

I. voor recht te verklaren dat [werkgever] haar ten onrechte op staande voet heeft ontslagen en gehouden is haar onder meer een billijke vergoeding te betalen;

II. [werkgever] te veroordelen tot betaling aan [werkneemster] van:

a. een billijke vergoeding van € 8.500,- bruto;

b. € 1.245,46 bruto aan achterstallig salaris (over de periode van 1 tot 26 mei 2021) en € 1.163,07 aan achterstallig vakantiegeld, te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging (ex artikel 7:625 lid 1 BW) over deze bedragen;

c. € 2.110,71 bruto als vergoeding wegens onregelmatige opzegging;

d. een transitievergoeding van € 1.583,04 bruto;

e. € 2.133,53 bruto als vergoeding voor (203) niet uitbetaalde verlofuren, te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging (ex artikel 7:625 BW) over dat bedrag;

f. de wettelijke rente over de posten a. tot en met e. vanaf het tijdstip van opeisbaarheid;

g. de proceskosten.

3.2.

[werkneemster] legt aan het verzoek ten grondslag dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven, omdat het ontslag niet onverwijld gegeven is en een dringende reden ontbreekt. [werkneemster] heeft zich niet schuldig gemaakt aan diefstal. Het wegnemen van de producten had niets wederrechtelijks, omdat [werkneemster] steeds toestemming had van de filiaalleidster. Bovendien ging het veelal om producten die toch weggegooid zouden worden (testers), bedoeld waren om uit te proberen (samples) of van zeer geringe waarde. Van diefstal van geld is evenmin sprake geweest.

3.3.

[werkneemster] berust in het ontslag omdat zij geen vertrouwen meer in [werkgever] heeft. Wel maakt zij aanspraak op een billijke vergoeding op grond van het bepaalde in artikel 7:681 BW.

3.4.

De opzegging is onregelmatig, omdat de arbeidsovereenkomst op zijn vroegst pas per 1 juli 2021 opgezegd had kunnen worden. Daarom heeft [werkneemster] op grond van artikel 7:672 lid 11 BW recht op een vergoeding van € 2.110,71 bruto (inclusief vakantietoeslag). Verder is [werkgever] een transitievergoeding van € 1.583,04 bruto verschuldigd.

3.5.

[werkgever] heeft het loon van [werkneemster] over de periode van 1 tot 26 mei 2021 (€ 1.245,46 bruto) en € 1.163,07 aan vakantiegeld ten onrechte niet voldaan. Ook heeft [werkneemster] nog recht op nabetaling van 203 verlofuren (ad € 10,51 bruto per uur) op grond van artikel 7:641 lid 1 BW. [werkgever] dient deze bedragen alsnog te betalen, te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging.

4 Het verweer

4.1.

[werkgever] verweert zich tegen het verzoek. Zij voert daartoe aan dat het ontslag op staande voet wel degelijk onverwijld is gegeven. [werkgever] heeft de vermoedens van diefstal of verduistering zorgvuldig onderzocht. Daarmee is enige tijd gemoeid geweest, omdat er veel opnamen zijn gemaakt die grondig zijn geanalyseerd. Toen bleek dat sprake was van een patroon zijn zowel [filiaalleidster] als [werkneemster] daarmee (los van elkaar) op 26 mei 2021 geconfronteerd. De uitkomst van het onderzoek en het gesprek daarover waren voor [werkgever] vervolgens direct aanleiding voor een ontslag op staande voet.

4.2.

Ook is sprake van een dringende reden voor ontslag op staande voet. [werkneemster] heeft zich namelijk schuldig gemaakt aan diefstal althans verduistering van geld en/of producten. Of zaken van geringe waarde zijn of anders toch weggegooid zouden worden doet er niet toe. De arbeidsovereenkomst, de cao en het huishoudelijk reglement zijn duidelijk en uit niets blijkt dat er een datum en paraaf op de betreffende testers zijn gezet zoals het huishoudelijk reglement vereist. [werkneemster] verschuilt zich ten onrechte achter [filiaalleidster] , omdat [werkneemster] ook een eigen verantwoordelijkheid heeft. Uit de camerabeelden valt bovendien op te maken dat [werkneemster] zich ook zaken van [werkgever] heeft toegeëigend zonder dat [filiaalleidster] daarbij in de buurt was.

4.3.

Het ontslag op staande voet is dan ook terecht gegeven. Wat [werkgever] nog aan loon, vakantiegeld en vergoeding voor niet uitbetaalde verlofuren verschuldigd is, wenst [werkgever] te verrekenen met haar tegenvordering betreffende opleidingskosten en onderzoekskosten. Overigens gaat het (naar rato) om 106 niet uitbetaalde verlofuren in plaats van 203 uren, omdat [werkneemster] niet het hele jaar in dienst is geweest.

4.4.

De wettelijke verhoging moet op nihil worden gesteld gezien het ernstige verwijt dat [werkneemster] van haar gedragingen kan worden gemaakt. De wettelijke rente moet ook worden afgewezen of op nihil worden gesteld.

5 Het tegenverzoek

5.1.

[werkgever] verzoekt de kantonrechter:

a. voor recht te verklaren dat [werkneemster] jegens [werkgever] onrechtmatig heeft gehandeld en dientengevolge aansprakelijk is voor de door [werkgever] geleden en te lijden schade;

b. [werkneemster] te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:677 lid 3 aanhef en onder a BW ad € 2.110,71, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 mei 2021;

c. [werkneemster] te veroordelen tot betaling van een bedrag aan opleidingskosten van € 635,-, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 26 mei 2021;

d. [werkneemster] te veroordelen tot betaling van de helft van het bedrag van € 29.472,12 dat [werkgever] aan onderzoekskosten heeft uitgegeven, althans [werkneemster] terzake daarvan te veroordelen tot betaling van een bedrag dat de kantonrechter redelijk en billijk acht;

e. [werkneemster] te veroordelen in de proceskosten.

5.2.

[werkgever] legt aan het tegenverzoek ten grondslag dat [werkneemster] [werkgever] een dringende reden heeft gegeven door te handelen in strijd met het goed werknemerschap waardoor [werkneemster] jegens [werkgever] aansprakelijk is voor door [werkgever] geleden en te lijden schade.

5.3.

[werkneemster] is [werkgever] op grond van artikel 7:677 lid 2 en lid 3 onder a BW een gefixeerde schadevergoeding van € 2.110,71 verschuldigd, omdat zij [werkgever] door opzet of schuld een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen. De vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 sub a BW kan [werkgever] niet worden tegengeworpen, omdat [werkneemster] zich aanvankelijk had neergelegd bij het ontslag op staande voet, maar daarop later is teruggekomen.

5.4.

Verder dient [werkneemster] op grond van artikel 8 van de arbeidsovereenkomst € 635,- aan gemaakte opleidingskosten terug te betalen.

5.5.

Door het heimelijke karakter van de zaak heeft [werkgever] onderzoekskosten moeten maken. Deze komen op grond van artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder b BW voor vergoeding in aanmerking als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid.

6 De beoordeling

De dringende reden is niet vast komen te staan

6.1.

Op grond van het bepaalde in artikel 7:677 lid 1 BW is ieder van partijen bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval de dringende reden voor het ontslag op staande voet onvoldoende vast is komen te staan. Daartoe wordt het volgende overwogen.

6.2.

Uit de ontslagbrief van 26 mei 2021 blijkt dat [werkgever] [werkneemster] verdacht van diefstal van producten en geld en dat [werkgever] uiteindelijk als dringende reden aan het ontslag van [werkneemster] ten grondslag heeft gelegd ‘diverse diefstallen van producten’. [werkgever] verwijst daarvoor naar de verklaring die [werkneemster] tegenover het onderzoeksbureau heeft afgelegd. [werkneemster] heeft deze verklaring niet willen ondertekenen. Zij is van oordeel dat zij door het onderzoeksbureau onder druk is gezet en dat de antwoorden op de vragen die aan haar gesteld zijn door het onderzoeksbureau al deels waren ingevuld (en daarom ook grote gelijkenis vertonen met de antwoorden die [filiaalleidster] had gegeven).

6.3.

Uit de verklaringen die [werkneemster] in deze procedure heeft afgelegd blijkt dat [werkneemster] erkent dat zij spullen van geringe waarde zoals samples, (geuren)testers, inpakpapier, folie en sleutelhangers heeft meegenomen. [werkneemster] stelt dat zij daarvoor toestemming had van haar filiaalleider [filiaalleidster] . Dat standpunt wordt ondersteund door de door [werkneemster] in het geding gebrachte verklaring van [filiaalleidster] (zie de feiten).

