Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:8153

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
21-09-2021
Zaaknummer
8902426 \ CV EXPL 20-10108
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:RBNHO:2021:7344
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis. Bewijsopdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8902426 \ CV EXPL 20-10108

Uitspraakdatum: 4 mei 2021

Tussenvonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eiser

verder te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. ing. E.W.M. Aalsma

tegen

Start Home Rentals Spijkenisse B.V.

gevestigd te Rotterdam

gedaagde

verder te noemen: Start Home

gemachtigde: dhr. [vertegenwoordiger]

1 Het verdere procesverloop

1.1.

Naar aanleiding van hetgeen de kantonrechter bij tussenvonnis van 31 maart 2021 heeft opgedragen, is op de rolzitting van 7 april 2021 een volmacht van Start Home aan [vertegenwoordiger] overgelegd met daarbij een aantal uittreksels van de Kamer van Koophandel en een kopie van het paspoort van de heer [vertegenwoordiger] .

2 Verstek of tegenspraak?

2.1.

De kantonrechter blijft bij wat in het tussenvonnis is overwogen en beslist. Naar het oordeel van de kantonrechter volgt uit de naar aanleiding van het tussenvonnis overgelegde stukken dat [vertegenwoordiger] bevoegd is en was om Start Home in rechte te vertegenwoordigen, zodat de kantonrechter het mondelinge antwoord en de dupliek van [vertegenwoordiger] /Start Home bij de beoordeling zal betrekken en een vonnis op tegenspraak zal wijzen.

2.2.

Daarbij merkt de kantonrechter nog op dat [eiser] zich in de laatste akte op het standpunt stelt dat Start Home diverse punten die [eiser] bij repliek heeft gesteld, niet heeft betwist, zodat die punten vaststaan. [eiser] had die punten echter al genoemd in de dagvaarding en heeft ze bij repliek slechts herhaald en hooguit iets nader toegelicht. Bij antwoord zijn die punten al door Start Home betwist. Het enkele feit dat Start Home haar betwisting niet expliciet herhaalt bij dupliek, maakt daarom niet dat die feiten nu vaststaan. Overigens verwijst Start Home wel expliciet naar het mondeling antwoord doordat zij het mondeling antwoord bij dupliek overlegt als zijnde het standpunt van Start Home. In zoverre betwist Start Home de punten van [eiser] wel expliciet opnieuw.

3. De feiten

3.1.

Vanaf 6 januari 2013 verhuurt [eiser] een woning, gelegen aan [adres] (hierna: de woning). In december 2012 is daartoe een schriftelijke huurovereenkomst gesloten tussen [eiser] als verhuurder en BIS Plettac sp.z o.o. als huurder.

3.2.

Van 6 januari 2013 tot 1 juli 2020 is de huur voor de woning op grond van een overeenkomst tussen [eiser] en Start Home steeds door Start Home aan [eiser] betaald.

3.3.

[eiser] heeft Start Home bij mail van 23 juli 2020 een “Afrekening energie en water en internet [adres] tot 1 juli 2020” gestuurd en aangegeven dat Start Home € 4.713,57 aan [eiser] moet betalen. Op de afrekening staan de volgende posten vermeld:

  • -

    Verbruik water € 36,29

  • -

    Verbruik elektra € 413,20

  • -

    Gas € 2.433,52

  • -

    Internet € 290,00

  • -

    Huurverhoging € 281,25

  • -

    Huur juni € 1.283,75

  • -

    Betaald borg -/- € 1.100,00

  • -

    Betaald 5x € 300 -/- € 1.500,00

  • -

    Internet 2018 € 530,76

  • -

    Internet 2019 € 580,80

  • -

    Water 2018 € 364,00

  • -

    Schoonmaakkosten € 900,00

3.4.

Start Home heeft tot op heden niets van de afrekening aan [eiser] betaald.

4 De vordering

4.1.

[eiser] vordert dat de kantonrechter Start Home veroordeelt tot betaling van:

  • -

    € 4.713,57, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 26 augustus 2020 c.q. 24 september 2020;

  • -

    primair de werkelijk door [eiser] gemaakte gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten, thans begroot op € 3.000,00, vermeerderd met de wettelijke handelsrente, en subsidiair tot betaling van de buitengerechtelijke kosten, begroot volgens de staffel van het besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente;

  • -

    de proceskosten en de nakosten.

4.2.

[eiser] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat tussen partijen een overeenkomst bestaat voor het verrichten van enkele diensten op grond waarvan Start Home alle op de afrekening van 23 juli 2020 genoemde posten aan [eiser] moet betalen. Deze overeenkomst is niet de inhuurovereenkomst die bij de dagvaarding in productie 4 is overgelegd (hierna: de inhuurovereenkomst). De handtekening onder de inhuurovereenkomst is namelijk niet van [eiser] . Daarnaast heeft [eiser] de stelling van Start Home dat de woning gezamenlijk is opgeleverd en dat daarbij niet is gesproken over de schoonmaakkosten, betwist: de woning is niet gezamenlijk opgeleverd en dusdanig vervuild achter gelaten dat [eiser] kosten moest maken om de gehele woning schoon te maken, welke kosten Start Home daarom ook verschuldigd is. [eiser] heeft bij repliek onder meer nog aangegeven dat Start Home de proceskosten verschuldigd is omdat Start Home geen enkele betaling heeft gedaan en dat terwijl Start Home wel erkent dat zij een deel van de vordering dient te betalen. Deze procedure is dus niet nodeloos geweest. Ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten merkt [eiser] op dat alleen al aan het maken van de conclusie van repliek 10,5 uur van € 200,00 excl. BTW zijn besteed. De uren zien op de mailwisseling met Start Home, het opstellen van de dagvaarding en de daarmee samenhangende correspondentie. In totaal een bedrag van € 2.541,00 incl. BTW.

