Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:8492

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-08-2021
Datum publicatie
01-10-2021
Zaaknummer
C/15/312113 / FA RK 21-195
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De man doet een beroep op artikel 1:160 BW met het voor de vrouw verstrekkende gevolg dat de alimentatieplicht van de man eindigt. De man is er niet in geslaagd alle hiervoor genoemde vereisten die gelden voor samenleving in de zin van artikel 1:160 BW te stellen en zo nodig te bewijzen. Vast is komen te staan dat er contacten zijn tussen de vrouw en [naam] en dat hij het kind van de vrouw erkend heeft. Het rechercherapport en de overgelegde verklaringen bevatten echter, gelet op de betwisting van de vrouw, onvoldoende concrete gegevens om vast te stellen dat er een affectieve relatie tussen de vrouw en [naam] bestaat in de periode van 29 april 2019 tot 1 mei 2020. Voor zover de relatie tussen de vrouw en [naam] in deze periode meer dan zakelijk is geweest, dan nog heeft de man niet, althans onvoldoende met feiten onderbouwd gesteld dat aan de overige te stellen eisen in het kader van artikel 1:160 BW is voldaan, zoals de duurzaamheid van de affectieve relatie, de gemeenschappelijke huishouding en de wederzijdse verzorging. Anders dan de man heeft aangevoerd volgt dit niet uit de inhoud van het rechercherapport, reeds omdat de in het rapport genoemde feiten en waarnemingen betrekking hebben op met name de periode vòòr 29 april 2019, dan wel de periode ná 1 mei 2020. Uit diverse passages in het rapport blijkt dat er enkel sprake is van aannames, veronderstellingen of interpretaties van de rechercheur, of van de man zelf, en niet van feitelijke constateringen door de rechercheur. Bovendien, waar er al sprake is van feitelijke constateringen, leiden deze niet tot de vaststelling dat sprake is van een affectieve relatie tussen de vrouw en [naam] en kunnen zij evenmin dienen als onderbouwing van de andere vereisten in het kader van artikel 1:160 BW. Nu de man zijn beroep op artikel 1:160 BW, mede in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende heeft onderbouwd, en hij niet voldoet aan zijn stelplicht ter zake het samenwonen, de wederzijdse verzorging en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding, zal de rechtbank het bewijsaanbod van de man passeren. De kosten van het recherchebureau blijven ook om die reden voor rekening van de man.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd

locatie Haarlem

alimentatie/tegenspraak

zaak-/rekestnr.: C/15/312113 / FA RK 21-195

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 18 augustus 2021

in de zaak van:

[de man] ,

wonende te [plaats] ,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. K.H.P. Selcraig, kantoorhoudende te Zwolle,

tegen

[de vrouw] ,

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. S.A. Merhottein, kantoorhoudende te Heemskerk.

1 Procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de man, ingekomen op 14 januari 2021;

- het aanvullend verzoekschrift, met bijlagen, van de man, ingekomen op 11 februari 2021;

- het verweerschrift van de vrouw, ingekomen op 11 maart 2021;

- het F-formulier, met bijlagen, van de advocaat van de man van 11 maart 2021;

- het F-formulier, met bijlagen, van de advocaat van de man van 4 juni 2021;

- de brief, met bijlagen, en aanvullend verweerschrift van de advocaat van de vrouw van 4 juni 2021;

- het F-formulier, met bijlage, van de advocaat van de vrouw van 28 juni 2021;

- het F-formulier van de advocaat van de man van 29 juni 2021.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 15 juni 2021 in aanwezigheid van partijen, bijgestaan door hun advocaten. De advocaat van de vrouw heeft pleitnotities overgelegd en voorgedragen.

1.3.

Partijen zijn na de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld in onderling overleg tot een vergelijk te komen. Zij hebben de rechtbank op 28 respectievelijk 29 juni 2021 verzocht een beschikking af te geven.

2 Feiten en omstandigheden

2.1.

Partijen zijn op [datum] met elkaar gehuwd, welk huwelijk op [datum] is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van rechtbank Overijssel van 17 april 2015.

2.2.

Bij beschikking van 15 maart 2019 van rechtbank Overijssel is voor zover relevant het verzoek van de vrouw voor een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna: partnerbijdrage) afgewezen. Deze beschikking is ten aanzien van de partnerbijdrage vernietigd door de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 mei 2020, waarbij is bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van 29 april 2019 een partnerbijdrage van € 861 bruto per maand dient te betalen.

2.3.

De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw de Indonesische nationaliteit.

3 Verzoek

3.1.