6.4.

Ter zitting zijn de volgende camerabeelden bekeken.

Camerabeelden van 29 maart 2021

Op deze beelden is - kort gezegd - te zien dat [werkneemster] twee maal uit een mand een geurentester pakt en deze in haar tas stopt. [werkgever] heeft ter zitting aangegeven dat geurentesters altijd retour worden gestuurd naar het distributiecentrum en niet mee naar huis mogen worden genomen. [werkneemster] heeft daartegenover gesteld dat de betreffende mand een verzamelmand (genaamd ‘Annie’) is, waarin door de filiaalleidster oude testers worden gedeponeerd die maandelijks onder het personeel worden verdeeld. Deze gang van zaken is door [werkgever] niet althans onvoldoende weersproken. Feitelijk heeft [werkneemster] dus een voorschot genomen op de ‘klassikale’ verdeling van de testers. Dat is niet netjes en niet overeenkomstig de mores in het filiaal, maar kan naar het oordeel van de kantonrechter niet als diefstal van producten worden gekwalificeerd.

Camerabeelden van 7 april 2021

Op deze beelden is te zien dat [werkneemster] uit een mand of krat een voorwerp pakt en in haar tas stopt. Volgens [werkgever] is dat voorwerp een Clinique mascara, volgens [werkneemster] is het een oude tester van l’Oreal Paris die zij met toestemming van [filiaalleidster] heeft meegenomen. De kantonrechter constateert dat op de beelden niet is te zien dat het om een Clinique mascara gaat. Van diefstal van een Clinique mascara is dus niet gebleken.

Camerabeelden van 11 mei 2021

Op deze beelden is te zien dat [werkneemster] een plastic tasje meeneemt. Vaststaat dat voor deze tasjes moet worden betaald (volgens de eigen verklaring van [werkneemster] € 0,05, zie productie 7 bij het verzoek onder punt 68) en dat [werkneemster] het tasje zonder daarvoor te betalen heeft meegenomen. [werkneemster] heeft als verklaring voor haar gedrag gegeven dat zij een flesje jus d’orange bij zich had dat lekte en dat zij dit flesje in het plastic tasje heeft gedaan om te voorkomen dat alles vies zou worden. De beelden ondersteunen de verklaring van [werkneemster] .

Camerabeelden van 12 mei 2021

Op deze beelden is te zien dat [werkneemster] een kassalade opent, daaruit een briefje van 5 euro en een of meer muntjes wegneemt, een plakbandje op het briefje doet en een bon afscheurt.

Volgens [werkgever] tonen de beelden van 12 mei 2021 aan dat [werkneemster] geld uit de kassa heeft weggenomen zonder dat er een product retour wordt gebracht. Voor zover wel sprake is van een geretourneerd product, had het voor retour aanslaan op de kassa in bijzijn van een collega moeten gebeuren. [werkneemster] erkent dat op de beelden te zien is dat zij geld uit de kassa pakt. Zij heeft verklaard dat het geld betrof voor een geretourneerd scheermesje dat is teruggehangen in de winkel en dat zij dat scheermesje bij een (pin)kassa achterin de winkel retour heeft aangeslagen, een en ander in overleg met [filiaalleidster] .

De kantonrechter merkt hierover op dat het wegnemen van geld, zoals hiervoor onder 6.2. is overwogen, niet aan het ontslag ten grondslag is gelegd. Voor zover de kantonrechter uit de ontslagbrief wel zou moeten begrijpen dat [werkneemster] mede is ontslagen wegens diefstal van geld, is uit de camerabeelden onvoldoende gebleken dat [werkneemster] geld uit de kassa heeft ontvreemd, gelet op de door [werkneemster] hiervoor gegeven plausibele verklaring. Voor zover bij het retourneren van het product het retourbeleid niet in acht zou zijn genomen, is dit evenmin aan het ontslag ten grondslag gelegd.