5 Het verweer

5.1.

Start Home betwist de vordering (gedeeltelijk). Zij voert aan – samengevat – dat als [eiser] zich op het standpunt stelt dat de inhuurovereenkomst niet van toepassing is, nog altijd de huurovereenkomst met BIS Plettac sp.z o.o. als huurder geldt, zodat [eiser] zijn vordering bij BIS Plettac sp.z o.o. moet neerleggen en niet bij Start Home. Subsidiair, voor het geval de inhuurovereenkomst wel van toepassing zou zijn, stelt Start Home zich op het standpunt dat de woning gezamenlijk is opgeleverd en dat toen niet over schoonmaakkosten is gesproken, zodat Start Home de schoonmaakkosten niet verschuldigd is. Ook is Start Home de internetkosten niet verschuldigd, omdat uit artikel 6 van de inhuurovereenkomst volgt dat de internetkosten bij de huur zijn inbegrepen. Primair stelt Start Home zich zodoende op het standpunt dat zij niets aan [eiser] verschuldigd is, subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat zij de hoofdsom minus de schoonmaakkosten en de internetkosten verschuldigd is. Dit komt neer op een bedrag van € 2.212,01. De buitengerechtelijke kosten is Start Home niet verschuldigd, omdat deze onnodig zijn gemaakt en niet zijn gespecificeerd. Ook de proceskosten zijn niet verschuldigd omdat deze procedure nodeloos is.

6 De beoordeling

6.1.

De kantonrechter begrijpt de stellingen van Start Home aldus dat, als [eiser] van mening is dat de inhuurovereenkomst niet door hem is ondertekend en dus niet geldt, er helemaal geen overeenkomst tussen partijen bestaat en Start Home dus niets aan [eiser] verschuldigd is. Dit strookt echter niet met het standpunt dat Start Home daarnaast ook inneemt dat Start Home in 2018 zelf de woning is gaan huren van [eiser] , terwijl Start Home evenmin betwist dat zij de huur tot 1 juli 2020 heeft betaald. Subsidiair geeft Start Home bovendien aan dat zij van mening is dat de inhuurovereenkomst tussen partijen van toepassing is en dat zij op grond daarvan bereid is alle kosten op de afrekening te betalen, behalve de internet- en de schoonmaakkosten. Dit alles duidt in elk geval op het bestaan van een overeenkomst tussen [eiser] en Start Home.

6.2.

Gelet op het vorenstaande is de conclusie dat in elk geval vaststaat dat er een overeenkomst is tussen partijen op grond waarvan Start Home alle kosten vermeld op de afrekening moet betalen, behalve de internet- en de schoonmaakkosten. In zoverre kan dat deel van de vordering worden toegewezen. Het enkele feit dat [eiser] betwist dat de inhuurovereenkomst de afspraken tussen partijen weergeeft, maakt niet dat er opeens helemaal geen overeenkomst meer zou zijn.

6.3.

Of Start Home daarnaast ook de internetkosten (€ 290,00 + € 530,76 + € 580,80 = € 1.401,56) en de schoonmaakkosten (€ 900,00) moet betalen, hangt af van de afspraken die partijen daarover hebben gemaakt. Nu [eiser] betwist dat de overeenkomst voor het verrichten van enkele diensten waarop hij zijn vordering baseert de inhuurovereenkomst is, terwijl Start Home betwist dat zij de internetkosten verschuldigd is, is het aan [eiser] om voldoende te onderbouwen wat de afspraken tussen partijen ten aanzien van de internetkosten dan wel waren en waaruit blijkt dat Start Home die internetkosten ook verschuldigd is. Ten aanzien van de schoonmaakkosten begrijpt de kantonrechter de stelling van Start Home dat er bij de oplevering van de woning niet over de schoonmaakkosten is gesproken aldus, dat Start Home de woning heeft opgeleverd in dezelfde staat waarin zij de woning bij het aangaan van de huur ook heeft aanvaard. Uit artikel 7:224 van het Burgerlijk Wetboek volgt dat het dan aan [eiser] als verhuurder is om te bewijzen dat de woning in een slechtere staat verkeerde dan bij het aangaan van de huurovereenkomst, dan wel te bewijzen op grond waarvan Start Home de schoonmaakkosten anderszins verschuldigd is. Aangezien op [eiser] de bewijslast van deze stellingen rust, zal hij overeenkomstig zijn bewijsaanbod in de gelegenheid worden gesteld zijn stellingen te bewijzen.

6.4.

De kantonrechter houdt iedere verdere beslissing aan.

7 De beslissing

De kantonrechter:

7.1.

laat [eiser] toe tot bewijs van zijn stellingen dat Start Home ook de internetkosten en de schoonmaakkosten, genoemd op de afrekening verschuldigd is, zoals hierboven onder 6.3. nader omschreven;

7.2.

bepaalt dat bewijslevering door middel van het overleggen van stukken plaatsvindt vóór of uiterlijk op de rolzitting van 2 juni 2021 te 10.00 uur;

7.3.

bepaalt dat wanneer [eiser] voor bewijslevering getuigen wil laten horen, uiterlijk op deze rolzitting ook het aantal en de personalia van de getuigen moeten worden opgegeven evenals de verhinderdata van beide partijen, de gemachtigden en - voor zover mogelijk - van de getuigen. Daarna zal een tijdstip voor het verhoor worden bepaald;

7.4.

bepaald dat uitstel in beginsel niet wordt verleend. Bij het ontbreken van tijdig bericht van [eiser] wordt er van uitgegaan dat hij geen gebruik wenst te maken van de gelegenheid tot bewijslevering.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. Jansen en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter