Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:8627

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
15-01-2021
Datum publicatie
28-12-2021
Zaaknummer
8677092 \ WM VERZ 20-757
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WAHV, geslotemverklaring

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknummer : 8677092 \ WM VERZ 20-757

CJIB-nummer : 230986309

Uitspraakdatum : 15 januari 2021

Uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 9 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV)

in de zaak van

[betrokkene]

gemachtigde : mr. M. Lagas, Appjection B.V. te Amsterdam.

Het verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna te noemen: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.

De zaak is behandeld op de zitting van 15 januari 2021. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.

Overwegingen

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd, luidt – kort omschreven – als volgt: als bestuurder handelen in strijd met een gesloten verklaring in beide richtingen.

Betrokkene is het niet eens met de beslissing van de officier van justitie en heeft in het beroepschrift de gronden daarvoor aangevoerd.

In het toepasselijke beleidskader ten aanzien van de digitale handhaving door de gemeente van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: het Beleidskader) staat een aantal voorwaarden waaraan gemeentelijke handhaving moet voldoen indien een gemeente digitaal wil handhaven op categorie C borden. Voorwaarden zijn onder meer dat het C-bord (het bord waaruit de geslotenverklaring blijkt) zichtbaar moet zijn op de foto en dat op de foto zichtbaar moet zijn dat het voertuig het bord is gepasseerd. In deze zaak is de gedraging vastgesteld aan de hand van een foto die met een flitspaal is gemaakt. Die foto bevindt zich bij de stukken. Daarop is wel het voertuig van betrokkene zichtbaar, maar niet het C-bord. Er is dus ook niet te zien dat het voertuig van betrokkene het bord is gepasseerd.

Het niet zichtbaar zijn van het bord op de foto kan op andere wijze worden ondervangen. Dat is hier het geval.

Bij de stukken bevindt zich een proces-verbaal van bevindingen aangaande verkeersbordenschouw geslotenverklaring Alkmaar van 21 november 2019 en 17 december 2019. Hieruit blijkt dat er in opdracht en onder verantwoordelijkheid van de verbalisant maandelijks een rondgang wordt gemaakt langs alle locaties van de geslotenverklaring, waarbij schouwfoto’s worden gemaakt die bij het proces-verbaal zijn gevoegd. Op deze schouwfoto’s staan de datum en locatie vermeld en is de aanwezigheid van de bebording duidelijk zichtbaar. De foto’s betreffen een datum in de maand vóór en een datum in de maand ná de gedraging. Uit de foto’s blijkt dat de bebording in die periode, dus ook ten tijde van de gedraging, (ongewijzigd) aanwezig was. De kantonrechter is daarom van oordeel dat in dit geval op een andere wijze kan worden vastgesteld dat het bord ten tijde van de gedraging deugdelijk was geplaatst.

Ook de stelling van betrokkene dat de officier van justitie in strijd heeft gehandeld met het eigen beleid en daarmee met artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht, treft geen doel. Zoals hiervoor is overwogen, is met overlegging van de schouwrapporten voldaan aan de voorwaarden van het Beleidskader. Maar ook indien niet aan de voorwaarden van het Beleidskader zou zijn voldaan, gaat de stelling van betrokkene niet op. De achterliggende gedachte van de genoemde voorwaarden is dat moet komen vast te staan dat ten tijde van de gedraging een C-bord was geplaatst. Als dit niet uit de foto van de gedraging kan worden afgeleid, kan dit ook op andere wijze worden ondervangen, zoals in dit geval met de schouwrapporten. Dat is bij herhaling in rechtspraak geoordeeld (zie de uitspraken van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 juni 2018 (te vinden op www.rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NLGHARL:2018:5537) en van 8 augustus 2019 (te vinden op www.rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:GHARL:2019:6416). Uit die rechtspraak blijkt dat onder ogen is gezien dat voor de officier van justitie beleidsregels gelden, maar dat moet worden geoordeeld dat deze beleidsregels niet in de weg staan aan het vaststellen van de gedraging op een andere wijze dan voorgeschreven in die beleidsregels.

Nu de beslissing van de officier van justitie met de overlegging van de schouwgegevens pas in beroep deugdelijk is gemotiveerd, zal de kantonrechter die beslissing vernietigen.

Gemachtigde van betrokkene stelt tevens dat er sprake zou zijn van een fuik nu er geen vooraankondiging van de geslotenverklaring is geplaatst. De kantonrechter stelt voorop dat van weggebruikers oplettendheid op verkeersborden mag worden verwacht. In het kader daarvan is het aan de weggebruiker om diens rijgedrag, waaronder de snelheid, zodanig aan te passen dat verkeersborden niet alleen tijdig worden waargenomen, maar dat ook kennis kan worden genomen van de inhoud daarvan. Dat de betrokkene de borden niet heeft opgemerkt, dan wel vanwege zijn snelheid de informatie op deze borden niet tot zich heeft kunnen nemen, komt dan ook voor zijn rekening. Voor wat betreft de plaatsing van vooraankondigingsborden merkt de kantonrechter allereerst op dat geen rechtsregel voorschrijft dat een geslotenverklaring met eerder geplaatste borden wordt aangekondigd. Het is aan de betrokkene om te anticiperen op een naderende verkeerssituatie. Dat er in de onderhavige zaak sprake was van een fuik waaruit ontsnappen onmogelijk was, blijkt dan ook niet. De gemachtigde heeft dit niet aannemelijk gemaakt.

Omdat de boete terecht is opgelegd, zal de kantonrechter de inleidende beschikking in stand laten. Het beroep tegen de beschikking waarbij de boete is opgelegd, wordt dus ongegrond verklaard.

Gemachtigde van betrokkene heeft tevens verzocht om een proceskostenvergoeding. Gelet op de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 mei 2019 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:GHARL:2019:3197) moet het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen. De beschikking waarbij de boete is opgelegd, wordt namelijk niet vernietigd.

De uitspraak

De kantonrechter:

‒ verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

‒ verklaart het beroep tegen de beschikking waarbij de boete is opgelegd ongegrond;

‒ wijst het verzoek op vergoeding van de proceskosten af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Voogd, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.

De griffier De kantonrechter

Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 WAHV hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 70,00. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht. Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk.

Datum toezending: