Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:8349

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-09-2021
Datum publicatie
28-09-2021
Zaaknummer
15.156102.20 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging moord. De verdachte heeft de locatie van het slachtoffer achterhaald, door middel van een onder zijn auto geplaatste gps-tracker. Vervolgens heeft hij het slachtoffer opgezocht en met een pistool meerdere kogels op het slachtoffer afgevuurd, terwijl het slachtoffer in zijn auto zat. Het slachtoffer heeft daarbij inwendige schade aan zijn buikorganen opgelopen. Het slachtoffer moest als gevolg hiervan een open buikoperatie ondergaan. Daarnaast heeft de verdachte zich jegens zijn ex-vriendin en haar moeder schuldig gemaakt aan bedreiging met brandstichting.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren.

Verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis afgewezen.

Vordering benadeelde partij (poging moord) materiële (€ 3.500,41) en immateriële (€ 25.000,-) schade toegewezen.

Vordering benadeelde partij (bedreiging) immateriële schade (€ 300,-) toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0767
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15.156102.20 (P)

Uitspraakdatum: 28 september 2021

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 14 september 2021 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] ,

thans gedetineerd in [detentieadres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A.M.H.G. Peters en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. V.R.C. Shukrula, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging ex artikel 314a Sv, tenlaste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 14 juni 2020 te Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een of meerdere kogels in/naar/in de richting van het (boven)lichaam van die [slachtoffer 1] heeft afgevuurd/geschoten en/of in/naar de personenauto waarin die [slachtoffer 1] zich bevond, waarbij een of meer kogel(s) die personenauto is/zijn binnengedrongen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.
hij op of omstreeks 10 juni 2020 te Heerhugowaard [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met brandstichting, door tegen die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] te schreeuwen: "Ik steek alles in de brand van haar, alles, alles gaat in de brand van haar!" en/of "Ik ga alles in brand steken!", althans woorden van gelijke bedreigende aard en/of strekking";

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten.

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard niet op aangever [slachtoffer 1] (hierna: aangever) te hebben geschoten. Derhalve heeft de verdediging aangaande feit 1 – zakelijk samengevat – vrijspraak bepleit, omdat uit het dossier en uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat hij de schutter is geweest. De belastende verklaringen van aangever [slachtoffer 1] dienen niet voor het bewijs gebruikt te worden, daar de herkenning van de verdachte onbetrouwbaar en kennelijk leugenachtig is. Aangever heeft in zijn eerste verhoor verklaard dat de schutter compleet onherkenbaar was en hij heeft de schutter daardoor dus niet kunnen herkennen. Aangever heeft in zijn eerste verhoor ook geen naam genoemd van de schutter. Enkel en alleen op basis van bedreigingen uit het verleden heeft hij een vermoeden wie de schutter zou kunnen zijn geweest.

Ook heeft de verdediging betoogd dat de aanwezigheid van de verdachte op de plaats delict onmogelijk is, vanwege de afstand tussen de [adres getuige 1] en de plaats delict de Stikkelwaard. De verdachte en [getuige 1] verklaren namelijk beide dat de verdachte [getuige 1] rond kwart over 12 ‘s nachts thuis heeft afgezet. De telefoon van [getuige 1] maakt om 00.19 contact met de zendmast bij zijn huis aan de [adres getuige 1] . Het nummer [telefoonnummer] straalt om 00.23 de zendmast aan de Drechterwaard aan. Volgens de ANWB routeplanner is de route van de [adres getuige 1] naar de Stikkelwaard minimaal 12 minuten rijden. Aldus vormt dat een overduidelijke indicatie dat de verdachte op dat moment niet in het bezit was van de telefoon waarmee naar de tracker werd gebeld en dat hij ook niet de persoon is geweest met de telefoon met het nummer [telefoonnummer] die op dat moment de zendmast aan de Drechterwaard heeft aangestraald.

Tot slot heeft de raadsman betoogd dat de verdachte niet (meermalen) kan hebben geschoten met een vuurwapen vanwege het feit dat zijn rechterhand recent was gespalkt vanwege een voor 90 % doorgesneden pees aan een vinger aan zijn rechterhand.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman vrijspraak verzocht omdat de verdachte ontkent de bedreigingen te hebben geuit en bovendien niet duidelijk is of de bedreigingen aan de moeder of de dochter waren gericht.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1. en 2. ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

3.3.3

Bewijsmotivering ten aanzien van feit 1

Op 14 juni 2020 is aangever ter hoogte van de Stikkelwaard [nummer] te Alkmaar omstreeks 1.00 uur meermaals beschoten terwijl hij zich bevond in een personenauto, te weten een Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] .

Een kogel heeft de auto doorboord en is in de buik van aangever terechtgekomen, andere kogels hebben het voertuig geraakt. De aangever moest als gevolg hiervan een open buikoperatie ondergaan. Aangever heeft verklaard de verdachte, die een vroegere vriend van hem is, te hebben herkend.

De Volkswagen Polo bleek voorzien te zijn van een GPS-tracker. Na onderzoek is gebleken dat op 14 juni 2020 om 00.23, 00.32 en 00.45 uur het telefoonnummer [telefoonnummer] inbelde op deze GPS-tracker. In de contacten van telefoonnummer [telefoonnummer] zijn privé-contacten van de verdachte aangetroffen, zoals zijn ouders, vriendin en zijn werkgever. Ook heeft zijn ex [slachtoffer 2] verklaard dat dit nummer door verdachte wordt gebruikt en dat hij haar op woensdag 10 juni 2020 nog een Whats App bericht heeft gestuurd met dit nummer. Dit telefoonnummer heeft rond 00.45 uur de mast aan de Drechterwaard [nummer] te Alkmaar, die in de directe nabijheid van de Stikkelwaard staat, aangestraald.

Op 14 juni 2020, omstreeks 01:25, werd op de Oostdijk in Heerhugowaard gezien, dat een persoon vanuit een witte auto met zwart dak stapte en een brandende lap in de berm gooide.

De verdachte heeft die avond de auto van zijn vriend [getuige 2] geleend. Uit een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] blijkt dat hij het kenteken van een witte Volkswagen Polo met een zwart dak noteerde, die hij meerdere malen in Alkmaar zag rijden. De Polo bleek op naam te staan van [getuige 2] .

In de buurt van de verbrande lap werden een deels verbrande pet en schoen aangetroffen. De pet vertoont sterke gelijkenis met een pet van [getuige 1] , de vriend van de verdachte met wie hij een deel van die avond/nacht doorbracht en met wie hij kort voor het schietincident in een auto zat. Op de schoen is DNA aangetroffen dat onder meer gelinkt kan worden aan de verdachte.

De verdachte heeft tot aan de inhoudelijke behandeling ter zitting hoofdzakelijk gezwegen. Tijdens de pro forma zitting van 15 maart 2021 heeft hij verklaard dat hij de GPS-tracker onder de auto van aangever heeft laten plaatsen. Hij kwam er achter dat aangever een relatie had met zijn ex en wilde zeker weten dat zij niet samen met zijn dochter naar het buitenland zouden vertrekken. Over het telefoonnummer [telefoonnummer] heeft de verdachte verklaard dat dit nummer door meerdere personen wordt gebruikt, waaronder door hem zelf.

Tijdens de inhoudelijke behandeling heeft verdachte verklaard dat hij die avond de auto die hij van [getuige 2] had geleend (naar zijn zeggen omdat dat een automaat is en hij vanwege de verwonding aan zijn hand moeite had met schakelen) weer heeft uitgeleend aan drie jongens, van wie hij de identiteit niet wil noemen. Ook zou hij de telefoon met telefoonnummer [telefoonnummer] die avond hebben gegeven aan deze drie jongens. Deze jongens hadden verzocht of ze de telefoon, die is verbonden met de gps-tracker, die avond konden gebruiken. Ze waren volgens de verdachte van plan de drugs stash van aangever te rippen. Ook zouden deze jongens later op die avond, op de terugweg van het feestje van [naam 1] , in de auto van [getuige 2] achter de verdachte aan gereden zijn, die met [getuige 1] in de (schakel) bus van de vader van de verdachte reed.

De verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat de telefoon zijn privécontacten bevat

In de telefoon van [getuige 2] is een notitie met instructies aan familieleden van de verdachte aangetroffen, opgemaakt op zondag 14 juni 2020 omstreeks 08:09 uur, en in brieven van de verdachte die hij vanuit detentie aan zijn ouders schreef, eveneens. Verdachte heeft bekend de notitie en de brieven te hebben geschreven.

In aanvulling op de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen overweegt de rechtbank het

volgende.

Aangifte [slachtoffer 1] /betrouwbaarheid herkenning

In verband met de door [slachtoffer 1] tegen de verdachte gedane aangifte overweegt de rechtbank het volgende. Anders dan door de verdediging is gesteld, zijn er naar het oordeel van de rechtbank geen aanknopingspunten in het dossier aanwezig ter ondersteuning van de stelling van de verdediging dat aangever leugenachtig zou hebben verklaard, hetgeen tot gevolg heeft dat de rechtbank deze verklaring bij haar oordeelsvorming zal betrekken.

De vervolgvraag is of de herkenning door aangever van de verdachte voldoende betrouwbaar geacht kan worden. De rechtbank neemt als uitgangspunt dat voor de beoordeling van herkenningen steeds voorop dient te staan dat de bepaling van de waarde en betekenis ervan in een brede context plaats vindt. Gesteld kan worden dat dit inherent is aan het karakter van een herkenning.

Van belang is dat een van de factoren die de betrouwbaarheid van een herkenning positief kan beïnvloeden, de mate van bekendheid is met de waargenomen persoon. Des te meer aangever van de betrokken persoon een beeld heeft, des te minder visuele informatie nodig is voor een betrouwbare herkenning. Daarnaast wint de herkenning aan waarde, wanneer deze steun vindt in andere - meer objectieve – bewijsmiddelen. Dat betekent dat bewijswaarde en de bewijskracht van de herkenning, moet worden beoordeeld in het licht van de totstandkoming én in samenhang bezien met het overige beschikbare bewijs.

Toegepast op de verklaring van aangever leidt dat tot het volgende. In eerste instantie wilde aangever niet de naam van de schutter aan de politie melden. Uit deze verklaring blijkt echter ook dat hij de naam wel wist. Hij heeft deze naam direct na het schietincident meerdere keren genoemd, zo blijkt uit de verklaring van getuige [getuige 3] , bij wie aangever aanbelde om hulp. Aangever heeft verklaard de verdachte te hebben herkend aan zijn ademhaling, ogen, houding en loopje. Daarnaast zijn zij jarenlang vrienden geweest. Voorts biedt het dossier een objectieve ondersteuning van de herkenning, in die zin dat de verdachte op de plaats delict gepositioneerd wordt.

De rechtbank komt dan ook met betrekking tot de herkenning tot de conclusie dat aangezien het een herkenning betreft van iemand waarmee langdurig contact is geweest en die ondersteund wordt door andere bewijsmiddelen, de herkenning voldoende betrouwbaar wordt geacht. In dit verband merkt de rechtbank nog op, dat de door de raadsman in zijn pleitnota aangevoerde jurisprudentie ziet op herkenningen op camerabeelden door verbalisanten, terwijl het hier een herkenning betreft van een bekende gebaseerd op een langdurige vriendschap.

GPS-tracker en voertuig [getuige 2]

Onder de auto van aangever is door de politie een gps-tracker aangetroffen. De verdachte heeft verklaard dat hij die heeft laten plaatsen en ook volgde door gebruik te maken van een specifiek telefoonnummer. Voor het schietincident, waarvan de melding bij de politie rond 01.00 uur was, is er om 00.23, 00.32 en 00.45 ingebeld op de gps-tracker met het telefoonnummer [telefoonnummer] . Dit nummer straalt daarbij de zendmast KPN 622009222, gevestigd aan de Drechterwaard [nummer] te Alkmaar, in de omgeving van de plaats delict de Stikkelwaard aan.

Bij de behandeling ter terechtzitting heeft de verdachte een aanvullende verklaring afgelegd over dit telefoonnummer. De telefoon met dit nummer zou op het moment van het inbellen op het nummer van de GPS-tracker niet meer in het bezit van verdachte zijn geweest, maar in het bezit van drie jongens. Ook zouden deze jongens volgens verdachte in de auto van [getuige 2] hebben gereden, terwijl de verdachte met [getuige 1] in de bus van de vader van de verdachte reed. In dat verband merkt de rechtbank op dat [getuige 1] in zijn verhoor als getuige niets over deze gang van zaken heeft verklaard, zoals die door de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht. Ook blijkt uit het onderzoek aan de mobiele telefoon van [getuige 1] dat deze op 13 juni 2020 om 23.40 uur nog een bluetooth verbinding maakt met een apparaat genaamd VW GTI. Het voertuig van [getuige 2] is een Volkswagen Polo GTI. Deze verklaring van verdachte is ruim een jaar na het schietincident, na diverse pro-forma rechtszittingen, op een extreem laat stadium afgelegd. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank voornoemde door de verdachte ter zitting afgelegde verklaring waarbij hij stelt zowel de telefoon met het nummer [telefoonnummer] , als de auto van [getuige 2] aan een drietal personen te hebben uitgeleend onverifieerbaar en ongeloofwaardig. De verdachte heeft aldus kort voor het schietincident ingebeld op de gps-tracker met het aan hem toegeschreven telefoonnummer.

Aantreffen schoen met DNA verdachte

Op 14 juni 2020, omstreeks 01:25, werd op de Oostdijk in Heerhugowaard gezien, dat een persoon vanuit een witte auto met zwart dak stapte en een brandende lap in de berm gooide. Daarbij werd een deels verbrande pet en schoen aangetroffen. Middels een zoekslag op internet is bevonden dat de aangetroffen pet, met zeer specifieke kenmerken, gelijk is aan een pet waarover [getuige 1] beschikte, terwijl hij kort voor het schietincident bij verdachte in de auto heeft gezeten. De auto van [getuige 2] is wit en heeft een zwart dak. Daarnaast is op basis van onderzoek vastgesteld dat de aangetroffen schoen (onder meer) het DNA van de verdachte bevat. Uit de bemonstering van de schoen is een DNA-mengprofiel afkomstig van twee niet-verwante personen verkregen. Het NFI concludeert daarbij dat het meer dan 1 miljard waarschijnlijker is dat de bemonstering DNA bevat van de verdachte en een willekeurige onbekende persoon dan dat de bemonstering DNA bevat van twee willekeurige onbekende personen. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat de schoen niet van hem is maar in een loods lag, waar hij diverse spullen waaronder de schoen heeft opgeruimd. Zodoende zou zijn DNA daar op terecht zijn gekomen. De rechtbank acht die verklaring niet geloofwaardig.

Telefoon [getuige 1] 00.19 uur

De raadsman heeft – kort gezegd – betoogd dat de verdachte niet op de plaats delict kan zijn geweest, daar hij samen met [getuige 1] was en de telefoon van laatstgenoemde op 14 juni 2020 om 00.19 contact maakte met de zendmast bij diens huis aan de [adres getuige 1] . De rechtbank overweegt op dit punt dat de locatie van de telefoon van [getuige 1] op dat tijdstip niets zegt over de locatie van de verdachte op dat tijdstip. Verder verwijst de rechtbank naar hetgeen zij eerder overwogen heeft over de telecom contacten van de aan de verdachte toegeschreven telefoon.

De rechtbank is op basis van eerder genoemde deelconclusies van oordeel dat de verklaring van de verdachte ter terechtzitting ongeloofwaardig is. Gelet op het feit dat de verdachte de GPS-tracker onder het voertuig van aangever heeft laten plaatsen, en dat in de contacten van het telefoonnummer [telefoonnummer] privé-contacten van de verdachte zijn aangetroffen en zijn ex heeft verklaard dat dit nummer door verdachte wordt gebruikt, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders kan zijn dan dat de verdachte degene is geweest die op de GPS-tracker heeft ingebeld om er achter te komen waar aangever zich op die momenten bevond. Nu de dochter van verdachte zich op dat moment bij zijn ouders bevond, kon zij niet de reden zijn om in te bellen op de GPS-tracker.

Dit nummer heeft kort voor het schietincident een zendmast in de directe omgeving van de plaats delict aangestraald. De aangever, die met de verdachte bevriend is geweest, heeft de verdachte herkend als de schutter en hij heeft aangegeven op basis van welke kenmerken hij hem heeft herkend. Niet ver van de plaats delict en kort na het schietincident stak iemand, die uit een witte auto met een zwart dak kwam, een lap in brand. Daar in de buurt werden een deels verbrande, op een pet van zijn vriend [getuige 1] gelijkende, pet en een schoen, waarop onder meer het DNA van de verdachte werd aangetroffen, gevonden. [getuige 1] heeft in zijn verhoor als getuige niets verklaard over het ruilen van voertuig die avond en zijn telefoon heeft om 23.40 uur nog contact gemaakt met een Volkswagen GTI, zoals die van [getuige 2] . Het voorgaande heeft tot gevolg dat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank de hele avond gebruik heeft gemaakt van de auto van [getuige 2] , degene was die in Alkmaar meerdere schoten op het voertuig van aangever heeft afgevuurd, waarbij aangever door een kogel in de buik getroffen is, en vervolgens even later in Heerhugowaard meerdere voorwerpen die op hem terug te voeren zijn, in brand heeft gestoken.

Aangetroffen notitie/brieven

In de telefoon van [getuige 2] is een notitie aangetroffen, die is opgemaakt op zondag 14 juni 2020 omstreeks 08:09 uur. De strekking van de notitie is de volgende. [naam 2] moet naar papa en mama gaan om [naam 3] (de dochter van de verdachte) op te halen. Ze moet aanrijden via [straat] . Ze moeten niet met de politie praten, de politie zal hen manipuleren en vragen naar hun zoon en broer. Ze moeten niets zeggen en sterk zijn, geen belletjes naar elkaar, wees voorbereid, slim en als familie komen we hier uit. De rechtbank constateert aldus dat de verdachte al kort na de schietpartij, een notitie heeft geschreven en via een derde laat bezorgen, waarin hij zijn familie instructies geeft op een bepaalde wijze te verklaren en te handelen. Ook in de - in de bewijsmiddelen opgenomen - brieven van de verdachte, instrueert hij zijn ouders over de wijze waarop zij een verklaring dienen af te leggen. Naar het oordeel van de rechtbank dragen deze omstandigheden bij aan de overtuiging dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde feit.

De rechtbank gaat aan de stelling van de verdediging, dat de verdachte niet kán hebben geschoten door een verwonding aan een vinger van de rechterhand die was gespalkt, voorbij. Uit de door verdachte overgelegde medische stukken blijkt immers dat het spalkje ook af kon. Bovendien was verdachte naar eigen zeggen ook in staat om met die hand te schakelen in de bus van zijn vader.

Voorbedachte rade

Voor een bewezenverklaring van een poging tot moord, dient de rechtbank te beoordelen of sprake was van ‘voorbedachte raad’ bij de verdachte. Daartoe geldt volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad het volgende kader: “Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.”1 Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan sprake. Vast staat dat verdachte boos op het slachtoffer was omdat zijn ex-vriendin, moeder van zijn kind, een relatie had met slachtoffer. Een aantal dagen voor het schietincident is er een whats app conversatie tussen de vader en moeder van verdachte waaruit blijkt dat verdachte het slachtoffer wil pakken en andersom. Uit de bewijsmiddelen blijkt verder dat de verdachte op de bewuste avond een auto heeft geleend, middels een gps-tracker meermalen de positie van aangever heeft bepaald en hem met een geladen vuurwapen heeft opgezocht. Vervolgens heeft de verdachte meerdere kogels op hem afgevuurd. De rechtbank heeft in het dossier geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat er sprake is van contra-indicaties voor de conclusie dat de verdachte zich heeft beraden op zijn voornemen.

De rechtbank acht de voorbedachte raad dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Conclusie

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen en overwegingen – in onderlinge samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot moord op aangever.

3.3.4

Bewijsmotivering ten aanzien van feit 2

Naar het oordeel van de rechtbank kan de bedreiging met brandstichting jegens beide aangevers wettig en overtuigend worden bewezen, gelet op de aangiftes en het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot een gesprek van de politie met [getuige 4] en [getuige 5] , die van genoemde bedreigingen getuige waren. Hieruit is duidelijk gebleken dat de bedreiging zich tegen beide aangevers richtte.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1. en 2. ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 14 juni 2020 te Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen meerdere kogels in de richting van het (boven)lichaam van die [slachtoffer 1] heeft afgevuurd/geschoten en in/naar de personenauto waarin die [slachtoffer 1] zich bevond, waarbij kogels die personenauto zijn binnengedrongen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.
hij op 10 juni 2020 te Heerhugowaard [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft bedreigd met brandstichting, door tegen die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] te schreeuwen: "Ik steek alles in de brand van haar, alles, alles gaat in de brand van haar!" en "Ik ga alles in brand steken!".

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1:

Poging moord

Feit 2:

Bedreiging met brandstichting, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien (10) jaar, met aftrek van voorarrest. Daarnaast dient de gedragsbeïnvloedende maartregel ex artikel 38z Sr te worden opgelegd.

6.2

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, het reclasseringsadvies d.d. 29 september 2020 en het psychologisch rapport d.d. 3 september 2020, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In de nacht van 14 juni 2020 heeft de verdachte de locatie van het slachtoffer achterhaald, door middel van een onder zijn auto geplaatste gps-tracker. Vervolgens heeft hij het slachtoffer opgezocht en met een pistool meerdere kogels op hem afgevuurd, terwijl het slachtoffer in zijn auto zat. Het slachtoffer heeft met de auto kunnen vluchten. Niettemin is hij getroffen door een kogel en in het ziekenhuis geopereerd wegens inwendige schade aan zijn buikorganen. Tevens zijn er in de auto nog twee inslagen van vermoedelijke kogels aangetroffen. Aldus heeft de verdachte getracht het slachtoffer zijn meest fundamentele recht, namelijk het recht op leven, te ontnemen. Ternauwernood heeft hij kunnen ontsnappen, echter kampt hij met de fysieke en geestelijke gevolgen van de aanval op zijn leven. De achtergrond van het geweld vormt een slepende ruzie tussen de verdachte en aangever, die vroeger vrienden waren. De oorzaak van het conflict is onder meer gelegen in de relatie van de ex-vriendin van de verdachte met het slachtoffer ten tijde van het feit.

Met zijn handelen heeft de verdachte ook de samenleving als geheel geschokt. Omwonenden hebben de schoten gehoord of zijn met de gevolgen daarvan geconfronteerd. Het handelen van de verdachte zal bij hen, maar ook bij anderen die daarvan op de hoogte zijn geraakt, gevoelens van angst en onveiligheid hebben veroorzaakt. Ook in algemene zin brengt een schietpartij – ook als deze geen dodelijke afloop kent – voor het grote publiek een sterk gevoel van onveiligheid met zich mee.

Daarnaast heeft de verdachte zich jegens zijn ex-vriendin en haar moeder schuldig gemaakt aan bedreiging met brandstichting. Aldus heeft hij hen angst aangejaagd, hetgeen de rechtbank de verdachte aanrekent.

Uit de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, zoals hiervoor omschreven, volgt dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

De door de officier van justitie gevorderde gedragsbeïnvloedende maartregel ex artikel 38z Sr zal de rechtbank niet opleggen. Niet voldaan is aan het vereiste van 38z Sr lid 2, nu het in dat artikel genoemde reclasseringsrapport niet is opgemaakt.

7 Vordering benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

7.1

benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 28.896,60 ingediend tegen verdachte wegens materiële (€ 3.896,60) en immateriële (€ 25.000) schade die hij als gevolg van het onder 1. ten laste gelegde feit heeft geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële en immateriële schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1. bewezen verklaarde feit. Dat leidt slechts uitzondering bij de post ‘eigen risico’, welke ten onrechte twee keer wordt gevorderd. De advocaat van de benadeelde partij heeft zulks ook opgemerkt ter terechtzitting. De vordering zal derhalve verminderd worden met een bedrag van € 396,19. Vergoeding van de gevorderde immateriële schade komt de rechtbank, gelet op hetgeen ter onderbouwing aan het verzoek ten grondslag is gelegd, en het verhandelde ter terechtzitting, billijk voor. Deze zal dan ook worden toegewezen.

Derhalve zal de vordering worden toegewezen tot een bedrag van € 28.500,41. De vordering zal worden vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 juni 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij ten aanzien van het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

7.2

[slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 300,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. Vergoeding van de gevorderde immateriële schade komt de rechtbank, gelet op hetgeen ter onderbouwing aan het verzoek ten grondslag is gelegd en het verhandelde ter terechtzitting, billijk voor. De vordering zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van € 300,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 juni 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

7.3

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen

aanleiding ter zake van de vorderingen van de benadeelde partijen telkens de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

36f, 45, 57, 285, 289 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1. en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder 1. en 2. bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van NEGEN [9] JAAR.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst af het ter terechtzitting van 14 september 2021 gedane verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de door [slachtoffer 1] ingediende vordering tot vergoeding van de door hem geleden schade tot een bedrag van € 28.500,41 en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 juni 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan benadeelde partij voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 28.500,41. te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 juni 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door honderdnegenenzeventig (179) dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de door [slachtoffer 2] ingediende vordering tot vergoeding van de door haar geleden schade tot een bedrag van € 300,- en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 juni 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan benadeelde partij voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 300,-. te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 juni 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door zes (6) dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.A.M. van der Heijden, voorzitter,

mr. F.W. van Dongen en mr. M.M.J. de Jager - Koedooder, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Zeeman,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 september 2021.

Mr. de Jager – Koedooder is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342.