De man heeft bij zijn verzoekschrift van 14 januari 2021 verzocht te bepalen dat:

I. de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage op nihil wordt gesteld met ingang van 1 mei 2020;

II. de man de achterstallige partnerbijdrage ter hoogte van € 10.389,40 bruto dient te betalen binnen een maand na opheffing van de door de vrouw op het vermogen van de man gelegde beslagen;

III. de vrouw wordt veroordeeld in de kosten van het geding.

3.2.

Bij aanvullend verzoekschrift van 11 februari 2021 heeft de man zijn verzoek onder I ingetrokken en is aanvullend verzocht te bepalen dat:

IV. voornoemde beschikking van 7 mei 2020 wordt gewijzigd in die zin dat de door de man aan de vrouw te betalen partnerbijdrage met ingang van 29 april 2019 op nihil gesteld wordt;

V. de vrouw de kosten voor het inschakelen van het recherchebureau ter hoogte van € 4.997,30 dient te vergoeden binnen 14 dagen na de te wijzen beschikking.

3.3.

Ter zitting heeft de man zijn verzoek onder IV mondeling gewijzigd in die zin dat hij beëindiging van de partnerbijdrage per 29 april 2019 verzoekt, in plaats van nihilstelling.

Verder heeft de man toegelicht dat zijn verzoek onder I niet formeel is ingetrokken, maar dat enkel is opgemerkt dat het belang is komen te vervallen omdat de vrouw instemt met de einddatum van 1 mei 2020. De man heeft de rechtbank vervolgens verzocht de verzoeken gedaan onder IV en V als de primaire verzoeken te beschouwen en de verzoeken onder I en II als subsidiaire verzoeken.

3.4.

De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd en concludeert dat de man nietontvankelijk verklaard dient te worden, dan wel dat zijn verzoeken moeten worden afgewezen. Van haar kant heeft zij verzocht de man te veroordelen in de proceskosten.

4 Beoordeling

procedureel

4.1.

Op grond van artikel 283 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de verzoeker, zolang de rechter nog geen eindbeschikking heeft gegeven, het verzoek of de gronden daarvan verminderen, dan wel schriftelijk veranderen of vermeerderen. In het geval van verandering of vermeerdering is artikel 130 Rv van overeenkomstige toepassing, zodat gekeken moet worden of de verandering in strijd is met de eisen van een goede procesorde.

Aangenomen wordt dat binnen een verzoekschriftprocedure een wijziging van het verzoek ook mondeling kan plaatsvinden, tenzij de verweerder onredelijk bemoeilijkt wordt in het voeren van verweer.

4.2.

De rechtbank beschouwt het verzoek onder IV als gewijzigd, zodat het voorliggende verzoek inhoudt de partnerbijdrage per 29 april 2019 te beëindigen in plaats van op nihil te stellen. De wijziging levert geen strijd op met de goede procesorde. De primaire grondslag van het verzoek is artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarbij het door de wet bedoelde gevolg is dat van rechtswege een definitief einde komt aan de onderhoudsplicht.

4.3.

De rechtbank beschouwt het verzoek van de man onder I als ingetrokken, zodat niet wordt toegekomen aan de door de man ter zitting verzochte wijziging van het verzoek onder I van primair in subsidiair. Met het kopje ‘Intrekken verzoek I’ in het aanvullend verzoek van 11 februari 2021 en de gegeven toelichting dat het belang bij zijn verzoek is komen te vervallen en enkel de verzoeken II en III resteren, kan de rechtbank niet anders begrijpen dan dat de man het verzoek onder I heeft ingetrokken.

4.4.

De vrouw heeft onder punt 6.4.4. van haar verweerschrift primair gesteld dat de man niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn aanvullend verzoek, dit omdat de grond onder het initiële verzoekschrift is komen te vervallen en dat er derhalve geen ruimte meer is voor een aanvullend verzoekschrift. De rechtbank volgt de vrouw niet in dit betoog. Tussen partijen is in geschil of de man aan de vrouw al dan niet nog een partnerbijdrage dient te betalen. Het materiële onderwerp in deze procedure is daarmee de onderhoudsverplichting van de man en het recht van de vrouw op een bijdrage in haar levensonderhoud. Het aanvullende verzoek van de man heeft betrekking op dit onderwerp en kan naar het oordeel van de rechtbank in de lopende bodemprocedure worden betrokken. Daarbij laat de rechtbank meewegen dat de vrouw ruim de tijd heeft gehad om te reageren op het aanvullende verzoek van de man zodat haar processuele belangen niet zijn geschaad. Ten slotte zijn partijen naar het oordeel van de rechtbank niet gebaat bij nog een procedure over de partnerbijdrage. De rechtbank zal overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van de verzoeken.

inhoudelijke beoordeling

4.5.

De verplichting van de man tot het betalen van een partnerbijdrage is met de beschikking van 7 mei 2020 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden aangevangen op 29 april 2019. De man stelt dat de vrouw op dat moment samenwoonde met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren, zodat zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw is geëindigd vanaf die datum, dan wel dat de vrouw geen behoefte had aan een aanvullende bijdrage. De vrouw betwist dit.

4.6.

Omdat de vrouw heeft ingestemd met nihilstelling van de partnerbijdrage per 1 mei 2020 is in geschil de door de man te betalen onderhoudsbijdrage in de periode van 29 april 2019 tot 1 mei 2020.

samenleven als ware men gehuwd

4.7.

De man stelt primair dat de vrouw met [naam] een affectieve relatie heeft van duurzame aard, waarbij zij elkaar verzorgen, samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft de man een rapport d.d. 15 januari 2021 van recherchebureau [recherchebureau] overgelegd. Verder heeft de man verslagen van gesprekken met zijn kinderen overgelegd en een verslag van een gesprek met een schoondochter van de vrouw. Uit het rechercherapport volgt volgens de man dat de vrouw al jaren in gezinsverband samenleeft met dezelfde man, dat zij samen een kind hebben en dat zij zich naar derden presenteren als stel en gezamenlijk toekomstplannen maken. De (schoon)kinderen van de vrouw hebben verklaard dat de vrouw samenwoont en een kind heeft. Bovenstaande brengt mee dat voldaan is aan de gestelde criteria van artikel 1:160 BW, aldus de man. De man biedt nader bewijs aan van zijn stellingen door het doen horen van getuigen.

4.8.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist. Primair is de man volgens de vrouw niet-ontvankelijk, omdat hij er niet in slaagt zijn stellingen te bewijzen, waartoe hij op grond van artikel 150 Rv wel gehouden is. De door de man overgelegde geschriften kunnen niet als aktes worden aangemerkt. De herkomst is onduidelijk, evenmin is bekend door wie en in welke hoedanigheid deze zijn opgesteld en de verklaringen zijn niet gedateerd of ondertekend. Subsidiair betwist de vrouw dat zij in de periode 29 april 2019 tot 1 mei 2020 met een partner een duurzaam gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd. [naam] is voor haar een vertrouwenspersoon. Hij heeft de afgelopen jaren in verschillende vormen bijstand aan haar verleend, maar van samenwonen als bedoeld in artikel 1:160 BW, is geen sprake. Het kind van de vrouw is door [naam] erkend, maar dat is ingegeven vanuit de gedachte dat de minderjarige daardoor veilig in Nederland kan opgroeien. [naam] is volgens de vrouw niet de biologische vader van de minderjarige.

4.9.

De rechtbank overweegt als volgt. Voor een bevestigende beantwoording van de vraag of sprake is van een samenwoning van de vrouw in de zin van artikel 1:160 BW is vereist dat tussen de samenwonenden een affectieve relatie van duurzame aard bestaat, waarbij zij elkaar wederzijds verzorgen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Het uitzonderlijke en onherroepelijke karakter van de in artikel 1:160 BW besloten liggende sanctie, te weten het definitief eindigen van de onderhoudsverplichting, vergt dat deze bepaling restrictief moet worden uitgelegd, hetgeen meebrengt dat niet snel mag worden aangenomen dat is voldaan aan de door deze bepaling gestelde eisen voor de beëindiging van de verplichting om levensonderhoud te verschaffen. Hieruit volgt dat op de alimentatieplichtige een zware stelplicht rust.

4.10.

Voorafgaand aan deze beoordeling zal de rechtbank eerst oordelen over de toelaatbaarheid van het door de man overgelegde rechercherapport, nu de vrouw stelt dat dit rapport buiten beschouwing gelaten moet worden, omdat bij de totstandkoming hiervan strafbare feiten zijn gepleegd en het gebaseerd is op onjuiste informatie.

rechercherapport

4.11.

De rechtbank is van oordeel dat - wat er ook zij van de tuchtrechtelijke procedure die namens de vrouw tegen de advocaat van de man is aangespannen - het rechercherapport van 15 januari 2021 van [recherchebureau] Recherche & Onderzoeksbureau toelaatbaar bewijs is in de onderhavige civiele procedure tussen deze twee partijen. Gesteld noch gebleken is dat de man opdracht heeft gegeven of anderszins zijn instemming heeft gegeven aan het mogelijk overschrijden van regels waar het recherchebureau zich aan dient te houden. Daarbij overweegt de rechtbank dat het op zichzelf niet onrechtmatig is om in een civiele procedure bewijs tegen een persoon te vergaren, zonder dat die persoon zich daarvan bewust is. Bij alimentatiekwesties als de onderhavige kan niet altijd eraan worden ontkomen dat de alimentatiegerechtigde wordt geobserveerd. De rechtbank zal het rechercherapport dan ook betrekken bij haar beoordeling.

criteria van artikel 1:160 BW

4.12.

De man doet een beroep op artikel 1:160 BW met het voor de vrouw verstrekkende gevolg dat de alimentatieplicht van de man eindigt. De man dient derhalve alle hiervoor onder punt 4.9. genoemde vereisten die gelden voor samenleving in de zin van artikel 1:160 BW te stellen en zo nodig te bewijzen. De rechtbank is van oordeel dat de man hier niet in is geslaagd en dat zijn stelling tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw onvoldoende is onderbouwd.

4.13.

Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende. Vast is komen te staan dat er contacten zijn tussen de vrouw en [naam] en dat hij het kind van de vrouw erkend heeft. Het rechercherapport en de overgelegde verklaringen bevatten echter, gelet op de betwisting van de vrouw, onvoldoende concrete gegevens om vast te stellen dat er een affectieve relatie tussen de vrouw en [naam] bestaat in de periode van 29 april 2019 tot 1 mei 2020. Voor zover de relatie tussen de vrouw en [naam] in deze periode meer dan zakelijk is geweest, dan nog heeft de man niet, althans onvoldoende met feiten onderbouwd gesteld dat aan de overige te stellen eisen in het kader van artikel 1:160 BW is voldaan, zoals de duurzaamheid van de affectieve relatie, de gemeenschappelijke huishouding en de wederzijdse verzorging. Anders dan de man heeft aangevoerd volgt dit niet uit de inhoud van het rechercherapport, reeds omdat de in het rapport genoemde feiten en waarnemingen betrekking hebben op met name de periode vòòr 29 april 2019, dan wel de periode ná 1 mei 2020. Uit diverse passages in het rapport blijkt dat er enkel sprake is van aannames, veronderstellingen of interpretaties van de rechercheur, of van de man zelf, en niet van feitelijke constateringen door de rechercheur. Bovendien, waar er al sprake is van feitelijke constateringen, leiden deze niet tot de vaststelling dat sprake is van een affectieve relatie tussen de vrouw en [naam] en kunnen zij evenmin dienen als onderbouwing van de andere vereisten in het kader van artikel 1:160 BW.

4.14.

De door de man overgelegde verklaringen beperken zich tot verklaringen dat de vrouw samenwoont en een kind heeft. Hieruit volgt zonder nadere toelichting of onderbouwing niet dat de vrouw en [naam] elkaar wederzijds verzorgen en een economische eenheid vormen. De kinderen hebben overigens nadien via een brief aan partijen laten weten dat deze gesprekken eenzijdig zijn vastgelegd en dat zij meenden het een en ander recht te moeten zetten. Het staat vast dat de kinderen die een verklaring hebben afgelegd, de vrouw al enige jaren niet gesproken hebben, zodat onduidelijk is welke waarde aan hun verklaringen kan worden toegekend.

Het in het rapport opgenomen Facebookbericht van de voorganger van de kerk waarin wordt gesproken over de wens van de vrouw om een B&B te beginnen is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet om daar enige conclusies in het kader van deze procedure aan te kunnen verbinden. Dit geldt ook voor de door de man ter zitting aangehaalde Google-reviews van [naam] waaruit zou blijken dat hij op hetzelfde moment als de vrouw in Barcelona was en contact heeft gehad met een drukker van geboortekaartjes ten tijde van de geboorte van het kind van de vrouw. Na de weerlegging door de vrouw ter zitting, is dit niet nader door de man onderbouwd. De in januari 2021 uitgevoerde observaties door de rechercheur, waarbij de vrouw op meerdere momenten wordt waargenomen bij het huis van [naam] en daar ook zou overnachten, zien zoals de vrouw terecht heeft aangevoerd, niet op de periode in geschil zodat deze observaties niet kunnen bijdragen aan de beantwoording van de vraag of in elk geval vanaf 29 april 2019 sprake was van samenwonen als ware men gehuwd. De rechtbank kan aan die observaties dan ook niet de door de man gewenste conclusie verbinden.

Dat in het rapport wordt opgemerkt dat er enige discrepantie bestaat tussen het werkelijke verblijfadres van de vrouw en haar adressen in het GBA en dat zij volgens berichten op social media meermaals op vakantie is geweest draagt evenmin bij aan hetgeen door de man in het kader van artikel 1:160 BW gesteld en bewezen dient te worden.

4.15.

Nu de man zijn beroep op artikel 1:160 BW, mede in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende heeft onderbouwd, en hij niet voldoet aan zijn stelplicht ter zake het samenwonen, de wederzijdse verzorging en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding, zal de rechtbank het bewijsaanbod van de man passeren. De kosten van het recherchebureau blijven ook om die reden voor rekening van de man.

aanvullende behoefte van de vrouw

4.16.

De man heeft ter zake de door hem te betalen partnerbijdrage subsidiair nog aangevoerd dat de partnerbijdrage per 29 april 2019 op – naar de rechtbank begrijpt – nihil te stellen omdat de vrouw geen behoefte had aan die bijdrage. Hij stelt dat uit het rechercherapport volgt dat de vrouw over voldoende financiële middelen beschikte om haar kosten van levensonderhoud te kunnen betalen, dan wel dat zij de mogelijkheden had om deze inkomsten te vergaren. De vrouw oogt gezond en er lijkt geen sprake te zijn van medische belemmeringen en zij is kennelijk voornemens om een B&B te runnen.

4.17.

De rechtbank zal de man ook op dit punt niet volgen. In de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 mei 2020 is een aanvullende behoefte van de vrouw vastgesteld van € 1.054 bruto per maand en de partnerbijdrage is vastgesteld per 29 april 2019. Het rechercherapport kan naar het oordeel van de rechtbank niet de conclusie dragen dat het Hof bij deze vaststelling van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, dan wel dat sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor er in zijn geheel geen aanvullende behoefte resteert. Daartoe is door de man onvoldoende gesteld en het rapport bevat onvoldoende informatie over de aanvullende behoefte van de vrouw, bijvoorbeeld over haar financiële situatie.

achterstallige partnerbijdrage

4.18.

De man verzoekt de rechtbank om te bepalen dat hij de achterstallige partnerbijdrage ter hoogte van € 10.389,40 bruto dient te betalen binnen een maand na opheffing van de door de vrouw op het vermogen van de man gelegde beslagen. De man voert ter onderbouwing van dit verzoek aan dat hij door het beslag op zijn vermogen niet kan beschikken over zijn financiële middelen en dat hij niet in staat is om de achterstallige partnerbijdrage aan de vrouw te voldoen.

4.19.

De vrouw meent dat dit verzoek moet worden afgewezen. De vordering is opeisbaar gelet op de beslissing van het gerechtshof van 7 mei 2020 waarin deze is vastgesteld. Het conservatoire beslag kan niet worden opgeheven, omdat dit is gelegd ter verzekering van de verdelingsvordering die bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voorligt.

4.20.

Het verzoek van de man zal worden afgewezen. Los van het feit dat beslaglegging in beginsel niets afdoet aan de opeisbaarheid van vorderingen op de beslagene, ontbreekt binnen deze procedure een grondslag voor een dergelijk verzoek. Daarbij heeft de rechtbank begrepen dat de procedure bij het Hof inmiddels is geëindigd met een eindbeschikking.

proceskosten

4.21.

Beide partijen verzoeken de ander in de proceskosten te veroordelen.

Volgens de man is hij door de vrouw gedwongen deze procedure te starten, omdat zij weigerde in onderling overleg tot een einddatum van de partnerbijdrage te komen. De vrouw stelt dat de man met deze onnodige procedure en met zijn gedragingen de vrouw en haar naasten veel leed heeft berokkend.

4.22.

Volgens vaste jurisprudentie wordt in zaken tussen ex-echtgenoten in het algemeen besloten tot compensatie van kosten, in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt. Hetgeen door elk van partijen is aangevoerd is onvoldoende om te spreken van bijzondere omstandigheden die een afwijking van dit uitgangspunt rechtvaardigen. De verhouding tussen partijen is kennelijk zodanig verstoord dat zij enkel nog via procedures met elkaar communiceren. Met de houding die partijen jegens elkaar hebben aangenomen, hebben zij elk hun eigen aandeel in deze procedure.

5 Beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijst de verzoeken van de man en de vrouw af;

5.2.

bepaalt dat elke partij de eigen kosten van deze procedure draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. F. Kleefmann, rechter, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2021.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.