Camerabeelden van 17 mei 2021

Op deze beelden is te zien dat [werkneemster] een lade opendoet, hier een product uit pakt en in een tas stopt. Volgens [werkneemster] betrof dit een proefje voetencrème bestemd voor haar moeder, omdat haar moeder een voetenvijl en voetenrasp had gekocht. Volgens [werkgever] liggen er in deze lade ook producten bestemd voor de verkoop en is op de beelden te zien dat [werkneemster] ‘schichtig’ kijkt. Een en ander duidt op diefstal, aldus [werkgever] . De kantonrechter constateert dat op de beelden niet te zien is dat [werkneemster] een voor de verkoop bestemd product heeft wegneemt, terwijl evenmin kan worden vastgesteld dat [werkneemster] schichtig kijkt. Van de door [werkgever] gestelde diefstal is dus onvoldoende gebleken.

6.5.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is naar het oordeel van de kantonrechter niet komen vast te staan dat, met uitzondering van het plastic tasje ter waarde van € 0,05, sprake is van diefstal van producten. Weliswaar staat vast dat [werkneemster] producten van geringe waarde zoals testers en samples heeft meegenomen, maar gelet op de verklaringen van [werkneemster] en [filiaalleidster] is aannemelijk dat [werkneemster] daarvoor toestemming van de filiaalleidster had. Dat [filiaalleidster] geen schriftelijke toestemming heeft gegeven zoals het huishoudelijk reglement voorschrijft maakt dit niet anders. Voor zover [werkgever] de toestemming van [filiaalleidster] betwist, gaat de kantonrechter daaraan voorbij, omdat [werkgever] niet heeft aangeboden [filiaalleidster] daarover als getuige te horen.

6.6.

[werkgever] heeft nog aangevoerd dat [werkneemster] zich niet achter [filiaalleidster] kan verschuilen omdat zij een eigen verantwoordelijkheid heeft. Gelet op de leeftijd van [filiaalleidster] (geboren in 1963) en die van [werkneemster] (geboren in 1999) en op de positie van [filiaalleidster] als filiaalleidster en de positie van [werkneemster] als verkoopster, vindt de kantonrechter het begrijpelijk dat [werkneemster] op de toestemming van [filiaalleidster] is afgegaan. Wel had [werkneemster] naar het oordeel van de kantonrechter moeten begrijpen dat ze niet zomaar plastic tasjes mee mocht nemen of op eigen initiatief monsters uit ‘Annie’ mocht pakken, maar een en ander is onvoldoende ernstig om een ontslag op staande voet te kunnen rechtvaardigen.

6.7.

Omdat een dringende reden voor een ontslag op staande voet ontbreekt, is het ontslag niet rechtsgeldig. Het antwoord op de vraag of het ontslag al dan niet onverwijld is gegeven kan in het midden blijven. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de door [werkneemster] verzochte verklaring voor recht toewijsbaar zoals hierna vermeld. De door [werkneemster] verzochte vergoeding ex artikel 7:672 lid 11 BW van € 2.110,71 bruto zal eveneens worden toegewezen, omdat sprake is van een onregelmatige opzegging. Ook de verzochte transitievergoeding van € 1.583,04 bruto is toewijsbaar, omdat [werkgever] de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. Van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [werkneemster] is naar het oordeel van de kantonrechter niet gebleken, zodat er geen reden is de transitievergoeding niet toe te kennen.

6.8.

Omdat [werkgever] [werkneemster] ten onrechte op staande voet heeft ontslagen komt haar in beginsel een billijke vergoeding toe. De kantonrechter zal de billijke vergoeding evenwel tot nihil matigen. Vaststaat immers dat [werkneemster] het niet zo nauw heeft genomen met de bij [werkgever] geldende regels inzake het afrekenen van plastic tasjes en het meenemen van testers uit ‘Annie’. Ook heeft [werkneemster] de kantonrechter er niet van kunnen overtuigen dat zij de regels omtrent retouren netjes heeft nageleefd. Daarbij komt dat aan [werkneemster] inmiddels een WW-uitkering is toegekend en haar positie op de arbeidsmarkt goed te noemen is.

6.9.

Als niet door [werkgever] betwist staat vast dat [werkneemster] nog € 1.245,46 bruto aan loon over de periode van 1 tot 26 mei 2021 en € 1.163,07 (kennelijk, gelet op productie 10 bij het verzoekschrift: bruto) aan vakantiegeld van haar tegoed heeft, zodat deze bedragen toewijsbaar zijn, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW. De kantonrechter ziet aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen tot 25%.

6.10.

Het beroep van [werkgever] op verrekening van de hiervoor genoemde bedragen met haar beweerde tegenvorderingen betreffende opleidingskosten en onderzoekskosten zal worden verworpen. Op grond van het bepaalde in artikel 8 van de arbeidsovereenkomst dienen opleidingskosten slechts (deels) door de werknemer te worden terugbetaald als het dienstverband wordt beëindigd door de werknemer of wegens een dringende reden. Omdat van een dergelijke beëindiging geen sprake is, heeft [werkgever] geen tegenvordering wegens opleidingskosten en is verrekening dus niet mogelijk. Ook voor verrekening met de onderzoekskosten van [recherchebureau] is geen plaats. Van een dringende reden voor ontslag op staande voet is immers niet gebleken, zodat de onderzoekskosten om die dringende reden vast te stellen niet voor vergoeding door [werkneemster] in aanmerking komen.

6.11.

Wat betreft de verzochte vergoeding voor verlofuren merkt de kantonrechter op dat [werkneemster] niet heeft betwist dat zij (zoals door [werkgever] is aangevoerd) slechts recht heeft op uitbetaling van 106 verlofuren in plaats van 203 uren. [werkgever] heeft op haar beurt het door [werkneemster] gestelde uurloon van € 10,51 bruto niet betwist. Als vergoeding voor verlofuren is dan ook toewijsbaar een bedrag van 106 maal € 10,51 bruto, zijnde € 1.114,06 bruto. Ook de wettelijke verhoging over dat bedrag zal worden toegewezen. De kantonrechter ziet aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen tot 25%.

6.12.

De wettelijke rente is toewijsbaar vanaf de tijdstippen van opeisbaarheid zoals verzocht. De proceskosten komen voor rekening van [werkgever] , omdat zij grotendeels ongelijk krijgt.

Met betrekking tot het tegenverzoek:

6.13.

Omdat de dringende reden niet is komen vast te staan, is het daaraan gekoppelde verzoek om voor recht te verklaren dat [werkneemster] onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de door [werkgever] geleden en te lijden schade niet toewijsbaar.

6.14.

De verzochte gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:677 lid 3 BW is niet toewijsbaar, omdat niet is gebleken dat [werkneemster] [werkgever] een dringende reden voor ontslag op staande voet heeft gegeven. De kantonrechter zal daarbij in het midden laten of de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 sub a BW al dan niet van toepassing is.

6.15.

De opleidings- en onderzoekskosten zijn evenmin toewijsbaar, gelet op wat hiervoor is overwogen.

6.16.

Omdat het tegenverzoek wordt afgewezen, dient [werkgever] in de proceskosten te worden veroordeeld. De kantonrechter zal de proceskosten aan de zijde van [werkneemster] echter vaststellen op nihil, gelet op de samenhang met de zaak betreffende het verzoek van [werkneemster] .

7 De beslissing

De kantonrechter:

Met betrekking tot het verzoek:

7.1.

verklaart voor recht dat [werkgever] [werkneemster] ten onrechte op staande voet heeft ontslagen en gehouden is het navolgende aan [werkneemster] te betalen;

7.2.

veroordeelt [werkgever] tot betaling aan [werkneemster] van:

a. € 1.245,46 bruto aan achterstallig salaris en € 1.163,07 bruto aan achterstallig vakantiegeld, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 25%;

b. € 2.110,71 bruto als vergoeding wegens onregelmatige opzegging;

c. een transitievergoeding van € 1.583,04 bruto;

d. € 1.114,06 bruto als vergoeding voor 106 niet uitbetaalde verlofuren, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 25%;

e. de wettelijke rente over de posten a. tot en met d. vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot de dag van de gehele betaling;

7.3.

veroordeelt [werkgever] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [werkneemster] tot en met vandaag vaststelt op € 832,00, te weten:

griffierecht € 85,00

salaris gemachtigde € 747,00 ;

7.4.

verklaart bovengenoemde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

7.5.

wijst het meer of anders verzochte af.

Met betrekking tot het tegenverzoek:

7.6.

wijst het tegenverzoek af;

7.7.

veroordeelt [werkgever] in de proceskosten, die aan de zijde van [werkneemster] worden vastgesteld op nihil.

Deze beschikking is gegeven door mr. W. Aardenburg, kantonrechter en op 11 oktober 2021 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter